Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Bij op 24 mei 1991 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht, vast te stellen dat de Helleense Republiek de krachtens de artikelen 5 en 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door haar niet de gevraagde inlichtingen te verstrekken en de in Griekenland gevestigde ondernemingen de verplichting op te leggen, uitsluitend elektronische kasregisters te kopen waaraan bij fabricage in Griekenland een waarde van ten minste 35 % is toegevoegd.
2. Deze procedure vindt haar oorsprong in een bij de Commissie ingediende klacht over de Griekse wettelijke regeling betreffende in de handel gebruikte elektronische kasregisters: in Griekenland gevestigde ondernemingen mogen slechts goedgekeurde kasregisters kopen en naar de klager betoogde, worden alleen kasregisters waaraan bij fabricage in Griekenland een waarde van ten minste 35 % is toegevoegd, door de Minister van Financiën goedgekeurd.
3. Bij telexberichten van 7 december 1988 en 23 februari 1989 heeft de Commissie de Griekse permanente vertegenwoordiging bij de Gemeenschappen om toelichtingen verzocht, maar geen antwoord ontvangen.
4. In een op 8 augustus 1989 verzonden aanmaningsbrief stelde de Commissie, dat daarmee inbreuk gemaakt was op artikel 5 EEG-Verdrag en dat de Griekse wettelijke regeling betreffende elektronische kasregisters onverenigbaar was met de bepalingen van het gemeenschapsrecht betreffende het vrij verkeer van goederen, met name artikel 30 EEG-Verdrag. Ook op deze brief werd niet gereageerd.
5. Ten slotte vonden de Griekse autoriteiten ook in het met redenen omkleed advies van 8 juni 1990, waarbij zij zowel ten aanzien van artikel 5 als ten aanzien van artikel 30 EEG-Verdrag in gebreke werden gesteld, geen aanleiding de situatie binnen de hun gestelde termijn van één maand te regulariseren.
6. Volgens artikel 2, lid 1, van de Griekse wet nr. 1809/88 van 29 september 1988/5 oktober 1988(1) betreffende de regeling voor elektronische kasregisters en houdende andere bepalingen, kunnen met name in de kleinhandel gebruikte elektronische kasregisters door een comité van het Ministerie van Financiën enkel worden goedgekeurd indien er bij de fabricage in Griekenland een waarde van ten minste 35 % aan is toegevoegd.
7. Het lijdt geen twijfel, dat een dergelijke regeling rechtstreeks de intracommunautaire handel belemmert en een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking is, die in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag zoals dit door het Hof sedert het arrest Dassonville van 11 juli 1974(2) wordt uitgelegd.
8. De Helleense Republiek, die erkent dat haar wetgeving veranderd moest worden, betoogt dat zij van haar bereidheid om de regeling betreffende de invoer van kasregisters te wijzigen, heeft doen blijken door de vaststelling van artikel 14, lid 2, van wet nr. 1914/90 van 17 december 1990.(3)
9. Deze bepaling, die in de plaats komt van artikel 2, lid 1, van wet nr. 1809/88, bepaalt dat kasregisters afkomstig uit de Lid-Staten van de Gemeenschap, voor de berekening van de toegevoegde waarde in Griekenland als nationale produkten worden beschouwd en niet zijn onderworpen aan het vereiste van een binnenslands toegevoegde waarde van minimaal 35 %. Zij zal op 1 januari 1993 in werking treden.
10. Vaststaat dus, dat bij het verstrijken van de door de Commissie in haar met redenen omkleed advies gestelde termijn artikel 2, lid 1, van wet nr. 1809/88 nog steeds van toepassing was. Hieruit volgt, dat verweerster, die dit overigens niet ontkent, de verplichtingen niet is nagekomen die ingevolge artikel 30 EEG-Verdrag op haar rusten.
11. De Commissie baseert haar beroep tevens op artikel 5 EEG-Verdrag.
12. Bij voornoemde telexberichten van 7 december 1988 en 23 februari 1989 werd de Helleense Republiek verzocht, de Commissie binnen een termijn van 30 dagen alle "stukken, inlichtingen en toelichtingen" te verstrekken betreffende de voorwaarden voor goedkeuring van elektronische kasregisters in Griekenland.
13. Vaststaat, dat verweerster pas inlichtingen over de Griekse wettelijke regeling inzake kasregisters heeft verstrekt tijdens een vergadering op 27 en 28 september 1990 te Athene met vertegenwoordigers van de Commissie, dat wil zeggen na het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. De Helleense Republiek heeft dus pas bijna twee jaar na het eerste verzoek om inlichtingen medewerking aan de Commissie gegeven.
14. In een eerdere zaak(4) was de Commissie van oordeel, dat de Griekse regering, door te weigeren haar inlichtingen te verstrekken over beperkingen op de invoer van olijfolie en met name over twee concrete gevallen waarin geen invoervergunning was verleend, de verplichtingen niet was nagekomen die krachtens artikel 5 EEG-Verdrag op haar rustten.
15. Het Hof overwoog toen, dat
"(...) de Lid-Staten krachtens artikel 5 EEG-Verdrag verplicht zijn de vervulling van de taak van de Commissie te vergemakkelijken, die er volgens artikel 155 EEG-Verdrag met name in bestaat, toe te zien op de toepassing zowel van de bepalingen van het Verdrag als van die welke de instellingen ingevolge het Verdrag vaststellen".(5)
16. De verplichting tot samenwerking ingevolge artikel 5 EEG-Verdrag is in het bijzonder van groot belang tijdens de precontentieuze fase van een niet-nakomingsprocedure. Alleen bij actieve samenwerking kan immers met zekerheid worden bepaald, of er al dan niet sprake is van een inbreuk op het Verdrag.
17. Hieruit volgt, dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de inlichtingen te verstrekken waarom haar bij de telexberichten van 7 december 1988 en 23 februari 1989 was verzocht, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5, eerste alinea, EEG-Verdrag.(6)
18. Mitsdien geef ik het Hof in overweging te verstaan:
1) dat de Helleense Republiek de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door de ondernemingen te verplichten uitsluitend elektronische kasregisters aan te schaffen die door een comité van het Ministerie van Financiën zijn goedgekeurd en waaraan bij fabricage in Griekenland een waarde van ten minste 35 % is toegevoegd;
2) dat zij de krachtens artikel 5, eerste alinea, EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet binnen de gestelde termijn te antwoorden op de vragen die haar bij de telexberichten van 7 december 1988 en 23 februari 1989 waren gesteld,
en verweerster in de kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° Staatsblad van de Helleense Republiek, A 222.
(2) ° Zaak 8/74, Jurispr. 1974, blz. 837.
(3) ° Staatsblad van de Helleense Republiek, A 178.
(4) ° Arrest van 22 september 1988, zaak 272/86, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 4875.
(5) ° Ibid., r.o. 30. Zie ook het arrest van 25 mei 1982 (zaak 97/81, Commissie/Nederland, Jurispr. 1982, blz. 1818, r.o. 7) en, laatstelijk, het arrest van 13 december 1991 (zaak C-33/90, Commissie/Italië, Jurispr. 1991, blz. I-5987, r.o. 18-20).
(6) ° Zie over dit punt mijn conclusie in zaak C-33/90, reeds aangehaald, punten 27 en 28.
Full & Egal Universal Law Academy