Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Deze zaak betreft een vordering ingesteld door Koinopraxia Enoseon Georgikon Synetairismon Didcheïriseos Enchorion Proïonton Syn. P.E. (hierna: KYDEP) tegen de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 215, lid 2, EEG-Verdrag. KYDEP eist vergoeding van de schade die zij zou geleden hebben door het foutieve handelen en nalaten van genoemde instellingen in hun verordenend optreden naar aanleiding van het kernongeval te Tsjernobyl op 26 april 1986. Als gevolg van dit ongeval dreef een radioactieve wolk over grote delen van Europa, wat leidde tot de besmetting van een grote hoeveelheid landbouwprodukten.
2. KYDEP is een cooeperatieve naar Grieks recht, gevestigd te Athene, die bestaat uit 93 verenigingen van landbouwcooeperaties. Zij koopt van Griekse producenten onder meer granen en groenten, die ze opslaat en verkoopt. Uit de oogst van 1986 kocht KYDEP 634 162 152 ton durum tarwe en 335 202 676 ton zachte tarwe met de bedoeling deze hetzij te verkopen in derde landen hetzij ter interventie aan te bieden.
KYDEP beweert dat de Raad en de Commissie - door op te treden of juist niet, zoals hierna uitvoerig beschreven - foutief gehandeld hebben en dat zij, KYDEP, ten gevolge daarvan de door haar aangekochte hoeveelheden tarwe niet of niet volledig heeft kunnen verkopen of ter interventie aanbieden, of althans niet tegen de voorwaarden die zij zou verwacht hebben. Voor de haar aldus berokkende schade vraagt KYDEP vergoeding ten laste van de Gemeenschap.
De door verzoekster aangeklaagde reglementaire handelingen van Raad en Commissie
3. Vooraleer een geordend overzicht te geven van het door verzoekster aangeklaagde handelen van Raad en Commissie, wil ik erop wijzen dat de normatieve handelingen van de instellingen in reaktie op het kernongeval te Tsjernobyl, (uiteraard) vooral betrekking hadden op de invoer van landbouwprodukten uit bepaalde Midden- en Oosteuropese landen, met andere woorden uit derde landen. De grieven van verzoekster houden evenwel verband met de door haar in Griekenland aangekochte en aldaar ter interventie aangeboden dan wel verkochte of van daaruit uitgevoerde produkten. Het centrale (maar nergens duidelijk uitgesproken) punt van KYDEP' s grieven blijkt er dan ook in te bestaan, dat de instellingen hun optreden niet evenzeer hebben toegespitst - dan wel dit te laat of verkeerd hebben gedaan - op de reglementering en financiële ondersteuning van produkten afkomstig uit de Lid-Staten, en meer in het bijzonder uit Griekenland.
In verband met het laatstgenoemde punt, de financiële ondersteuning van Griekse produkten, hebben de grieven van KYDEP betrekking op de door de instellingen genomen, of (volgens KYDEP ten onrechte) niet of onvoldoende genomen, maatregelen inzake de aankoop en/of de toekenning van exportrestituties door de erkende interventiebureaus, voor uit Griekenland afkomstige tarwe.
In het hierna volgende overzicht onderscheid ik beide categorieën van reglementaire handelingen. Eerst heb ik het over de maatregelen die de instellingen hebben genomen met betrekking tot, voornamelijk, de invoer en de verhandeling van de betrokken, uit de bedoelde derde landen afkomstige produkten, en in het bijzonder over de daarbij gehanteerde maximale tolerantieniveaus (nr. 4 e.v.). Vervolgens bespreek ik de maatregelen die betrekking hebben op de aankoop en het verlenen van exportrestituties voor produkten afkomstig uit Griekenland (nr. 10 e.v.).
Maatregelen met betrekking tot de toegelaten maximumtoleranties
4. De eerste - voorbereidende - maatregelen waren van algemene aard. Zo maakte de Commissie in een eerste reactie op het ongeval te Tsjernobyl, en meer bepaald in een persmededeling van 29 april 1986, onder meer bekend dat zij met toepassing van de artikelen 35 en 36 EGA-Verdrag de Lid-Staten had gevraagd haar in te lichten omtrent de in de atmosfeer aanwezige radioactiviteit en dat zij het voornemen had het probleem in te schrijven op de agenda van de eerstvolgende vergadering van het Wetenschappelijk en Technisch Comité ingesteld bij artikel 31 EGA-Verdrag. (1)
Een week later, op 6 mei 1986, richtte de Commissie - gebruik makend van de haar in artikel 155 EEG-Verdrag en artikel 124 EGA-Verdrag verleende algemene bevoegdheid - een aanbeveling tot de Lid-Staten tot cooerdinatie van de maatregelen die de Lid-Staten reeds genomen hadden of voornemens waren te nemen om het in de handel brengen van radioactief besmette landbouwprodukten te verbieden. (2) Deze aanbeveling bevatte maximumtoleranties voor de radioactiviteit van melk en zuivelprodukten en van groenten en fruit (maar niet van granen) en stelde als principe dat de Lid-Staten voor de eigen markt én voor uitvoer dezelfde normen moesten laten gelden en dat de Lid-Staten elkaars controles wederzijds moesten erkennen.
5. Daags nadien, dit is op 7 mei 1986, nam de Commissie een eerste maatregel met betrekking tot de invoer uit Midden- en Oosteuropese landen. Het ging meer bepaald om een beschikking waardoor de invoer van vlees uit Bulgarije, Hongarije, voormalig Joegoslavië, Polen, Roemenië, voormalig Tsjechoslowakije en de voormalige Sovjet-Unie werd geschorst. (3)
Even later nam de Raad, op voorstel van de Commissie, verordening (EEG) nr. 1388/86 van 12 mei 1986 aan met betrekking tot de invoer van bepaalde landbouwprodukten uit bepaalde derde landen. (4) Deze verordening bevatte een voorlopig (tot 31 mei 1986) maar totaal verbod van alle invoer van elf groepen landbouwprodukten (hoofdzakelijk vlees, melk en zuivelprodukten en groenten en fruit) uit de in de vorige alinea genoemde Midden- en Oosteuropese landen. (5) Tarwe en andere granen of graanprodukten, dit zijn de hier in geding zijnde produkten, werden door deze maatregel niet geraakt.
6. Op 30 mei 1986 nam de Raad een nieuwe verordening aan, verordening (EEG) nr. 1707/86, opnieuw met betrekking tot de invoer van landbouwprodukten uit derde landen. (6) Deze verordening bevatte nog steeds spoedmaatregelen van tijdelijke aard. In tegenstelling tot de voorgaande verordening betrof zij echter alle voor menselijke voeding bestemde landbouwprodukten en verwerkte landbouwprodukten, dus ook tarwe, en stelde zij, in plaats van een volledig invoerverbod uit de zeven hiervoor genoemde landen, maximale toleranties in, beneden dewelke invoer werd toegelaten. Concreet bepaalde artikel 3 dat de gecumuleerde maximale radioactiviteit van caesium 134 en 137 niet méér mocht bedragen dan 370 Bq/kg voor melk en 600 Bq/kg voor alle andere betrokken produkten. (7) In de tweede inleidende overweging werd gesteld dat er evenwel "aanleiding kan zijn om de op derde landen van toepassing zijnde toleranties opnieuw te bezien in het licht van communautaire beslissingen aangaande interne toleranties van besmetting".
7. Verordening nr. 1707/86 betrof derhalve de invoer uit (welbepaalde) derde landen. Tijdens de Raadszitting van 30 mei 1986 waarin zij werd goedgekeurd (8), kwamen de Lid-Staten evenwel overeen dat zij, met betrekking tot de in de verordening bedoelde produkten afkomstig uit andere Lid-Staten, geen strengere maximale toleranties zouden hanteren dan deze die in de verordening werden vastgesteld voor invoer uit derde landen. Bovendien herinnerden de Lid-Staten aan een vroegere verklaring van 12 mei 1986 waarin zij zich ertoe hadden verbonden voor produkten uit andere Lid-Staten, geen restrictievere maximale toleranties toe te passen dan voor nationale produkten.
Tijdens dezelfde Raadszitting vroeg de Raad aan de Commissie om zo vlug mogelijk voorstellen te doen, op grond van de geëigende bepalingen van het EGA-Verdrag, ter vervollediging van de bestaande normen inzake bescherming van de bevolking alsmede tot instelling van een procedure om in de toekomst het hoofd te kunnen bieden aan urgentiesituaties.
8. De geldingsduur van verordening nr. 1707/86 die oorspronkelijk op 30 september 1986 verstreek, werd tweemaal verlengd. Op 22 december 1987 nam de Raad twee nieuwe verordeningen aan. De eerste, verordening (EEG) nr. 3955/87, betreft nog steeds de invoer van landbouwprodukten uit derde landen. (9) In wezen neemt zij, zonder relevante inhoudelijke wijziging, de bepalingen over van verordening nr. 1707/86: voor een duur van twee jaar werden voor dezelfde produkten uit dezelfde landen dezelfde maximale toleranties gehandhaafd. (10)
De tweede verordening, met name verordening (Euratom) nr. 3954/87 van de Raad van 22 december 1987 (11) heeft een onbeperkte geldingsduur. Luidens haar artikel 1 legt zij "de procedure (vast) voor het bepalen van de maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en van diervoeders die op de markt kunnen worden gebracht na een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar dat tot significante radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders leidt of kan leiden". Met deze verordening werd, met andere woorden, uitvoering gegeven aan de wens van de Raad om een procedure in te stellen die het mogelijk moest maken in de toekomst het hoofd te bieden aan urgentiesituaties (zie hiervoor, nr. 7).
9. De in laatstgenoemde verordening voorziene procedure komt erop neer dat de Commissie, wanneer zij officiële informatie ontvangt over ongevallen of ander stralingsgevaar "waaruit blijkt dat de in de bijlage aangegeven maximaal toelaatbare niveaus zullen worden bereikt of zijn bereikt" (zie hierna), onmiddellijk een verordening vaststelt waardoor deze maximaal toelaatbare niveaus van toepassing worden verklaard (artikel 2, lid 1). Na raadpleging van deskundigen wordt die verordening dan binnen de maand door de Commissie aan de Raad voorgelegd die haar binnen een voorgeschreven termijn kan wijzigen of bekrachtigen (artikel 3, leden 1 tot 3). Zo niet blijven de in bijlage opgenomen niveaus van toepassing totdat de Raad een besluit neemt of de Commissie haar voorstel intrekt (artikel 3, lid 4).
De in bijlage opgenomen niveaus waarnaar de hiervoor geciteerde zinsnede uit artikel 2, lid 1, van de verordening verwijst, bedragen 1 000 Bq/kg voor zuivelprodukten en 1 250 Bq/kg voor andere levensmiddelen wat caesium 134 en 137 betreft, naast andere niveaus voor strontium 90, jodium 131 en plutonium 239 en americium 241. Wat caesium betreft zijn ze dus, voor andere levensmiddelen dan zuivelprodukten (zoals tarwe), belangrijk hoger dan deze die in verordening nr. 1707/86 werden voorzien voor import uit de betrokken derde landen (hiervoor, nr. 6).
Maatregelen met betrekking tot aankopen en toekenning van exportrestituties door de interventiebureaus
10. In dit verband wil ik eerst verwijzen naar een bericht dat de Commissie op 24 juli 1986 per telex aan de Permanente vertegenwoordigingen van de twaalf Lid-Staten zond. Het was ondertekend door de heer Legras, directeur-generaal Landbouw, en betreft de aankoop door de interventiebureaus van door het ongeval te Tsjernobyl besmette produkten en de toekenning van exportrestituties voor die produkten. Dit bericht speelt een belangrijke rol in de argumentatie van KYDEP (zie hierna, nr. 19). Ik citeer het in extenso:
"De aandacht van de Lid-Staten wordt gevestigd op het feit dat volgens de communautaire voorschriften slechts produkten die van gezonde handelskwaliteit zijn of geen stoffen bevatten die schadelijk kunnen zijn voor de menselijke gezondheid, voor interventie kunnen worden aangeboden. Voorts kan geen enkel landbouwprodukt dat wegens zijn kenmerken niet kan worden afgezet, voor interventie worden aangekocht.
Voorts wordt erop gewezen dat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 van verordening (EEG) nr. 2730/79 (PB 1979, L 317, blz. 1), de restitutie bij uitvoer wordt toegekend voor produkten van gezonde handelskwaliteit die niet voor menselijke voeding kunnen worden uitgesloten op grond van hun kenmerken of de staat waarin zij verkeren.
Rekening houdend met wat voorafgaat en met het bepaalde in verordening nr. 1707/86 van de Raad, dient ervan te worden uitgegaan dat de produkten waarvoor de in artikel 3 van die verordening vastgestelde maximumtoleranties inzake de radioactiviteit worden overschreden, niet voldoen aan de voorwaarden voor interventie-aankoop of voor toekenning van restituties bij uitvoer. De betrokken financiële kosten zullen derhalve niet in aanmerking worden genomen door het EOGFL." (12)
11. De Commissie heeft zich niet beperkt tot voorgaande maatregel. Bij verordening (EEG) nr. 2751/88 van 2 september 1988 (13) heeft zij bovendien een bijzondere interventiemaatregel genomen ten gunste van uit Griekenland afkomstige durumtarwe, in het bijzonder tarwe van de oogst 1986. Deze maatregel was gesteund op artikel 8 van verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 (14), dat bepaalt dat tot bijzondere interventiemaatregelen kan worden besloten wanneer de marktsituatie in bepaalde gebieden van de Gemeenschap dit vergt. De aldus genomen bijzondere interventiemaatregel voor Griekse durumtarwe bestond hierin, dat een restitutie bij uitvoer werd toegekend voor 300 000 ton durumtarwe die uit Griekenland werd uitgevoerd en die voor 40 % afkomstig moest zijn uit de Griekse oogst van 1986.
Basisbeginselen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid
12. Het moge nuttig zijn bij de aanvang van het onderzoek van de middelen die door verzoekster worden aangevoerd ter ondersteuning van haar eis tot schadevergoeding, de basisbeginselen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in herinnering te brengen. Daartoe citeer ik rechtsoverwegingen 12 en 13 uit het arrest van het Hof van 19 mei 1992 in de gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90:
"In artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag wordt bepaald dat inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, de schade moet vergoeden die door haar instellingen in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. De strekking van deze bepaling is nader gepreciseerd, in dier voege dat de Gemeenschap wegens een normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert, slechts aansprakelijk kan worden gesteld in geval van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel (zie met name het arrest van 25 mei 1978, gevoegde zaken 83/76 en 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, HNL, Jurispr. 1978, blz. 1209, r.o. 4-6). Inzonderheid kan de Gemeenschap in een normatief kader als het onderhavige, dat wordt gekenmerkt door de uitoefening van een voor de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid onontbeerlijke ruime discretionaire bevoegdheid, slechts aansprakelijk worden gesteld, indien de betrokken instelling de grenzen van haar bevoegdheden klaarblijkelijk ernstig heeft miskend (zie met name het arrest van 25 mei 1978, reeds aangehaald, r.o. 6).
Bovendien is het vaste rechtspraak, dat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap onderstelt dat de gestelde schade de grenzen van de economische risico' s welke inherent zijn aan de ondernemersactiviteiten in de betrokken sector, te buiten gaat (zie de arresten van 4 oktober 1979, zaak 238/78, Ireks-Arkady, Jurispr. 1979, blz. 2955, r.o. 11; gevoegde zaken 241/78, 242/78, 245/78-250/78, DGV, Jurispr. 1979, blz. 3017, r.o. 11; gevoegde zaken 261/78 en 262/78, Interquell, Jurispr. 1978, blz. 3045, r.o; 14; gevoegde zaken 64/76 en 113/76, 167/78 en 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, Dumortier, Jurispr. 1979, blz. 3091, r.o. 11)." (15)
13. In de voorliggende zaak rijst dus vooreerst de vraag of er in casu sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel. KYDEP voert vijf dergelijke schendingen aan, die respectievelijk artikel 39, lid 1, sub b en c, EEG-Verdrag, het discriminatieverbod, het evenredigheidsbeginsel, de kennelijk verkeerde beoordeling van feiten en het beginsel van vrij verkeer van goederen en van vrije uitvoer betreffen. De Commissie en de Raad ontkennen elk van deze schendingen en besluiten tot verwerping van de vordering van KYDEP zonder dat het nodig is de andere aansprakelijkheidsvoorwaarden, in het bijzonder het bestaan van de schade en het oorzakelijk verband, te onderzoeken.
De beweerde schending van artikel 39, lid 1, sub b en c, EEG-Verdrag
Verzoeksters grieven ten overstaan van de Raad
14. Artikel 39, lid 1, EEG-Verdrag somt de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op. Op basis van de inleidende overwegingen van verordening nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (16), stelt KYDEP - op dit punt noch door de Raad noch door de Commissie tegengesproken - dat in de sector granen de voornaamste doelstellingen de in artikel 39, lid 1, sub b en c, genoemde doelstellingen zijn, namelijk het verzekeren van een redelijke levensstandaard aan de landbouwbevolking en het stabiliseren van de markten. Volgens KYDEP zou de Raad deze doelstellingen geschonden hebben doordat hij ten tijde van het ongeval te Tsjernobyl nagelaten heeft een gemeenschapsrechtelijk besluit te nemen betreffende de interventie, de uitvoer en de intracommunautaire handel in granen. Dit nalaten zou des te ernstiger zijn gelet op de verwachting die de Raad had gecreëerd door in de tweede inleidende overweging van verordening nr. 1707/86 een communautaire beslissing aangaande interne toleranties van besmetting aan te kondigen. (17) De Raad zou er ook op grond van artikel 8 van genoemde verordening nr. 2727/75 (zie hiervoor, nr. 11) toe gehouden zijn geweest dergelijke maatregelen te nemen.
In haar repliek op het verweerschrift van de Raad heeft KYDEP gepreciseerd dat, indien de Raad bij toepassing van genoemd artikel 8 bijzondere interventiemaatregelen had genomen, hij daarbij maatregelen had kunnen nemen die direct tegemoetkwamen aan de problemen van de producenten en handelaars. Als ik dit goed begrijp, had KYDEP dus gewild dat de Raad haar, of toch de Griekse graansector, bijzondere financiële steun had verleend om de gevolgen van het ongeval te Tsjernobyl te compenseren.
15. De Raad verdedigt zich tegen deze grief met de volgende argumenten. Ten eerste voert hij aan dat de instellingen, ten tijde van het ongeval te Tsjernobyl, op grond van het gemeenschapsrecht niet over de nodige bevoegdheden beschikten en dat er meer bepaald geen procedure bestond om na een kernongeval bij hoogdringendheid de maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting in voedingswaren vast te stellen. (18) Artikel 2, sub b, EGA-Verdrag bepaalt weliswaar dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie uniforme veiligheidsnormen voor de gezondheidsbescherming van de bevolking moet vaststellen en erover moet waken dat deze worden toegepast. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven door verschillende richtlijnen in 1959, later vervangen door de richtlijn van de Raad van 15 juli 1980 houdende wijziging van de richtlijnen tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren. (19) Deze richtlijnen bevatten evenwel geen regels betreffende de vaststelling van maximale niveaus van radioactieve besmetting in voedingswaren naar aanleiding van een kernongeval. Wel bepaalt artikel 45, lid 4, van genoemde richtlijn van 15 juli 1980 dat "iedere Lid-Staat voorziet, voor het geval dat er zich een ongeval zou voordien, in a) interventieniveaus, alsmede de door de bevoegde autoriteiten te treffen maatregelen (...)". Het is trouwens in overeenstemming met deze bepaling dat de Lid-Staten, onmiddellijk na het ongeval te Tsjernobyl, op nationaal niveau maximale toleranties hebben bepaald. Bovendien hebben de Lid-Staten zich er bij het aannemen van verordening nr. 1707/86 toe verbonden om voor de invoer uit andere Lid-Staten geen strengere toleranties toe te passen dan voor hun eigen nationale produktie (zie nr. 7), en hebben zij in de praktijk de maximale toleranties overgenomen die bepaald waren voor de invoer uit derde landen (zie nr. 28).
In ditzelfde verband merkt de Raad nog op dat het ten tijde van het ongeval te Tsjernobyl bestaande, en nadien onvoldoend gebleken, juridische kader beantwoordde aan de vereisten en de wetenschappelijke kennis van toen. Vóór het ongeval te Tsjernobyl gold de algemeen verspreide wetenschappelijke opvatting dat de effecten van een kernongeval zich enkel lieten voelen binnen een beperkte geografische zone. De twee belangrijkste kernongevallen tot dan toe, die van Three Mile Island in de Verenigde Staten en van Windscale in het Verenigd Koninkrijk, hadden inderdaad enkel lokale effecten gehad. Als gevolg daarvan had men, niet alleen in de Gemeenschap maar ook in het kader van de bevoegde internationale organisaties, alleen aandacht besteed aan de toelaatbare niveaus van bestraling waaraan het menselijk lichaam in ongevalssituaties rechtstreeks wordt blootgesteld. Meer in het bijzonder bestonden er geen internationaal erkende normen inzake toelaatbare niveaus van radioactiviteit voor voedingswaren. Enkel de US Food and Drug Administration had sinds 1982 normen ontwikkeld.
16. Wat de in artikel 8 van verordening nr. 2727/75 voorziene mogelijkheid tot het nemen van bijzondere interventiemaatregelen betreft, wijst de Raad erop dat van deze mogelijkheid ook effectief gebruik werd gemaakt en wel namelijk door de verordening nr. 2751/88 van de Commissie van 2 september 1988 betreffende een bijzondere interventiemaatregel voor durumtarwe in Griekenland (hiervoor, nr. 11). Verder merkt de Raad op dat noch het Verdrag noch verordening nr. 2727/75 hem ertoe verplicht maatregelen te nemen ter directe financiële compensatie van de verliezen die producenten leiden door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen. Daarentegen bepaalt artikel 92, lid 2, sub b, EEG-Verdrag wel dat steunmaatregelen van de Lid-Staten in dit geval toegelaten zijn.
Ten slotte betwijfelt de Raad of artikel 39 EEG-Verdrag wel een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel vormt waarvan de schending tot aansprakelijkheid voor normatief optreden van de Gemeenschap aanleiding kan geven. De Raad verwijst hierbij naar een opmerking in die zin van advocaat-generaal Capotorti: "de belangen van degenen voor wie het gemeenschappelijk landbouwbeleid is bestemd worden er zeker door beschermd, maar niet in de vorm van subjectieve rechten". (20)
17. Ik kan mij zonder moeite aansluiten bij de argumenten van de Raad. KYDEP bewijst helemaal niet het bestaan van "een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel", en toont evenmin aan dat de Raad "de grenzen van (zijn) bevoegdheden ernstig heeft miskend" (zie nr. 12). Nog afgezien van de vraag of artikel 39 wel een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel vormt, lijkt er mij alleszins geen sprake te zijn van een foutief handelen of nalaten, laat staan van een voldoende gekwalificeerde fout. Zoals de Raad terecht opmerkt, verplichtte geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht de Raad om maatregelen te nemen ter financiële compensatie van de verliezen die de Griekse graansector heeft geleden ten gevolge van het kernongeval te Tsjernobyl. Dergelijke verplichting kan in het bijzonder niet worden afgeleid uit de algemene bepaling van artikel 39 EEG-Verdrag waarin de verzekering van een redelijke levensstandaard aan de landbouwbevolking en de stabilisering van de markten als doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden vermeld. Artikel 8 van genoemde verordening nr. 2727/75 maakt het nemen van bijzondere interventiemaatregelen mogelijk, maar verplicht daartoe niet. De Commissie heeft trouwens wel degelijk een bijzondere interventiemaatregel genomen, bij voornoemde verordening nr. 2751/88, ten voordele van uit Griekenland herkomstige durumtarwe van de oogst 1986.
De Raad lijkt het mij eveneens bij het rechte eind te hebben wanneer hij betoogt - zonder enige concrete weerlegging van de zijde van KYDEP - dat het, naar de stand van het gemeenschapsrecht ten tijde van het ongeval te Tsjernobyl, aan de Lid-Staten stond om maximale niveaus van radioactieve besmetting in voedingswaren in geval van een kernongeval te bepalen. De afwezigheid van voorafbestaande gemeenschappelijke normen of van een procedure om deze bij urgentie vast te stellen, kan aan de instellingen bezwaarlijk verweten worden - naar ik begrijp, doet KYDEP dit trouwens niet - aangezien het ongeval te Tsjernobyl en de gevolgen ervan op lange afstand geheel nieuw waren in hun soort.
Verzoeksters grieven ten overstaan van de Commissie
18. In aansluiting bij bovenstaand verwijt aan de Raad, is KYDEP van oordeel dat de Commissie te lang gewacht heeft met het indienen van een voorstel voor een blijvende regeling betreffende de radioactieve besmetting van voedingswaren. In zijn zitting van 30 mei 1986, waarin verordening nr. 1707/86 werd aangenomen, had de Raad de Commissie verzocht om "zonder vertraging" voorstellen te formuleren voor normen betreffende onder meer de radioactieve besmetting van voedingswaren (zie hiervoor nr. 7). Pas dertien maanden later, op 2 juli 1987, heeft de Commissie een voorstel bekendgemaakt, dat dan is uitgemond in verordening nr. 3954/87 (zie hoger nr. 8).
De Commissie ontkent deze feiten niet, maar stelt dat dertien maanden in casu een redelijke duur is, die niet te wijten is aan inertie van haar kant maar aan de complexiteit van de materie en de verdeeldheid van de adviezen van de experts. Zoals ook KYDEP in haar repliek tegenover de Raad vermeldt, organiseerde de Commissie gedurende deze dertien maanden onder meer een internationaal symposium met 100 experts uit 27 landen en vertegenwoordigers van de bevoegde internationale instellingen.
Ik moet vaststellen dat KYDEP zich beperkt tot de loutere bewering dat dertien maanden te lang is en dat zij op geen enkele wijze de tegenargumenten van de Commissie weerlegt. Op zich lijkt een periode van dertien maanden mij trouwens niet bijzonder lang, althans niet in een complexe technische materie en gelet op de nieuwsoortige omstandigheden. Dit argument van KYDEP dient dus verworpen te worden.
19. KYDEP verwijt de Commissie ook nog dat zij de problemen van de Griekse graansector verergerd heeft door aan de Lid-Staten op 24 juli 1986 een telexbericht te zenden (zie hoger nr. 10). De verzending daarvan zou een volstrekt onwettige handeling zijn geweest en ernstige schade hebben veroorzaakt. In wezen heeft dit geleid tot een verbod om landbouwprodukten waarvan de radioactiviteit de erin vermelde toleranties overschreed, ter interventie aan te bieden of om er uitvoerrestituties voor toe te kennen.
Volgens de Commissie was deze handeling in geen enkel opzicht onwettig. Juridisch moet het telexbericht beschouwd worden als een verklarende of interpretatieve nota die de Commissie aan de Lid-Staten richtte in het kader van hun onderlinge administratieve samenwerking en waarin zij de Lid-Staten herinnert aan de regels inzake financiering van landbouwuitgaven door het EOGFL. Ook zonder deze herinnering zouden deze regels van toepassing zijn geweest.
20. Ik kan mij aansluiten bij de argumentatie van de Commissie. Het is volstrekt normaal dat de Commissie, in haar taak van behoedster van het gemeenschapsrecht en van beheerster van het EOGFL, de Lid-Staten herinnert aan de gemeenschapsrechtelijke regels die door deze laatsten mede moeten worden toegepast. Het is eveneens normaal dat de Commissie daarbij, in het kader van de administratieve samenwerking met de Lid-Staten, haar interpretatie geeft betreffende de toepassing van de regels inzake financiering door het EOGFL, regels die de Commissie immers gehouden is daarna toe te passen in het kader van de jaarlijkse goedkeuring van de EOGFL-rekeningen. (21)
Het gewraakte telexbericht (zie nr. 10 voor de volledige tekst) lijkt mij overigens een aanvaardbare interpretatie te bevatten van de erin aangehaalde of bedoelde bepalingen. Verordening (EEG) nr. 1569/77 van de Commissie van 11 juli 1977 houdende vaststelling van de procedures en voorwaarden voor de overneming van granen door de interventiebureaus (22) luidt in zijn artikel 2, lid 1:
"Om voor interventie in aanmerking te komen moeten de granen van gezonde handelskwaliteit zijn."
Analoog daarmee luidt artikel 15 van verordening nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (23):
"Restituties worden niet verleend indien de produkten niet van gezonde handelskwaliteit zijn en als de geschiktheid voor menselijke consumptie - voor zover zij daarvoor zijn bestemd - geheel of in aanzienlijke mate is verloren gegaan wegens hun eigenschappen of de toestand waarin zij zich bevinden."
Volledig in overeenstemming daarmee stelde de Commissie in het gewraakte telexbericht dat landbouwprodukten waarvan de radioactiviteit de maxima bepaald in verordening nr. 1707/86 (zie nr. 6) overschrijdt, niet kunnen beschouwd worden als zijnde van gezonde handelskwaliteit en geschikt voor menselijke consumptie in de zin van de twee aangehaalde bepalingen. Voor zover de bedoelde maxima aanvaardbaar zijn (daarover, nrs. 27 en 28), lijkt deze interpretatie van de bepalingen me redelijk.
21. KYDEP vecht deze interpretatie aan door te wijzen op het tweede lid van genoemd artikel 2 van verordening nr. 1569/77:
"Zij worden als van gezonde handelskwaliteit beschouwd wanneer zij een aan dit graan eigen kleur hebben, vrij zijn van schadelijk levend gedierte (met inbegrip van mijt) in al hun ontwikkelingsstadia en voldoen aan de in de bijlage vermelde minimumkwaliteitscriteria."
Nu de bijlage niets over radioactiviteit bepaalt, zou hieruit a contrario volgen dat radioactief besmet graan moet worden beschouwd als van gezonde handelskwaliteit. Die redenering kan niet ernstig worden genomen.
De beweerde schending van het non-discriminatiebeginsel
22. Artikel 40, lid 3, tweede alinea, in fine, EEG-Verdrag bepaalt dat een gemeenschappelijke marktordening "elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap (moet) uitsluiten". Volgens KYDEP hebben de gemeenschapsinstellingen dit non-discriminatiebeginsel geschonden door geen bijzondere maatregelen te nemen ten gunste van de Griekse graansector. Het Grieks grondgebied was door de gevolgen van het ongeval te Tsjernobyl in veel grotere mate getroffen dan de rest van de Gemeenschap. Het uitblijven van speciale maatregelen voor Griekenland zou daarom een discriminatie uitmaken.
Een discriminatie zou volgens KYDEP verder blijken uit een vergelijking van de twee verordeningen die de Raad op 22 december 1987 aannam (zie nr. 8). Verordening nr. 3955/87 van die datum bevestigde de eerder genomen maatregelen ten aanzien van uit derde landen ingevoerde landbouwprodukten, met daarin maximaal toelaatbare radioactiviteitsniveaus van 370 Bq/kg voor melk en 600 Bq/kg voor alle andere betrokken produkten (zie nr. 6). Verordening nr. 3954/87 van dezelfde datum hanteert daarentegen hogere maxima voor toekomstige ongevallen, namelijk 1000 Bq/kg voor zuivelprodukten en 1250 Bq/kg voor andere levensmiddelen. Voor dit verschil zou geen objectieve rechtvaardiging bestaan.
Ten slotte stelt KYDEP dat de discriminerende behandeling van de Griekse graansector na het ongeval te Tsjernobyl nog verergerd werd doordat de Commissie, ook al was het graan niet verhandelbaar, toch een medeverantwoordelijkheidsheffing heeft geïnd op 2 367 000 ton van het betroffen Grieks graan.
23. Deze argumentatie van KYDEP kan mijns inziens niet slagen, gelet op de jurisprudentie van het Hof: "Volgens vaste rechtspraak van het Hof (arrest van 23 februari 1983, zaak 8/82, Wagner, Jurispr. 1983, blz. 371) is er sprake van discriminatie wanneer gelijke situaties verschillend of verschillende situaties gelijk worden behandeld." (24) Wat KYDEP hier beweert, is dat de Griekse graansector zich in een verschillende situatie bevond maar toch gelijk werd behandeld als de rest van de Gemeenschap. Wat de gelijke behandeling betreft, merkt de Raad op dat wel degelijk speciale maatregelen ten gunste van Griekenland werden genomen, namelijk door verordening nr. 2751/88 (zie nr. 11). Wat de verschillende situatie betreft, wijzen de Raad en de Commissie erop dat Griekenland niet het enige gebied was in de Gemeenschap dat in ernstige mate door het ongeval te Tsjernobyl was getroffen. Uit cijfers die door de Commissie aan het Hof werden voorgelegd blijkt dat twee gebieden in de Gemeenschap, namelijk Zuid-Duitsland en Noord-Italië, méér radioactieve neerslag ondergingen dan Griekenland. KYDEP antwoordt hierop dat deze cijfers op de besmetting van de bodem slaan, en niet noodzakelijk lineair overeenstemmen met de besmettingsgraad van landbouwprodukten. KYDEP verstrekt echter geen cijfers of andere aanduidingen waaruit zou blijken dat de besmettingsgraad van landbouwprodukten, in het bijzonder tarwe, in Griekenland hoger zou geweest zijn dan in de rest van de Gemeenschap. (25) Ik leid daaruit af dat KYDEP niet het bewijs heeft geleverd dat de Griekse graansector gediscrimineerd werd: in zoverre zou zijn aangetoond dat de Griekse situatie verschillend was van die van andere gebieden van de Gemeenschap, werd daaraan tegemoet gekomen door in het voordeel van Griekenland genomen speciale maatregelen.
24. Het argument van KYDEP op basis van de vergelijking tussen de twee verordeningen van 22 december 1987 overtuigt mij evenmin. Zoals de Raad en de Commissie terecht opmerken, gaat het om twee verordeningen met verschillende inhoud en doelstelling. Verordening nr. 3955/87 betrof specifiek de gevolgen van het ongeval te Tsjernobyl. De erin bevestigde maximale niveaus van radioactiviteit waren redelijk en verantwoord in het licht van de concrete feitelijke omstandigheden en de beschikbare wetenschappelijke gegevens van toen (zie hierna nrs. 27 en 28). Verordening nr. 3954/87 daarentegen bevat geen concrete maatregelen naar aanleiding van een bepaald feit, maar stelt de procedure vast voor de bepaling van maximale niveaus van radioactieve besmetting ingeval van toekomstige kernongevallen. Uit artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 4, van deze verordening (zie hiervoor nr. 9) blijkt dat de cijfers in bijlage bij de verordening gelden in afwachting of bij ontstentenis van een besluit dat, in functie van de omstandigheden van het concrete geval, maximale niveaus van radioactiviteit vaststelt. Aangezien het hier om subsidiaire maxima gaat, waarvan de toepassing voorlopig is tot wanneer concrete gegevens voorhanden zijn, lijkt het mij normaal dat zij aan de ruime kant liggen. Alleszins kan uit de vergelijking van deze subsidiaire maxima met de specifieke maxima in verordening nr. 3955/87 geen discriminatie worden afgeleid, daar beide maxima op verschillende hypotheses rusten, meer in het bijzonder de concrete situatie in Tsjernobyl respectievelijk de algemene hypothetische situatie bij toekomstige ongevallen.
25. Ten slotte meen ik dat KYDEP evenmin bewijst dat het non-discriminatiebeginsel zou geschonden zijn doordat de medeverantwoordelijkheidsheffing werd geïnd voor graan dat niet voor interventie in aanmerking kwam. Artikel 4, lid 5, van verordening nr. 2727/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, zoals gewijzigd door verordening nr. 1579/86 van de Raad van 23 mei 1986 (26), bepaalt dat de medeverantwoordelijkheidsheffing geldt voor granen die een eerste verwerking, interventie-aankoop of uitvoer in de vorm van korrels ondergaan. Welnu, volgens de Commissie is de gehele Griekse graanproduktie van 1986 en 1987 (de jaren waarin het radioactiviteitsprobleem zich voordeed) hetzij verwerkt, hetzij uitgevoerd. Dit kon zonder gevaar gebeuren omdat bij verwerking het niveau van radioactiviteit daalt of omdat het besmette graan vermengd werd met ander graan zodat de uiteindelijke radioactiviteitsgraad voldoende laag was. (27)
KYDEP heeft op geen enkele wijze deze feitelijke beweringen van de Commissie weerlegd of zelfs maar betwist.
De beweerde schending van het evenredigheidsbeginsel
26. Volgens KYDEP hebben de gemeenschapsinstellingen bij het nemen van de maatregelen vervat in verordening nr. 1707/86 (zie nr. 6) het evenredigheidsbeginsel geschonden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof verlangt dit beginsel "dat de door handelingen van de gemeenschapsinstellingen opgelegde maatregelen geschikt zijn om het gestelde doel te bereiken en niet verder gaan dan daartoe nodig is". (28)
Naar luid van de derde inleidende overweging van verordening nr. 1707/86 had deze tot doel te verzekeren "dat voor menselijke voeding bestemde landbouwprodukten en verwerkte landbouwprodukten die besmet zouden kunnen zijn slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht volgens gemeenschappelijke regels die de gezondheid van de consument waarborgen, de eenheid van de markt in stand houden en verleggingen van het handelsverkeer voorkomen zonder de handel onnodig te belemmeren".
Voor zover ik de argumenten van KYDEP goed begrijp, stelt zij dat de genomen maatregelen verder gingen dan nodig was om deze doelstellingen te bereiken, meer bepaald dat de aangenomen maximale niveaus van radioactieve besmetting (370 Bq/kg voor melk en 600 Bq/kg voor alle andere betrokken produkten, waaronder graan; zie nr. 6) strenger waren dan nodig om de gezondheid van de consument te waarborgen.
27. Het is mij niet geheel duidelijk op welke gronden KYDEP deze schending van het evenredigheidsbeginsel meent te kunnen steunen. In andere delen van haar betoog vind ik het argument dat de vastgestelde maximale niveaus niet wetenschappelijk verantwoord waren. In de vierde inleidende overweging van verordening nr. 1707/86 werd door de Raad erkend "dat het wetenschappelijk beraad aangaande minimum referentieniveaus nog dient te worden verdiept", maar er werd aan toegevoegd "dat niettemin, om redenen van urgentie en volgens spoedprocedures, voorlopige maximale toleranties dienen te worden vastgesteld". Zoals de vertegenwoordiger van de Commissie ter zitting betoogde - zonder enige weerlegging door KYDEP - is het ook vandaag niet mogelijk te zeggen welke cijfers wetenschappelijk correct of onbetwistbaar zijn. Nog veel minder was dit mogelijk onmiddellijk na het ongeval te Tsjernobyl dat, zoals reeds meermaals gezegd werd, geheel nieuw en onverwacht was wat betreft de aard van zijn gevolgen. De Commissie stelt - opnieuw zonder weerlegging door KYDEP - dat zij haar voorstellen heeft gebaseerd op alle beschikbare wetenschappelijke informatie, en rekening houdend met de reacties van de publieke opinie en de overheden in de verschillende Lid-Staten en in derde landen. Verschillende Lid-Staten en derde landen hadden immers reeds maatregelen genomen of waren die aan het nemen, waarbij de strengheid van de toegelaten radioactiviteitsniveaus afhing van de milieugevoeligheid van de publieke opinie in de verschillende landen.
28. Ik meen dat de gemeenschapsinstellingen, bij de vaststelling van uniforme maximale toleranties, met deze verschillen rekening mochten houden ten einde te komen tot een voor alle Lid-Staten aanvaardbaar gemiddelde. Dankzij verordening nr. 1707/86 en de andere maatregelen van de Gemeenschap en de Lid-Staten werd dit doel ook bereikt, zowel voor de invoer uit derde landen als voor de intracommunautaire handel: zoals de Commissie opmerkt - wederom zonder weerlegging door KYDEP - hebben alle Lid-Staten voor de handel binnen de Gemeenschap de maximale toleranties overgenomen welke in de verordening waren vastgesteld voor invoer uit Midden- en Oosteuropese landen (hiervoor, nrs. 6 en 7), en hebben twintig derde landen ook dezelfde normen overgenomen. In deze eensgezindheid kan mijns inziens een aanduiding worden gelezen dat de in verordening nr. 1707/86 aangenomen maximale toleranties niet onredelijk waren, gelet op de op dat ogenblik schaarse beschikbare feitelijke en wetenschappelijke gegevens. Aangezien naderhand geen nieuwe elementen zijn opgedoken waaruit hun ongeschiktheid zou gebleken zijn, lijkt het mij evenzeer verantwoord dat de maxima welke in verordening nr. 1707/86 als voorlopig werden aangenomen, later in verordening nr. 3955/87 bevestigd werden. Behoudens het argument gehaald uit de vergelijking met verordening nr. 3954/87, dat ik reeds verworpen heb (nr. 24), voert KYDEP overigens geen ander argument aan waaruit zou blijken dat deze maxima strenger waren dan nodig was. Bijgevolg ligt er geen bewijs voor van een schending van het evenredigheidsbeginsel.
De zogenaamd kennelijk verkeerde beoordeling van de feiten
29. KYDEP voert aan dat de maximale toleranties zoals vastgesteld in verordening nr. 1707/86, blijk geven van een kennelijk verkeerde beoordeling van de feiten. Zoals hiervoor (nr. 6) reeds werd vermeld, bepaalde artikel 3 van deze verordening dat:
"de gecumuleerde maximale radioactiviteit van caesium 134 en 137 mag niet meer bedragen dan:
- 370 Bq/kg voor melk van de posten 04.01 en 04.02 van het gemeenschappelijk douanetarief, alsmede voor voedingsmiddelen bestemd voor de bijzondere voeding van zuigelingen gedurende de eerste vier tot zes maanden van hun leven, die op zichzelf voldoen aan de behoeften aan voeding van deze groep personen en die voor de kleinhandel zijn verpakt in duidelijk geïdentificeerde verpakkingen en geëtiketteerd als 'bereidingen voor zuigelingen' ,
-- 600 Bq/kg voor alle andere betrokken produkten."
Volgens KYDEP bevat deze bepaling twee ernstige gebreken: ten eerste bepaalt ze alleen voor melk, en niet voor graan en andere produkten, het maximale radioactiviteitsniveau in het stadium van de detailhandel; ten tweede wordt de radioactiviteit gemeten voor tarwe hoewel tarwe niet voor onmiddellijke menselijke consumptie bestemd is maar steeds eerst in tarwemeel omgezet wordt. Welnu, de radioactiviteitsgraad van meel is normaal maar half zo hoog als die van tarwe zoals gemeten op de pericarp (de vruchtwand rond het zaad). Dit alles zou betekenen dat meel een kennelijk veel voordeliger behandeling krijgt dan tarwe.
30. In zijn verweerschrift wijst de Raad opnieuw (zie reeds nr. 15) op het feit dat er ten tijde van het ongeval te Tsjernobyl geen internationaal erkende normen bestonden inzake toelaatbare radioactiviteitsniveaus in voedingswaren. De door de Raad in verordening nr. 1707/86 aangenomen normen waren gebaseerd op alle toen beschikbare informatie: adviezen van de nationale experts inzake radioactiviteit en voedingswaren, aanbevelingen van de Internationale Commissie voor Radiologische Protectie (ICRP) en richtlijnen van de US Food and Drug Administration. De niveaus die later, in januari 1987, werden voorgesteld door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) waren trouwens ongeveer dezelfde als die vervat in verordening nr. 1707/86.
In haar verweerschrift gaat de Commissie afzonderlijk in op de twee door KYDEP aangevoerde probleempunten. Wat betreft de verschillende behandeling van melk enerzijds en van alle andere produkten anderzijds, stelt de Commissie dat het alleen voor melk mogelijk was een norm vast te stellen op het niveau van het verwerkt produkt, omdat er voor andere produkten, in het bijzonder tarwe, zoveel verschillende transformatiemethodes en eindbestemmingen bestaan dat het praktisch niet mogelijk is normen voor verwerkte produkten vast te stellen. In haar repliek heeft KYDEP, zonder meer, gesteld het met deze feitelijke bewering niet eens te zijn. Nog wat de afzonderlijke behandeling van melk betreft, wijst de Commissie erop dat de norm voor melk strenger was dan die voor de andere produkten waaronder tarwe, en dat zij dus niet begrijpt welk belang KYDEP kan hebben bij het aanvechten van dit onderscheid.
Wat de beweerde voordelige behandeling van meel in vergelijking met tarwe betreft, bevestigt de Commissie dat de radioactiviteitsgraad inderdaad aanzienlijk afneemt wanneer tarwe verwerkt wordt. Zoals eerder gezegd (nr. 25) verklaart dit mede waarom de Griekse tarwe van de oogsten 1986 en 1987 uiteindelijk toch op de markt kon worden gebracht. Maar de Commissie begrijpt niet in welke zin KYDEP zich dan wel geschaad acht.
31. Gelet op de algemeenheid van KYDEP' s argumentatie, die geen enkel wetenschappelijk of ander overtuigingselement bevat, en de door Raad en Commissie aangevoerde tegenargumenten, komt het mij voor dat de vordering van KYDEP ook op dit punt moet afgewezen worden. Er is immers geenszins bewezen dat de Raad "de grenzen van (zijn) bevoegdheden klaarblijkelijk ernstig heeft miskend". Ik deel overigens het onbegrip van de Commissie betreffende het belang dat KYDEP heeft bij haar eigen argumentatie.
De beweerde schending van het beginsel van vrij verkeer van goederen en van vrije uitvoer
32. KYDEP voert aan dat het handelen en nalaten van de Raad en de Commissie, in het bijzonder het niet treffen van een gemeenschapsrechtelijk besluit betreffende de interventie, de uitvoer en de intracommunautaire handel in granen (zie hoger nr. 14) en het verzenden van de telex op 24 juli 1986 door de Commissie (nr. 19), ertoe hebben geleid dat het vrij verkeer van goederen en de vrije uitvoer belemmerd werden, in het bijzonder voor tarwe met een radioactiviteitsniveau boven 600 Bq/kg.
33. Zoals ook de advocaat van KYDEP ter zitting gesteld heeft, gaat het hierbij niet echt om een afzonderlijke grief maar om een gevolgtrekking uit of een explicitatie van de andere grieven. De Raad en de Commissie verwijzen dan ook naar hun verweer betreffende die andere grieven, in het bijzonder naar hun verweer inzake de beweerde schending van artikel 39 EEG-Verdrag: de Gemeenschap had geen bevoegdheid om verdergaande maatregelen te nemen dan die welke zij genomen heeft (zie hoger nr. 15), de litigieuze telex was volstrekt wettelijk (nr. 18) en het geheel van de genomen maatregelen door de gemeenschapsinstellingen en de Lid-Staten heeft de eenheid van de markt en de handel met derde landen zo veel mogelijk gediend (nrs. 27 en 28). Vermits KYDEP geen andere argumenten aanvoert, kan ik eveneens verwijzen naar mijn voorgaande beschouwingen en daaruit besluiten dat de vordering van KYDEP ook op dit punt moet afgewezen worden.
De beweerde schade en het oorzakelijk verband
34. Uit het voorgaande blijkt dat KYDEP er mijns inziens niet in slaagt aan te tonen dat de Raad en/of de Commissie een fout hebben begaan die van aard zou zijn hun aansprakelijkheid op grond van artikel 215, lid 2, EEG-Verdrag te doen ontstaan. Bijgevolg is het niet nodig om de beweerde schade en het oorzakelijk verband te onderzoeken en dient de vordering van KYDEP in haar geheel afgewezen te worden. Omdat de argumentatie van KYDEP betreffende de schade en het oorzakelijk verband niet erg duidelijk is - en dat ook gebleven is na het overleggen door KYDEP, op vraag van het Hof, van bijkomende informatie -, zijn de Raad en de Commissie nog niet echt kunnen ingaan op de argumenten van KYDEP betreffende deze punten. Zou het Hof, anders dan ik voorstel, van oordeel zijn dat KYDEP een voldoende fout van de Raad en/of de Commissie bewezen heeft, dan moeten deze instellingen in elk geval de mogelijkheid krijgen om hun argumenten betreffende deze punten naar voren te brengen.
Besluit
35. Op grond van al het voorgaande stel ik het Hof voor de vordering van KYDEP af te wijzen en haar in de kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) - Deze persmededeling werd door de Commissie in bijlage in haar verweerschrift gevoegd.
(2) - Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 1986 aan de Lid-Staten betreffende de ten gevolge van de radioactieve neerslag uit de Sovjet-Unie nationaal getroffen maatregelen voor landbouwprodukten (86/156/EEG, PB 1986, L 118, blz. 28).
(3) - Beschikking van de Commissie van 7 mei 1986 houdende schorsing van de inschrijving van sommige landen op de lijst van derde landen waaruit de Lid-Staten de invoer van runderen en varkens en van vers vlees toestaan (86/157/EEG, PB 1986, L 120, blz. 66).
(4) - PB 1986, L 127, blz. 1.
(5) - Ter uitvoering van deze verordening van de Raad nam de Commissie twee andere verordeningen, namelijk verordening (EEG) nr. 1505/86 van 16 mei 1986 (PB 1986, L 131, blz. 45) en verordening (EEG) nr. 1603/86 van 26 mei 1986 (PB 1986, L 140, blz. 24).
(6) - PB 1986, L 146, blz. 88.
(7) - Ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 1707/86 van de Raad nam de Commissie verordening (EEG) nr. 1762/86 van 5 juni 1986 (PB 1986, L 152, blz. 41).
(8) - Document van de Raad, 7357/86, blz. 2; overgelegd door de Raad in bijlage bij zijn verweerschrift.
(9) - PB 1987, L 371, blz. 14.
(10) - De geldingsduur van deze verordening werd later verlengd bij verordening (EEG) nr. 4003/89 van de Raad van 21 december 1989 (PB 1989, L 382, blz. 4). Daarna werd de verordening vervangen door verordening (EEG) nr. 737/90 van de Raad van 22 maart 1990 (PB 1990, L 82, blz. 1). Deze laatste verordening, met geldingsduur tot 31 maart 1995, behoudt dezelfde maximale toleranties, maar voorziet in een procedure om produkten waarvan de radioactiviteit is gedaald tot het niveau van vóór het ongeval te Tsjernobyl, buiten het toepassingsgebied van de regeling te sluiten.
(11) - PB 1987, L 371, blz. 11. In de hoofding van de verordening wordt vermeld dat zij strekt tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders tengevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar .
(12) - Telex nr. VS-S-1/1187/86/D1/GG/G8.
(13) - PB 1988, L 245, blz. 13.
(14) - Zoals toen geldend na vervanging bij verordening (EEG) nr. 1579/86 van de Raad van 23 mei 1986 (PB 1986, L 139, blz. 29) en wijziging door verordening (EEG) nr. 1097/88 van de Raad van 25 april 1988 (PB 1988, L 110, blz. 7).
(15) - Arrest van 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061, r.o. 12 en 13.
(16) - PB 1975, L 281, blz. 1; sindsdien meermaals gewijzigd.
(17) - Zie hiervoor, nr. 6.
(18) - Zoals hiervoor aangemerkt werd deze procedure eerst ingesteld door verordening nr. 3954/87 (hiervoor, nr. 8).
(19) - Richtlijn 80/836/Euratom (PB 1980, L 246, blz. 1).
(20) - Conclusie van advocaat-generaal Capotorti van 1 maart 1978 in gevoegde zaken 83/76, 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, HNL, Jurispr. 1978, blz. 1231.
(21) - Zie artikel 5, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1970, L 94, blz. 13).
(22) - PB 1977, L 174, blz. 15.
(23) - PB 1979, L 317, blz. 1.
(24) - Arrest van 26 maart 1987, zaak 58/86, Coopérative agricole d' approvisionnement des Avirons, Jurispr. 1987, blz. 1525, r.o. 15.
(25) - Het enige feit waar KYDEP naar verwijst, is dat alleen de Griekse regering in de Raad en in het Comité van permanente vertegenwoordigers om speciale steunmaatregelen heeft verzocht ter compensatie van de gevolgen van het ongeval te Tsjernobyl. Ter ondersteuning van die bewering citeert KYDEP enkele documenten van de Raad. Volgens de Raad gaat het om documenten die naar luid van artikel 18 van het Reglement van orde van de Raad (PB 1979, L 268, blz. 1), aan geheimhouding onderworpen zijn en waarvoor geen machtiging werd gevraagd om ze aan het Hof voor te leggen. Dienvolgens kan het Hof daarvan geen kennis nemen. Hoe dit ook zij, de omstandigheid dat een regering als enige maatregelen heeft gevraagd, kan niet als bewijs gelden dat een probleem alleen voor die Lid-Staat van belang is.
(26) - PB 1986, L 139, blz. 29.
(27) - In bijlage bij haar dupliek legde de Commissie een wetenschappelijke studie voor waarin een en ander wordt uiteengezet.
(28) - Arrest van 18 september 1986, zaak 116/82, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1986, blz. 2519, r.o. 21.
Full & Egal Universal Law Academy