CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 1 december 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Dit beroep werpt opnieuw de vraag op naar de verhouding tussen twee door de Europese Akte ingestelde „rechtsgrondslagen”, namelijk artikel 100 A en artikel 130 S: het eerste betreft — zoals bekend — handelingen die de instelling en de werking van de interne markt tot voorwerp hebben, zoals bedoeld in artikel 8 A van het Verdrag, het tweede betreft in het bijzonder handelingen die op het verwezenlijken van de in artikel 130 R van het Verdrag aangekondigde doelstellingen van milieubeleid zijn gericht (milieu- en gezondheidsbescherming en een behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen).
2.
De thans in geding zijnde richtlijn is richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 (PB 1991, L 78, biz. 32), die ingrijpende wijzigingen aanbrengt in richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB 1975, L 194, blz. 39). De bestreden richtlijn, die de grote lijnen van het afvalbeheer binnen de Gemeenschap vastlegt, is door de Raad vastgesteld op de grondslag van artikel 130 S. De Commissie is daarentegen van mening, dat de handeling, overeenkomstig haar voorstel, krachtens artikel 100 A had moeten worden vastgesteld; zij verzoekt het Hof derhalve deze onwettigheid vast te stellen en de richtlijn nietig te verklaren. Het is wellicht nuttig hieraan toe te voegen, dat de Commissie op dezelfde gronden ook is opgekomen tegen de latere richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB 1991, L 377, blz. 20).
3.
Alvorens tot de analyse van de litigieuze richtlijn over te gaan, lijkt het mij nuttig te herinneren aan de algemene criteria die volgens de rechtspraak van het Hof de toepassing van de in geding zijnde regels beheersen.
Dienaangaande herinner ik eraan, dat het Hof zich in zijn arrest van 11 juni 1991 (zaak C-300/89, Commissie/Raad, Jurispr. 1991, blz. I-2867; hierna: „titaandioxyde-arrest”) reeds over de verhouding tussen de artikelen 100 A en 130 S heeft uitgesproken.
In dat arrest bevestigde het Hof allereerst, dat de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling niet alleen kan afhangen van de opvatting van een instelling omtrent het nagestreefde doel, maar moet berusten op objectieve, voor rechterlijke toetsing vatbare gegevens. Daartoe dient op grond van een diepgaande analyse van zowel het doel als de inhoud van de handeling te worden vastgesteld, wat het voorwerp van die handeling is.
Hiervan uitgaande verklaarde het Hof vervolgens, dat indien een handeling, gelet op haar voorwerp, „tegelijkertijd het karakter [heeft] van een optreden inzake het milieu in de zin van artikel 130 S EEG-Verdrag en het karakter van een harmonisatiemaatregel voor de instelling en de werking van de interne markt in de zin van artikel 100 A EEG-Verdrag”, die handeling, ofschoon zij in beginsel aan twee verschillende machtigingsbepalingen kan worden verbonden, uitsluitend op de grondslag van artikel 100 A moet worden vastgesteld.
Aan die oplossing — die overigens overeenkomt met wat ik in mijn conclusie in de titaandioxyde-zaak had voorgesteld — liggen twee overwegingen ten grondslag. In de eerste plaats sloot het Hof uit, dat de artikelen 100 A en 130 S cumulatief kunnen worden toegepast. Het verloop van de in artikel 130 S neergelegde procedure is namelijk van dien aard, dat aan de regeling van de samenwerkingsprocedure van artikel 100 A elke inhoud wordt ontnomen, waardoor het gebruik van deze laatste bepaling iedere betekenis verliest.
In de tweede plaats wees het Hof erop, dat het Verdrag zelf voorziet in de mogelijkheid, dat aan de eisen van milieubescherming zonodig wordt voldaan in het kader van andere takken van gemeenschapsbeleid en in het bijzonder in het kader van de door artikel 100 A beoogde harmonisatie van nationale regelingen. Op basis hiervan verklaarde het Hof dat, in geval van samenloop van artikel 100 A en artikel 130 S, artikel 100 A moet prevaleren in die zin, dat de handeling uitsluitend op de grondslag van laatstgenoemde bepaling wordt vastgesteld.
4.
Het is duidelijk, dat de in het titaandioxyde-arrest gekozen oplossing onvermijdelijk leidt tot een uitbreiding van de werkingssfeer van artikel 100 A ten opzichte van artikel 130 S. Maar juist dit moet reden zijn voor een nauwgezette toepassing van de door het Hof afgebakende criteria. Dat wil zeggen, dat artikel 100 A enkel dan als relevant voor de vaststelling van een bepaalde handeling is té beschouwen, wanneer de handeling zelf de instelling en de werking van de interne markt tot voorwerp heeft en wanneer deze handeling derhalve specifiek de mededingings- of handelsvoorwaarden binnen de Gemeenschap regelt.
Artikel 100 A is daarentegen niet van toepassing, wanneer de betrokken handeling bij het nastreven van bepaalde doelstellingen in het kader van een specifiek communautair optreden of beleid, tevens bijkomstige gevolgen heeft voor de marktvoorwaarden.
Deze lezing van artikel 100 A is in overeenstemming met de tekst van de bepaling, die verwijst naar maatregelen die de instelling en de werking van de interne markt „betreffen”. Bovendien lijkt die uitlegging in overeenstemming met de systematische noodzaak — waarop ik hierna terugkom — om de werkingssfeer van artikel 100 A niet al te zeer uit te breiden ten nadele van andere specifieke rechtsgrondslagen, waarmee de regel betreffende de interne markt abstract gezien kan concurreren.
Bovenal dient te worden opgemerkt, dat deze uitlegging wordt bevestigd door de recente rechtspraak van het Hof. In het arrest van 4 oktober 1991 (zaak C-70/88, Parlement/Raad, Jurispr. 1991, blz. I-4529) verklaarde het Hof immers, dat een beroep op artikel 100 A niet gerechtvaardigd is, wanneer harmonisatie van de marktvoorwaarden in de Gemeenschap slechts eenbijkomstig gevolg van de vast te stellen handeling is. In die zaak ging het om een verordening betreffende maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting var levensmiddelen en diervoeders. Dienaangaande verklaarde het Hof, dat de verordening de bescherming van de bevolking tegen de gevaren van radioactief besmette levensmiddelen en diervoeders tot voorwerp had en dat het daaruit volgende, in de verordening opgenomen handelsverbod slechts moest worden beschouwd als een voorwaarde om een doeltreffende toepassing van de maximaal toelaatbare niveaus zeker te stellen. Hieruit trok het Hof de conclusie, dat „harmonisering van de voorwaarden van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap dus slechts een bijkomstig gevolg is van de verordening”, en dat de verordening derhalve moest worden gebaseerd op de specifieke rechtsgrondslag voor de bescherming van de bevolking tegen radioactieve straling, dat wil zeggen artikel 31 EGAVerdrag, en niet op de rechtsgrondslag voor de verwezenlijking van de interne markt, dat wil zeggen artikel 100 A EEG-Verdrag.
5.
Om terug te komen op de thans in geding zijnde richtlijn: het standpunt van verzoekster kan worden samengevat als volgt. Volgens de Commissie heeft de richtlijn zowel de milieubescherming tot voorwerp als de instelling en de werking van de interne markt. Bijgevolg valt zij, ratione materiae, onder de werkingssfeer van zowel artikel 130 S als van artikel 100 A. Overeenkomstig het titaandioxyde-arrest had zij dus uitsluitend op de grondslag van artikel 100 A moeten worden vastgesteld.
Tot staving van deze opvatting betoogt de Commissie, dat de richtlijn bijdraagt tot de harmonisatie van de mededingingsvoorwaarden zowel bij de industriële produktie als de verwijdering van afvalstoffen. Voorts wijst zij erop, dat de richtlijn, door de nationale regelingen op het gebied van het beheer van afvalstoffen te harmoniseren, bijdraagt tot het opheffen van de handelsbelemmeringen tussen de Lid-Staten op dit gebied.
6.
Laat ik meteen zeggen, dat ik de opvatting van verzoekster niet deel. Ik ben namelijk van mening, dat de bestreden richtlijn op grond van haar doel en inhoud moet worden beschouwd als een handeling die de milieubescherming tot voorwerp heeft en dat zij slechts bijkomstig gevolgen heeft voor de marktvoorwaarden.
7.
Wat de doelstellingen van de richtlijn betreft, dient er namelijk op te worden gewezen, dat, zoals in het bijzonder blijkt uit de derde, vierde, zesde, zevende en negende overweging van de considerans, de specifiek nagestreefde doelstellingen alle het milieubeleid betreffen in die zin, dat zij behoren tot de in artikel 130 R van het Verdrag vastgelegde algemene doelstellingen. De richtlijn beoogt immers het volgende zeker te stellen: een doeltreffender afvalbeheer binnen de Gemeenschap; een hoog niveau van milieubescherming, hetgeen op zijn beurt een beperking van het ontstaan van afvalstoffen impliceert; de bevordering van het hergebruik van afvalstoffen; de verwezenlijking van zelfverzorging op het gebied van afvalverwijdering zowel op gemeenschappelijk als op nationaal niveau; de inperking van het vervoer van afvalstoffen binnen de Gemeenschap.
Het is juist, dat in de vijfde overweging van de considerans van de richtlijn wordt verklaard, dat „een dispariteit tussen de wetgevingen van de Lid-Staten op liet gebied van de verwijdering en de nuttige toepassing van afvalstoffen nadelig kan zijn voor de kwaliteit van liet milieu en de goede werking van de interne markt”. Niettemin moet erop worden gewezen, dat het hierbij gaat om een zeer algemene aanduiding, die op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt, dat de harmonisatie van de mededingings- en handelsvoorwaarden een van de hoofddoelen vormt van de handeling. Terwijl de doelstellingen van het door de richtlijn nagestreefde milieubeleid analytisch en nauwkeurig zijn vastgelegd, bevat de motivering van de handeling immers niets waaruit blijkt, wat de concurrentie- en handelsvoorwaarden zijn die de richtlijn beoogt te harmoniseren. Deze overweging van de considerans preciseert dus eenvoudig, dat de invoering van een communautair stelsel voor het afvalbeheer een positieve uitwerking kan hebben op de werking van de markt, maar dat volstaat niet om te kunnen zeggen, dat specifieke redenen die verband houden met mededinging en handel, een van de motieven waren waarom de instellingen de betrokken bepalingen hebben vastgesteld. Met andere woorden, de motivering van de richtlijn wijst er terecht op, dat deze invloed kan hebben op de markt, maar die invloed is niet van dien aard, dat hij —zoals ik reeds hierboven heb betoogd— de toepassing van artikel'100 A rechtvaardigt.
8.
Voor wat vervolgens de inhoud betreft, stelt de richtlijn (behalve dat zij de begrippen definieert die haar werkingssfeer afbakenen) in de eerste plaats de hoofddoelstellingen vast die als leidraad moeten dienen voor het optreden van de Lid-Staten op het gebied van het afvalbeheer. Daartoe verplicht zij de Lid-Staten: de vermindering van de produktie en van de schadelijkheid van afvalstoffen te bevorderen (door de ontwikkeling van schone technologieën, van produkten die minder vervuilend zijn en van technieken voor de verwijdering van gevaarlijke stoffen); de nuttige toepassing van de afvalstoffen te bevorderen; ervoor te zorgen dat de verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu; het onbeheerd achterlaten of het ongecontroleerd lozen of verwijderen van afvalstoffen te verbieden.
In de tweede plaats bepaalt de richtlijn, dat de Lid-Staten in onderlinge samenwerking een geïntegreerd net van technisch hoogwaardige verwijderingsinstallaties opzetten, waardoor zowel de Gemeenschap als geheel als elke Lid-Staat afzonderlijk zelfverzorgend op het gebied van afvalverwijdering moet kunnen worden. Met dit net moet het bovendien mogelijk zijn afvalstoffen te verwijderen in installaties die zo dicht mogelijk bij de plaats liggen waar zij zijn geproduceerd, teneinde het vervoer van afvalstoffen zoveel mogelijk te beperken (nabijheidsbeginsel).
In de derde plaats bepaalt de richtlijn, dat de Lid-Staten plannen opstellen voor het beheer van afvalstoffen. Deze plannen hebben een nationaal karakter en de Lid-Staten mogen het vervoer van afvalstoffen dat niet in overeenstemming is met door hen opgestelde criteria, voorkomen.
In de vierde plaats schrijft de richtlijn de Lid-Staten voor, iedere inrichting of onderneming die verwijderingshandelingen verricht, aan een stelsel van vergunningen, registratie en controle te onderwerpen.
Ten slotte bevestigt de richtlijn met betrekking tot de verwijdering van afvalstoffen het beginsel „de vervuiler betaalt”, dat in algemene zin is neergelegd in artikel 130 R van het Verdrag.
Samenvattend volgt uit deze schematische opsomming van de inhoud van de richtlijn, dat deze de grote lijnen vastlegt van de actie die de Lid-Staten moeten ondernemen om ervoor te zorgen, dat het beheer van afvalstoffen binnen de Gemeenschap plaatsvindt op een wijze die de milieubescherming en de gezondheid waarborgt. De Lid-Staten blijven echter fundamenteel vrij in het vaststellen van de inhoud van dit optreden en van de te hanteren middelen.
9.
Van de andere kant bevat de richtlijn geen enkele bepaling die de harmonisatie van de mededingingsvoorwaarden voor bepaalde bedrijfstakken of de voorwaarden voor het verkeer van bepaalde goederen tot voorwerp heeft. Wat in het bijzonder de mededingingsvoorwaarden betreft, stelt de richtlijn — zoals ik reeds hierboven heb aangegeven— geen gemeenschappelijke regels vast voor het beheer van afvalstoffen, maar beperkt zij zich tot het omschrijven van de beginselen waardoor de Lid-Staten zich bij hun acties moeten laten leiden. Hieruit volgt, dat elke Lid-Staat vrij is, op het betrokken gebied die bepalingen vast te stellen die hem het meest geschikt lijken om de gestelde doelen te bereiken. Dat wil zeggen, dat de modaliteiten van de verwijdering en de recycling van afvalstoffen tussen de Lid-Staten onderling zelfs sterk kunnen afwijken, en dat bijgevolg de kosten die ten laste komen van de betrokken bedrijven, eveneens aanzienlijk kunnen verschillen. Mijns inziens kan men dan ook stellen, dat de litigieuze richtlijn niet enkel de mededingingsvoorwaarden niet gelijktrekt van de ondernemingen die zich specifiek met afvalbeheer bezighouden, en van de industriële bedrijven die deze afvalstoffen produceren en die uiteindelijk de vcrwijderingskosten hebben te dragen, maar zelfs niet beoogt die voorwaarden gelijk te trekken.
Ook wat de voorwaarden voor het goederenverkeer betreft, kan zeker niet worden gesteld, dat de richtlijn gemeenschappelijke regels invoert die de verwezenlijking van het vrije verkeer van afvalstoffen binnen de Gemeenschap beogen. Integendeel, in overeenstemming met het nabijheidsbeginsel, dat door het Hof is erkend in het arrest van 9 juli 1992 (zaakC-2/90, Commissie/België, Jurispr. 1992, blz. I-4431, r. o. 34 en 35), gaat zij uit van de gedachte, dat de inzameling, de behandeling en de verwijdering van afvalstoffen in wezen plaatselijk moeten plaatsvinden, teneinde het vervoer ervan zoveel mogelijk te beperken.
Overeenkomstig die gedachte bepaalt de richtlijn niet enkel dat de staten bij het opstellen van hun plannen voor afvalbeheer moeten beogen zelfverzorgend te worden op het gebied van afvalverwijdering, maar biedt zij hun tevens de mogelijkheid, de noodzakelijke maatregelen te treffen om vervoer van afvalstoffen dat niet in overeenstemming is met hun afval beheersplannen, te voorkomen.
De richtlijn bevestigt kortom, in overeenstemming met de hierboven aangehaalde rechtspraak, dat het communautaire milieurecht — althans in zijn huidige vorm — met betrekking tot het beheer van afvalstoffen een jus singulare vormt, dat gebaseerd is op het zelfverzorgings- en het nabijheidsbeginsel en dat, in overeenstemming met deze beginselen, niet het vrije verkeer van afvalstoffen, maar juist de beperking van het vervoer van afvalstoffen binnen de Gemeenschap beoogt zeker te stellen (zie de negende overweging van de considerans van de richtlijn).
Hieruit volgt, dat de door de bestreden richtlijn vastgestelde regeling door haar voorwerp volledig past bij de maatregelen op het gebied van het milieubeleid, die gericlit zijn op de verwezenlijking van de specifiek in artikel 130 R van het Verdrag bedoelde doelstellingen, en dat zij niet behoort tot de acties die harmonisatie van de mededingings-en handelsvoorwaarden binnen de interne markt beogen. Door de richtlijn op de grondslag van artikel 130 R van het Verdrag vast te stellen, heeft de Raad dus juist gehandeld.
10.
Deze conclusie lijkt mij overigens aan te sluiten bij de communautaire praktijk. Immers, op milieugebied wordt artikel 100 A vooral gebruikt voor handelingen ter harmonisatie van de regels betreffende bepaalde produkten (zie bij voorbeeld de richtlijn betreffende het geluidsniveau van gazonmaaimachines ( 1 ), of de richtlijn inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten; ( 2 ) deze laatste richtlijn is van bijzonder belang, omdat zij laat zien, dat de specifieke stelsels die gelden voor bijzondere categorieën afvalstoffen, gewoonlijk door de Raad worden vastgesteld op de grondslag van artikel 100 A).
Verder wordt overeenkomstig het titaandioxyde-arrest artikel 100 A eveneens gebruikt voor handelingen ter harmonisatie van de regels betreffende het milieu — daaronder begrepen die betreffende het afvalbeheer— met betrekking tot bepaalde bedrijfstakken (dat is precies het geval bij de richtlijn voor de harmonisatie van de programma's tot vermindering van de verontreiniging door de titaandioxydeindustrie, die door het Hof in het reeds aangehaalde arrest is onderzocht ( 3 )).
De regelingen ter bestrijding van milieuvervuiling in het algemeen, dat wil zeggen niet beperkt tot een bepaald produkt of een bepaalde industrietak, worden daarentegen gewoonlijk vastgesteld op de grondslag van artikel 130 S, hoewel die hoe dan ook een min of meer duidelijk effect hebben op het produktiestelsel. Als voorbeelden noem ik de richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, die zeer nauwkeurige regels bevat voor de lozing van industrieel afvalwater (zie artikelll en bijlage Ie) alsmede voor het biologisch afbreekbaar industrieel afvalwater afkomstig van installaties van bepaalde sectoren (zie artikel 13 en bijlage III); de richtlijn inzake beperking van verontreiniging door grote stookinstallaties, die eveneens betrekking heeft op verschillende categorieën van industriële installaties; en ook de richtlijn ter voorkoming van door nieuwe installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging. Het gaat hier steeds om handelingen die —het zij herhaald — onafhankelijk van hun effect op en gevolgen voor de economische activiteiten, zonder aarzeling zijn vastgesteld op de grondslag van artikel 130 S.
Ook de thans in geding zijnde richtlijn kan mijns inziens worden ondergebracht bij laatstgenoemde categorie. Zij voert immers een regeling in tegen verontreiniging in het algemeen, die zowel huisvuil als industriële afvalstoffen betreft. Bovendien zijn de gevolgen ervan voor de werking van de markt zeer zeker minder groot dan die van bepaalde hierboven genoemde richtlijnen, zowel omdat zij geen bijzondere bepalingen bevat voor van industriële activiteiten afkomstige afvalstoffen als omdat zij — zoals ik reeds heb vermeld — geen harmonisatie inhoudt van de modaliteiten van het afvalbeheer, aangezien zij de Lid-Staten vrij laat deze zelf te bepalen.
Het is natuurlijk duidelijk, dat de richtlijn door deze regelgeving tevens de werking van de markt beïnvloedt. Maar nogmaals, het gaat hierbij om een zuiver bijkomstig gevolg, dat overeenkomstig het arrest Parlement/Raad het gebruik van artikel 100 A als rechtsgrondslag voor de handeling niet rechtvaardigt.
Hieruit volgt, dat de Raad, door zich te conformeren aan de voorafgaande praktijk en de bestreden richtlijn op de grondslag van artikel 130 S vast te stellen, juist heeft gehandeld.
11.
Anderzijds wens ik erop te wijzen, dat een andere conclusie tot een al te grote uitbreiding van de werkingssfeer van artikel 100 A ten opzichte van artikel 130 S zou kunnen leiden.
Een van de belangrijkste argumenten van de Commissie voor het gebruik van artikel 100 A is immers, dat de harmonisatie van de regels voor het afvalbeheer kan leiden tot het gelijktrekken van de kosten die de ondernemingen hebben te dragen voor de verwijdering van afvalstoffen, en bijgevolg tot het voorkomen van mogelijke mededingingsdistorsies.
Ik wil er evenwel op wijzen, dat dat een kenmerk is van vrijwel alle algemene regelingen die verontreiniging tegengaan. Zou men derhalve aanvaarden dat een dergelijke invloed op de mededinging volstaat om het gebruik van artikel 100 A te rechtvaardigen, dan zou artikel 130 S een groot deel van zijn draagwijdte verliezen. Indien men de redenering van de Commissie volgt, kan men bij voorbeeld op artikel 100 A richtlijnen baseren als die betreffende de behandeling van afvalwater en die inzake de beperking van de emissies door grote stookinstallaties, richtlijnen die, zoals gezegd, tot nu toe gebaseerd zijn op artikel 130 S en dat terwijl zij de situatie van de ondernemers sterker en duidelijker beïnvloeden dan de thans besproken richtlijn.
Anders gezegd, indien men de redenering van de Commissie tot het einde zou doorzetten, dan loopt men het risico geleidelijk aan alle gemeenschapshandelingen aan artikel 130 S te onttrekken, die algemene regelingen in het leven roepen met betrekking tot de milieubescherming, en in het bijzonder de handelingen inzake lozing van afvalwater, emissies in de atmosfeer en het beheer van afvalstoffen.
12.
Ik ben derhalve van mening, dat de Raad de bestreden richtlijn terecht op artikel 130 S heeft gebaseerd en dat het beroep van de Commissie bijgevolg moet worden verworpen.
De subsidiaire conclusie van interveniënt
13.
Er blijft nu nog een laatste punt te onderzoeken. Behalve om nietigverklaring van de richtlijn voor zover deze gebaseerd zou zijn op een onjuiste rechtsgrondslag, verzoekt het Parlement in de conclusie van zijn memorie in interventie het Hof, artikel 18 van de richtlijn nietig te verklaren, daar de daarin voorziene procedure (regelgevingscomité) in strijd zou zijn met het Verdrag.
Ik meen, dat het Hof zich hierover niet behoeft uit te spreken. De in artikel 37 van's Hofs Statuut-EEG bedoelde tussenkomst is in feite van zuiver accessoire aard in die zin, dat — aldus artikel 37 — „de conclusion van het verzoek tot voeging slechts strekken kunnen tot ondersteuning van de conclusiën van een der partijen”.
Ik wijs erop, dat het Parlement, waar het stelt dat artikel 18 van de richtlijn onwettig is, en wel om redenen die niets van doen hebben met de onjuistheid van de rechtsgrondslag, een conclusie indient die autonoom is ten opzichte van die van partijen. Deze conclusie is derhalve niet ontvankelijk.
Conclusie
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging het beroep te verwerpen, de Commissie te verwijzen in de kosten van de Raad en te verstaan, dat het Parlement en het Koninkrijk Spanje hun eigen kosten zullen dragen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Richtlijn 88/181/EEG van do Raad van 22 maart 1988 tot wijziging van richtlijn 84/538/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het toelaatbare geluidsvermogensniveau van gazonmaaimachines (PB 1988, L 81, blz. 71).
( 2 ) Richtlijn 91/157/EEG van de Raad van 18 maart 1991 inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten (PB 1991, L 78, blz. 38).
( 3 ) Richtlijn 89/428/EEG van de Raad van 21 juni 1989 tot vaststelling van de procedure voor de harmonisering van de programma's tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van de verontreiniging door afval van de titaandioxyde-industric (PB 1989, L 201, blz. 56).
Full & Egal Universal Law Academy