Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A ° De feiten
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing gaat over richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever.(1) Voor een samenvatting van de feiten, de inhoud van de betrokken bepalingen van de richtlijn en de tekst van de gestelde vragen verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
B ° Beoordeling
De eerste vraag
2. Met zijn eerste vraag wenst het verwijzende college te weten, of richtlijn 80/987 rechtstreeks toepasselijk is, dat wil zeggen of de burgers zich voor de nationale autoriteiten en gerechten erop kunnen beroepen. Het Hof heeft deze vraag reeds in de zaak Francovich(2) onderzocht en ontkennend beantwoord. Hiertoe heeft het Hof erop gewezen, dat de richtlijn niet aangeeft wie de debiteur van de garantie is, en dat een Lid-Staat niet alleen omdat hij de richtlijn niet binnen de termijn heeft omgezet, als debiteur kan worden aangemerkt.
3. De raadslieden van verzoekers in het hoofdgeding in de zaken C-140/91 en C-141/91 betogen, dat deze uitspraak niet van belang is voor de hier gestelde vragen, daar het voor de verwijzende rechter bij de vraag naar de rechtstreekse toepasselijkheid van de richtlijn niet gaat om de modaliteit van de toepassing ("rechtstreekse" toepassing), maar om de datum van die toepassing ("onmiddellijke" toepassing). Hoewel de tekst van de gestelde vraag ("immediatamente") een dergelijke uitlegging toelaat, is uit de redengeving van de verwijzingsbeschikking niet te lezen dat de verwijzende rechter met zijn vraag juist deze ° ongewone ° betekenis op het oog had. Bovendien vooronderstelt een vraag naar de datum van de rechtstreekse toepassing van een richtlijn noodzakelijkerwijs, dat de richtlijn inderdaad ° in de normale zin van het woord ° rechtstreeks toepasselijk is. Opgemerkt zij, dat de gestelde vragen in de onderhavige zaken zijn voorgelegd, toen het arrest in de zaak Francovich nog niet was gewezen en de kwestie van de rechtstreekse toepasselijkheid van richtlijn 80/987 dus nog niet was uitgemaakt.
4. Op de eerste vraag ware derhalve overeenkomstig de beslissing in de zaak Francovich te antwoorden, dat de bepalingen van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, waarin de rechten van de werknemers worden omschreven, aldus moeten worden uitgelegd, dat wanneer uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, de belanghebbenden die rechten niet voor de nationale rechter kunnen doen gelden.
De tweede en de derde vraag
5. De overige vragen zijn kennelijk slechts gesteld voor het geval de eerste vraag bevestigend zou worden beantwoord.(3) Nu dit niet het geval is, zijn deze vragen dus zonder voorwerp geraakt.
6. Daarbij zij trouwens opgemerkt, dat verzoekers in het hoofdgeding zich ook wanneer richtlijn 80/987 wel rechtstreeks toepasselijk was, zich er niet op zouden kunnen beroepen. De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht liep voor Italië op 23 oktober 1983 af. Het Hof heeft reeds vastgesteld, dat Italië zijn verplichting tot uitvoering van de richtlijn niet tijdig is nagekomen.(4) De rechtstreekse toepasselijkheid van een richtlijn kan overigens slechts dan worden ingeroepen, wanneer de voor de betrokken Lid-Staat gestelde termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is verstreken.(5) Doch zoals de vertegenwoordiger van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling terecht heeft opgemerkt, hebben in de onderhavige zaken de kenmerkende feiten (met name de beëindiging van de arbeidscontracten en de insolventieverklaring van de werkgever) zich voorgedaan toen die termijn nog niet was verstreken. Verzoekers konden derhalve aan de richtlijn geen enkele grondslag voor hun aanspraken ontlenen.
7. Op de vraag of de door verzoekers verlangde betalingen in enig opzicht binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vielen, behoeft dan ook niet meer te worden ingegaan. Wel zij er nog op gewezen, dat het in artikel 3(6) gebezigde begrip "loon" niet nader in de richtlijn wordt omschreven, doch volgens artikel 2, lid 2, van de richtlijn naar nationaal recht wordt bepaald.
C ° Conclusie
8. Ik geef het Hof derhalve in overweging, de vragen van de Pretura circondariale di Bologna te beantwoorden als volgt:
"De bepalingen van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, waarin de rechten van de werknemers worden omschreven, moeten aldus worden uitgelegd, dat wanneer uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, de belanghebbenden die rechten niet voor de nationale rechter kunnen doen gelden."
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - PB 1980, L 283, blz. 23.
(2) - Arrest van 19 november 1991 (Francovich en Bonifaci, Jurispr. 1991, blz. I-5357), met name r.o. 26.
(3) - Bij de tweede vraag blijkt dit reeds uit de tekst. De derde vraag betreft de datum waarvan de vaststelling het voorwerp is van de tweede vraag, en vervalt dus eveneens.
(4) - Arrest van 2 februari 1989 (zaak 22/87, Commissie/Italië, Jurispr. 1989, blz. 143).
(5) - Zie onder meer arrest van 5 april 1979 (zaak 148/78, Ratti, Jurispr. 1979, blz. 1629, r.o. 44).
(6) - Artikel 3 verplicht de Lid-Staten waarborgfondsen in te stellen teneinde de honorering van loonaanspraken te garanderen.
Full & Egal Universal Law Academy