Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De prejudiciële vraag die hier aan het Hof wordt voorgelegd, heeft betrekking op de definitie van het begrip "bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw". Zij betreft, meer in het bijzonder, de vraag of een Lid-Staat die door een gemeenschapsverordening wordt uitgenodigd de inhoud van dat begrip nader te bepalen, kapitaalvennootschappen daarvan kan uitsluiten.
2. De gecodificeerde tekst van de bepalingen betreffende de registratiebelasting, goedgekeurd bij decreet nr. 131 van de president van de Italiaanse Republiek van 26 april 1986(1), bepaalt dat rechtshandelingen tot overdracht onder bezwarende titel van de eigendom van onroerende goederen in Italië onderworpen zijn aan een registratierecht van 8 %. Dit tarief wordt verhoogd tot 15 %(2) indien, enerzijds, de eigendomsoverdracht betrekking heeft op landbouwgrond en daarmee verbonden onroerende goederen door bestemming en, anderzijds, de verkrijger niet is een bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw of een cooeperatieve vereniging of vennootschap als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van wet nr. 153 van 9 mei 1975(3) tot uitvoering van, onder meer, richtlijn 72/159/EEG van de Raad van 17 april 1972 betreffende de modernisering van landbouwbedrijven(4) (hierna: "richtlijn").
3. Op grond dat de vennootschap Tenuta il Bosco, die landbouwgronden had verworven, niet behoorde tot de in die bepalingen genoemde categorieën, deed het Ufficio del Registro te Stradella haar aanslagen toekomen waarin het tarief van 15 % was toegepast.
4. Tenuta il Bosco ging tegen deze aanslagen in beroep bij de Commissione tributaria di primo grado di Voghera. Zij baseerde zich daarbij op de definitie van bedrijfshoofd in de landbouw, zoals die volgt uit artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur(5) (hierna: "verordening"), dat bepaalt als volgt:
"De Lid-Staten definiëren het begrip 'bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw' voor de toepassing van deze verordening.
Voor natuurlijke personen behelst deze definitie ten minste de voorwaarde dat het inkomen uit het landbouwbedrijf 50 % of meer van het totale inkomen van het bedrijfshoofd bedraagt en dat de aan werkzaamheden buiten het bedrijf bestede arbeidstijd minder dan de helft van de totale arbeidstijd van het bedrijfshoofd uitmaakt.
Met inachtneming van de in de vorige alinea aangegeven criteria definiëren de Lid-Staten dit begrip voor andere dan natuurlijke personen."
5. Volgens Tenuta il Bosco moet deze definitie van bedrijfshoofd in de landbouw in dezelfde zin worden uitgelegd als de ° bijna identieke ° definitie van artikel 3, lid 1, van de richtlijn, die luidt als volgt:
"De Lid-Staten definiëren het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw in de zin van deze richtlijn, waarbij zij voor natuurlijke personen ten minste als voorwaarde stellen dat het aandeel van het inkomen uit het landbouwbedrijf 50 % of meer van het totale inkomen van het bedrijfshoofd bedraagt en dat de arbeidsduur voor werkzaamheden buiten het bedrijf minder dan de helft van de totale arbeidsduur van het bedrijfshoofd uitmaakt.
Met name rekening houdend met de in de vorige alinea vermelde criteria, definiëren de Lid-Staten dit begrip wanneer het gaat om
° andere dan natuurlijke personen,
° een bedrijf waarvan de eigenaar geen bedrijfshoofd is,
° een in deelpacht gegeven bedrijf."
6. In zijn arrest van 18 december 1986(6) oordeelde het Hof, dat dit laatste artikel aldus moet worden uitgelegd, dat het een Lid-Staat verboden is bepaalde typen rechtspersonen enkel op grond van hun rechtsvorm van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten.
7. Het Hof preciseerde:
"De richtlijn sluit mitsdien rechtspersonen niet enkel niet van haar werkingssfeer uit, doch brengt ze er juist uitdrukkelijk onder indien zij aan de voorwaarden van artikel 2(7) voldoen en aan de overeenkomstig artikel 3, lid 1, van het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw gegeven definitie beantwoorden. Daar deze voorwaarden geen verband houden met de rechtsvorm waarin de rechtspersoon is opgericht, moet worden geconcludeerd dat de Lid-Staten aan rechtspersonen de voordelen van de regeling van de richtlijn niet enkel op grond van hun rechtsvorm kunnen onthouden. Een dergelijk verschil in behandeling zou trouwens in strijd zijn met het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten bij de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht dienen te nemen."(8)
8. De Commissione tributaria di primo grado di Voghera vraagt het Hof juist, of artikel 2, lid 5, van de verordening, voor zover het de definitie van het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw aan de Lid-Staten overlaat, toelaat dat kapitaalvennootschappen enkel op grond van hun rechtsvorm van dit begrip worden uitgesloten.
9. Ik merk meteen al op, dat het gemeenschapsrecht niet een uniforme definitie van bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw kent.
10. In zijn arrest van 28 februari 1978(9) oordeelde het Hof immers, dat
"(...) in het Verdrag (...) geen enkele bepaling van het begrip landbouw ° en nog minder een bepaling van het begrip landbouwbedrijf ° is te vinden, zodat het in voorkomend geval op de weg van de communautaire instellingen ligt om, voor de op het Verdrag berustende regelingen, zodanige definitie van een landbouwbedrijf op te stellen;
dat de term 'landbouwbedrijf' weliswaar veelvuldig wordt gebruikt in de communautaire regelingen zoals die, met inbegrip van de verordeningen welke in de verwijzingsbeschikking worden genoemd, door de Raad c.q. door de Commissie voor de landbouw zijn vastgesteld, doch dat aan dit begrip in de gezamenlijke ° en zeer heterogene ° verordeningen geenszins een uniforme inhoud wordt gegeven ° des dat die inhoud naar gelang van de specifieke doelstellingen van de betrokken communautaire voorschriften varieert"(10).
Hieruit concludeerde het Hof, dat
"aan de verdragsbepalingen dan wel aan de regelen van het afgeleide gemeenschapsrecht onmogelijk een algemene en uniforme gemeenschapsrechtelijke definitie van de term 'landbouwbedrijf' kan worden afgelezen, welke op het gehele gebied van de wettelijke en bestuursvoorschriften betreffende de landbouwproduktie alom zou kunnen worden toegepast"(11).
11. Zo is thans bij het Hof een zaak aanhangig over de vraag, of landbouwbedrijven die intensieve zooetechnische veeteelt beoefenen, gerekend moeten worden tot de in artikel 1 ter, lid 3, sub a, van verordening (EEG) nr. 1094/88 van de Raad van 25 april 1988(12) bedoelde begunstigden van de steunregeling ter bevordering van de extensivering voor overschotprodukten.(13)
12. Hieruit volgt, dat de definitie van het begrip bedrijfshoofd in de landbouw, die besloten ligt in artikel 2, lid 5, van de verordening, slechts geldt voor situaties die onder de werkingssfeer van deze verordening vallen. Dit wordt bevestigd door de bewoordingen van dit artikel, dat ° er zij nog eens aan herinnerd ° luidt als volgt: "De Lid-Staten definiëren het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw voor de toepassing van deze verordening."(14)
13. Er rijst derhalve een preliminaire vraag: zijn de bepalingen van deze verordening, en met name artikel 2, lid 5, daarvan, van toepassing op een binnenlandse fiscale regeling die een vermindering van registratierechten voorschrijft ten gunste van bepaalde soorten bedrijfshoofden in de landbouw die grond verwerven?
14. Totdat zij bij verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad(15) werd ingetrokken, was verordening nr. 797/85 de basistekst voor het gemeenschappelijk landbouwstructuurbeleid. Er werd daarbij een "gemeenschappelijke actie in de zin van artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 729/70 ingesteld waaraan door de Lid-Staten uitvoering dient te worden gegeven en die ten doel heeft de doeltreffendheid van de bedrijven te verbeteren en tot de ontwikkeling van de bedrijfsstructuren bij te dragen, waarbij echter voor de instandhouding van het natuurlijke landbouwpotentieel zorg dient te worden gedragen"(16).
15. De steunmaatregelen in het kader van de steunregeling voor investeringen als bedoeld in de artikelen 3-7 van de verordening ° welke regeling mede door gemeenschapsgelden wordt bekostigd(17) °, kunnen slechts betrekking hebben op nauwkeurig bepaalde acties of maatregelen. Zij kunnen met name niet gericht zijn op uitgaven voor de aankoop van grond.(18)
16. Deze mede door de Gemeenschap gefinancierde steunregeling ontneemt de Lid-Staten niet de mogelijkheid bepaalde nationale steunmaatregelen uit te voeren die dezelfde doelstellingen nastreven, maar waaraan de Gemeenschap niet bijdraagt. Hierover gaat artikel 8 van de verordening(19), dat "règle de façon détaillée l' admissibilité des aides nationales en faveur d' investissements dans les exploitations agricoles"(20).
17. Zo worden weliswaar bepaalde steunmaatregelen voor investeringen aan verboden of beperkingen onderworpen, maar artikel 8, lid 5, bepaalt uitdrukkelijk, dat deze verboden en beperkingen niet gelden voor steunmaatregelen bij de aankoop van grond.(21)
18. Nog afgezien van deze bijzondere voorzieningen bevat artikel 31 bovendien een algemene bepaling die de Lid-Staten toestaat, op het door de verordening bestreken gebied aanvullende nationale steunmaatregelen te nemen met andere toekenningsvoorwaarden of -bepalingen dan die welke in de verordening zijn opgenomen, op voorwaarde dat deze maatregelen met de artikelen 92-94 van het Verdrag in overeenstemming zijn.(22)
19. Hieruit volgt, dat de verordening een bepaald aantal nationale steunregelingen ° en met name steunmaatregelen voor de aankoop van grond ° mogelijk maakt. Tot deze laatste categorie behoort mijns inziens de vermindering van het registratierecht ten voordele van bedrijfshoofden met hoofdberoep landbouw, die grond verwerven.
20. Hoewel deze nationale steunmaatregelen onder bepaalde voorwaarden verenigbaar zijn met de bij de verordening ingestelde gemeenschappelijke actie, vallen zij niet onder haar werkingssfeer en worden zij derhalve niet door deze tekst beheerst. Zij zijn alleen onderworpen aan het nationale recht, dat de aard, de begunstigden en de toekenningsvoorwaarden ervan vaststelt met inachtneming van de artikelen 92-94 van het Verdrag.(23)
21. Artikel 2, lid 5, van de verordening heeft tot doel te verzekeren, dat in alle Lid-Staten uniforme voorwaarden voor de toepassing van de in deze tekst bedoelde steunregeling worden gehanteerd. Daartoe preciseert het de criteria waarmee de Lid-Staten bij de definitie van het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw rekening moeten houden.
22. Het artikel heeft niet tot doel de Lid-Staten criteria op te leggen voor de werkingssfeer ratione personae van nationale fiscale regelingen zoals decreet nr. 131 van de president van de Italiaanse Republiek van 26 april 1986, die noch aan het gemeenschapsrecht noch aan een communautaire financiering uitvoering geeft.
23. Overigens, ook al lijkt het hanteren van uniforme criteria voor de definitie van bedrijfshoofd in de landbouw binnen de Gemeenschap noodzakelijk wanneer het gaat om de instelling van een gemeenschappelijke actie die mede door de Gemeenschap wordt gefinancierd, is dat toch niet het geval wanneer de steun bestaat uit een louter binnenlandse maatregel die niet onder de communautaire steunregeling voor investeringen valt.
24. De nationale regelgever kan bij de definitie van het begrip bedrijfshoofd in een fiscale regeling weliswaar vrijelijk verwijzen naar een nationale wet(24) die uitvoering geeft aan gemeenschapsregelingen, waaronder overigens niet verordening nr. 797/85, doch het ligt vervolgens op de weg van de nationale rechter de precieze draagwijdte van deze verwijzing vast te stellen voor de uitsluiting van kapitaalvennootschappen van het begrip bedrijfshoofd in de landbouw, als neergelegd in de artikelen 12 en 13 van de Italiaanse wet nr. 153 van 9 mei 1975.
25. Na deze lange inleiding over de werkingssfeer van de verordening, die volgens mij noodzakelijk was om de rechter a quo een zinnig antwoord te kunnen geven op zijn vraag, kom ik nu pas aan deze vraag toe.
26. Wij zagen, dat waar artikel 2, lid 5, van de verordening de Lid-Staten uitnodigt het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw te definiëren, het vrijwel dezelfde bewoordingen bezigt als artikel 3, lid 1, van de richtlijn die onderwerp was van voornoemd arrest Villa Banfi. Betekent dit, dat de uitlegging die het Hof aan dat artikel heeft gegeven, ook geldt voor artikel 2, lid 5, van de verordening?
27. In de ontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwstructuurbeleid vormen de richtlijn en de verordening twee wezenlijke etappes.(25)
28. Beide zijn gebaseerd op de artikelen 39, lid 1, 42 en 43 van het EEG-Verdrag en beide strekken tot verbetering van de landbouwstructuur door middel van steunmaatregelen voor investeringen of aanmoedigingsmaatregelen. Beide stellen een "gemeenschappelijke actie" in als bedoeld in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 729/70, die door de Lid-Staten wordt uitgevoerd en mede door de afdeling Garantie van het EOGFL wordt gefinancierd.(26)
29. In de twee teksten komt bovendien een onmiskenbare continuïteit tot uitdrukking. Zoals Blumann naar aanleiding van de bij de verordening ingestelde steunregeling voor investeringen heeft opgemerkt, "il s' agit (...) du point central du règlement qui, à cet égard, poursuit l' oeuvre entreprise par la directive n 159/72, visant à une modernisation des exploitations agricoles et qui entre autres dispositions instituait les plans de développement. Le nouveau texte maintient l' esprit antérieur, tout en tenant compte du souci de conserver en activité le maximum d' exploitations, d' où d' ailleurs un recours plus facile aux aides nationales et un régime plus souple pour les plans d' amélioration matérielle (PAM) qui se substituent aux plans de développement"(27).
30. Beide teksten laten de definitie van het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw ° in een vrijwel identieke formulering(28), zoals wij zagen ° aan de Lid-Staten over en nodigen de Lid-Staten uit, dezelfde criteria te gebruiken.
31. Tot slot wil ik opmerken, dat de ene tekst betrekking heeft op "landbouwbedrijven met ontwikkelingsmogelijkheden"(29) en de andere op "bedrijven"(30), maar dat beide teksten de rechtsvorm waarin dit bedrijf moet worden uitgeoefend, niet nader bepalen.
32. Hieruit volgt, dat indien de uitsluiting van kapitaalvennootschappen van de definitie van bedrijfshoofd in strijd is met artikel 3, lid 1, van de richtlijn, die uitsluiting noodzakelijkerwijs ook met artikel 2, lid 5, van de verordening in strijd is.
33. Ik geef het Hof dientengevolge in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, moet aldus worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten niet is toegestaan, bij de vaststelling van de criteria waaraan andere dan natuurlijke personen moeten voldoen om als bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw te worden aangemerkt, bepaalde typen rechtspersonen enkel op grond van hun rechtsvorm van de werkingssfeer van deze verordening uit te sluiten.
2) Een nationale regeling inzake de fiscale behandeling van eigendomsoverdracht van onroerend goed valt niet onder de werkingssfeer van voornoemde verordening."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° GURI van 30.4.1986, gewoon supplement, algemene serie nr. 99.
(2) ° Zie ibidem in fine, tarief, eerste deel.
(3) ° GURI nr. 137 van 26.5.1975, blz. 3298.
(4) ° PB 1972, L 96, blz. 1.
(5) ° PB 1985, L 93, blz. 1.
(6) ° Zaak 312/85, Villa Banfi, Jurispr. 1986, blz. 4039.
(7) ° Artikel dat het begrip landbouwbedrijf met ontwikkelingsmogelijkheden definieert.
(8) ° R.o. 10 van voornoemd arrest.
(9) ° Zaak 85/77, Azienda avicola Sant' Anna, Jurispr. 1978, blz. 527.
(10) ° Ibid., r.o. 8 en 9.
(11) ° Ibid., r.o. 14.
(12) ° Verordening tot wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 797/85 en (EEG) nr. 1760/87 voor wat betreft het uit produktie nemen van bouwland en de extensivering en de omschakeling van de produktie (PB 1988, L 106, blz. 28).
(13) ° Zaak C-190/91, Lante.
(14) ° Cursivering van mij.
(15) ° Verordening betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PB 1991, L 218, blz. 1); zie artikel 40 van deze verordening.
(16) ° Artikel 1, lid 1, van de verordening.
(17) ° Ibid., artikel 26, lid 2.
(18) ° Ibid., artikel 4, lid 1.
(19) ° De in het kader van artikel 8 bedoelde acties geven geen aanleiding tot uitgaven die in aanmerking komen voor een bijdrage uit het Fonds (zie artikel 26, leden 1 en 2, van de verordening).
(20) ° Priebe, R.: Le droit communautaire des structures agricoles, Cahiers de droit européen , 1988, nrs. 1-2, blz. 26.
(21) ° De bepalingen van artikel 8, lid 5, zijn overgenomen in artikel 12, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad (reeds aangehaald).
(22) ° Zie R. Priebe, t.a.p., blz. 27.
(23) ° Zie in deze zin Blumann, C.: Jurisclasseur, Europe, marché commun agricole, politique commune des structures agricoles , afl. 1340, punt 63, paragraaf 2.
(24) ° Zie de artikelen 12 en 13 van genoemde Italiaanse wet nr. 153 van 9 mei 1975.
(25) ° De verordening is in de plaats gekomen van de richtlijn, die daarbij is ingetrokken: artikel 33, lid 2, van de verordening.
(26) ° Zie de 19e en 20e overweging van de considerans en artikel 15 van de richtlijn en de 25e overweging van de considerans en artikel 1 van de verordening.
(27) ° Blumann, Jurisclasseur, Europe , t.a.p., punt 43, cursivering van mij.
(28) ° Met uitzondering van de twee laatste streepjes in artikel 3, lid 1, van de richtlijn, die ontbreken in artikel 2, lid 5, van de verordening. Dit verschil heeft geen effect op de gestelde prejudiciële vraag.
(29) ° Richtlijn, artikel 1.
(30) ° Verordening, artikel 1.
Full & Egal Universal Law Academy