CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 11 juni 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De prejudiciële vraag die het voorwerp van de onderhavige procedure is, betreft de uitlegging van enkele bepalingen van de communautaire steunregeling voor in de Gemeenschap voortgebrachte en verwerkte oliehoudende zaden. Van deze regeling wil ik hier slechts die aspecten bespreken die voor mijn betoog direct van belang zijn.
De toekenning van steun voor in de Gemeenschap voortgebrachte en verwerkte zaden is geïntroduceerd bij verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten ( 1 ) (artikel 27, lid 1). Verordening (EEG) nr. 2114/71 van de Raad van 28 september 1971 betreffende de steun voor oliehoudende zaden ( 2 ) schrijft vervolgens voor, welke beginselen gelden bij de toekenning van de steun; zij voorziet met name in controle van zaden bestemd voor oliefabrieken (artikel 2, lid 1) en in een certificaat van communautaire steun, dat als bewijs moet dienen van deze controle (artikel 4), welk certificaat „wordt afgegeven op de dag waarop de betrokken Lid-Staat de controle op de zaden in de oliefabriek waar zij worden verwerkt, op zich neemt” (artikel 6, tweede alinea).
De uitvoeringsbepalingen van de steunregeling zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1204/72 van de Commissie van 7 juni 1972. ( 3 ) Ingevolge artikel 3, lid 1, van deze verordening wordt de controle uitgeoefend „vanaf het ogenblik waarop het zaad in de olief abriek aankomt tot het (...) wordt verwerkt”. Artikel 5 van dezelfde verordening bepaalt bovendien, dat het certificaat van communautaire steun met name bestaat uit een „deel, genoemd I. D., waaruit blijkt dat de daarin geïdentificeerde hoeveelheid zaad geoogst in de Gemeenschap is onderworpen aan de controle”. De aanvraag van het deel I. D. „is slechts ontvankelijk indien het zaad uiterlijk op de dag van indiening in de oliefabriek is aangekomen” (artikel 6, lid 2); het certificaat dat hierop betrekking heeft, wordt geacht te zijn afgegeven „op de dag waarop de aanvraag werd ingediend” (artikel 12). Volgens artikel 10 ten slotte „brengt het deel 1. D. van het certificaat de verplichting mede de geïdentificeerde hoeveelheid te verwerken binnen een termijn van 270 dagen na de datum van afgifte”.
Het deel I. D. van de certificaataanvraag speelt bovendien een belangrijke rol bij de vaststelling van het bedrag van de steun. Dit bedrag is namelijk het bedrag dat geldt op de dag waarop de aanvraag van het deel I. D. van het certificaat wordt ingediend (artikel 35, lid 1). ( 4 )
2.
Dan kom ik nu tot de feiten die aan de onderhavige procedure ten grondslag liggen. In 1980 verwerkte de Comptoir National Technique Agricole (hierna: „CNTA”) twee partijen zonnebloemzaad. De aanvraag van het deel I. D. van het certificaat werd echter pas na de verwerking van de betrokken zaden ingediend (naar het schijnt wegens organisatorische problemen bij het bedrijf als gevolg van een brand die enige maanden eerder had plaatsgevonden).
Hoewel het deel I. D. van het certificaat te laat was aangevraagd, stemde de Société interprofessionnelle des oléagineux (hierna: „SIDO”), het voor de toepassing van de onderhavige steunregeling bevoegde nationale orgaan, ermee in de steun te betalen: als voorwaarde voor de betaling eiste zij echter een waarborg, die door de vennootschap Étoile commerciale werd gesteld. Dit voor het geval het EOGFL (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds, afdeling Garantie) niet zou instemmen met de betaling van de steun, welke situatie zich vervolgens inderdaad voordeed, waardoor de borgsom aan SIDO verviel.
Étoile commerciale en CNTA stelden ieder bij het Hof beroep in tegen de weigering van de Commissie om de betrokken steun ten laste van het EOGFL te brengen, waarbij zij nietigverklaring eisten van de beschikking van de Commissie, alsmede vergoeding van de door hen geleden schade. Deze beroepen zijn bij arrest van 7 juli 1987 niet-ontvankelijk verklaard. ( 5 )
3.
Aangezien CNTA van mening was, dat de Commissie de steun die haar reeds door SIDO was betaald ten onrechte niet ten laste van het EOGFL had gebracht en dat de Franse regering de betrokken beschikking had moeten aanvechten — aangezien ondernemers deze mogelijkheid zelf niet hebben—, stelde zij een beroep in bij het Tribunal administratif de Paris waarbij zij de nietigverklaring vorderde van de weigering van de minister van Landbouw om een vergoeding toe te kennen voor de schade die zij had geleden doordat zij het bedrag van de betrokken steun aan SIDO had moeten terugbetalen.
Om nu duidelijkheid te verkrijgen, of de reeds genoemde communautaire regelingen „de toekenning van de steun verbieden, wanneer het certificaat — deel I. D. — aan de bevoegde instantie is toegezonden nadat de voor die steun in aanmerking komende granen zijn vermalen”, heeft het betrokken gerecht zich tot het Hof gewend.
4.
Ik wil meteen opmerken dat de stelling van CNTA, dat zij door het deel I. D. van het certificaat eerst ná de verwerking van de zaden aan te vragen, geen enkele bepaling van de betrokken gemeenschapsregeling zou hebben geschonden, maar hoogstens een eenvoudige administratieve praktijk van SIDO, naar mijn mening niet kan worden aanvaard.
In dit verband wil ik er in de eerste plaats aan herinneren dat het steuncertificaat, waarvan het deel I. D. aantoont dat de zaden onder controle zijn gesteld, ingevolge artikel 6, tweede alinea, van verordening nr. 2114/71 wordt afgegeven op de dag waarop de zaden door de betrokken staat onder controle zijn gesteld en dat het ingevolge artikel 12 van verordening nr. 1204/72 wordt geacht te zijn afgegeven op de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Aangezien redelijkerwijs niet valt in te zien, hoe het certificaat vóór de indiening van de desbetreffende aanvraag zou kunnen worden afgegeven en aangezien de ondercontrolestelling moet plaatshebben op het ogenblik waarop het zaad in de oliefabriek aankomt (artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1204/72), is het zonneklaar dat de ondercontrolestelling en de indiening van de aanvraag in de loop van dezelfde dag moeten plaatsvinden ( 6 ): dat wil zeggen op de dag waarop het zaad in de oliefabriek aankomt. Het staat derhalve vast, dat CNTA de betrokken gemeenschapsregels heeft geschonden.
Ik wil hieraan toevoegen, dat volgens artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1204/72 de steun wordt uitbetaald tegen overlegging van het deel I. D. van het certificaat en nadat de met de controle belaste instantie een verklaring heeft verstrekt, dat het in het certificaat geïdentificeerde zaad tijdens de in artikel 10, lid 1, van deze verordening bedoelde periode is verwerkt, dat wil zeggen binnen 270 dagen na de afgifte van het certificaat. Naar mijn mening maakt deze bepaling zonder meer duidelijk, dat de verwerking van het zaad in geen geval mag plaatsvinden vóór de afgifte van het certificaat en dat dit een voorwaarde is voor de toekenning van de steun.
5.
CNTA betoogt echter, dat de aanvraag van het deel I. D. van het certificaat geen voorwaarde is voor toekenning van de steun, maar slechts dient als referentiepunt voor de vaststelling van het bedrag daarvan. De ondercontrolestelling, die nu juist is bedoeld om de zaden die voor communautaire steun in aanmerking komen, te identificeren, wordt namelijk aangetoond door de „ontvangststaten” die bij aankomst van de zaden worden opgemaakt, en niet door het deel I. D. van het certificaat, waarvan de aanvraag niet meer dan een administratieve formaliteit vormt, bedoeld om de eerder uitgevoerde controle achteraf vast te leggen.
In dit verband wil ik in de eerste plaats opmerken, dat uit de algemene normatieve context zoals ik die hierboven heb beschreven, eerder lijkt voort te vloeien, dat de aanvraag van het deel I. D. van het certificaat geldt als een verzoek aan het bevoegde orgaan de controle op zich te nemen. ( 7 )
Zoals uit de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 2114/71 overigens blijkt, is het steuncertificaat ingevoerd teneinde de „eenvormigheid en doeltreffendheid van de controle op de in de Gemeenschap voortgebrachte zaden te verzekeren”. Vanuit dit gezichtspunt is het feit, dat de „ontvangststaten” van de zaden in de oliefabriek eventueel kunnen bewijzen dat de controle is uitgeoefend, in het geheel niet van belang voor de toekenning van de steun: deze staten zijn immers onderdeel van een zuiver interne praktijk.
Zoals uit artikel 4 van verordening nr. 2114/71 en artikel 5 van verordening nr. 1204/72 duidelijk blijkt, is het deel I. D. van het certificaat daarentegen het enige document dat kan aantonen, dat de zaden onder controle zijn gesteld en dat zij bijgevolg in aanmerking komen voor communautaire steun. Hieruit volgt, dat de aanvraag van het deel I. D. van het certificaat alleen maar kan worden ingediend op de dag waarop de zaden onder controle worden gesteld, dus vóór hun verwerking. Het gaat per saldo om een voorwaarde die voor de toekenning van de steun zelf onmisbaar is.
6.
Nu dit vast staat, moet er eveneens aan worden herinnerd, dat het bedrag van de steun het bedrag is dat geldt op de dag waarop de aanvraag van het deel I. D. van het certificaat wordt ingediend (artikel 35, lid 1, van verordening nr. 1204/72), dat wil zeggen de dag waarop de zaden onder controle worden gesteld (artikel 3 van verordening nr. 2114/71): de dag dus waarop de zaden in de oliefabriek binnenkomen. Aangezien het evident is, dat het hoofddoel van het vrijwel samenvallen van deze handelingen is gelegen in het voorkomen van speculatie ( 8 ), volgt hieruit, dat het niet nakomen van de bestreden verplichting het hele stelsel op losse schroeven zou kunnen zetten. Indien men ondernemers de dag waarop zij de aanvraag indienen, zelf zou laten uitkiezen, zou dit namelijk tot gevolg kunnen hebben dat zij ertoe worden aangezet het meest gunstige moment voor de indiening af te wachten en zich aldus een ongerechtvaardigd voordeel te verschaffen.
Het voorgaande bevestigt, dat voor de goede werking van het betrokken stelsel de termijn die is gesteld voor het onder controle stellen — namelijk zodra de zaden bij de oliefabriek aankomen— en dus voor de indiening van de aanvraag van het deel I. D. van het certificaat, strikt moet worden nageleefd. Zoals het Hof in soortgelijke zaken heeft verklaard ( 9 ), brengt de niet-inachtneming van de gestelde termijn het verlies van het recht op steun mee, ook al bestaan er hieromtrent geen specifieke bepalingen.
7.
In tegenstelling tot hetgeen CNTA heeft aangevoerd, lijkt een dergelijke uitlegging van de betrokken regeling mij niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel zoals het Hof dat herhaaldelijk heeft omschreven ( 10 ), en op grond waarvan moet worden nagegaan, of de aangewende middelen geschikt zijn om het beoogde doel te verwezenlijken en zij niet verder gaan dan nodig is om dit te bereiken.
Zoals ik reeds heb opgemerkt, is de nakoming van de litigieuze verplichting onmisbaar om de goede werking van het door de gemeenschapsinstellingen gecreëerde stelsel van steunverlening te waarborgen, aangezien hierdoor vaststaat, dat de betrokken zaden in aanmerking komen voor de steun, en tevens iedere speculatie wordt voorkomen. Hieruit volgt, dat het verlies van het recht op steun bij niet-nakoming van deze verplichting, voor betrokkenen geen onevenredige straf vormt.
8.
In het licht van de voorgaande beschouwingen geef ik derhalve in overweging, de door het Tribunal administratif de Paris gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„De steun voor oliehoudende zaden, als voorzien in verordening (EEG) nr. 2114/71 van de Raad, kan, overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen neergelegd in verordening (EEG) nr. 1204/72 van de Commissie, slechts worden toegekend onder de voorwaarde, dat de aanvraag van deel I. D. van het certificaat is ingediend op dezelfde dag als waarop de zaden onder controle zijn gesteld, dat wil zeggen voordat zij worden verwerkt.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1966, nr. 172, blz. 3025.
( 2 ) PB 1971, L 222, blz. 2.
( 3 ) PB 1972, L 133, blz. 1.
( 4 ) Zoals gewijzigd bij verordening nr. (EEG) nr. 2980/78 van de Commissie van 18 december 1978, PB 1978, L 355, blz. 17.
( 5 ) Gevoegde zaken 89/86 en 91/86, Étoile commerciale, Jurispr. 1987, blz. 3005.
( 6 ) Dat de dag waarop de aanvraag wordt ingediend, dezelfde is als die waarop het zaad onder controle wordt gesteld, wordt overigens bevestigd door de bepalingen betreffende de vaststelling van het bedrag van de steun (zie de artikelen 3 van verordening nr. 2114/71 en 35 van verordening nr. 1204/72).
( 7 ) Het feit dat aan het indienen van de aanvraag deze betekenis moet worden gehecht volgt, althans volgens de Commissie, duidelijk uit de derde overweging van verordening nr. 2980/78 tot wijziging van verordening nr. 1204/72, waarin wordt gesteld dat „de belanghebbende de aanvraag van het deel I. D. van het certificaat indient waarbij hij vraagt om het zaad in de oliefabriek onder controle te plaatsen”.
( 8 ) Om dezelfde reden bepaalt artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1204/72, dat de aanvraag eerst kan worden ingediend op de dag waarop de zaden in de oliefabriek aankomen.
( 9 ) Zie de arresten van 2 mei 1990, zaak C-357/88, Hopermann I, Jurispr. 1990, blz. I-1669, r. o. 12, en zaak C-358/88, Hopermann II, Jurispr. 1990, blz. I-1687, r. o. 10 en 11.
( 10 ) Zie laatstelijk het arrest van 21 januari 1992, zaak C-319/90, Pressler, Jurispr. 1992, blz. I-203, r. o. 12.
Full & Egal Universal Law Academy