CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. GULMANN
van 11 november 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Verzoeksters, beide als douane-expediteur werkzaam in Nederland, voerden in 1982 verschillende partijen honing uit Jamaica in. Zij legden de in de Overeenkomst van Lomé bedoelde certificaten over waaruit bleek dat de honing afkomstig was uit Jamaica, zodat over de invoer niet de gewone douanerechten hoefden te worden betaald.
2.
De Commissie stelde eind 1984 een onderzoek in op Jamaica, waaruit bleek dat jarenlang ten onrechte certificaten van oorsprong waren afgegeven. Nadat de Jamaïcaanse autoriteiten zelf een onderzoek hadden ingesteld, deelden zij de Commissie op 5 december 1984 mee, dat bepaalde certificaten van oorsprong, waaronder die welke door verzoeksters waren overgelegd, ten onrechte waren afgegeven en derhalve waren ingetrokken.
Die intrekking had tot gevolg, dat de Nederlandse autoriteiten in 1985 overgingen tot de navordering van invoerrechten tegen het normale tarief over de door verzoeksters ingevoerde honing. Onmiddellijk dienden verzoeksters bij de Nederlandse autoriteiten een verzoek in om vrijstelling overeenkomstig artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad betreffende vrijstelling of kwijtschelding van in-of uitvoerrechten (hierna: „basisverordening”). ( 1 ) Dit verzoek werd afgewezen. Verzoeksters stelden beroep in bij de Tariefcommissie te Amsterdam, die de afwijzende beschikkingen vernietigde en bepaalde, dat de verzoeken aan de Commissie moesten worden voorgelegd. De Taricfcommissic wees erop, dat ingevolge het geldende gemeenschapsrecht alle overeenkomstig artikel 13 ingediende verzoeken om vrijstelling aan de Commissie moesten worden voorgelegd.
Daarop legden de Nederlandse autoriteiten de verzoeken aan de Commissie voor, die na ruim vijf maanden beschikte, dat vrijstelling niet gerechtvaardigd was. De Commissie gaf haar beschikkingen krachtens de in verordening (EEG) nr. 1672/82 ( 2 ) neergelegde versie van artikel 13, luidend als volgt:
„Tot terugbetaling (...) kan worden overgegaan in andere dan de in de afdelingen A tot en met D bedoelde situaties die het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden die geen enkele nalatigheid of manipulatie van de zijde van de betrokkene inhouden.” ( 3 )
3.
Verzoeksters vorderen nietigverklaring van deze beschikkingen en voeren daartoe vier middelen aan.
De Commissie, ondersteund door de Nederlandse regering, vordert ongegrondverklaring van de beroepen.
Termijn voor de beschikkingen van de Commissie
4.
Daar verzoeksters de Nederlandse autoriteiten in 1985 hebben verzocht om vrijstelling van invoerrechten, geldt hier verordening (EEG) nr. 1575/80 van de Commissie tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van artikel 13 van de basisverordening, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 945/83 (hierna: „de verordening van 1980”). ( 4 ) Artikel 5, tweede alinea, bepaalde, voor zover voor de beschikkingen van de Commissie van belang, het volgende:
„Deze beschikking dient te worden gegeven binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het in artikel 3, lid 1, bedoelde dossier door de Commissie.”
Volgens artikel 7 van de verordening van 1980 dienden de nationale autoriteiten een gunstig gevolg te geven aan het verzoek van de betrokkene, indien de Commissie binnen de in artikel 5 bedoelde termijn van vier maanden haar beschikking niet had gegeven.
5.
De verordening van 1980 werd per 1 januari 1987 ingetrokken en vervangen door verordening (EEG) nr. 3799/86 van de Commissie tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 4 bis, 6 bis, 11 bis en 13 van de basisverordening (hierna: „de verordening van 1986”). ( 5 ) Deze nieuwe verordening wijzigde de oude regeling op een aantal punten. Voor zover in casu van belang, hield de belangrijkste wijziging in dat de termijn waarbinnen de Commissie haar beschikking moest geven, werd verlengd tot zes maanden (artikel 8, tweede alinea).
6.
Verzoeksters betogen, dat de Commissie gehouden was hun verzoeken om vrijstelling te behandelen volgens de termijnvoorschriften zoals die golden op de datum waarop de navorderingsaanslagen werden vastgesteld, dat wil zeggen binnen de in de verordening van 1980 gestelde termijn van vier maanden. Daar de Commissie binnen die termijn geen beschikking had gegeven, waren de Nederlandse autoriteiten, aldus verzoeksters, gehouden hun verzoek in te willigen. Daarmee waren de bestreden beschikkingen zonder voorwerp geraakt, zodat zij nietig moeten worden verklaard.
De Commissie en de Nederlandse regering antwoorden hierop, dat de in de verordening van 1986 neergelegde procedurevoorschriften moeten worden toegepast, daar de verzoeken om vrijstelling na de inwerkingtreding van deze verordening, op 1 januari 1987, aan de Commissie zijn voorgelegd. Zij leiden hieruit af, dat de beschikkingen van de Commissie zijn gegeven binnen de — verlengde — termijn van zes maanden.
7.
Volgens de rechtspraak van het Hof moeten materiële rechtsregels worden geacht ten aanzien van vóór hun inwerkingtreding ontstane situaties slechts te gelden, voor zover er voldoende zekere aanwijzingen bestaan, dat deze terugwerkende kracht door de wetgever bedoeld was; voor procedureregels geldt het tegenovergestelde uitgangspunt. Procedureregels moeten doorgaans worden geacht ook te gelden voor rechtsverhoudingen die vóór hun inwerkingtreding reeds bestonden. ( 6 )
Verzoeksters betogen, dat dit uitgangspunt op de onderhavige zaken niet kan worden toegepast. De betrokken materiële en procedureregels zouden onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zodat zij, wat hun werking in de tijd betreft, niet onafhankelijk van elkaar kunnen worden toegepast. Zij wijzen daartoe op de arresten van het Hof in de zaken Salumi II en Reichelt. ( 7 )
In deze twee zaken ging het om de vraag, of nieuwe gemeenschapswetgeving (in de zaak Reichelt verordening nr. 1430/79), die in de plaats kwam van voorheen bestaande nationale voorschriften, kon worden toegepast op rechtsgedingen die waren ontstaan vóór de inwerkingtreding ervan. Het Hof overwoog het volgende:
„Voor de desbetreffende nationale regelingen stelde [de verordening] een communautaire regeling in de plaats en zij bracht een aantal onlosmakelijk verbonden processuele en materiële regelen, welker bijzondere voorschriften, wat de er ratione temporis aan verbonden gevolgen betreft, niet op zichzelf mogen worden beschouwd” (arrest Salumi II, r. o. 11).
Het Hof weigerde derhalve, aan de nieuwe communautaire regeling terugwerkende kracht toe te kennen. Dit gold zowel voor de materiële als voor de procedureregels. Wat de materiële regels betreft, was dit resultaat in overeenstemming met het algemene uitgangspunt van het Hof, en het lijkt niet meer dan normaal dat aan de procedureregels geen eerdere werking kan worden toegekend dan aan de materiële regels waarmee zij verbonden zijn.
Mijns inziens kan uit deze rechtspraak geen conclusie worden getrokken voor de kern van de onderhavige zaak, te weten of de Commissie de verzoeken om vrijstelling moest behandelen op basis van de procedureregels die golden toen de verzoeken aan haar werden voorgelegd, of op basis van de procedureregels die golden op de datum waarop verzoeksters zich tot de Nederlandse autoriteiten hebben gewend, waarbij als vaststaand moet worden aangenomen, dat de op laatstbedoelde datum geldende materiële regels moeten worden toegepast.
8.
In casu gaat het om de vraag, of er tussen de relevante materiële en procedureregels een zodanige samenhang bestaat, dat de in de verordening van 1980 gestelde termijn van vier maanden moet worden toegepast. Om te beslissen of de relevante materiële en procedureregels „onlos makelijk verbonden” zijn, is het niet zozeer de vraag, of die respectieve regels zijn neergelegd in verschillende verordeningen of in verschillende hoofdstukken van dezelfde verordeningen. Het is veeleer de vraag, in hoeverre er een zodanige innerlijke samenhang bestaat tussen de materiële en de procedurele regels, dat de toepassing van nieuwe procedureregels directe of indirecte invloed zal hebben op de inhoud en de draagwijdte van de materiële regels. Er is geen reden om af te wijken van het algemene uitgangspunt inzake de werking ratione temporis van procedureregels, tenzij men kan aantonen dat dit uitgangspunt een dergelijke invloed op de toepassing van de materiële regels zal kunnen hebben. Verzoeksters hebben niet aangetoond, dat dit in de onderhavige zaken het geval is. Bijgevolg moet in deze zaak het algemene uitgangspunt inzake de werking ratione temporis van procedureregels toepassing vinden. ( 8 )
Verzoeksters' eerste middel is derhalve ongegrond.
De motivering van de beschikkingen van de Commissie
9.
Verzoeksters betogen, dat de beschikkingen niet voldoen aan het motiveringsvereiste van artikel 190 EEG-Verdrag. Zij menen dat de verwijzing door de Commissie naar het arrest van Gend & Loos ( 9 ) een onvoldoende en bovendien onjuiste motivering vormt. Huns inziens kan de Commissie niet volstaan met te verwijzen naar een arrest zonder aan te geven, waarom dat arrest relevant is; bovendien heeft de Commissie ten onrechte geoordeeld, dat dit arrest voor het onderhavige geval relevant is.
10.
De motivering van de beschikkingen bevat een uiteenzetting van de feitelijke en juridische achtergrond van de verzoeken om vrijstelling en besluit met de volgende overwegingen:
„Overwegende dat de aangever een douaneexpediteur is die de formaliteiten in verband met het in het vrije verkeer brengen van de goederen voor rekening van derden, doch in eigen naam heeft verricht en dat hij zelf de verplichting op zich heeft genomen de eventueel voor de aangegeven goederen verschuldigde rechten bij invoer te voldoen;
Overwegende dat hij zodoende aansprakelijk is, zowel voor de betaling van de rechten bij invoer als voor de regelmatigheid van de documenten welke hij tot staving van de aangifte tot in het vrije verkeer brengen aan de douaneautoriteiten heeft overgelegd;
Overwegende dat het ontvangen van ongeldige of naderhand door de bevoegde autoriteiten ongeldig gemaakte certificaten niet kan worden beschouwd als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 die een terugbetaling van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer kan rechtvaardigen, aangezien de goede trouw aangaande deze certificaten en de juistheid van de er in voorkomende gegevens in het algemeen niet gegarandeerd zijn, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie in de zaken 98/83 en 230/83;
Overwegende dat het derhalve niet gerechtvaardigd is in dit geval de gevraagde terugbetaling van de rechten bij invoer toe te staan.”
De Commissie overweegt dat het voor de vraag of vrijstelling kan worden verleend, niet van belang is dat de navordering is opgelegd aan een douane-expediteur, waarna zij verklaart dat er geen sprake is van een „buitengewone omstandigheid” in de zin van artikel 13, indien invoerrechten worden nagevorderd omdat certificaten ten onrechte blijken te zijn afgegeven. Tot staving van deze opvatting wijst de Commissie op het arrest van het Hof in bovengenoemde zaak.
Dit voldoet aan de vereisten die in een zaak als de onderhavige aan de motivering moeten worden gesteld.
11.
Dan moet thans worden onderzocht, of de motivering, zoals verzoeksters stellen, materieel onjuist is op grond dat er dermate wezenlijke verschillen zijn tussen de zaak Van Gend & Loos en de onderhavige zaken, dat op dat arrest geen beroep kan worden gedaan voor de stelling, dat er in casu geen sprake is van een „buitengewone omstandigheid” in de zin van artikel 13.
Het Hof overwoog in het arrest Van Gend Sc Loos dat van een „buitengewone omstandigheid” slechts sprake zou zijn
„indien de van buiten komende oorzaak waarop de justitiabelen zich beroepen, zo onstuitbare en onontkoombare gevolgen had, dat het voor de betrokkenen objectief onmogelijk werd hun verplichtingen na te komen”.
Waarna het Hof het volgende vaststelde:
„Bij bedrijven met grote ervaring, zoals verzoeksters, is het feit dat hun ongeldige certificaten van oorsprong worden aangeboden, niet te beschouwen als iets wat — ondanks alle betrachte diligentic — onvoorzienbaar en onvermijdelijk is. Een douane-expediteur stelt zich door het uitoefenen van zijn werkzaamheden op zichzelf reeds aansprakelijk zowel voor de betaling van de invoerrechten als voor de regelmatigheid van de door hem aan de douane-instanties voorgelegde documenten. Ten aanzien van het argument van verzoeksters, dat zij hun schade niet op hun opdrachtgevers konden verhalen omdat dezen failliet waren gegaan, moet worden opgemerkt dat artikel 13 van verordening nr. 1430/79 uiteraard niet bedoeld is om douane-expediteurs tegen het faillissement van hun cliënten te beschermen.
Al evenzeer faalt de stelling van verzoeksters, dat het feit dat de certificaten van oorsprong of herkomst door de douaneautoriteiten van de daarin vermelde landen waren afgegeven, een ‚buitengewone omstandigheid’ in de zin van voornoemd artikel 13 oplevert. Door te oordelen dat een dergelijke omstandigheid een van de bedrijfsrisico's is waaraan een douane-expediteur wegens de aard van zijn werkzaamheden blootstaat, heeft de Commissie de haar door artikel 13 van verordening nr. 1430/79 gelaten beoordelingsmarge niet overschreden” (r. o. 16 en 17).
Naar mijn oordeel stellen verzoeksters zich ten onrechte op het standpunt, dat de Commissie haar motivering in casu niet kan doen steunen op dit arrest. De door verzoeksters aangevoerde verschillen tussen de zaak Van Gend & Loos en de onderhavige zaken bestaan niet. Het ligt mijns inziens voor de hand, dat aan de omvang van het bedrijf van de douane-expediteur en aan diens al dan niet ruime ervaring geen betekenis kan worden gehecht. Bepalend is, of het bedrijf is toegelaten als douane-expediteur. Het is voorts irrelevant, of invoerrechten worden nagevorderd op grond dat het document waarmee vrijstelling werd verkregen, blijkt te zijn vervalst, of op grond dat het is ingetrokken omdat de voorwaarden voor afgifte ervan niet vervuld bleken te zijn. In beide gevallen is doorslaggevend, dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling, een risico dat ook een importeur te goeder trouw moet dragen.
Uit het arrest Van Gend & Loos blijkt voorts, dat de goede trouw van verzoeksters met betrekking tot de juistheid van de certificaten van oorsprong niet van invloed is op de vraag, of er sprake is van een „buitengewone omstandigheid”.
Evenmin relevant is verzoeksters' opmerking, dat niet bewezen is dat de ingevoerde honing in werkelijkheid niet van oorsprong was uit Jamaica of een andere ACS-Staat, alleen al omdat slechts vrijstelling kan worden verkregen wanneer de importeur aantoont dat de ingevoerde goederen van oorsprong zijn uit een ACS-Staat. Daar komt bij, dat deze vraag betrekking heeft op de wettigheid van de intrekking der certificaten van oorsprong, zodat hieraan geen argument kan worden ontleend ten betoge dat de beslissing van de Commissie dat terugbetaling van invoerrechten niet gerechtvaardigd was, onwettig zou zijn. In dit verband zij verwezen naar het arrest van het Hof in de zaak Cerealmangimi en Italgrani ( 10 ), dat betrekking had op artikel 13 van de basisverordening en waarin het Hof overwoog:
„dat verzoeksters tegen de bestreden beschikking slechts middelen kunnen aanvoeren die zijn ontleend aan het bestaan van buitengewone omstandigheden en het ontbreken van nalatigheid of manipulatie hunnerzijds, maar geen middelen ontleend aan onwettigheid van de beschikking waarbij van hen betaling van de betwiste rechten wordt verlangd.”
12.
Het middel inzake gebrekkige motivering van de beschikkingen moet derhalve worden verworpen.
Onwettigheid van de beschikkingen als gevolg van de door de Commissie op Jamaica uitgevoerde controle
13.
Verzoeksters betogen, dat de intrekking van de certificaten van oorsprong onwettig is, omdat zij is gebaseerd op de door de Commissie op Jamaica uitgevoerde controle; die controle was huns inziens onwettig wegens strijd met de tweede Overeenkomst van Lomé, meer in het bijzonder artikel 25 van Protocol nr. 1. ( 11 )
Dit middel moet ongegrond worden verklaard. Het heeft betrekking op de wettigheid van de navorderingsaanslagen van de Nederlandse autoriteiten en kan, gelet op voornoemd arrest in de zaak Cerealmangimi en Italgrani, in de onderhavige zaak niet worden aangevoerd. Het is ook materieel gezien onhoudbaar. De Commissie bestrijdt weliswaar niet, dat zij de in artikel 25 van Protocol nr. 1 voorgeschreven procedure niet heeft gevolgd, maar verzoeksters hebben geenszins aangetoond dat de Commissie in strijd met de tweede Overeenkomst van Lomé heeft gehandeld door in een ACS-Staat een onderzoek in te stellen naar de vraag, of zich bij de afgifte van certificaten van oorsprong onregelmatigheden hadden voorgedaan. Dergelijke controles vinden uiteraard plaats na overleg met de autoriteiten van de betrokken ACS-Staat.
Het niet horen van verzoeksters
14.
Volgens verzoeksters zijn de bestreden beschikkingen niet vastgesteld met inachtneming van de door het gemeenschapsrecht, onder meer gezien in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, voorgeschreven procedurele garanties. Zij wijzen erop, dat zij niet in staat zijn gesteld, hun standpunten rechtstreeks ten overstaan van de Commissie geldend te maken, en dat zij niet in kennis zijn gesteld van alle gegevens die voor de vaststelling van de bestreden beschikkingen van belang zijn geweest.
Reeds in het arrest van 17 maart 1983 (Control Data) ( 12 ) en in voornoemd arrest Van Gcnd Sc Loos heeft het Hof zich over een soortgelijk middel kunnen uitspreken. Het Hof wees erop, dat de Commissie de in de betrokken verordeningen voorgeschreven procedures had gevolgd. Het ging in die zaken, evenals in de onderhavige, om gevallen waarin
—
het bedrijf bij de nationale autoriteiten een aanvraag had ingediend ter verkrijging van vrijstelling van invoerrechten;
—
de aanvragen het standpunt van de verzoeksters weergaven en vergezeld gingen van de noodzakelijke bewijsstukken dat de voorwaarden voor verkrijging van vrijstelling vervuld waren;
—
de aanvragen werden voorgelegd aan de Commissie, die, alvorens te beschikken, een uit vertegenwoordigers van de Lid-Statcn bestaand comité raadpleegde.
Het Hof overwoog in deze arresten, dat deze procedure verzoeksters voldoende in de gelegenheid stelde om hun standpunten ten overstaan van de nationale autoriteiten kenbaar te maken. Het concludeerde dan ook, dat „de grief ontleend aan het bestaan van een vormgebrek, [diende] te worden afgewezen”. ( 13 )
Verzoeksters in de onderhavige zaken bestrijden in zoverre niet, dat de in de betrokken verordeningen voorgeschreven procedure is gevolgd en dat het Hof in de arresten Van Gend & Loos en Control Data een standpunt heeft ingenomen over middelen die ook in de onderhavige zaken worden aangevoerd. Zij zijn evenwel van oordeel, dat het Hof zijn uitspraak in die twee zaken opnieuw in overweging zou moeten nemen, onder meer gelet op zijn latere rechtspraak inzake het belang van een nauwgezette eerbiediging van het recht op verweer. Zij verwijzen hiertoe naar een reeks arresten, waaronder de arresten van 27 juni 1991 (Al-Jubail) en 12 februari 1992 (PTT Nederland). ( 14 )
Verzoeksters hebben geen elementen aangevoerd op grond waarvan de rechtspraak van het Hof neergelegd in de arresten Van Gend & Loos en Contol Data zou moeten worden gewijzigd. Er is evenmin strijd tussen deze arresten en de rechtspraak in antidumpingen mededingingszaken, waarnaar verzoeksters ook nog verwijzen. Het Hof heeft steeds beklemtoond, dat het gemeenschapsrecht de strikte inachtneming van het recht op verweer verlangt, maar het is duidelijk dat dit recht niet in alle soorten zaken dezelfde betekenis heeft. Het heeft een bijzondere betekenis in zaken waarin de communautaire autoriteiten van oordeel zijn dat de betrokken onderneming het gemeenschapsrecht heeft geschonden en dat naar aanleiding daarvan tegen die onderneming kan worden opgetreden. In gevallen daarentegen waarin de betrokken onderneming zelf om vrijstelling van invoerrechten verzoekt, kan er echter niet meer betekenis aan worden toegekend dan die welke voortvloeit uit de betrokken bepalingen van gemeenschapsrecht en die het Hof voldoende acht.
15.
In casu kan er van worden uitgegaan, dat verzoeksters alle argumenten die voor vrijstelling van invoerrechten konden worden aangevoerd, hebben uiteengezet in hun verzoeken aan de nationale autoriteiten. De daaropvolgende behandeling van die verzoeken is niet van dien aard, dat verzoeksters in de gelegenheid moesten worden gesteld nieuwe argumenten aan te voeren. Ter terechtzitting hebben verzoeksters te kennen gegeven, dat tussen de indiening van hun verzoeken en de behandeling daarvan door de Commissie geen feiten aan het licht zijn gekomen waarvan zij in hun verzoeken om vrijstelling geen melding hadden kunnen maken. Voorts hadden verzoeksters, die wisten dat hun zaak bij de Commissie in behandeling was, de in hun verzoeken aangevoerde argumenten zonder probleem hebben kunnen aanvullen. Een dergelijk aanvullend argument hadden zij in het gegeven geval op goede gronden kunnen ontlenen aan het zeer lange tijdsverloop tussen de indiening van hun verzoeken bij de Nederlandse autoriteiten en de voorlegging daarvan aan de Commissie.
16.
Op grond van het voorgaande komt het mij voor, dat de middelen van verzoeksters ongegrond moeten worden verklaard.
Conclusie
17.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de beroepen te verwerpen en verzoeksters te verwijzen in de kosten van de procedure, met dien verstande dat het Koninkrijk der Nederlanden zijn eigen kosten zal dragen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) PB 1979, L 175, blz. 1.
( 2 ) PB 1982, L 186, blz. 1.
( 3 ) Bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad (PB 1986, L 286, blz. 1) werd artikel 13 vervangen door de volgende bepaling:
„Tot terugbetaling (...) kan worden overgegaan in andere bijzondere situaties dan die welke zijn bedoeld in de afdclingcn A tot en met D, die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene inhouden.”
Partijen zijn er over eens, dat de onderhavige zaken moeten worden beslist op grond van artikel 13 zoals neergelegd in de verordening van 1982.
( 4 ) PB 1980, L 161, blz. 13, en PB 1983, L 104, blz. 14.
( 5 ) PB 1986, L 352, blz. 19.
( 6 ) Zie bij voorbeeld de arresten van 12 november 1981 (gvoegde zaken 212/80-217/80, Salumi II, Jurispr. 1981, blz.2735) en 3 oktober 1985 (zaak 154/84, FKF, Jurispr. 1985, blz. 3165).
( 7 ) Arrest Salumi II, reeds aangehaald in voetnoot 6, en arrest van 27 mei 1982 (zaak 113/81, Reichelt, Jurispr. 1982, blz. 1957).
( 8 ) Verzoeksters' verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Lenz in zaak 148/87 (arrest van 22 september 1988, Frydendahl Pedersen, Jurispr, 1988, blz. 4993), waarin dezelfde voorschriften aan de orde waren als in de onderhavige zaken, is mijns inziens zonder belang. In die zaak sprak het Hof zich niet uit over de vraag, of de verordening van 1986 terugwerkende kracht had. De Commissie en advocaat-generaal Lenz hadden dit punt wel ter sprake gebracht. De zaak Frydendahl Pedersen verschilt op een wezenlijk punt van de onderhavige zaken, namelijk doordat eerstgenoemde zaak betrekking had op een verzoek dat vóór de inwerkingtreding van de verordening van 1986 aan de Commissie was voorgelegd. Verzoekster had betoogd, dat de verordening van 1986 ongeldig was, voor zover zij met terugwerkende kracht zou gelden voor alle aanvragen waarop niet op 1 januari 1987 was beslist. De Commissie en advocaat-generaal Lenz waren het in zoverre met verzoekster eens, dat de nieuwe bepalingen van de verordening van 1986 in het betrokken geval geen terugwerkende kracht hadden. De reden daarvoor was, dat de nieuwe regels niet golden voor de behandeling van zaken die vóór de inwerkingtreding van de verordening al aan de Commissie waren voorgelegd.
( 9 ) Arrest van 13 november 1984 (gevoegde zaken 98/83 en 220/83, Jurispr. 1984, blz. 3763).
( 10 ) Arrest van 12 maart 1987 (gevoegde zaken 244/85 en 245/85, Jurispr. 1985, blz. 1303).
( 11 ) PB 1980, L 347, blz. 73.
( 12 ) Zaak 294/81, Jurispr. 1983, bk. 911.
( 13 ) Arrest Van Gend & Loos, r, o, 9; arrest Control Data r. o. 17.
( 14 ) Zaak 49/88, Jurispr. 1991, blz. I-3187, rcspccticvclijk gevoegde zaken C-48/90 en C-66/90, Jurispr. 1992, blz. I-565.
Full & Egal Universal Law Academy