CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 18 november 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De door de Nederlandse Raad van State gestelde prejudiciële vragen betreffen de uitlegging van de artikelen 59 en 67 EEG-Verdrag, alsook van de Eerste richtlijn van de Raad van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag ( 1 ) (hierna: „Eerste richtlijn”) en van richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag ( 2 ) (hierna: „Tweede richtlijn”).
Deze vragen betreffen in wezen de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van artikel 57, lid 1, van de Nederlandse wet van 21 april 1987 houdende regels betreffende de verzorging van radio- en televisieprogramma's, de omroepbijdrage en de steunverlening aan persorganen ( 3 ) (hierna: „Mediawet”). Dit artikel bepaalt: „Instellingen die zendtijd hebben verkregen verrichten naast het verzorgen van hun programma geen andere activiteiten dan waarin deze wet voorziet of waarvoor het Commissariaat voor de Media toestemming heeft gegeven.”
2.
Voor de details verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting. Ik herinner er echter aan, dat de belangrijkste bepalingen van het bij de Mediawet in het leven geroepen stelsel, dat het Hof overigens niet onbekend is ( 4 ), zijn ingegeven door de doelstelling een pluriform en niet-commercieel omroepbestel te handhaven. Met het oog op deze doelstelling is de zendtijd landelijk gezien grotendeels verdeeld over de omroepverenigingen, rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen van luisteraars en kijkers bestaande uit ten minste 150000 leden, zodat de programmering een afspiegeling vormt van de verschillende politieke, sociale en godsdienstige componenten van de Nederlandse samenleving. Voorts zijn deze instellingen, die voor 100 % worden gefinancierd door de staat, verplicht zich te houden aan een hele reeks voorwaarden betreffende hun eigen structuur en de inhoud van de programma's. De Veronica Omroep Organisatie (hierna: „Veronica”), verzoekster in het hoofdgeding, is een omroepinstelling in de zin van de Mediawet.
Dan kom ik thans tot de feiten die aan de onderhavige verwijzing ten grondslag liggen. Op 4 juli 1990 nam het Commissariaat voor de Media wegens schending van artikel 57 Mediawet ten aanzien van Veronica een besluit houdende intrekking van de zendtijd voor de duur van dertien weken en een boete van 50000 FIFL. De bij die bepaling verboden en aan Veronica verweten activiteiten bestonden in hoofdzaak hierin, dat zij bepaalde overheidsgelden zou hebben gebruikt om in Luxemburg een met name op Nederland gerichte commerciële zender te helpen oprichten.
Dit oordeel van het Commissariaat voor de Media berustte op drie feiten: de voorzitter van het algemeen bestuur van Veronica en de secretaris van dat bestuur hadden respectievelijk een zogeheten businessplan opgesteld en juridische adviezen gegeven met het oog op de oprichting van een kapitaalvennootschap naar Luxemburgs recht, genaamd RTL-Véronique, met het doel in Luxemburg een televisiestation te exploiteren; voorts had Veronica ten gunste van RTL-Véronique voor eigen risico een bankgarantie in de vorm van een kredietgarantie gesteld; en vervolgens had zij via een derde onderneming een minderheidsbelang genomen in het kapitaal van deze omroep.
3.
Tegen het besluit van het Commissariaat voor de Media stelde Veronica beroep in bij de Raad van State, die voor de vaststelling of het verbod activiteiten als de in geding zijnde te verrichten, verenigbaar was met de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht, in het bijzonder de artikelen 59 en 67 EEG-Verdrag, de zaak ter prejudiciële beslissing naar het Hof heeft verwezen.
Alvorens de afzonderlijke vragen te onderzoeken, wijs ik erop dat, zoals in de verwijzingsbeschikking is vermeld, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Mediawet de litigieuze bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat de omroepinstellingen naast de activiteiten die verband houden met de verzorging van hun programma's, enkel die nevenactiviteiten vrijelijk kunnen ontwikkelen die rechtstreeks bij de Mediawet zijn toegestaan (uitgeven van programmabladen, produktie van materiaal ter ondersteuning van educatieve programmaonderdelen, exploitatie van auteursrechten), dan wel uitdrukkelijk zijn toegestaan door het Commissariaat voor de Media, dat over een zekere beoordelingsruimte beschikt mits het de hoofddoelstelling van de wet in acht neemt, dat wil zeggen de handhaving van een pluriform en niet-commercieel omroepbestel. Een en ander komt erop neer, dat als onwettig worden aangemerkt alle activiteiten die niet zijn aan te merken als normale economische activiteiten ter ondersteuning van de hoofdactiviteit, het verzorgen van programma's.
4.
Met de eerste drie vragen wenst de nationale rechter te vernemen, of het verbod om activiteiten te verrichten als de deelneming door een omroepinstelling in het kapitaal van een in een andere Lid-Staat opgerichte dan wel op te richten radio- en televisiezender, alsook het stellen van een bankgarantie door die omroepinstelling ten gunste van een in een andere Lid-Staat gevestigde televisiezender, een beperking vormt van de vrijheid van kapitaalverkeer (eerste vraag), dan wel van de vrijheid van dienstenverkeer (tweede vraag), en voorts, of het aan die omroepinstelling opgelegde verbod om een „businessplan” op te stellen en juridisch advies te verstrekken aan een in een andere Lid-Staat op te richten televisiezender, een beperking van de vrijheid van dienstenverkeer vormt (derde vraag).
Handelingen als de deelneming in het kapitaal van een onderneming en de verlening van een kredietgarantie behoren stellig tot de geliberaliseerde kapitaalbewegingen. Het betreft immers handelingen die reeds zijn opgenomen in lijst A van bijlage I van de Eerste richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/566/EEG ( 5 ), waarin juist de kapitaalbewegingen zijn genoemd waarvoor de Lid-Staten elke beperking moet hebben opgeheven. Die handelingen zijn nadien overgenomen en nader gespecificeerd in bijlage I van de Tweede richtlijn, die in titel I (Directe investeringen) onder de volledig geliberaliseerde handelingen uitdrukkelijk noemt de „deelneming in nieuwe of bestaande ondernemingen ten einde duurzame economische betrekkingen te vestigen of te handhaven”, alsook in titel IX borgstellingen, andere garanties en pandrechten „door ingezetenen verleend aan niet-ingezetenen”.
Verder valt er niet aan te twijfelen, dat activiteiten als het geven van juridisch advies en/of het opstellen van een „businessplan”, waarop de derde vraag betrekking heeft, zijn aan te merken als het verrichten van diensten in de zin van artikel 59. Dat het in casu gaat om „uitvoer” van diensten, dat wil zeggen diensten verricht in een Lid-Staat (Nederland) ten behoeve van personen gevestigd in een andere Lid-Staat (Luxemburg), is niet van belang; wil een dienstverrichting onder artikel 59 vallen, dan is het immers voldoende dat zij een grensoverschrijdend karakter heeft.
5.
Vervolgens moet worden vastgesteld, of het verbod van artikel 57 Mediawet, dat niet discriminerend is en enkel geldt voor de nationale omroepinstellingen, een bij de artikelen 67 en 59 verboden beperking vormt van het kapitaalverkeer en de dienstverrichting.
Allereerst herinner ik er in dit verband aan, dat artikel 57, lid 1, Mediawet als zodanig zeker niet is bedoeld ter beperking van het verrichten van diensten, en evenmin van het kapitaalverkeer, maar enkel het verrichten van commerciële handelingen verbiedt die geen verband houden met de bij wet aan de omroepinstellingen gestelde taken. Met andere woorden, kapitaalbewegingen en dienstverrichtingen worden enkel beperkt voor zover zij voortvloeien uit volgens de Mediawet onwettige activiteiten, terwijl geen enkele beperking geldt voor economische activiteiten die de omroepinstellingen wettig mogen verrichten.
Dit betekent mijns inziens, dat de grenzen van het probleem dat ons bezighoudt, moeten worden verlegd. Allereerst immers moet worden vastgesteld, of het gemeenschapsrecht een Lid-Staat verbiedt de nationale omroepinstellingen, die geen enkel handelsrisico lopen aangezien zij volledig door die staat worden gefinancierd, een verplichting op te leggen ten aanzien van de bestemming van hun middelen, en tegelijkertijd de voorwaarde te stellen dat zij geen winstoogmerk mogen hebben. Een en ander uiteraard gelet op de door die staat beoogde doelstelling: de handhaving van een pluriform en niet-commercieel omroepbestel; deze doelstelling zou in gevaar kunnen komen indien de betrokken middelen bij voorbeeld zouden worden gebruikt voor het verrichten van andere (commerciële) activiteiten.
6.
Het te dezen relevante gemeenschaprecht stelt in wezen geen enkele beperking. Er zij slechts aan herinnerd, dat in de dertiende overweging van de considerans van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten ( 6 ), uitdrukkelijk wordt gesteld dat de richtlijn „de bevoegdheden van de Lid-Staten en hun lagere overheden tot regeling van de organisatie, met inbegrip van het stelsel van concessies, administratieve vergunningen of belastingen, de financiering en de inhoud van de programma's onverlet laat; dat autonome culturele ontwikkelingen in de Lid-Staten en het behoud van het culturele pluralisme in de Gemeenschap derhalve net zozeer als tot dusverre mogelijk blijven”.
In de arresten van 25 juli 1991 ( 7 ), waarin bepaalde door de Mediawet aan de omroepinstellingen gestelde voorwaarden in geding waren, verklaarde het Hof, dat de Nederlandse regering voor de instandhouding van de pluriformiteit van het omroepbestel er zeer wel mee kon volstaan, aan het statuut van haar eigen omroepinstellingen een passende vorm te geven. Dit is nu precies wat de Nederlandse regering heeft gedaan.
Waar moet worden erkend, dat de Lid-Staten bij uitsluiting bevoegd zijn met betrekking tot de organisatie en de financiering van hun eigen televisiezenders, en wanneer een Lid-Staat om redenen van openbaar belang (in casu handhaving van de pluriformiteit) kiest voor een niet-commercieel bestel, zie ik voorts niet in, hoe de wettigheid kan worden betwist van een verbod als dat wat ons thans bezighoudt. Het is immers duidelijk, dat de enige manier om het niet-commerciële karakter ervan te garanderen, is de omroepinstellingen het verrichten van economische activiteiten te verbieden welke vreemd zijn aan de hun gestelde taken; doorslaggevend is in dit verband, dat de activiteiten die deze instellingen moeten (dan wel mogen) verrichten, worden verricht met inachtneming van de door het EEG-Verdrag gegarandeerde vrijheden.
Voorts wil ik erop wijzen, dat beperkingen als waarover Veronica zich beklaagt, eigen zijn aan, bij voorbeeld, het merendeel van de openbare instellingen, voor zover deze verplicht zijn zich te houden aan hun wettelijke taken en doelstellingen. Ook merk ik op, dat de door het Verdrag gegarandeerde vrijheden niet kunnen worden ingeroepen om de toepassing van met het gemeenschapsrecht verenigbare nationale wettelijke regelingen te ontgaan of te omzeilen.
Concluderend ben ik van mening, dat een regeling als de in geding zijnde vanuit het oogpunt van het gemeenschaprecht volkomen wettig is, voor zover zij niet discriminerend is en zich beperkt tot een verbod voor omroepinstellingen, die volledig uit de openbare middelen worden gefinancierd, activiteiten te verrichten die vreemd zijn aan of rechtstreeks in strijd zijn met de hun gestelde taken.
7.
Deze conclusie maakt voor de oplossing van het onderhavige geval een antwoord op de laatste twee vragen in wezen overbodig. Volledigheidshalve evenwel, en voor het geval het Hof van oordeel mocht zijn dat de door Veronica bestreden beperkingen in beginsel in strijd zijn met de artikelen 59 en 67, moet worden onderzocht of het betrokken verbod gerechtvaardigd kan zijn op aan het algemeen belang ontleende gronden (vierde vraag), en of de handhaving van een pluriform en niet-commercieel bestel een zodanige rechtvaardiging kan vormen (vijfde vraag).
Het antwoord is zeer eenvoudig voor zover het gaat om het verrichten van diensten. Het Hof heeft immers uitdrukkelijk erkend, met name in de reeds aangehaalde arresten van 25 juli 1991, dat eventuele beperkingen voortvloeiend uit de toepassing van voor een ieder geldende maatregelen, vallen onder het verbod van artikel 59 wanneer toepassing op buitenlandse dienstverleners niet gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang. ( 8 ) Er is immers geen reden waarom deze bepaling niet tevens van toepassing zou zijn ingeval de dienstverrichters onderdanen van de desbetreffende Lid-Staat zijn en het de dienst is die in het buitenland wordt verricht.
8.
Het ligt wat moeilijker wanneer het gaat om het kapitaalverkeer. Ofschoon ik het met de Commissie eens ben, dat het uit het oogpunt van uniformiteit wenselijk zou zijn hiervoor dezelfde regels toe te passen als die welke op goederen en diensten van toepassing zijn, zeg ik dadelijk, dat volgens mij geen rechtvaardiging van overigens met artikel 67 onverenigbare maatregelen kan worden afgeleid uit de bewoordingen van artikel 4 van de Tweede richtlijn. Ingevolge deze bepaling behouden de Lid-Staten de mogelijkheid „de nodige maatregelen te nemen om overtredingen van hun wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied of met betrekking tot het bedrijfseconomische toezicht op financiële instellingen, en te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden”. Maar die mogelijkheid voor de Lid-Staten „mag niet leiden tot een belemmering van kapitaalverkeer dat conform het gemeenschapsrecht geschiedt”. Artikel 4 heeft mijns inziens enkel betrekking op overtredingen van wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften die uitdrukkelijk kapitaalverrichtingen betreffen, en niet tevens, zoals de Commissie lijkt te menen, op de mogelijkheid kapitaalbewegingen te verbieden welke in beginsel wettig zijn.
Bij nader inzien is het ontbreken van uniformiteit echter slechts schijn. Immers, in de eerste plaats bepaalt hetzelfde artikel 67, dat de Lid-Staten de beperkingen met betrekking tot het verkeer van kapitaal opheffen „in de mate waarin zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt nodig is”, hetgeen betekent dat het kapitaalverkeer wordt geliberaliseerd in samenhang met de uitoefening van de andere vrijheden (verkeer van personen, goederen en diensten): aan deze liberalisering kunnen dus beperkingen worden gesteld indien deze het rechtstreeks gevolg zijn van wettige beperkingen van de andere door het Verdrag gegarandeerde vrijheden. In deze zin heeft het Hof zich overigens onlangs uitgesproken in het arrest Bachmann ( 9 ), waarin het verklaarde, dat artikel 67 niet de beperkingen verbiedt die niet rechtstreeks het kapitaalverkeer betreffen, maar die indirect voortvloeien uit beperkingen van de andere fundamentele vrijheden.
Daar het kapitaalverkeer wel kan worden beperkt op grond van de (wettige) beperkingen van de vrijheid waarmee zij verband houdt, moet het mijns inziens a fortiori aan beperkingen kunnen worden onderworpen
ingeval deze worden gerechtvaardigd door redenen van algemeen belang of, zo men wil, door dwingende vereisten.
9.
Dan dient nu nog slechts te worden nagegaan, of het verbod van artikel 57, lid 1, Mediawet kan worden gerechtvaardigd door het vereiste een pluriform en niet-commercieel bestel te handhaven, en of het in verhouding staat tot het beoogde doel.
Ter terechtzitting is zowel de Commissie als de Nederlandse regering uitgegaan van de veronderstelling, dat het niet-commercieel karakter een dwingend vereiste vormt, zoals het Hof zelf heeft verklaard in de reeds aangehaalde arresten van 25 juli 1991, en zij hebben daarom enkel de proportionaliteit van de in geding zijnde maatregel besproken. In dit verband moet een precisering worden aangebracht: in die arresten heeft het Hof zich enkel uitdrukkelijk uitgelaten over de pluriformiteit, en wel als volgt: „De met dit Nederlandse beleid beoogde handhaving van een pluriform omroepbestel hangt samen met de door artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde vrijheid van meningsuiting, een van de fundamentele rechten die door de communautaire rechtsorde worden beschermd.” ( 10 )
En mijns inziens niet voor niets. Het niet-commercieel karakter van een omroepbestel kan immers op zichzelf niet worden beschouwd als een doelstelling die op gemeenschapsniveau moet worden gewaarborgd, zozeer dat zij eventuele beperkingen van het verrichten van diensten en/of het kapitaalverkeer kan rechtvaardigen: het is veeleer een middel om een cultuurpolitiek doel te waarborgen. Het niet-commercieel karakter van het Nederlandse bestel kan derhalve slechts een rechtvaardiging vormen voor beperkingen voor zover dat karakter noodzakelijk blijkt voor de handhaving van de pluriformiteit.
In het algemeen kan men echter zeker niet stellen, dat alle dienstverrichtingen of alle kapitaalbewegingen van een omroepinstelling op zich van dien aard zijn, dat zij de door het Nederlandse bestel te handhaven pluriformiteit in gevaar kunnen brengen; integendeel, het is heel wel mogelijk dat de betrokken activiteiten voor de verwezenlijking van dat doel in het geheel niet van belang zijn (in hoeverre zou bij voorbeeld de deelneming in het kapitaal van een bouwonderneming van belang kunnen zijn voor dat doel?). Het verbod op het verrichten van commerciële activiteiten heeft dus, zoals blijkt uit de verwijzingsbeschikking zelf, enkel reden van bestaan ten aanzien van activiteiten die dat doel in gevaar kunnen brengen. Voor zover hier van belang moet het probleem voorts worden beperkt tot het soort activiteiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, die door Veronica werden verricht.
10.
In dit verband merk ik allereerst op, dat de omstandigheid dat een nationale omroepinstelling bijdraagt aan de oprichting van en een (substantieel) belang houdt in een in het buitenland gevestigd, doch voornamelijk op Nederland gericht televisiestation, niet zonder belang kan worden geacht voor het door de Mediawet geschapen evenwicht tussen de omroepinstellingen. Deze situatie brengt immers mee, dat de betrokken omroepinstelling de facto meer zendtijd heeft dan haar is toegewezen; deze toewijzing geschiedt aan de hand van het aantal leden van elke instelling en wel zodanig, dat de vertegenwoordiging van alle maatschappelijke componenten is gewaarborgd; voorts worden de andere instellingen benadeeld met betrekking tot de financiering, voor het deel dat afkomstig is uit de reclameopbrengsten: dat lijkt mij niet toelaatbaar, gelet op de bijzondere financieringswijze van een bestel met de kenmerken van het Nederlandse. De door Veronica verrichte activiteiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn dus inderdaad van dien aard, dat zij de door de Mediawet te handhaven pluriformiteit in gevaar brengen.
In dit licht moet voorts op de rechtspraak van het Hof worden gewezen, ingeleid door het arrest Van Binsbergen ( 11 ), op grond waarvan „een Lid-Staat evenmin het recht kan worden ontzegd voorschriften te geven om te verhinderen dat de door artikel 59 gewaarborgde vrijheid door een dienstverrichter wiens werkzaamheden geheel of voornamelijk op zijn grondgebied is gericht, wordt gebruikt om zich te onttrekken aan de beroepsregels die, ware hij op het grondgebied van die Lidstaat gevestigd, op hem van toepassing zouden zijn”. Evenzo moet mijns inziens worden erkend, dat een Lid-Staat die de omroepinstellingen heeft verplicht zich te houden aan bepaalde voorwaarden ter handhaving van de pluriformiteit, de mogelijkheid heeft bepalingen aan te nemen die moeten voorkomen dat die instellingen de handhaving van dat doel in gevaar kunnen brengen door vestiging in een andere Lid-Staat of ook door een omvangrijke deelneming in een instelling die is gevestigd in het buitenland, maar bedoeld om met name naar de betrokken Lid-Staat uit te zenden.
Ten slotte is het verbod om activiteiten te verrichten van het soort waarom het hier gaat, niet alleen noodzakelijk ter handhaving van de pluriformiteit van het omroepbestel, maar het staat ook in verhouding tot het beoogde doel, nu niet is aangetoond dat dit resultaat kan worden bereikt door middel van een minder vergaande regeling.
Conclusie
11.
Gezien het voorafgaande, geef ik het Hof daarom in overweging de vragen van de Raad van State te beantwoorden als volgt:
„De bepalingen betreffende de vrijheid van kapitaalverkeer en de vrijheid van dienstenverkeer, in het bijzonder de artikelen 59 en 67 EEG-Verdrag, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een Lid-Staat die de nationale omroepinstellingen, die worden gefinancierd uit de openbare middelen en geen winstoogmerk hebben, op niet-discriminerende wijze verbiedt, economische activiteiten te verrichten welke vreemd zijn aan dan wel rechtstreeks in strijd met de wettelijk aan deze instellingen opgedragen taken.”
Subsidiair geef ik in overweging te antwoorden als volgt:
„De bepalingen betreffende de vrijheid van dienstenverkeer en de vrijheid van kapitaalverkeer, in het bijzonder de artikelen 59 en 67 EEG-Verdrag, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een Lid-Staat die aan een in die staat gevestigde omroepinstelling verbiedt deel te nemen in het kapitaal van een in een andere Lid-Staat gevestigde dan wel op te richten commerciële televisiezender, een garantie te stellen ten gunste van die zender en activiteiten te verrichten als het verlenen van commerciële en juridische adviezen, alles met het oog op de oprichting van die commerciële zender, indien die groep activiteiten erop is gericht een commerciële zender op te richten die in het bijzonder is bestemd voor uitzendingen naar het grondgebied van de eerste Lid-Staat, mits dit verbod noodzakelijk is voor de handhaving van het pluriforme en niet-commerciële karakter van het betrokken bestel en in verhouding staat tot dat doel.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1960, blz. 921.
( 2 ) PB 1988, L 178, blz. 5.
( 3 ) Staatsblad 1987, 249.
( 4 ) Het Hof heeft zich immers reeds herhaaldelijk uilgesproken over de Nederlandse regeling betreffende de produktio en uitzending van radio- en televisieprogramma's: zie de arresten van 25 juli 1991, zaak C-353/89, Commissie/Nederland, Jurispr. 1991, blz. I-1069, en zaak C-288/89, Collectieve Antcnncvoorzicning Gouda, Jurispr. 1991, blz. I-4007; voorts arrest van 26 april 1988, zaak 352/85, Bond van Adverteerders, Jurispr. 1988, blz. 2085.
( 5 ) Richtlijn van de Raad van 17 november 1986 tot wijziging van de Eerste richtlijn voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag (PB 1986, L 332, blz. 22).
( 6 ) PB 1989, L 298, blz. 23.
( 7 ) Zaal C-288/89, Collectieve Antennevoorziening Gouda, reeds aangehaald, r. o. 24, alsook zaak C-353/89, Commissie/Nederland, reeds aangehaald, r. o. 42,
( 8 ) Arrest Commissie/Nederland, r. o. 17; arrest Collectieve Antenncvoorziening Gouda, r. o. 13 (beide reeds aangehaald).
( 9 ) Arrest van 28 januari 1992, zaak C-204/90, Jurispr. 1992, blz. I-249, r. o. 31.
( 10 ) Arrest Collectieve Antennevoorziening Gouda, reeds aangehaald, r. o. 23.
( 11 ) Arrest van 3 december 1974, zaak 33/74, Jurispr. 1974, blz. 1299, r. o. 13. In dezelfde zin zie de arresten van 7 februari 1979, zaak 115/78, Knoors, Jurispr. 1979, blz. 399; 4 december 1986, zaak 204/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1986, blz. 3755, r. o. 22, en 27 september 1989, zaak 130/88, Van de Bijl, Jurispr. 1989, blz. 3039, r. o. 26.
Full & Egal Universal Law Academy