Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De prejudiciële vraag die het Hof wordt gesteld door de Franstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten te Brussel (hierna: "Raad van Beroep"), betreft opnieuw de uitlegging van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitvoering van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (hierna: "richtlijn").(1)
2. Bauer, die de Duitse nationaliteit heeft, behaalde op 9 februari 1989 aan de Fachhochschule Stuttgart het diploma van ingenieur in de architectuur ("Diplom-Ingenieur (Fachhochschule)"). Dit diploma vormde de afsluiting van vier jaar studie, waarin twee praktijksemesters ("Praxissemester") waren begrepen.
3. Woonachtig in België, vroeg hij om inschrijving op de lijst van stagiairs van de Orde van Architecten van de provincie Brabant, hetgeen hem op 26 juni 1990 door de Raad van de Orde werd geweigerd(2) op grond dat zijn diploma niet voldeed aan de voorschriften van de richtlijn.(3)
4. De Raad van Beroep vraagt het Hof naar de betekenis van het begrip "vier jaar studie" in de zin van artikel 11 van de richtlijn: "Moet artikel 11, sub a, derde alinea, aldus worden uitgelegd, dat een opleiding met een duur van vier jaar die twee praktijksemesters onder leiding van de Fachhochschule Stuttgart omvat, een opleiding met een studieduur van vier jaar is?"
5. Tussen partijen staat vast(4), dat Bauer ° die op 9 maart 1984 met zijn architectuurstudie is begonnen ° zich kon beroepen op de overgangsregeling, die volgens artikel 10 van de richtlijn van toepassing is op alle onderdanen van de Gemeenschap die uiterlijk in de loop van het derde academisch jaar volgende op de kennisgeving van de richtlijn (augustus 1985), met de opleiding zijn begonnen.
6. In hoofdstuk III, met het opschrift "Diploma' s, certificaten en andere titels die toegang geven tot de werkzaamheden op het gebied van de architectuur uit hoofde van verworven rechten of bestaande nationale bepalingen", bevat de richtlijn immers een overgangsregeling die zorgvuldig moet worden onderscheiden van de definitieve regeling van hoofdstuk II, dat als opschrift draagt: "Diploma' s, certificaten en andere titels die toegang geven tot de werkzaamheden op het gebied van de architectuur onder de beroepstitel van architect."
7. Weliswaar voorziet de definitieve regeling niet in harmonisatie van de opleidingen, maar zij stelt wel de criteria vast voor hun erkenning: hoofdstuk II bevat geen lijst van diploma' s die de Lid-Staten moeten erkennen, maar schrijft de onderlinge erkenning voor van de diploma' s, certificaten en titels die voldoen aan de criteria van de artikelen 3 en 4.
8. Aan de in artikel 3 genoemde kwaliteitseisen met betrekking tot de inhoud van het onderwijs ° waarin een evenwicht dient te bestaan tussen de theoretische en de praktische aspecten van de architectuuropleiding ° voegt artikel 4 een vereiste toe inzake de studieduur. Volgens lid 1, eerste alinea, sub a, van dit artikel moet de totale duur van de opleiding ten minste hetzij vier jaar full-time studie aan een universiteit of een vergelijkbare onderwijsinstelling, hetzij ten minste zes jaar studie, waarvan ten minste drie jaar full-time, aan een universiteit of een vergelijkbare onderwijsinstelling bedragen. In afwijking hiervan bepaalt de tweede alinea van dezelfde bepaling, dat aan de eisen van de richtlijn ook wordt voldaan door de driejarige opleiding aan de Duitse Fachhochschulen, mits deze opleiding wordt aangevuld met een periode van beroepservaring van vier jaar in dezelfde staat.
9. In de zaak Nationale Raad van de Orde van Architecten/Egle(5) (hierna: "Egle") had de verzoeker in het hoofdgeding, houder van een diploma afgegeven door de Fachhochschule Konstanz na beëindiging van een studie van vier jaar waarin begrepen twee praktijksemesters, verzocht om inschrijving op het tableau van de Raad van de Orde van Architecten van de provincie Limburg. Hij beriep zich hierbij juist op artikel 4, lid 1, eerste alinea, sub a. Dit verzoek was met name afgewezen op grond dat het diploma van de belanghebbende niet voldeed aan de in de richtlijn gestelde voorwaarden.
10. Op de vraag of een dergelijke opleiding voldeed aan de criteria van artikel 4, verklaarde het Hof voor recht, dat dit artikel "aldus moet worden uitgelegd, dat een opleiding die vier jaar duurt en waarin door de Fachhochschule georganiseerde en begeleide praktijksemesters zijn begrepen, als een full-time studie met een duur van vier jaar moet worden beschouwd"(6).
11. Wat de overgangsregeling betreft, bepaalt artikel 10, dat de Lid-Staten de in artikel 11 bedoelde diploma' s erkennen en hieraan op hun grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toekennen als aan de door henzelf afgegeven diploma' s op het gebied van de architectuur.
12. De in artikel 11 bedoelde Duitse diploma' s zijn onder meer die welke zijn afgegeven door de afdelingen architectuur van de Fachhochschulen, met dien verstande dat, wanneer de studieduur minder dan vier jaar, maar ten minste drie jaar bedraagt, ten minste vier jaar beroepservaring vereist wordt.(7) Hieruit volgt a contrario, dat wanneer een opleiding vier jaar studie omvat, de voorwaarde van beroepservaring niet geldt.(8) In het kader van het overgangsrecht bestaan voor de door de Fachhochschulen afgegeven diploma' s derhalve drie verschillende regelingen:
° indien de studieduur minder dan drie jaar bedraagt, zijn de Lid-Staten niet verplicht het diploma te erkennen;
° indien de studieduur minder dan vier jaar, maar ten minste drie jaar bedraagt, moet het diploma om erkend te worden, vergezeld gaan van een certificaat waaruit een beroepservaring van vier jaar blijkt;
° indien de studieduur ten minste vier jaar bedraagt, moet het diploma door de Lid-Staten worden erkend.
13. Ik merk op, en dit is volstrekt logisch, dat aan de diploma' s van de in hoofdstuk III bedoelde personen, die nog vóór de inwerkingtreding van de richtlijn een studie hebben gevolgd, minder strenge voorwaarden worden gesteld dan aan die waarop artikel 4 het oog heeft. Zo wordt in het kader van de overgangsregeling niet vereist dat de studie een full-time karakter had.
14. In het kader van de definitieve regeling stelt de richtlijn criteria vast, en de Lid-Staat op wiens grondgebied het verzoek om inschrijving als architect wordt ingediend, dient na te gaan of het diploma dat de aanvrager overlegt, aan deze criteria voldoet: de staat van ontvangst heeft een beoordelingsvrijheid.
15. Hoofdstuk III daarentegen bevat een lijst van diploma' s die de Lid-Staten moeten erkennen zonder na te hoeven gaan of zij voldoen aan de in de artikelen 3 en 4 vermelde criteria.(9) De staat van ontvangst is gebonden aan de opsomming van artikel 11.(10) Artikel 10 van de richtlijn preciseert overigens, dat deze diploma' s niet noodzakelijkerwijs voldoen aan de "minimumeisen van de in hoofdstuk II bedoelde titels".
16. Het diploma van een Fachhochschule moet mitsdien onvoorwaardelijk worden erkend zodra de studieduur vier jaar bedraagt.
17. Voldoet de opleiding van vier jaar, waarin begrepen twee praktijksemesters, aan de Fachhochschule Stuttgart aan deze voorwaarde, en, meer in het bijzonder, maken die semesters deel uit van de "studieduur" in de zin van artikel 11? Dat is de vraag van de verwijzende rechter.
18. Ik wil daar meteen duidelijk over zijn: het antwoord dat het Hof in het arrest Egle heeft gegeven, en de paradoxale situatie die zou ontstaan wanneer de praktijksemesters wel als deel van de studieduur zouden worden beschouwd in het kader van de definitieve regeling, maar niet in het kader van de toch minder strenge overgangsregeling, laten geen twijfel toe.
19. In casu heeft verzoeker in het hoofdgeding, zoals gezegd, een architectuurstudie gevolgd aan de Fachhochschule Stuttgart. Deze school valt onder dezelfde regeling als de Fachhochschule Konstanz, waar de verzoeker in de zaak Egle had gestudeerd, namelijk de wet op de Fachhochschulen van Baden-Wuerttemberg van 4 juni 1982. Volgens § 31, derde alinea, duurt het curriculum van een Fachhochschule in beginsel vier jaar en omvat het als regel drie jaar studie aan de Fachhochschule en twee praktijksemesters.
20. In mijn conclusie in de zaak Egle(11), heb ik als mijn mening gegeven, dat de praktijksemesters, wanneer zij ten minste door de school worden begeleid, een wezenlijk deel uitmaken van de aan de Fachhochschulen voltooide studie en in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de termijn van vier jaar. In zijn arrest heeft het Hof zich bij deze opvatting aangesloten.
21. Ik zal mij op dit punt derhalve beperken tot enkele opmerkingen als antwoord op de nieuwe argumenten die door verweerder in het hoofdgeding zijn aangevoerd.
22. Het praktijksemester is geen beroepsstage die los staat van de studie, verre van dat. Het is een wezenlijk deel van de studie, zoals ook blijkt uit het studie- en examenreglement van de Fachhochschule Stuttgart.
23. Aan dit beginsel wordt niet afgedaan door het feit dat een eerdere opleiding of eerdere beroepswerkzaamheden in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van de duur van een praktijksemester. Afgezien van het feit dat het meetellen van een eerdere opleiding de instemming van de Fachhochschule veronderstelt, kan deze immers slechts het eerste praktijksemester vervangen. Evenzo kunnen eerdere beroepswerkzaamheden slechts bij uitzondering het tweede praktijksemester vervangen, namelijk alleen indien zij meerdere jaren hebben geduurd en door een volledige opleiding zijn gevolgd.(12)
24. Het praktijksemester staat onder toezicht van een leraar van de school en er wordt niet enkel een "opleidingsverklaring" (Ausbildungsnachweis), maar ook een "erkenning" (Anerkennung) voor afgegeven, zonder welke de student zijn studie niet kan voltooien.(13)
25. Bovendien blijkt uit het bestaan van een stagebureau binnen de school zelf en uit de zorg waarmee de praktijksemesters door de instelling worden geregeld, dat zij onlosmakelijk verbonden zijn met de andere onderdelen van het curriculum.
26. Ten slotte geeft artikel 11, sub a, derde streepje, zoals gezegd, een andere regeling voor de driejarige architectenopleidingen aan Fachhochschulen. Die worden slechts erkend indien zij gevolgd zijn door vier jaar beroepservaring.
27. Welnu, met betrekking tot artikel 4, lid 1, heeft het Hof in zijn arrest in de zaak Egle al overwogen, dat
"dit voor de driejarige opleidingen geldende vereiste van beroepservaring (...) zinloos zou zijn, indien ook de vier jaar durende opleidingen onder die regeling zouden vallen. Indien de gemeenschapswetgever alle architectenopleidingen van de Fachhochschulen in Duitsland daaronder had willen brengen, zou hij immers geen onderscheid hebben gemaakt naar gelang zij drie of vier jaar duren".(14)
28. Derhalve geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren:
"Artikel 11, sub a, derde alinea, van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, moet aldus worden uitgelegd, dat een opleiding met een duur van vier jaar met inbegrip van twee praktijksemesters onder toezicht van de directie van een Fachhochschule als bedoeld in deze bepaling, moet worden beschouwd als een opleiding met een studieduur van vier jaar in de zin van deze bepaling."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° PB 1985, L 223, blz. 15.
(2) ° Hiermee werd in beroep een voorafgaand besluit van 30 maart 1990 bevestigd.
(3) ° Beschikking van de verwijzende rechter, blz. 2.
(4) ° Ibid.
(5) ° Arrest van 21 januari 1992 (zaak C-310/90, Jurispr. 1992, blz. I-177).
(6) ° Ibid., dictum.
(7) ° Merk op dat de formulering op dit punt identiek is met die van artikel 4, lid 2.
(8) ° Zie mijn conclusie in de zaak Egle, punten 18 en 21.
(9) ° De verwijzing in artikel 11, sub a, derde streepje, naar artikel 4, lid 1, tweede alinea, dient enkel en alleen om de voorwaarden vast te stellen waaraan certificaten moeten voldoen waaruit een beroepservaring van vier jaar in de Bondsrepubliek Duitsland blijkt in geval van een opleiding van drie jaar. Deze verwijzing beoogt niet de minimumeisen van artikel 4 van toepassing te doen zijn op de in artikel 11 vermelde diploma' s.
(10) ° Met betrekking tot de omvang van de bevoegdheden van de staat van ontvangst in een andere context, verwijs ik naar mijn conclusie (punten 13-17) bij het arrest van 27 september 1989 (zaak 130/88, Van de Bijl, Jurispr. 1989, blz. 3039, 3050) over de omvang van de controle door de staat van ontvangst wanneer op grond van een door de bevoegde autoriteit in de staat van herkomst afgegeven beroepsverklaring, toestemming verleend wordt om een zelfstandig beroep uit te oefenen. Het Hof heeft toen beslist, dat de controle op de geldigheid van deze verklaring door de staat van ontvangst beperkt moest blijven tot duidelijke onnauwkeurigheden (zie r.o. 22 en 27 van voornoemd arrest).
(11) ° Punten 11-16.
(12) ° Zie hoofdstuk 5.4.2 h van de bijzondere bepalingen van het studiereglement.
(13) ° Paragraaf 7, punt 5, van de algemene opmerkingen in het studiereglement; zie ook hoofdstuk 5.2, vijfde alinea, van de bijzondere bepalingen.
(14) ° Arrest Egle, r.o. 14.
Full & Egal Universal Law Academy