CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 1 juli 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Cebag, verzoekster in de onderhavige zaak, was door de Commissie aangewezen om geraffineerde koolzaadolie als voedselhulp aan Oeganda, Mozambique en Bangladesh te leveren in het kader van een aantal aanbestedingsprocedures (maatregelen nrs. 401/89, 759/89, 760/89 en 904/89). De aanbestedingsprocedures waren geregeld in een aantal verordeningen, vastgesteld op grond van verordening (EEG) nr. 2200/87 van de Commissie van 8 juli 1987 tot vaststelling van algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling in de Gemeenschap van produkten voor levering als communautaire voedselhulp (PB 1987, L 204, blz. 1).
2.
De betrokken aanbestedingen werden toegewezen in februari 1990 en de leveringen vonden plaats tussen april en augustus 1990. Overeenkomstig artikel 12, lid 2, van verordening nr. 2200/87 stelde verzoeker zekerheid voor de leveringen. In elk van bovengenoemde gevallen werd de leveringszekerheid vrijgegeven voordat de volledige partij was geleverd. Vermoedelijk heeft de Commissie de zekerheid vrijgegeven op grond van artikel 22, lid 2, sub a, laatste streepje, van verordening nr. 2200/87, nadat een „zekerheid voor het voorschot” was gesteld. Om verschillende redenen werden in elk van bovengenoemde gevallen de goederen te laat geleverd. Bij de eindafrekening van de vier transacties hield de Commissie krachtens artikel 22, lid 2, sub b, derde streepje, van verordening nr. 2200/87 in totaal 104508,61 ECU in wegens te late levering. Deze inhoudingen vonden plaats op 23 oktober 1990 met betrekking tot maatregel nr. 760/89 (Mozambique), op 31 oktober 1990 met betrekking tot de maatregelen nrs. 401/89 (Oeganda) en 759/89 (Mozambique), en op 21 januari 1991 met betrekking tot maatregel nr. 904/89 (Bangladesh).
3.
In zijn arresten van 12 december 1990 (zaak C-172/89, Vandemoortele, Jurispr. 1990, blz. I-4677) en 21 maart 1991 (zaak C-226/89, Haniel Spedition, Jurispr. 1991, blz. I-1599) oordeelde het Hof, dat de Commissie geen inhoudingen wegens te late levering mocht toepassen bij de eindafrekening van aanbestedingen voor voedselhulp overeenkomstig verordening nr. 2200/87. Onder uitdrukkelijke verwijzing naar het arrest Vandemoortele verzocht verzoekster de Commissie op 4 maart 1991 van de inhoudingen af te zien. Bij telexbericht van 27 maart 1991 antwoordde de Commissie, dat het arrest Vandemoortele enkel gold voor betalingen na 23 januari 1991 (de datum waarop dat arrest in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen is gepubliceerd).
4.
In haar beroep van 27 mei 1991 verzocht Cebag het Hof:
1)
de Commissie te veroordelen tot betaling van 104508,61 ECU, vermeerderd met de rente zoals bepaald in artikel 18 van verordening nr. 2200/87;
2)
geheel, althans gedeeltelijk te vernietigen, althans nietig te verklaren de beslissing van de Commissie neergelegd in haar telexbericht van 27 maart 1991;
3)
een en ander met zodanige voorzieningen als het Hof nodig of nuttig zal achten;
4)
met veroordeling van de Commissie in de kosten.
5.
In haar verweerschrift stelde de Commissie, dat het telexbericht van 27 maart 1991 enkel de acties voor Oeganda en Mozambique betrof. Wat de actie voor Bangladesh aanging, had zij besloten het wegens te late levering ingehouden bedrag uit te betalen, op grond dat waar de betaling op 21 januari 1991 was gedaan, Cebags verzoek kon worden beschouwd als „een tijdig ingediend bezwaar tegen de eindafrekening”. In repliek wijzigde Cebag haar vordering dienovereenkomstig en zij vordert thans nog 65093,10 ECU, vermeerderd met rente.
Ten gronde
6.
Gelet op de eerdere arresten van het Hof in de zaken Vandemoortele en Haniel Spedition, lijdt het geen twijfel, dat verordening nr. 2200/87 de Commissie niet de bevoegdheid verleent inhoudingen toe te passen op de aan verzoekster verschuldigde eindbetaling. De enige vraag die in de onderhavige zaak aan de orde is, is of het beroep ontvankelijk is. Is dat het geval, dan moet verzoekster in het gelijk worden gesteld.
De ontvankelijkheid
7.
Verzoekster baseert haar beroep op artikel 181 EEG-Verdrag, op artikel 23 van verordening nr. 2200/87, alsmede op de bepalingen van de aanbestedingsovereenkomsten tussen haarzelf en de Commissie. In haar verweerschrift betoogt de Commissie, dat het beroep niet op artikel 181 EEG-Verdrag kan worden gebaseerd. Voor dit soort vorderingen moet haars inziens artikel 173 als rechtsgrondslag dienen. Maar, zo stelt zij, ook wanneer het beroep op artikel 173 was gebaseerd, zou het niet-ontvankelijk zijn geweest wegens overschrijding van de beroepstermijn. In repliek stelt verzoekster artikel 173 voor als subsidiaire grondslag voor haar beroep, daar het telexbericht van 27 maart 1991 haars inziens een voor beroep vatbare handeling is. In dupliek betoogt de Commissie, dat verzoekster zich niet in repliek voor het eerst op artikel 173 kan beroepen, omdat dit in strijd zou zijn met artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering. Voorts stelt de Commissie, dat het telexbericht van 27 maart 1991 geen voor beroep vatbare handeling is, daar het een loutere bevestiging vormt van de eerdere — in oktober 1990 genomen— beslissingen tot inhouding wegens te late levering.
8.
Men zal zich herinneren, dat de Commissie in de zaak Haniel Spedition stelde, dat een soortgelijk beroep moet worden beschouwd als te zijn gebaseerd op artikel 181 EEG-Verdrag juncto artikel 23 van verordening nr. 2200/87, voor zover verzoekster betaling van een geldsom vorderde. Artikel 181 EEG-Verdrag luidt als volgt:
„Het Hof van Justitie is bevoegd, uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Gemeenschap gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.”
Artikel 23 van verordening nr. 2200/87 bepaalt:
„Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd om te oordelen over ieder geschil in verband met de uitvoering, de niet-uitvoering of de uitlegging van de voorschriften betreffende leveringen die overeenkomstig deze verordening plaatsvinden.”
De Commissie beschouwde artikel 23 van verordening nr. 2200/87 dus als een „arbitragebeding” in de zin van artikel 181 EEG-Verdrag.
9.
In mijn conclusie in de zaken Vandemoortele en Haniel Spedition heb ik de vraag aan de orde gesteld, of een dergelijk beroep op artikel 181 EEG-Verdrag kan worden gebaseerd. Aangezien de conclusie in de zaak Haniel Spedition niet in extenso in de Jurisprudentie van het Hof is gepubliceerd, citeer ik hier de gehele passage waarin ik de bezwaren besprak tegen de poging dit soort vorderingen in de contractuele sfeer te brengen (punten 9-12):
„(...) In de onderhavige zaak baseert de Commissie zich uitdrukkelijk op artikel 181, doch ik ben er niet van overtuigd, dat de Commissie het op dit punt bij het rechte eind heeft. In de eerste plaats gaat het in artikel 181 om een aan het Hof bij overeenkomst, en niet bij verordening van de Commissie overgedragen rechtsmacht.
In de tweede plaats vraag ik mij af, of de relatie tussen de Commissie en verzoekster überhaupt wel van contractuele aard is. Zij lijkt mij veeleer van wettelijke aard te zijn, daar de rechten en verplichtingen van partijen eenzijdig bij een wetgevende handeling zijn vastgesteld en de Commissie noch de aannemer ze door middel van onderhandelingen kunnen wijzigen. Er bestaat een fundamenteel verschil tussen een verordening en een overeenkomst, ook al is het een modelovereenkomst of een ‚toetredingsovereenkomst’. Bij een contractuele verhouding, ook bij modelovereenkomsten en ‚toetredingsovereenkomsten’, kunnen de partijen de voorwaarden van de overeenkomst wijzigen en bij voorbeeld een andere rechtsmachtclausule overeenkomen. In het onderhavige geval zijn zowel verzoekster als de Commissie gebonden door de verordening.
In de derde plaats, indien de onderhavige zaak wordt behandeld als een contractueel geschil ten aanzien waarvan het Hof bevoegd is op grond van artikel 181 EEG-Verdrag, rijzen er een aantal praktische moeilijkheden. Krachtens artikel 215, eerste alinea, EEG-Verdrag wordt de contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap beheerst door de
wet die op het betrokken contract van toepassing is. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak Vandemoortele heb gesteld, zou men bij een ‚arbitragebeding’in de zin van artikel 181 verwachten, dat dit gekoppeld is aan een clausule die aangeeft, welke wet op het contract van toepassing is. Bij gebreke van een dergelijke rechtskeuzeclausule zou het Hof moeten bepalen, welke wet op het contract van toepassing is. Het zou evenwel eigenaardig zijn, indien een gemeenschapsverordening verschillend zou moeten worden uitgelegd, of verschillende gevolgen zou hebben, naar gelang van de relevante regels van het nationale verbintenissenrecht. Zo ver behoeft het evenwel niet te komen, daar de relatie tussen verzoekster en de Commissie van zuiver wettelijke aard is. Er behoeft helemaal geen beroep op artikel 181 te worden gedaan. Dat heeft ook het voordeel, dat men de conclusie kan vermijden waartoe de Commissie komt, namelijk dat de vordering gedeeltelijk op artikel 173 en gedeeltelijk op artikel 181 is gebaseerd.
Ik concludeer, dat de onderhavige vordering geen op artikel 181 EEG-Verdrag gebaseerde vordering is. Zijn moet worden gezien als een vordering tot nietigverklaring in de zin van artikel 173, tweede alinea (...)”
10.
In de arresten Haniel Spedition en Vandemoortele verklaarde het Hof niet uitdrukkelijk, of zijn rechtsmacht op artikel 173 dan wel op artikel 181 was gebaseerd. Het beperkte zich tot de nietigverklaring van de beschikkingen tot inhouding wegens te late levering. In de zaak Haniel Spedition veroordeelde het de Commissie voorts tot betaling aan verzoekster van een geldsom plus rente.
11.
Heeft het Hof in die arresten echter toch impliciet uitspraak gedaan over de grondslag voor zijn rechtsmacht in dergelijke zaken? In het bijzonder zou het feit dat het Hof de Commissie in de zaak Haniel Spedition tot betaling van een geldsom veroordeelde, kunnen betekenen dat het het beroep beschouwde als een vordering uit overeenkomst in de zin van artikel 181. Strikt gezien zou men zeggen dat het Hof een dergelijke uitspraak niet op grond van artikel 173 kon doen. Anderzijds zou het krachtens dat artikel exact hetzelfde resultaat hebben bereikt, daar de Commissie krachtens artikel 176 EEG-Verdrag in ieder geval verplicht was geweest de nodige maatregelen ter uitvoering van het arrest te nemen.
12.
De Commissie leest in het arrest Haniel Spedition geen bevestiging van haar standpunt in die zaak. Integendeel, zij beroept zich op de arresten Vandemoortele en Haniel Spedition voor haar betoog dat, anders dan zij in de zaak Haniel Spedition had gesteld, transacties in het kader van verordening nr. 2200/87 niet van contractuele aard zijn en dat artikel 23 van die verordening dus niet als een arbitragebeding in de zin van artikel 181 EEG-Verdrag is aan te merken.
13.
Het staat buiten kijf, dat een onderneming in de positie van Cebag in beginsel gebruik mag maken van artikel 173, tweede alinea, om op te komen tegen een beschikking van de Commissie waarbij haar wordt meegedeeld dat inhoudingen moeten worden toegepast op het bedrag dat in verband met de uitvoering van een voedselhulpprogramma verschuldigd is. Dit is een schoolvoorbeeld van een geval waarin een natuurlijke of rechtspersoon zich tot het Hof wendt met het verzoek de wettigheid van een tot hem gerichte beschikking van de Commissie na te gaan; een dergelijk beroep valt als zodanig volledig binnen de termen van artikel 173, tweede alinea. Ik zal daarom eerst onderzoeken, of het onderhavige beroep krachtens dat artikel ontvankelijk is.
14.
De Commissie betwist de ontvankelijkheid krachtens artikel 173 op twee gronden. De eerste is, dat artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering Cebag belet de rechtsgrondslag van haar beroep in repliek te wijzigen door artikel 181 te vervangen door artikel 173. De tweede is, dat een beroep op grond van artikel 173 hoe dan ook tardief is.
15.
Artikel 42, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering luidt als volgt:
„Nieuwe middelen mogen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop der schriftelijke behandeling is gebleken.”
16.
Bij strikte toepassing van artikel 42, lid 2, valt het ten zeerste te betwijfelen, of een verzoeker in repliek een vordering uit overeenkomst op basis van artikel 181 nog kan omzetten in een vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 173. In 's Hofs rechtspraak meen ik te moeten lezen, dat de rechtsgrondslag van een vordering in de loop van de procedure niet kan worden gewijzigd (zie de arresten van 4 februari 1959, zaak 17/57, De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg, Jurispr. 1959, blz. 9, 27, en 18 oktober 1979, zaak 125/78, GEMA, Jurispr. 1979, blz. 3173, r. o. 26).
17.
Een strikte toepassing van artikel 42, lid 2, lijkt mij in de bijzondere omstandigheden van deze zaak echter niet billijk. De verwarring over de juiste rechtsgrondslag voor een beroep als dat van verzoekster is voornamelijk te wijten aan de formulering van artikel 23 van verordening nr. 2200/87 en aan die verwarring is geen einde gemaakt door's Hofs arresten Vandemoortele en Haniel Spedition. Had het Hof in het arrest Vandemoortele, dat de rechtstreekse aanleiding tot het onderhavige beroep was, duidelijk gemaakt waarop zijn rechtsmacht was gebaseerd, dan had Cebag stellig de juiste grondslag voor haar beroep weten te kiezen. Bovendien hadden de verzoekers in de zaken Vandemoortele en Haniel Spedition niet gespecificeerd, op welke verdragsbepaling de rechtsmacht van het Hof gebaseerd was, en toch meende het Hof hun vorderingen tot nietigverklaring en vergoeding in overweging te kumien nemen. Het zou vreemd zijn een verzoeker die een — zij het ook onjuiste — grondslag voor de rechtsmacht van het Hof aangeeft, minder welwillend te behandelen dan een verzoeker die in het geheel geen grondslag aangeeft. In ieder geval heeft Cebag mijns inziens niet de inhoud van zijn beroep gewijzigd. De nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 27 maart 1991 was een van de dingen die Cebag met haar beroep beoogde. De Commissie kan niet stellen, dat Cebag, door een andere rechtsgrondslag voor haar vordering te kiezen (artikel 173 in plaats van artikel 181), haar heeft belet deugdelijk verweer te voeren. Een verzoeker mag zijn vordering uiteraard niet zo wijzigen, dat hij daarmee de termijnvoorschriften omzeilt. Indien bij voorbeeld de beroepstermijn van artikel 173 verstreken is, is het niet mogelijk een beroep op grond van artikel 181 in te stellen en vervolgens dat beroep om te zetten in een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 173. In het navolgende zal ik onderzoeken, of het beroep op grond van artikel 173 tardief is.
18.
De door Cebag bestreden handeling is het telexbericht van 27 maart 1991, waarin de Commissie weigerde de in oktober 1990 toegepaste inhoudingen met betrekking tot de leveringen aan Mozambique en Oeganda te heroverwegen in het licht van het arrest Vandemoortele. De Commissie betoogt, dat die beschikking geen voor beroep vatbare handeling is, daar zij slecht beschikkingen bevestigt waartegen geen beroep meer mogelijk was, omdat de in artikel 173 bepaalde termijn van twee maanden verstreken was. Cebag brengt daartegen in, dat de beschikking van 27 maart 1991 niet louter bevestigend was, aangezien zij de uitkomst bevatte van de belangenafweging waartoe de Commissie wegens het arrest Vandemoortele had moeten overgaan.
19.
Ik zie niet in, hoe Cebags argument kan slagen. De Commissie was stellig verplicht de beginselen van het arrest Vandemoortele van 12 december 1990 toe te passen op alle na de datum van dat arrest gegeven beschikkingen (en niet alleen, zoals zij stelt, op de beschikkingen van na de publikatie van het arrest in het Publikatieblad). Toen dus in januari 1991 de eindafrekening met betrekking tot de actie voor Bangladesh werd gemaakt, mocht zij geen inhouding wegens te late levering toepassen. De Commissie is het daar in wezen mee eens. Zij was evenwel niet verplicht tot een heronderzoek van rechtssituaties die vóór het arrest Vandemoortele definitief waren geworden. Cebag had binnen de termijn van twee maanden van artikel 173 beroep kunnen instellen tegen de beschikkingen van oktober 1990. Na afloop van die termijn was een beroep tegen die beschikkingen op grond van artikel 173 niet meer mogelijk. Het arrest van 12 december 1990 verandert daaraan niets. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een door het Hof in een door een andere partij aangebrachte procedure gewezen arrest niet tot gevolg hebben, dat een termijn opnieuw gaat lopen (zie de arresten van 17 juni 1965, zaak 43/64, Muller, Jurispr. 1965, blz. 481; 17 november 1965, zaak 55/64, Lens, Jurispr. 1965, blz. 1169, en 8 maart 1988, zaak 125/87, Brown, Jurispr. 1988, blz. 1619). Ofschoon al deze arresten ambtenarenzaken betroffen, moet hetzelfde beginsel gelden voor beroepen tot nietigverklaring op grond van artikel 173. Elke andere oplossing zou in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel; de instellingen zouden gedwongen zijn beschikkingen van jaren her in heroverweging te nemen indien een arrest van het Hof tot gevolg zou hebben, dat termijnen opnieuw gaan lopen voor hen die er niet tijdig tegen zijn opgekomen. Ik concludeer dan ook, dat Cebags beroep, voor zover gebaseerd op artikel 173, tardief is.
20.
Het feit dat een beroep niet-ontvankelijk is op grond van artikel 173, belet evenwel niet, dat het ontvankelijk kan zijn op grond van een andere verdragsbepaling. Het soort vordering waarover liet in casu gaat, moet mijns inziens stellig op een andere verdragsbepaling dan artikel 173 kunnen stoelen. Er is weliswaar veel geredetwist over de vraag, of Cebag een oplossing in de contractuele sfeer op grond van artikel 181 kan nastreven, docli kennelijk heeft niemand gedacht aan de mogelijkheid van een oplossing in de niet-contractuele sfeer op grond van artikel 178 EEG-Verdrag. Niettemin is het logisch dat, nu Cebags vordering niet van contractuele aard is, zij bijna per definitie van niet-contractuele aard moet zijn.
21.
In de omstandigheden van deze zaak is het wellicht ook niet nodig te beslissen of het om een contractuele dan wel een niet-contractuele actie gaat. De wezenlijke voorwaarden voor aansprakelijkheid lijken dezelfde te zijn: zowel in het ene als in het andere geval is de Commissie aansprakelijk wegens een onrechtmatige daad, namelijk de toepassing van inhoudingen op de aan Cebag verschuldigde bedragen, zonder dat in het toepasselijke recht daarvoor een rechtsgrondslag te vinden was. Sedert het arrest Vandemoortele staat de onrechtmatigheid van die handeling vast en het lijdt evenmin twijfel, dat Cebag daardoor schade heeft geleden. Het is eveneens duidelijk dat over Cebags vordering rente verschuldigd is, zulks ingevolge artikel 18, lid 6, van verordening nr. 2200/87, en wel „tegen de door de Commissie toegepaste rentevoet”. Deze rente is verschuldigd tegen die rentevoet ongeacht of de vordering op een contractuele dan wel op een niet-contractuele grondslag is gebaseerd, daar verzoekster om toepassing van die rentevoet heeft verzocht (zie het arrest van 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e. a., Jurispr. 1992, blz. I-306, r. o. 36).
22.
Procedureel gezien is er maar één punt waarop beide oplossingen wezenlijk van elkaar kunnen verschillen, namelijk de toepasselijkheid van verschillende termijnen. Krachtens artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG geldt voor vorderingen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid op grond van artikel 178 EEG-Verdrag een verjaringstermijn van vijf jaar. Voor een contractuele vordering op grond van artikel 181 geldt de verjaringstermijn volgens „de wet welke op het betrokken contract van toepassing is” (zie artikel 215, eerste alinea, EEG-Verdrag). Bij gebreke van een rechtskeuzeclausule is het niet eenvoudig vast te stellen, welk recht van toepassing is, en zoals ik in mijn conclusie in de zaak Haniel Spedition heb opgemerkt, is het niet erg wenselijk dat op voedselhulpacties verschillende nationale wetgevingen van toepassing zouden zijn, bij voorbeeld naar gelang van de plaats waar de aannemer gevestigd is. Als „de wet welke op het betrokken contract van toepassing is” zou natuurlijk eenvoudig kunnen worden beschouwd de wettelijke regeling die in verordening nr. 2200/87 is vervat, waar nodig aangevuld met de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. Aangezien de verordening geen verjaringstermijn bepaalt, zou artikel 43 van's Hofs Statuut-EEG van overeenkomstige toepassing kunnen zijn, zodat de vordering in dat geval binnen een termijn van vijf jaar na het tot aansprakelijkheid aanleiding gevende feit moet worden ingesteld. Opteert men voor deze oplossing, dan maakt het niet uit, of de onderhavige vordering contractueel dan wel niet-contractueel is. Een andere oplossing zou zijn, dat bij gebreke van een uitdrukkelijke verjaringstermijn wordt aangenomen dat een contractuele vordering slechts verjaard is, wanneer de verzoeker zo lang ermee wacht een procedure te beginnen, dat hij moet worden geacht afstand te hebben gedaan van zijn vorderingsrecht (arrest van 1 maart 1962, zaak 25/60, De Bruyn, Jurispr. 1962, blz. 41, 58). Vanuit geen van beide opvattingen zou de onderhavige vordering als tardief kunnen worden beschouwd.
23.
Ten slotte moet nog worden onderzocht, of een contractuele of niet-contractuele oplossing mag worden nagestreefd indien de vordering hetzelfde onderwerp heeft als een wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk beroep tot nietigverklaring. Ooit oordeelde het Hof, dat een niet vernietigde administratieve handeling als zodanig niet een fout kan opleveren die aanspraak op schadevergoeding doet ontstaan (arrest van 15 juli 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 205).
24.
Dat arrest is evenwel sterk bekritiseerd: zie de door advocaat-generaal Roemer in zijn conclusie in zaak 5/71 (Zuckerfabrik Schöppenstedt, Jurispr. 1971, blz. 975, 991) geciteerde auteurs. In latere arresten heeft het Hof beklemtoond, dat een schadevergoedingsactie een zelfstandige beroepsweg is waarvoor eigen ontvankelijkheidsvoorwaarden gelden (zie bij voorbeeld het arrest van 17 december 1981, gevoegde zaken 197/80-200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, Ludwigshafener Walzmühle, Jurispr. 1981, blz. 3211). A fortiori dient de in artikel 181 bedoelde contractuele vordering eveneens een zelfstandige beroepsweg te zijn.
25.
In het arrest van 26 februari 1986 (zaak 175/84, Krohn, Jurispr. 1986, blz. 753, r. o. 33) leek het Hof het arrest Plaumann te handhaven voor het uitzonderlijke geval dat een beroep tot schadevergoeding strekt tot betaling van een bedrag dat precies overeenkomt met het bedrag dat verzoeker ter uitvoering van een individueel besluit heeft betaald, zodat het beroep tot schadevergoeding in werkelijkheid strekt tot opheffing van dit individuele besluit. Voorts oordeelde het Hof in een aantal ambtenarenzaken, dat ofschoon een partij een op aansprakelijkheid gebaseerde vordering kan instellen zonder gedwongen te zijn tevens nietigverklaring van de schadeveroorzakende onrechtmatige handeling te vorderen, dit niet wil zeggen dat zij langs deze weg kan ontkomen aan de niet-ontvankelijkheid van een op die onrechtmatigheid gebaseerde vordering tot nietigverklaring die op hetzelfde financiële resultaat zou uitlopen (zie bij voorbeeld het arrest van 12 november 1981, zaak 543/79, Birke, Jurispr. 1981, blz. 2669, r. o. 28). Dit en andere overeenkomstige arresten vinden echter hun verklaring in het feit, dat een gemeenschapsambtenaar in geen geval een beroep op grond van artikel 178 kan instellen met betrekking tot een vordering die haar oorsprong vindt in zijn dienstbetrekking met zijn instelling (zie bij voorbeeld het arrest van 22 oktober 1975, zaak 9/75, Meyer-Burckhardt, Jurispr. 1975, blz. 1171, r. o. 7).
26.
Wat de door het Hof in het arrest Krohn ondernomen poging aangaat, onderscheid te maken tussen de situatie waarin de schadevergoedingsactie een zelfstandige beroepsweg is, en die waarin zij onmogelijk is omdat zij tot hetzelfde resultaat zou leiden als een niet-ontvankelijk beroep tot nietigverklaring, betwijfel ik ten zeerste of dat onderscheid te verdedigen valt. In zijn conclusie in de zaak Krohn stelde advocaat-generaal Mancini (blz. 762):
„(...) de schadeactie is zelfstandig of zij is het niet; maar wanneer zij het is, valt niet in te zien waarom de keuze van dit instrument, met zijn meer beperkte gevolgen, in abstracto als een ontduiking van de vordering tot nietigverklaring zou zijn te beschouwen”.
Bovendien mag men niet uit het oog verliezen, dat de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 173, tweede alinea, zowel met betrekking tot de locus standi als wat de beroepstermijn betreft, uiterst restrictief zijn. Indien die voorwaarden worden uitgebreid tot buiten hun natuurlijke sfeer en op andere acties worden toegepast, zou het stelsel van rechtsbescherming waarin het Verdrag voorziet, ernstig worden verzwakt.
27.
Gelet op het voorgaande concludeer ik, dat het feit dat het beroep, indien gebaseerd op artikel 173, met-ontvankelijk zou zijn wegens termijnoverschrijding, niet belet dat het Hof Cebag schadevergoeding toekent op grond van de contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie.
Conclusie
28.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1)
de Commissie te veroordelen tot betaling aan verzoekster van 65093,10 ECU, vermeerderd met rente tegen de door de Commissie toegepaste rentevoet vanaf 23 oktober 1990 met betrekking tot maatregel nr. 760/89, en vanaf 31 oktober 1990 met betrekking tot de maatregelen nrs. 401/89 en 759/89;
2)
de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy