CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
W. VAN GERVEN
van 2 juli 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Onderhavige zaak betreft een zeer punctueel twistpunt, namelijk de interpretatie van een tabel bij artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 374/87 van de Raad van 5 februari 1987 ( 1 ), welke een definitief antidumpingrecht vestigt op de invoer van lagereenheden in kussenblokken (hierna: „lagereenheden”) van oorsprong uit Japan. ( 2 )
Dit probleem is ontstaan in het kader van een geschil tussen de Duitse vennootschap Findling Wälzlager Handelsgesellschaft mbH (hierna: „Findling”) en het Hauptzollamt te Karlsruhe (hierna: het „Hauptzollamt”).
Feitelijke en juridische achtergrond
2.
Bij verordening (EEG) nr. 2516/86 van 4 augustus 1986 ( 3 ) stelde de Commissie een voorlopig anti-dumpingrecht in op de invoer van lagereenheden van oorsprong uit Japan. Deze verordening werd door de Raad bevestigd in verordening nr. 374/87. Artikel 1, lid 3, van deze laatste verordening luidt als volgt:
„De hoogte van het anti-dumpingrecht, uitgedrukt als percentage van de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, wordt als volgt vastgesteld:
Exporteurs
Produkten vervaardigd door:
Fabrieksmerk of handelsmerk
Percentages
1. Asahi Seiko Co. Ltd
Asahi Seiko Co. Ltd
ASAHI
4,58
2. Koyo Seiko Co.
Nippon Pillow Block Manufacturing Co.
KOYO
7,33
3. Nachi Fujikoshi Corp.
Asahi Seiko Co. Ltd
NACHI
2,24
4. Nippon Pillow Block Sales Co. Ltd
Nippon Pillow Block Manufacturing Co.
FYH
3,77
5. Nippon Seiko KK
Nippon Seiko KK
NSK
13,39
6. NTN Toyo Bearing Ltd
NTN Toyo Bearing Ltd
NTN
11,22
7. Showa Pillow Block Mfg. Co. Ltd
Showa Pillow Block Mfg. Co. Ltd
NBR
3,99
8. Andere
13,39”
3.
Findling importeert sinds 1963 kogellagers uit Japan. Op 28 maart 1988 diende zij de nodige douanedocumenten in met het oog op de invoer van lagereenheden van het merk Nachi, vervaardigd door de Japanse vennootschap Asahi Seiko Co. Ltd (hierna: „Asahi”) op bestelling van een andere Japanse vennootschap, Nachi Fujikoshi Corp. (hierna: „Nachi”). De lagereenheden werden haar verkocht door de Japanse vennootschappen Gloria International Corp. (hierna: „Gloria”) en Ehara Industries Ltd (hierna: „Ehara”). Voor deze importen werd onder meer een anti-dumpingrecht van 13,39 % voor een totaalbedrag van 6789,58 DM geheven.
Na vergeefs een bezwaarschrift te hebben ingediend, ging Findling in beroep tegen de beslissing van het Hauptzollamt voor het Finanzgericht te Baden-Württemberg (hierna: „de verwijzende rechter”). Zij voert aan dat de — op verordening nr. 374/87 gebaseerde — heffing van antidumpingrechten onwettig was. Weliswaar zijn de exporteurs Gloria en Ehara volgens de bewoordingen van de tabel bij artikel 1, lid 3, van verordening nr. 374/87 „andere exporteurs”. De daaruit voortvloeiende toepassing van een anti-dumpingrecht van 13,39 % zou evenwel een ongerechtvaardigde discriminatie ten nadele van Findling vormen, daar ingeval Nachi zelf Nachi-lagereenheden uitvoert, een anti-dumpingrecht van slechts 2,24 % (zie tabel, sub 3) wordt toegepast. Verordening nr. 374/87 zou slechts de uitvoer betreffen van exporterende producenten respectievelijk — zoals in het geval van Nachi — exporteurs die weliswaar andere kogellagers maar geen lagereenheden produceren en deze ter vervollediging van hun assortiment bij andere producenten laten vervaardigen. De exporteurs Gloria en Ehara produceren kogellagers noch lagereenheden, en kochten met name de in casu bedoelde lagereenheden op de Japanse binnenlandse markt tegen marktprijzen in, om ze met winst aan Findling door te verkopen. Volgens Findling zou het volstaan te bewijzen dat de lagereenheden vervaardigd werden door of voor Nachi, om het op deze laatste toepasselijke anti-dumpingtarief van 2,24 % toe te passen.
Het Hauptzollamt daarentegen houdt het bij een letterlijke lezing van de tabel bij artikel 1, lid 3, van verordening nr. 374/87: de bewoordingen hiervan nopen tot toepassing van een anti-dumpingrecht van 13,39 %.
4.
In de verwijzingsbeschikking wordt er nog op gewezen dat de Commissie aanvankelijk — zo blijkt uit een telexbericht van 16 september 1988 aan het Bondsministerie van Economische zaken, alsook, naar verluidt, uit een brief van 18 oktober 1988 aan Findling, daar echter met betrekking tot een andere verordening— de opvatting van het Hauptzollamt deelde. Echter, in brieven aan de verwijzende rechter van 12 maart en 29 oktober 1990, alsook in een brief van 13 maart 1990 aan het Bondsministerie van Economische zaken, stelde de Commissie dat de exporteurs Gloria en Ehara louter „intermediaire vennootschappen” (tussenhandelaren, handelshuizen) zijn die niet aan een afzonderlijk anti-dumpingrecht zijn onderworpen. Bij gebrek aan zulk apart anti-dumpingtarief zou het erop aankomen het antidumpingrecht toe te passen dat voor de producent of de exporterende producent van lagereenheden is voorzien. De tabel bij artikel 1, lid 3, van verordening nr. 374/87 zou tot doel hebben, aldus de Commissie nog in deze correspondentie, niet voor exporteurs, maar voor exporterende producenten specifieke tarieven vast te stellen.
Ten slotte maakt de verwijzende rechter melding van een brief van 15 april 1991 aan het Bondsministerie van Economische zaken, waarin de Commissie onderhavige zaak beschouwt in haar globale samenhang met de regelingen in andere anti-dumpingverordeningen betreffende de invoer van kussenblokken van verschillende aard. De Commissie en de Raad, aldus dit schrijven, huldigden in alle antidumpingprocedures dienaangaande principieel de opvatting dat aan handelshuizen (intermediaire vennootschappen, tussenhandelaren) niet de hoedanigheid van zelfstandig exporteur kon worden toegekend. Bovendien, zo merkt de Commissie op, werd in verordening (EEG) nr. 1739/85 van de Raad van 24 juni 1985 (anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten kogellagers en kegellagers van oorsprong uit Japan) ( 4 ) rekening gehouden met de moeilijkheden waarop men stootte bij de toepassing van verordening (EEG) nr. 2089/84 van de Raad van 19 juli 1984 (anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde kogellagers van oorsprong uit Japan en Singapore). ( 5 ) Hiertoe houdt artikel 1 van verordening nr. 1739/85 voor de toepassing van een individueel anti-dumpingtarief rekening met de produktie van de ingevoerde waren. Dit betekent dat, indien de importeur kan bewijzen dat uit Japan ingevoerde kussenblokken respectievelijk lagereenheden door een in de toepasselijke anti-dumpingverordeningen specifiek genoemde Japanse producent werden vervaardigd, het voor de produkten van deze laatste vastgestelde specifieke anti-dumpingtarief moet worden toegepast.
5.
Van oordeel dat het hier om een gemeenschapsrechtelijk uitleggingsprobleem gaat, legde de verwijzende rechter het Hof bij beschikking van 7 mei 1991 twee vragen voor:
„1)
Moet de tabel in artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 374/87 aldus worden uitgelegd, dat het voor toepassing van de naast de fabrikaten in kolom 3, sub I-7, vermelde individuele tarieven van het anti-dumpingrecht volstaat, dat is bewezen dat de lagereenheden door of voor de corresponderende (in de kolom ‚Exporteurs’ genoemde) onderneming zijn vervaardigd?
2)
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord:
moet dan de laatste regel van de tabel in artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 374/87 (‚8. Andere; Produkten vervaardigd door: —; Fabrieksmerk of handelsmerk: —; Percentages: 13,39 %’) aldus worden uitgelegd, dat hij de uitvoer van lagereenheden van willekeurige Japanse producenten zonder of met een willekeurig fabrieksof handelsmerk door andere dan de sub I-7 genoemde exporteurs betreft?”
Letterlijke of teleologische toepassing van verordening nr. 374/87?
6.
Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of het door verordening nr. 374/87 ingevoerde stelsel letterlijk of teleologisch dient te worden toegepast.
Volgens Findling moet de teleologische benadering prevaleren. Geest en doel van de verordening zou zijn de prijzen van uit Japan ingevoerde produkten op het niveau van de prijzen van de Europese markt te brengen zonder dat evenwel de toepassing van de geheven antidumpingrechten leidt tot prijzen die zelfs de normale prijzen van de Europese markt overstijgen. Deze antidu mpingheffingen moeten restrictief worden toegepast en mogen voor de importeurs geen hogere lasten meebrengen dan wanneer zij rechtstreeks bij de Japanse producent hadden gekocht. Daarom zou enkel het door verordening nr. 374/87 voorgeschreven antidumpingtarief ten aanzien van de betrokken Japanse producent, Asahi, toepassing vinden, zulks ongeacht de vraag welke Japanse groothandelaar de door eerstgenoemde vervaardigde produkten gekocht heeft en doorverkocht aan Findling. Enkel derwijze zou men rekening houden met het doelrnatigheidsbeginsel, volgens hetwelk Findling slechter noch beter moet worden behandeld dan wanneer zij haar leveringen rechtstreeks bij de door de verordening genoemde Japanse producent had betrokken.
7.
De Commissie daarentegen is thans, anders dan in de hiervoor vermelde correspondentie, van mening dat de verordening naar haar bewoordingen moet worden toegepast. Zij schetst hiertoe de achtergronden van het onderhavige interpretatieprobleem. Ten tijde van het onderzoek dat aan verordening nr. 2516/86 voorafging, had zij het bestaan van drie groepen handelaren in Japan vastgesteld. Een eerste categorie produceerde en exporteerde zelf lagereenheden; zij waren dus zowel producenten als exporteurs. Een tweede groep vervaardigde zelf de hulzen, doch kocht de kogellagers van andere producenten om ze vervolgens onder hun eigen merk (Nachi en Koyo) te verhandelen en te exporteren; zij waren bijgevolg geen producenten, maar wel exporteurs in de zin van de antidumpingwetgeving. Voor deze groep werd uitzonderlijk een individueel antidumpingtarief vastgesteld op de wijze aangeduid in de veertiende overweging van verordening nr. 2516/86. De derde categorie waren de „zuivere” handelshuizen wier activiteit er louter in bestond om produkten bij de meest diverse producenten in te kopen, om ze onder hun oorspronkelijke merkbenaming verder te verkopen.
Voor deze derde groep was het, aldus de Commissie, onmogelijk om een individueel anti-dumpingtarief vast te stellen. Het bleek niet mogelijk hen een statuut van exporteur toe te kennen voor de toepassing van het anti-dumpingrecht, daar zij ofwel zo nauw verbonden waren met de producenten, dat zij in feite gewoon een verkoopbureau uitmaakten, ofwel — voor zover zij zelfstandig waren— op het ogenblik van het Commissieonderzoek, althans bij weten van de Commissie, niet naar de Gemeenschap uitvoerden. Gloria en Ehara zouden in hun antwoorden op de vragenlijst van de Commissie hebben verklaard dat zij niet naar de Gemeenschap, maar naar Zwitserland, uitvoerden. Ten slotte werd aan deze groep geen statuut van exporteur toegekend daar het grote aantal verhandelde produkten het praktisch onmogelijk maakte individuele anti-dumpingtarieven vast te stellen. Hierdoor zouden talrijke mogelijkheden tot inbreuk ontstaan.
Gezien het concrete belang van de derde categorie handelaren, zo voegt de Commissie hier nog aan toe, heeft zij nadien besloten een uitdrukkelijke uitzondering op het residuele tarief in de anti-dumpingverordeningen in te bouwen, in die zin dat het individuele tarief toepasselijk is wanneer het bewijs van de oorsprong van de produkten kan worden verschaft, en er voor de producenten een individueel recht bestaat. ( 6 )
8.
Specifiek met betrekking tot de vraag naaide uitlegging van verordening nr. 374/87 geeft de Commissie toe dat een letterlijke toepassing in onderhavig geval gevolgen teweegbrengt die duidelijk niet nagestreefd werden met het anti-dumpingrecht. Om hieraan te verhelpen zouden haar diensten, na een eerste onderzoek, geopteerd hebben voor een ruime uitlegging van verordening nr. 374/87. Daar het evenwel twijfelachtig is dat de duidelijke bewoordingen van de verordening enige interpretatie toelaten, is de Commissie, na een grondig onderzoek en evaluatie van de verschillende rechtsgevolgen, tot het besluit gekomen dat de beginselen van de rechtszekerheid en de duidelijkheid van het recht moeten prevaleren, met name teneinde een eenvormige toepassing van de verschillende elementen van de douanewetgeving in de Gemeenschap te vrijwaren.
Door het Hof gevraagd om enige verduidelijking met betrekking tot deze laatste stelling, antwoordde de Commissie in haar brief van 30 april 1992 dat zij in beginsel niet gekant is tegen een teleologische uitlegging van anti-dumpingverordeningen. Dergelijke interpretatie zou evenwel slechts in uitzonderingsgevallen mogelijk zijn, en niet wanneer de bepaling in kwestie duidelijk en ondubbelzinnig is, zoals in onderhavig geval. Overigens zou volgens de Commissie ook een teleologische uitlegging van het residuele anti-dumpingtarief voor haar (huidige) benadering pleiten: het doel van dit tarief is precies een vangnet te spelen voor alle niet-geregelde resp. onvoorziene gevallen. Ten slotte, zo besluit de Commissie haar toelichting, dienen de communautaire douanevoorschriften door talrijke douanebeambten in de onderscheiden Lid-Staten op eenvormige wijze te worden toegepast. Elke noodzaak om te moeten gaan interpreteren zou een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief in gevaar brengen.
9.
De verwijzende rechter acht een teleologische benadering verdedigbaar. De logische conclusie van de door Findling en — op dat ogenblik althans — de Commissie gehuldigde opvatting van het doel van verordening nr. 374/87 is dat, voor de toepassing van de individuele anti-dumpingtarieven vermeld naast de in sub I-7 van de tabel genoemde fabrieksof handelsmerken, het bewijs zou volstaan dat de lagereenheden door of voor de corresponderende (in de kolom „Exporteurs” genoemde) onderneming werden vervaardigd. Het residuele anti-dumpingrecht van 13,39 % dat is voorzien voor „andere exporteurs” in sub 8 van de tabel, zou dan slechts moeten worden toegepast indien dit bewijs niet geleverd wordt. Concreet zou zulks in onderhavig geval betekenen dat Findling enkel het anti-dumpingrecht van 2,24 % zou moeten betalen dat verschuldigd is krachtens sub 3 van de tabel.
Nochtans aarzelt de verwijzende rechter om een drietal redenen. Een tegen de bewoordingen van de betrokken verordening ingaande uitlegging komt volgens hem slechts uitzonderlijk in aanmerking. Het door Findling en — op dat moment tenminste — door de Commissie verdedigde doel van verordening nr. 374/87 komt, anders bij voorbeeld dan bij verordening nr. 1739/85 en (verkort) verordening nr. 2516/86, nergens voor in de considerans van deze eerste. Ten slotte twijfelt hij omdat artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2685/90 ( 7 ) zonder verklaring in de considerans, net zoals artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2089/84, opnieuw van „producenten/exporteurs” (dus producenten of exporteurs) spreekt. Daarmee zouden exporteurs zoals in casu Gloria en Ehara eronder vallen, ofschoon volgens de brief van de Commissie van 15 april 1991 (zie hiervoor, punt 4) artikel 1 van verordening nr. 1739/85 juist ter voorkoming van de bij de toepassing van verordening nr. 2089/84 gerezen moeilijkheden anders werd geformuleerd (enkel „producenten”).
Voorgestelde interpretatie
10.
Het komt mij voor dat als uitgangspunt voor de vraag of een woordelijke dan wel teleologische uitlegging moet prevaleren, de vaste rechtspraak van het Hof moet gelden volgens welke men
„ bij de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling niet uitsluitend met de aldaar gebezigde bewoordingen te rade [dient] te gaan, doch ook met het redeverband en de doelstellingen van de betrokken regeling”. ( 8 )
Het gemeenschapsrecht moet derhalve steeds op functionele wijze worden toegepast en uitgelegd: het komt erop aan dat de communautaire regelen, gezien in het kader van het specifieke regelgevende stelsel waarvan zij deel uitmaken en de doelstelling die met dit stelsel wordt nagestreefd, een nuttig en juist effect ressorteren.
Een contextuele en doelgerichte benadering dringt zich met andere woorden ten allen tijde op, zeker wanneer de bewoordingen van een gemeenschapsrechtelijke regel niet ondubbelzinnig zijn. Welnu, in casu ben ik er geenszins van overtuigd dat, zoals de Commissie beweert, de tabel in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 374/87 helder en ondubbelzinnig is. Zo is niet meteen duidelijk wat precies onder „8. Andere” begrepen moet worden, namelijk alle categorieën van „exporteurs”, dan wel uitsluitend „producenten/exporteurs”, dat wil zeggen exporterende producenten. Twijfel ontstaat met name doordat alle onder sub I-7 in de eerste kolom genoemde ondernemingen exporteurs en, althans voor sommige componenten, producenten zijn die exporteren (zie hiervoor, punt 7) en de considerans van verordening nr. 374/87 deze ondernemingen systematisch als „producenten/exporteurs” aanduidt. Bovendien worden de in sub 8 van de tabel bedoelde ondernemingen zowel in hoofding III als in overwegingen 21 en 22 van de considerans uitdrukkelijk aangeduid als „producenten/exporteurs”.
Dat het hier om een problematische tekst gaat, wordt bovendien bevestigd door de houding van de Commissie welke, na aanvankelijk een letterlijke lezing te hebben voorgestaan, in de loop van de bodemprocedure een teleologisch gerichte uitlegging ging verdedigen, om ten slotte nogmaals volledig van standpunt te wijzigen en terug te vallen op een woordelijke interpretatie.
Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat de tabel in het kader van het stelsel der gemeenschapsrechtelijke antidumpingregelingen en het hierdoor nagestreefde doel moet worden uitgelegd.
11.
Kort samengevat, bestaat het doel van communautaire antidumpingmaatregelen erin de schadelijke gevolgen ongedaan te maken welke voortvloeien uit de uitvoer van produkten naar de Gemeenschap tegen een prijs die lager is dan de normale waarde van soortgelijke produkten in het land van uitvoer respectievelijk van oorsprong. Eén der fundamentele regelen van het antidumpingstelsel dat de Gemeenschap — in overeenstemming met haar internationale verplichtingen, met name voortvloeiend uit de Anti-dumpingcode van de GATT ( 9 ) — heeft uitgebouwd, is dat antidumpingrechten niet hoger mogen zijn dan de (voorlopig geraamde of definitief vastgestelde) marge van dumping, en dat zij lager moeten zijn indien lagere rechten volstaan om de schade op te heffen. ( 10 ) Zij moeten met andere woorden noodzakelijk zijn om de door de dumping aangerichte schade op te heffen. ( 11 ) Precies met het oog hierop —en ook dit wordt door de GATT-code verplicht ( 12 )— voorziet artikel 16 van de basisverordening in een recht van terugbetaling voor een importeur die bewijst dat het geïnde recht meer bedraagt dan de werkelijke dumpingmarge.
Ik mag hier nog aan toevoegen dat het Hof, sinds het arrest Nakajima ( 13 ) principieel aanvaardt dat een communautaire antidumpingmaatregel welke uitvoering geeft aan de anti-dumpingcode van de GATT, zowel wat haar geldigheid als haar interpretatie betreft, getoetst kan worden aan de relevante bepalingen van de GATT-code. Hierbij moet de betrokken communautaire regel uitgelegd worden in redelijkheid en met eerbied voor de geest van de GATT-bepalingen. ( 14 )
12.
Toegespitst op onderhavige zaak, staat vast — en de Commissie geeft dit uitdrukkelijk toe (zie hiervoor, punt 8) — dat een letterlijke toepassing van de tabel tot de heffing van een anti-dumpingrecht leidt dat buiten elke verhouding staat met het door verordening nr. 374/87 — en, zo mag men toevoegen, met het door de communautaire en GATT-anti-dumpingrcgelen in het algemeen — nagestreefde doel. Er kan geen sprake van zijn dat het aldus geheven recht noodzakelijk is om de door dumping veroorzaakte schade te compenseren.
Een onverkorte, woordelijke toepassing van de tabel gaat bijgevolg manifest in tegen één der basisbeginselen van het communautaire (en internationale) anti-dumpingrecht, namelijk de noodzakelijkheid van de heffing. Derhalve moet de tabel worden uitgelegd op een teleologische wijze, welke de enige manier is om haar in redelijkheid, zo conform mogelijk met de doelstelling van het antidumpingstelsel, te interpreteren.
Dit betekent dat de interpretatie moet worden verkozen die ook door de verwijzende rechter wordt naar voren gebracht en die er in casu op neerkomt het tarief toe te passen dat geldt voor de in de eerste kolom van de tabel vermelde producenten/exporteurs. Het zijn immers deze ondernemingen welke, na produktie van de lagereenheden (door henzelf of door een van hetzelfde concern deel uitmakende vennootschap) dan wel componenten (hulzen) daarvan (in het geval van Koyo en Nachi), deze lagereenheden op de markt brengen onder hun eigen merk. Teneinde het op Nachi toepasselijke anti-dumpingtarief op de bewuste lagereenheden van het merk Nachi (sub 3 van de tabel) te zien toepassen, dient Findling uiteraard te bewijzen dat Gloria en Ehara deze lagereenheden welke door Asahi vervaardigd werden, van Nachi hebben aangekocht.
13.
Een overtuigend argument dat de voormelde benadering conform het doel van de gemeenschapswetgever is, werd door de Commissie zelf destijds aangevoerd (zie punt 4), namelijk dat de Raad in verordening nr. 1739/85 deze werkwijze uitdrukkelijk tot de zijne maakte:
„Deze benadering houdt in dat waar de handelshuizen onder hun eigen naam uitvoeren, hun uitvoer onderworpen wordt aan het op ‚anderen’ toepasselijke recht, tenzij zij aantonen dat de uitgevoerde lagers afkomstig zijn van een welbepaalde fabrikant op wiens uitvoer een lager individueel recht van toepassing is. Aldus wordt rekening gehouden met de mogelijkheden waarover de handelshuizen beschikken om lagers voor export van een groot aantal uiteenlopende fabrikanten te betrekken.” ( 15 )
Dat een gelijkaardige overweging niet voorkomt in de considerans van verordening nr. 374/87, acht ik niet doorslaggevend: van belang is dat de Raad de hier voorgestane benadering heeft toegepast in een situatie (het ging ook dan om heffingen ten aanzien van een aantal van de thans geviseerde producenten betreffende dumping van bepaalde kogel-en kegellagers), waarin de toepassingsproblemen veroorzaakt door verordening nr. 2089/84 van eenzelfde orde waren als in onderhavige zaak. Zij verdient hier dan ook, bij dubbelzinnigheid van de voorliggende bepaling, analogisch te worden toegepast.
14.
Tegen de hier voorgestane oplossing kunnen ongetwijfeld bepaalde bezwaren worden aangevoerd. Zo wijst de Commissie erop dat een ruime interpretatie —volgens dewelke, het weze herhaald, de invoer via intermediaire exporteurs onderworpen wordt aan de in kolom 4, sub I-7, vermelde individuele tarieven voor ingevoerde produkten die afkomstig zijn van de in kolom 2 genoemde producenten — de vangnetfunctie van het in kolom 4, sub 8, genoemde residuele tarief in aanzienlijke mate zou verminderen, een stortvloed van zaken zou uitlokken en derhalve de rechtszekerheid en de uniforme toepassing van de tabel door de talrijke nationale douanebeambten in het gedrang zou brengen.
Zonder het belang van deze opwerpingen te miskennen, wil ik er niettemin op wijzen dat het hier gaat om problemen welke in ruime mate te wijten zijn aan de dubbelzinnigheden of lacunes in de communautaire regelgeving zelf, namelijk doordat de bewoording van de tabel bij letterlijke interpretatie, naar eigen zeggen van de Commissie (hiervoor, punt 8), leidt tot een resultaat dat duidelijk niet bedoeld was. Het gaat mijns inziens niet op dat de Raad of de Commissie zich thans op de daaruit voortspruitende toepassingsmoeilijkheden beroept. Dergelijke moeilijkheden hadden moeten worden voorkomen door het opstellen van duidelijke, coherente maar toch voldoende genuanceerde wetteksten.
Wat overigens het argument betreft dat de Commissie ontleent aan de vangnetfimetie van het residuele tarief: uit overweging 22 van de considerans van verordening nr. 374/87 blijkt duidelijk dat de dumpingmarge die voor deze restcategorie werd vastgesteld, beoogt exporteurs te sanctioneren die zich niet coöperatief opstellen in het kader van het door de Commissie verrichte onderzoek naar antidumpingpraktijken respectievelijk te voorkomen dat bepaalde exporteurs zich aan het anti-dumpingrecht zouden onttrekken. Het residuele tarief heeft bijgevolg in wezen een „penaliserende” strekking, hetgeen er nogmaals op wijst dat de daardoor geviseerde categorie van „andere exporteurs” beperkend moet worden opgevat.
15.
Ter zitting heeft de Commissie ook nog aangevoerd dat Findling jarenlang zou hebben nagelaten om, overeenkomstig artikel 14 van de communautaire basisverordening, de Commissie aan te spreken teneinde een wijziging respectievelijk annulatie van de door haar opgelopen anti-dumpingbetalingen te verkrijgen.
Ook dit argument kan niet overtuigen. Vooreerst geeft de Commissie toe dat tussen Findling en haar wel degelijk, en zelfs herhaaldelijk, contacten hebben bestaan. Uit het nationale dossier komt naar voren dat Findling onderhavig probleem minstens éénmaal uitdrukkelijk met de Commissie heeft besproken, namelijk naar aanleiding van een onderhoud tussen mevrouw Findling, volmachthouder („Prokuristin”) van Findling, en de Commissie op 30 mei 1990. Bovendien blijkt uit de stukken dat de Commissie in de loop van het voor de verwijzende rechter hangende bodemgeschil, minstens in de periode tussen 12 maart 1990 en 15 april 1991 (zie punt 4), akkoord ging met de door Findling verdedigde, teleologische opvatting. Waar de prejudiciële vraagstelling van de verwijzende rechter van 7 mei 1991 dateert en de schriftelijke opmerkingen van de Commissie (met haar nieuw standpunt) in onderhavige zaak eerst van 9 augustus 1991 dateren, kon Findling in de eerstgenoemde periode terecht van oordeel zijn dat zij geen formele stappen in het kader van artikel 14 van de basisverordening diende te zetten.
16.
Daar het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, dien ik niet in te gaan op de tweede vraag van de verwijzende rechter.
Besluit
17.
Gelet op wat voorafgaat, geef ik het Hof in overweging de eerste vraag alsvolgt te beantwoorden:
„De tabel in artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 374/87 moet aldus worden uitgelegd, dat het voor de toepassing van de naast de produkten in kolom 3, sub I-7, vermelde individuele tarieven volstaat, dat is bewezen dat de lagereenheden zijn vervaardigd door een met het betrokken tarief corresponderende, in kolom 2 genoemde onderneming voor rekening dan wel in opdracht van de in kolom 1 genoemde exporteurs en dit ook wanneer de produkten uiteindelijk door een intermediaire handelaar naar de Gemeenschap worden uitgevoerd.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
( 1 ) Verordening (EEG) nr. 374/87 van de Raad van 5 februari 1987 houdende definitieve inning van de bedragen die werden gestort als waarborg voor het voorlopige recht en houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van lagereenheden in kussenblokken van oorsprong uit Japan (PB 1987, L 35, blz. 32).
( 2 ) Luidens artikel 1, lid 2, van verordening nr, 374/87 zijn deze lagereenheden „hulzen van gietijzer ot van gedreven staalplaat waarin zich kogellagers bevinden”.
( 3 ) PB 1986, L 221, biz. 16.
( 4 ) PB 1985, L 167, blz. 3.
( 5 ) PB 1984, L 193, blz. 1.
( 6 ) De Commissie verwijst hiertoe naar verordening (EEG) nr. 112/90 van de Raad van 16 januari 1990 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde compactdiscspelers van oorsprong uit Japan en de Republiek Korea en tot definitieve inning van het voorlopige recht (PB 1990, L 13, blz. 21).
( 7 ) PB 1990, L 256, blz. 1.
( 8 ) Arrest van 17 november 1983, zaak 292/82, Merck, Jurispr. 1983, blz. 3781, r. o. 12; ef. tevens arrest van 21 februari 1981, zaak 337/82, St. Nikolaus Brennerei, Jurispr. 1984, blz. 1051, r. o. 10.
( 9 ) Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel; de tekst hiervan werd gepubliceerd in PB 1980, L 71, blz. 90.
( 10 ) Artikel 13, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 198S betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiering uit landen die geen fid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1). Dezelfde bepaling kwam voor in de vorige basisverordening, namelijk verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 (PB 1984, L 201, blz. 1), op grond waarvan verordening nr. 374/87 werd gegeven. Zij geeft uitvoering aan artikel 8, lid 3, van de Antidumping-code van de GATT.
( 11 ) Precies dil moel de Raad, bij het vaststellen van een aniidumpingverordening, nagaan: arrest van 23 mei 1985, zaak 53/83, Allied Corporation, Jurisnr. 1985, blz. 1621, r. o. 18.
( 12 ) Artikel 8, lid 3, tweede zin.
( 13 ) Arrest van 7 mei 1991, zaak C-69/89, Jurispr. 1991, blz. I-2069.
( 14 ) Arrest Nakajima, in liet bijzonder r. o. 34-37; dit werd onlangs door hel Mof uitdrukkelijk bevestigd in het arrest van 13 februari 1992, zaak C-105/90, Goldstar/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-677, r. o. 33.
( 15 ) Overweging 11, eerste alinea, van de considerans.
Full & Egal Universal Law Academy