CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 9 december 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het Amtsgericht Tübingen heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 5, 7, 48, 52, 59, en 60 EEG-Verdrag in verband met bepalingen van Duits recht die verlangen dat Griekse namen in Latijnse letters worden getranslittereerd volgens een systeem dat fonetisch niet klopt.
2.
Verzoeker in het hoofdgeding is een Grieks onderdaan die in Altensteig (Duitsland) als zelfstandig masseur en medisch badmeester werkt. Volgens zijn Griekse geboorteakte is zijn voornaam Χήοτος en zijn achternaam Κωνσταντινίδης. Hij wil dat die naam in Latijnse lettertekens wordt omgezet als „Christos Konstantinidis”, omdat deze spelling voor Duitstaligen de juiste uitspraak van zijn naam in het Grieks zo nauwkeurig mogelijk aangeeft. Hij wijst er ook op, dat zijn naam zo in zijn Griekse paspoort in Latijnse letters is omgezet.
3.
Op 1 juli 1983 trouwde Konstantinidis voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Altensteig met een Duitse. Zijn naam werd in het huwelijksregister ingeschreven als „Christos Konstadinidis”. Op 31 oktober 1990 verzocht hij bij de burgerlijke stand te Altensteig om verbetering van de inschrijving van zijn achternaam in dat register van „Konstadinidis” in „Konstantinidis”. Dit verzoek werd via het Landratsamt Calw doorgestuurd naar het Amtsgericht Tübingen, dat zich op het standpunt stelde, dat de naam in het huwelijksregister op grond van de relevante bepalingen van Duits recht overeen moest stemmen met de naam in Konstantinidis' geboorteakte. Het liet daarom de Griekse geboorteakte vertalen door een erkend vertaler, die consciëntieus een translitteratiemethode toepaste die door de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) was ontwikkeld ( 1 ); dit leidde tot een weergave van verzoekers naam als „Hrestos Konstantinides”, met een liggend streepje boven de letter „e” in de voornaam en boven de „o” en de „e” in de achternaam. Het Landratsamt Calw verzocht daarop, de inschrijving in het huwelijksregister zo te verbeteren, dat zij in overeenstemming was met de translitteratiemethode van de ISO (met dien verstande echter, dat de liggende streepjes door accents aigus werden vervangen ( 2 )).
4.
Plet Amtsgericht Tübingen is van mening, dat verzoekers naam naar Duits recht in het huwelijksregister moet worden ingeschreven als Hréstos Konstantinidés, ook al staat deze spelling verzoeker enorm tegen en geeft zij geen juiste indruk van de wijze waarop zijn naam in het Grieks wordt uitgesproken. Het Amtsgericht komt tot deze conclusie via de volgende redenering. Het Duitse recht verlangt, dat namen in de registers van de burgerlijke stand overeenkomen met de namen die op iemands geboorteakte voorkomen. De registers moeten worden gehouden in de Duitse taal en in het Duitse of Latijnse alfabet. Vreemde namen, die in een taal zijn geschreven die een ander alfabet gebruikt, moeten voor zover mogelijk, worden weergegeven door middel van translitteratie, dat wil zeggen dat elk letterteken uit het vreemde alfabet moet worden weergegeven door het equivalente letterteken in het Latijnse alfabet. In het geval van Griekse namen moet een door de ISO aanbevolen methode van translitteratie worden gevolgd. Dit is in overeenstemming met artikel 3 van de Overeenkomst van 13 september 1973 inzake de aanduiding van geslachtsnamen en voornamen in de registers van de burgerlijke stand (Overeenkomst nr. 14 van de Internationale Commissie van de Burgerlijke Stand) (BGBl. 1976 II, biz. 1473; Trb. 1974, 31). Artikel 3 bepaalt:
„Wanneer een akte moet worden opgemaakt in een register van de burgerlijke stand door een autoriteit van een Overeenkomstsluitende Staat en hiervoor een afschrift of een uittreksel van een akte van de burgerlijke stand of een ander stuk wordt overgelegd, waarin de geslachtsnamen en voornamen in andere lettertekens worden vermeld dan die van de taal waarin de akte moet worden opgemaakt, dan worden deze geslachtsnamen en voornamen onvertaald weergegeven door middel van een zo strikt mogelijk toegepaste omzetting van letter voor letter (translitteratie).
Indien hiervoor door de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) aanbevolen normen bestaan, dan moeten deze normen worden toegepast.”
Zoals wij hebben gezien, bestaat er een ISO-norm voor de translitteratie van Griekse namen, die ertoe leidt, dat verzoekers naam wordt geschreven als „Hréstos Konstantinides”.
5.
Het Amtsgericht is van oordeel, dat er mogelijk sprake is van schending van het gemeenschapsrecht, indien Konstantinidis gedwongen is te aanvaarden, dat zijn naam in het huwelijksregister overeenkomstig de ISO-norm wordt gespeld. Het heeft daarom het Hof de volgende vragen voorgelegd:
„1)
Wordt een burger uit een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen, die werkzaam is als zelfstandige of als werknemer in de zin van de artikelen 48, 52, 59 e. v. EEG-Verdrag, in strijd met de artikelen 5 en 7 EEG-Verdrag in zijn rechten geschaad, doordat hij in een andere Lid-Staat wordt gedwongen zijn naam , tegen zijn-verklaarde wil en in afwijking van de fonetische omzetting, zodanig geschreven in de registers van de burgerlijke stand van het land van ontvangst te laten opnemen, dat deze naam anders wordt uitgesproken en wordt misvormd;
concreet gezegd, dat de Griekse naam Christos Konstantinidis (rechtstreeks fonetische omzetting) wordt tot de naam ‚Hréstos Konstantinidés’?
2)
Wordt hierdoor inbreuk gemaakt op de in de artikelen 52, 59 en 60 EEG-Verdrag toegekende vrijheid van vestiging en vrijheid van dienstverrichting?”
De translitteratie van namen in het algemeen
6.
Alvorens in te gaan op de juridische problemen die door de vragen worden aangesneden, is het wellicht nuttig aandacht te besteden aan het algemene probleem van de omzetting van namen uit het ene alfabet in het andere. De meest gebruikelijke aanpak kan worden omschreven als fonetische transcriptie. Bij die methode wordt getracht de naam uit de brontaal (in dit geval Grieks) op zodanige wijze in de doeltaal (in dit geval Duits) om te zetten, dat aan degenen die de doeltaal spreken, een zo nauwkeurig mogelijke benadering van de juiste uitspraak van de naam wordt gegeven. Het voordeel van die methode is, dat de naam fonetisch minimaal wordt misvormd. Het nadeel is, dat wanneer het alfabet waarin de naam wordt omgezet, door verschillende talen wordt gebruikt en de waarde die aan sommige letters daarvan wordt toegekend, van taal tot taal verschilt, voor elke taal een andere spelling vereist kan zijn. Dit gebrek aan uniforme translitteratie van vreemde namen schijnt schrijvers en uitgevers, die het probleem uiteraard niet helemaal in hetzelfde licht behoeven te zien als de houder van het huwelijksregister in Altensteig of de ISO, niet bijzonder te storen. Zo schrijven de Spaanse kranten „Jomeini”, terwijl wijlen de ayatollah in de meeste andere landen als „Khomeini” wordt aangeduid; Franse journalisten schrijven „Eltsine”, terwijl de Engelse „Yeltsin” schrijven; de naam van de laatste president van de Sowjet-Unie wordt onderscheidenlijk geschreven als „Gor-bachov”, „Gorbatschow” en „Gorbaciov”; en de componist die in de Engelssprekende wereld bekend staat als „Tchaikovsky”, wordt in Italië aangeduid met „Ciaikovski”. Dergelijke variaties waren uiteraard minder aanvaardbaar voor de ISO, toen deze zich aan de taak zette om een systeem voor de translitteratie van Griekse namen te ontwerpen, dat geldig zou zijn in alle landen die het Latijnse alfabet gebruiken.
7.
Het is in beginsel niet aan het Hof om te zeggen, dat een bepaald systeem voor de translitteratie van Griekse namen in Latijnse lettertekens beter is dan een ander. Maar aangezien de kern van Konstantinidis' klacht is, dat het ISO-systeem bij toepassing op zijn naam tot een fonetische misvorming van onaanvaardbaar niveau leidt, loont het de moeite om kort na te gaan, wat voor praktische effecten dat systeem heeft. Het lijdt geen twijfel, dat indien de versie van het ISO-systeem die aan het Hof is overgelegd, algemeen zou worden gebruikt, dit tot ernstige misvorming van een groot aantal Griekse namen zou leiden. Het is in vele opzichten bizar en incorrect. Zo wordt de Griekse letter „β”, die in de oudheid zeer wel een klank kan hebben weergegeven als de „b” in het Engelse „big”, in modern Grieks uitgesproken als de „v” in „very”. Maar het ISO-systeem staat erop, dat zij wordt weergegeven door een „b”. De invloed van opvattingen over de vermeende uitspraak van het klassieke Grieks is ook zichtbaar in de voorgestelde weergave van de klinkers „η” en „υ” die in modern Grieks beide worden uitgesproken als de klinker in het Engelse woord „sheep”. In het ISO-systeem moet de „η” worden weergegeven door een „e” (met een liggend streepje) en de „υ” door een „u”; het eerste moge fonetisch juist zijn voor Engelstaligen en het tweede voor degenen die Welsh spreken, maar geen van beide translitteraties geeft voor Duitstaligen aan, wat de waarde van de Griekse letters is. Bovendien negeert het ISO-systeem, dat de „ν” wordt uitgesproken als een Engelse „v” of „f” indien zij wordt voorafgegaan door een „v” of een „e”. Dit zijn niet de enige gebreken. Het ISO-systeem translittereert de Griekse „y” door „g” en gaat daarmee voorbij aan het feit, dat de harde „y” gutturaal is en de zachte „y” wordt uitgesproken als de „y” in het Engelse „yes”. De letter „0”, die wordt uitgesproken als de „th” in het Engelse „thing”, moet worden weergegeven door een „t” met een liggend streepje erboven. Uiteraard is het moeilijk om een dergelijke klank voor een Duitstalige aan te duiden, daar deze in zijn taal niet voorkomt. Maar meer conventionele transi itteratiesystemen schrijven de „0” als „th”, misschien omdat die letters ten minste in een belangrijke taal (te weten het Engels) de juiste waarde hebben en wellicht ook omdat Duitse woorden die zijn afgeleid van Griekse woorden waarin de letter „0” voorkomt, met „th” worden gespeld (bij voorbeeld theologie). Andere Griekse medeklinkers die door het ISO-systeem worden vervormd, zijn de „x” (die moet worden weergegeven door een „h”, terwijl een „ch” orthodoxer is en voor Duitstaligen fonetisch juister) en de „ψ”, die de klank „ps” weergeeft, zoals in het Engelse „tips”, maar die volgens het ISO-systeem wordt getranslittereerd door een „p” met een liggend streepje erboven.
8.
Een goed voorbeeld van de vervormende werking van het ISO-systeem levert de naam „Γιάννης Ψυχάρης” (1854-1929; een radicaal voorvechter van het gebruik van de „volkse” vorm van het Grieks, het „dimoti-ki”). Die naam zou normaal worden getranslittereerd als „Yannis Psycharis”, maar onder het ISO-systeem wordt het „Giannés Puharés ( 3 )” (ervan uitgaande, dat accents aigus moeten worden gebruikt in plaats van liggende streepjes), wat, naar ongeacht welke maatstaf gemeten, misleidend is. Misschien wel het meest esoterische trekje van het ISO-systeem is het gebruik van liggende streepjes boven bepaalde letters. Deze tekens hebben geen enkele betekenis, behalve voor lezers die vertrouwd zijn met het ISO-systeem, en zij maken de oningewijden zeker niet duidelijk, dat de „t” een fricatief is of dat de „p” moet worden uitgesproken als „ps”. Bovendien zijn, zoals wij hebben gezien, veel schrijfmachines en tekstverwerkers niet in staat dergelijke tekens weer te geven, wat ongetwijfeld verklaart, waarom de Duitse instanties verzoeker willen inschrijven als „Hréstos Konstantinides” met drie accents aigus, waarin het ISO-systeem niet voorziet. Men kan zich inderdaad afvragen, wat de verdiensten zijn van een translitteratiesysteem dat diacritische tekens gebruikt die het technisch vermogen van gewone schrijfmachines te boven gaan.
9.
Op grond van het voorgaande kan zonder bezwaar worden geconcludeerd, dat bij gebruik van het ISO-systeem van translitteratie in Duitsland (of in enige ander Lid-Staat) een groot aantal Griekse namen — met inbegrip van die van verzoeker— zal worden geschreven op een manier die zeer misleidend is ten aanzien van hun juiste uitspraak. Sommige namen zullen zelfs onherkenbaar worden verminkt.
De gestelde schending van verzoekers rechten krachtens het gemeenschapsrecht
10.
Hoewel het Amtsgericht Tübingen twee aparte vragen heeft gesteld, komen zij in werkelijkheid op hetzelfde neer, te weten of een onderdaan van een Lid-Staat, die zich als zelfstandige heeft gevestigd in een andere Lid-Staat waar een ander alfabet wordt gehanteerd, zich er krachtens de artikelen 7 en 52 EEG-Verdrag tegen kan verzetten, dat zijn naam voor de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand wordt getranslittereerd op een wijze die een zeer onjuiste indruk geeft van de uitspraak van die naam.
11.
De artikelen 48, 59 en 60 lijken mij in dit geval niet relevant, daar verzoeker een zelfstandige is die zich blijvend in Duitsland heeft gevestigd. Als zodanig worden zijn rechten bepaald door artikel 52. Hoe dan ook kan worden opgemerkt, dat de positie in grote lijnen gelijk zou zijn indien hij een werknemer of een dienstverrichter was die onder artikel 48 respectievelijk artikel 59 viel. Aan artikel 5 behoeft mijns inziens niet apart aandacht te worden besteed; indien verzoeker op grond van de artikelen 7 en 52 recht heeft om op te komen tegen de onjuiste spelling van zijn naam, dan heeft dat recht directe werking.
12.
De Commissie, de Duitse en de Griekse regering hebben schriftelijke opmerkingen gemaakt en waren bovendien alle ter terechtzitting vertegenwoordigd. Konstantinidis heeft geen schriftelijke opmerkingen ingediend, maar wel heeft hij het Hof een zeldzame gelegenheid geboden om een procespartij in persoon te horen, omdat hij ter zitting voor zichzelf optrad. De kern van zijn betoog, dat werd gebracht met een eenvoudige welbespraaktheid en een beknoptheid waar vele professionele pleitbezorgers een voorbeeld aan zouden mogen nemen, is, dat „Hréstos Konstantinidés” een beledigende, onuitsprekelijke travestie van zijn naam is, die kwetsend is voor zijn religieuze gevoelens. Hij wijst er ook op, dat hij nu, na acht jaar bij zijn cliënten bekend te hebben gestaan als „Christos Konstantinidis”, ofwel het ongemak moet doorstaan om ze te vertellen, dat hij een nieuwe naam heeft, ofwel de verwarring die voortvloeit uit het gebruik van verschillende namen voor verschillende doeleinden.
13.
Konstantinidis wordt ondersteund dooide Commissie en de Griekse regering. De Commissie is van oordeel, dat een persoon in de situatie van Konstantinidis het slachtoffer kan zijn van met de artikelen 7 en 52 strijdige discriminatie, indien hij wordt gedwongen de mismaakte translitteratie van zijn naam in zijn beroepsleven te gebruiken, en als gevolg daarvan reden heeft te vrezen voor een wezenlijke inkomstenderving, en indien het waarschijnlijk is, dat hij als gevolg van de andere spelling van zijn naam administratieve problemen zal krijgen. De Commissie meent eveneens, dat er mogelijk sprake is van schending van Konstantinidis' grondrechten, indien het gedwongen gebruik van de mismaakte translitteratie afbreuk doet aan zijn door het EEG-Verdrag verzekerde recht van vrij verkeer.
14.
De Griekse regering wijst het door de ISO aanbevolen stelsel van translitteratie ten sterkste af. Zij geeft de voorkeur aan een ander, door het Griekse normalisatieinstituut ontwikkeld stelsel (ELOT 743), dat in Griekenland wordt toegepast en door de NAVO en de Verenigde Naties is aanvaard. Door op het gebruik van het ISO-stelsel te staan, maken de Duitse autoriteiten haars inziens onmiskenbaar inbreuk op de rechten die particulieren op grond van de artikelen 7, 48, 52 en 59 EEG-Verdrag genieten.
15.
De Duitse regering stelt, dat met de overeenkomst van 13 september 1973 en met het ISO-stelsel van translitteratie uniformiteit en rechtszekerheid wordt nagestreefd. Daardoor wordt verzekerd, dat Griekse namen in alle Lid-Staten op gelijke wijze worden gespeld en dat getranslittereerde Griekse namen weer in het Grieks kunnen worden teruggespeld. Zij merkt op, dat Griekenland ook is toegetreden tot de overeenkomst van 13 september 1973. Elk verschil in behandeling waaronder Grieken mogelijk te lijden hebben, is objectief gerechtvaardigd, daar het noodzakelijk is voor de begrijpelijkheid van Griekse namen in andere landen.
16.
Ter terechtzitting heeft de Duitse regering haar standpunt enigszins gewijzigd. Haar vertegenwoordiger wees op artikel 2, eerste alinea, van voornoemde overeenkomst, dat bepaalt:
„Wanneer een akte moet worden opgemaakt in een register van de burgerlijke stand door een autoriteit van een Overeenkomstsluitende Staat en hiervoor een afschrift of een uittreksel van een akte van de burgerlijke stand of een ander stuk wordt overgelegd, waarin de geslachtsnamen en voornamen in dezelfde lettertekens worden vermeld als die van de taal waarin de akte is opgemaakt, dan worden die geslachtsnamen letterlijk weergegeven, zonder wijziging of vertaling.”
De Duitse gerechten hebben zich altijd op het standpunt gesteld, dat met een „ander stuk” enkel wordt gedoeld op aktes van de burgerlijke stand en niet ook op paspoorten en identiteitsbewijzen. Daarom weigert het Amtsgericht Tübingen toe te staan, dat verzoekers naam in het huwelijksregister wordt ingeschreven volgens de Latijnse transcriptie die in zijn Griekse paspoort wordt gebruikt. De vertegenwoordiger van de Duitse regering heeft het Hof meegedeeld, dat de algemene vergadering van de Internationale Commissie van de Burgerlijke Stand op 11 september 1992 een resolutie heeft aangenomen, volgens welke onder „een ander stuk (...) waarin de (...) namen (...) [van de betrokkene] worden vermeld” in de zin van artikel 2 van de overeenkomst van 13 september 1973, ook officiële documenten vallen zoals paspoorten. De Duitse regering is voornemens haar ambtenaren instructie te geven deze resolutie in de praktijk te volgen, maar het is nog onduidelijk of de Duitse rechter deze uitlegging van de overeenkomst zal aanvaarden. De vertegenwoordiger van de Duitse regering erkent, dat er sprake zou zijn van verdragsschending indien een onderdaan van een andere Lid-Staat, wiens naam in Latijnse letters in zijn paspoort is geschreven, gedwongen wordt om een andere spelling van zijn naam te aanvaarden.
17.
Om te kunnen vaststellen of het gemeenschapsrecht Konstantinidis het recht geeft op te komen tegen een bepaalde wijze van translitteratie van zijn naam, moet worden nagegaan: a) of hij het slachtoffer is van discriminatie op grond van nationaliteit, die door artikel 7 juncto artikel 52 EEG-Verdrag wordt verboden; en b) of, zelfs bij ontbreken van enige discriminatie, zijn in artikel 52 EEG-Verdrag neergelegde recht van vestiging wordt aangetast in het bijzonder doordat de manier waarop hij wordt behandeld, in strijd is met zijn door het gemeenschapsrecht beschermde fundamentele rechten.
a) De discriminatie
18.
In verband met het discriminatievraagstuk moet worden bekeken i) of Griekse onderdanen anders worden behandeld dan Duitse onderdanen of onderdanen van andere Lid-Staten, ii) of dat verschil in behandeling binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt, en iii) of dit verschil objectief wordt gerechtvaardigd door een verschil tussen de situatie van Griekse en andere onderdanen. Ik zal deze punten een voor een behandelen.
19.
De Commissie merkt terecht op, dat Konstantinidis niet het slachtoffer is van rechtstreekse (of openlijke) discriminatie, want het Duitse recht schrijft niet uitdrukkelijk een bepaalde vorm van behandeling voor Griekse onderdanen voor en een andere voor onderdanen van andere Lid-Staten. Zelfs indien Konstantinidis tot Duitser werd genaturaliseerd, zou hij zijn naam nog op precies dezelfde manier moeten laten translittereren. Volgens de Commissie is Konstantinidis echter mogelijk wel het slachtoffer van indirecte (of verkapte) discriminatie, aangezien de kans groter is, dat Grieken worden geraakt door de Duitse bepalingen die een specifieke translitteratie verlangen voor namen die in andere dan Latijnse lettertekens zijn geschreven, dan Duitsers of onderdanen van andere Lid-Staten. Het is een uitgemaakte zaak, dat de verdragsbepalingen die discriminatie verbieden, niet alleen betrekking hebben op openlijke discriminatie, maar zich ook uitstrekken tot verkapte vormen daarvan (arrest van 12 februari 1974, zaak 152/73, Sotgiu, Jurispr. 1974, blz. 153, r. o. 11).
20.
De praktijk van de Duitse instanties kan tot een verkapte discriminatie van Grieken leiden. De overgrote meerderheid van de Grieken die in Duitsland komen werken en wonen, zullen zich, als houders van Griekse geboorteaktes met namen die in Griekse lettertekens zijn geschreven, moeten laten welgevallen, dat hun namen verplicht worden getranslittereerd volgens een stelsel dat geen rekening houdt met hun wensen ter zake en dat tot een verwerpelijke mate van misvorming kan leiden. Van de onderdanen van alle andere Lid-Staten, met inbegrip van Duitsland, zullen maar zeer weinigen last hebben van de regels betreffende de verplichte translitteratie, omdat hun namen vanaf hun geboorte in Latijnse lettertekens zijn geregistreerd. Grieken worden dus in de praktijk anders behandeld dan onderdanen van andere Lid-Staten.
21.
Het lijdt geen twijfel, dat het hierboven beschreven verschil in behandeling in beginsel binnen de werkingssfeer van het EEG-Verdrag valt, zoals voor de werking van het verbod van artikel 7 wordt verlangd. Iemand die zich naar een andere Lid-Staat begeeft in de uitoefening van de rechten die de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer (artikelen 48-66) hem verlenen, bevindt zich in een „door het gemeenschapsrecht beheerste situatie” en moet als zodanig „volkomen gelijk worden behandeld als de eigen onderdanen van de Lid-Staat” (arrest van 2 februari 1989, zaak 186/87, Cowan, Jurispr. 1989, blz. 195, r. o. 10). De omstandigheid, dat de regeling van de schrijfwijze van namen in openbare registers in beginsel een kwestie van nationaal recht is en niet van gemeenschapsrecht, betekent uiteraard niet, dat elke discriminatie in die regeling buiten de werkingssfeer van het Verdrag valt. Zoveel wordt wel duidelijk uit rechtsoverweging 19 van het arrest Cowan.
22.
Men kan zich op het standpunt stellen, dat sommige verschillen in behandeling, en in het bijzonder de onbedoelde die tot verkapte discriminatie leiden, niet ernstig genoeg zijn om onder het verbod van het Verdrag te vallen. De Commissie lijkt te suggereren, dat de discriminatie waaronder Grieken in dit geval te lijden hebben, enkel verboden is indien zij voor de betrokkene een tastbaar nadeel tot gevolg heeft, wat bij voorbeeld het geval zou zijn indien de betrokkene gedwongen zou zijn de ongewenste spelling van zijn naam voor commerciële of beroepsdoeleinden te gebruiken en hij inkomsten zou derven als gevolg van de hieruit voortvloeiende aantasting van zijn prestige, of indien hij administratieve problemen zou krijgen.
23.
Het is niet duidelijk, of Konstantinidis verplicht is de misvormde spelling van zijn naam te gebruiken voor commerciële en sociale doeleinden en in zijn dagelijkse omgang met de Duitse instanties, of dat die spelling enkel is voorgeschreven voor het huwelijksregister en soortgelijke documenten. Zou Konstantinidis financiële schade lijden als gevolg van de verplichting voor beroepsdoeleinden een misvormde versie van zijn naam te voeren, dan kan uiteraard niet worden volgehouden dat de zaken waarover hij klaagt, zo triviaal en onbelangrijk zijn, dat het gemeenschapsrecht zich er niet mee bezighoudt.
24.
Maar mijns inziens is voor de werking van het discriminatieverbod geen bewijs van feitelijke, tastbare schade nodig. Het gemeenschapsrecht beschouwt de migrerend werknemer (of migrerend zelfstandige) niet zuiver als een economische medespeler en een produktiefactor, die aanspraak heeft op hetzelfde salaris en dezelfde arbeidsvoorwaarden als onderdanen van de ontvangende staat; het beschouwt hem als mens, die er recht op heeft, in „waardigheid en vrijheid” in die staat te leven [zie de vijfde overweging van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap; PB 1968, L 257, biz. 2] en verschoond te blijven van elk verschil in behandeling dat zijn leven fysiek of psychisch minder comfortabel zou maken dan dat van de eigen onderdanen. De rechtspraak van het Hof biedt steun aan deze opvatting. Zo overwoog het Hof in het arrest van 11 juli 1985 (zaak 137/84, Mutsch, Jurispr. 1985, blz. 2681), dat een migrerend werknemer die strafrechtelijk werd vervolgd, wat de taalkeuze betreft, dezelfde rechten moest hebben als een onderdaan van de ontvangende staat.
25.
Indien Konstantinidis gedwongen is zich in de omgang met de Duitse instanties, zijn klanten en de bedrijven van wie hij goederen of diensten betrekt (bij voorbeeld wanneer hij zijn auto verzekert of een bankrekening opent), „Hréstos Konstantinidés” te noemen, dan lijkt mij, dat hem daardoor, zelfs zonder bewijs van concrete financiële schade, voldoende ongerief en onaangenaamheden worden berokkend om zich op de verbodsbepalingen van het Verdrag te kunnen beroepen.
26.
Misschien is Konstantinidis niet wettelijk verplicht de verwerpelijke spelling van zijn naam in zijn sociale en beroepsleven te gebruiken en is die spelling enkel vereist in aktes van de burgerlijke stand (geboorte, huwelijk, overlijden enz.). Nu zou men kunnen zeggen, dat als dat het geval is (en de situatie is, zoals gezegd, niet geheel duidelijk) en de ongewenste spelling enkel behoeft te bestaan in de stoffige archieven van de staat of op afschriften van aktes die ergens onder in een la liggen, er geen reden tot klagen is. Ik ben het daar niet mee eens. Geboorte, huwelijk en overlijden zijn de belangrijkste en meest sacrale gebeurtenissen in het leven. De aantekeningen waardoor dergelijke gebeurtenissen in de officiële registers worden vastgelegd, en de desbetreffende uittreksels die aan de betrokkenen worden afgegeven, zijn van zulk evident belang, dat de migrerend werknemer moet kunnen verlangen, dat hij, juist zoals iedere onderdaan van de ontvangende staat, in die documenten naar behoren wordt geïdentificeerd en dat zijn naam wordt geschreven op een wijze die voor hem niet beledigend of stuitend is. Hoe dit ook zij, zuiver praktisch bekeken zal Konstantinidis, zelfs indien het hem wettelijk vrij staat om zijn naam voor sociale en berocpsdocleindcn zo te schrijven als hij wil, onvermijdelijk onder een zekere druk staan om de spelling te volgen die voor officiële documenten is voorgeschreven: een discrepantie tussen die documenten en de spelling van zijn naam in de dagelijkse praktijk, zou hem ongemak kunnen veroorzaken en hem in een lastig parket kunnen brengen en zou voor alle betrokkenen een bron van onnodige verwarring zijn. Ter terechtzitting betoogde Konstantinidis overtuigend, dat het voor hem bijzonder ongemakkelijk zou zijn, als hij gedwongen was met twee verschillende identiteiten te leven: een voor officieel gebruik in zijn omgang met de Duitse Staat en een voor gebruik in zijn sociale en beroepsleven.
27.
Ik kom dan ook tot de conclusie, dat het er uiteindelijk niet toe doet of de misvormde spelling van Konstantinidis' naam enkel vereist is in officiële documenten of dat hij ook verplicht is deze in de sociale en commerciële omgang te gebruiken, en of hij als gevolg hiervan financieel verlies lijdt. Zelfs wat aantekeningen in de officiële registers betreft, heeft hij recht op dezelfde behandeling als Duitsers, tenzij een verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is.
28.
De Duitse regering erkent, dat Grieken anders worden behandeld dan onderdanen van andere Lid-Staten in die zin, dat enkel namen van Grieken een translitteratie ondergaan, maar zij stelt, dat dit verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is, want noodzakelijk teneinde Griekse namen leesbaar te maken in landen waar geen Grieks wordt gesproken. Ik ben het hier niet mee eens. Uiteraard is het volstrekt legitiem te verlangen, dat namen van Griekse migrerende werknemers in Latijnse lettertekens worden geschreven in de elf Lid-Staten waar het Griekse alfabet niet wordt gebruikt. Zou dat niet gebeuren, dan zouden zij voor de meeste ambtenaren en burgers van de ontvangende staat onbegrijpelijk zijn. Maar dat wil nog niet zeggen, dat het objectief gerechtvaardigd is Griekse namen te schrijven op een wijze die niet-fonetisch, onlogisch en willekeurig is, strijdig met de gevestigde praktijk en kwetsend voor de betrokkenen.
29.
De Duitse regering doet geen poging de merites van het ISO-stelsel van translitteratie te verdedigen. In plaats daarvan tracht zij het gebruik van dat stelsel te rechtvaardigen met het argument, dat het wordt voorgeschreven door een internationale overeenkomst (waarbij Griekenland zich ook heeft aangesloten) en dat het daardoor in zoverre een consistente en uniforme praktijk verzekert, dat Griekse namen in alle staten die partij zijn, op dezelfde wijze worden geschreven. Deze redenering heeft een aantal zwakke plekken. In de eerste plaats is het de vraag, of uniformiteit wel nodig of wenselijk is. De Duitse regering zegt niet, wat voor problemen er zouden rijzen indien de translitteratie van Griekse namen van land tot land zou mogen verschillen, om aan te sluiten op de verschillende fonetische waarden die daar aan Latijnse lettertekens worden gegeven. Zij suggereert niet, dat belasting- en socialezekerheidsfraude, of criminele activiteiten in het algemeen, daardoor aanzienlijk gemakkelijker zouden worden gemaakt. In de tweede plaats leidt de betrokken overeenkomst de facto niet tot uniformiteit, aangezien slechts zeven staten (waaronder vijf Lid-Staten) daarbij partij zijn. ( 4 ) En in de derde plaats, zelfs indien uniformiteit wenselijk zou zijn, valt niet goed in te zien, hoe men kan rechtvaardigen dat dit wordt bereikt met een translitteratiestelsel dat, ongeacht de doeltaal, tot ernstige fonetische distorsie leidt. Het valt te betwijfelen of er wel enige taal in de wereld is, waarin namen die worden geschreven als „Hréstos” en „Puharés”, worden uitgesproken op een wijze die ook maar in de verste verte lijkt op de Griekse namen „Χρήστος” (Christos) en „Ψυχρής” (Psycharis).
30.
En ten slotte brengt het feit dat Griekenland tot de overeenkomst van 13 september 1973 is toegetreden, hierin ook weinig verandering. Het is misschien vreemd dat de Griekse regering nu bezwaar maakt tegen het gebruik van een stelsel van translitteratie dat indirect wordt voorgeschreven door een overeenkomst waarbij zij zelf partij is. Een mogelijke verklaring hiervoor is, dat de Griekse regering, toen zij op 19 maart 1987 tot de overeenkomst toetrad, niet wist dat de ISO later een stelsel van translitteratie zou aanvaarden waar zij het helemaal niet mee eens is. Hoe dit ook zij, indien Konstantinidis op grond van het gemeenschapsrecht bezwaar kan maken tegen de verkeerde spelling van zijn naam, kan dat recht hem niet worden ontnomen door de overeenkomst van 13 september 1973 of door de toetreding van Griekenland tot die overeenkomst in 1987.
b) Grondrechten
31.
Aangezien deze zaak blijkens het voorgaande op de basis van discriminatie kan worden beslist, is het strikt genomen niet noodzakelijk op de kwestie van de grondrechten in te gaan. Nu dit vraagstuk echter is aangesneden en van algemeen belang is, zal ik het wat gedetailleerd bespreken.
32.
Het Amtsgericht Tübingen merkt in zijn verwijzingsbeschikking op, dat de houding van de Duitse instanties jegens Konstantinidis diens persoonlijkheidsrecht zou kunnen schenden. Hiermee wordt waarschijnlijk gedoeld op artikel 2 van de Duitse Grondwet, volgens welk artikel eenieder recht heeft op de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid, voor zover hij geen inbreuk maakt op de rechten van anderen of handelt in strijd met de grondwettelijke orde of de goede zeden. Maar de Duitse rechter kan ook hebben gedacht aan artikel 1, lid 1, van de Duitse Grondwet, dat bepaalt, dat de menselijke waardigheid onschendbaar is en door alle organen van de staat moet worden beschermd.
33.
De Commissie verwijst uitdrukkelijk naar artikel 2 van de Duitse Grondwet en naar de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Artikel 5 erkent een recht op vrijheid en veiligheid, terwijl op grond van artikel 8 eenieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. De Commissie meent, dat een vereiste om de eigen naam op een bepaalde manier te schrijven, onder bepaalde omstandigheden inbreuk kan maken op door het gemeenschapsrecht beschermde grondrechten. Dit zou met name het geval zijn, indien dat vereiste het door het Verdrag gegarandeerde recht van vrij verkeer zou aantasten.
34.
Mijns inziens zijn er hier twee vragen. In de eerste plaats moet worden uitgemaakt, of de behandeling van Konstantinidis met betrekking tot de spelling van zijn naam, in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens of met enige andere regeling betreffende mensenrechten of met enig grondwettelijk beginsel waarvan het Hof in de sfeer van het gemeenschapsrecht de eerbiediging moet verzekeren. Indien dit het geval is, moet in de tweede plaats worden bepaald, of het enkele feit dat Konstantinidis gebruik maakt van zijn vrijheid van vestiging op grond van artikel 52 EEG-Verdrag, volstaat om de zaak voor dit doel binnen de sfeer van het gemeenschapsrecht te brengen, dat wil zeggen of Lid-Staten gemeenschapsrechtelijk verplicht zijn de grondrechten te respecteren van personen die gebruik maken van het hun in het Verdrag toegekende recht van vrij verkeer.
35.
Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens bevat geen bepaling die uitdrukkelijk een recht op de eigen naam en persoonlijke identiteit erkent. In dat opzicht vertoont het een duidelijk verschil met de Amerikaanse mensenrechtenconventie, die in artikel 18 bepaalt, dat eenieder recht heeft op een voornaam en op de achternamen van zijn ouders of van een van hen. Deze conventie maakt uiteraard geen deel uit van de rechtsorde van de Gemeenschap. Een document dat het Hof soms wel in aanmerking heeft willen nemen als bron van grondrechten, is het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat in 1966 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aanvaard. Dat verdrag, dat door alle Lid-Staten behalve Griekenland is geratificeerd, wordt door het Hof genoemd in de arresten van 18 oktober 1989 (zaak 374/87, Orkem, Jurispr. 1989, blz.3283, r. o. 31) en 18 oktober 1990 (gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89, Dzodzi, Jurispr. 1990, blz. I-3763, r. o. 68). Artikel 24, lid 2, van dat verdrag bepaalt: „Elk kind wordt onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en krijgt een naam.” Hieruit zou zeer wel kunnen worden afgeleid, dat als mensen gerechtigd zijn bij hun geboorte een naam te krijgen, zij ook gerechtigd zijn die naam hun hele leven te houden en zich te verzetten tegen ongerechtvaardigde wijzigingen in de spelling daarvan.
36.
Verwonderlijker dan het feit dat in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens het recht op eigen naam en persoonlijke identiteit nergens specifiek wordt genoemd, is het ontbreken van een algemene bepaling die eenieder het recht toekent met respect voor zijn waardigheid en zedelijke integriteit te worden behandeld (afgezien van het verbod van „vernederende behandeling” in artikel 3, dat gezien de context ongetwijfeld een meer beperkte strekking heeft). Tot op zekere hoogte wordt deze leemte gevuld door bepalingen in de Grondwet van een groot aantal Lid-Staten, waaronder, zoals wij zagen, de Duitse Grondwet.
37.
Volgens artikel 10, lid 1, van de Spaanse Grondwet zijn de waardigheid van het individu en de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid twee van de grondvesten van de politieke orde en de sociale vrede. Artikel 15 erkent het recht op leven en op fysieke en zedelijke integriteit, terwijl artikel 18 het recht op eer, persoonlijke levenssfeer voor persoon en gezin en het imago van de individu beschermt. Artikel 25 van de Portugese Grondwet bepaalt, dat de morele en fysieke integriteit van personen onschendbaar is, terwijl artikel 26, lid 1, eenieder onder meer het recht op persoonlijke identiteit, goede naam en reputatie, imago en persoonlijke levenssfeer verleent. Volgens artikel 2 van de Griekse Grondwet vormen eerbiediging en bescherming van de menselijke waardigheid de primaire verplichting van de staat. Artikel 5 verleent eenieder het recht tot vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid. In Ierland verklaart artikel 40.1 van de Grondwet, dat alle burgers als mens voor de wet gelijk zijn. Op grond van artikel 40.3.1 garandeert de staat de eerbiediging van de persoonlijke rechten van de burgers, terwijl artikel 40.3.2 de staat verplicht het leven, de persoon, de goede naam en de eigendomsrechten van iedere burger te beschermen. Artikel 40.3 is niet beperkt tot de specifiek daarin genoemde rechten, maar kan worden uitgebreid tot alle rechten die „uit de christelijke en democratische aard van de staat voortvloeien” (Ryan v Attorney General, 1965 IR 294). In Italie verleent artikel 3 van de Grondwet alle burgers „gelijke sociale waardigheid” en bepaalt artikel 22, dat niemand om politieke redenen van zijn rechtsbevoegdheid, burgerschap of naam mag worden beroofd.
38.
Dit laatste voorbeeld is bijzonder belangwekkend, omdat het, voor zover ik weet, de enige grondwettelijke bepaling van een Lid-Staat is, die de staat met zoveel woorden verbiedt een burger zijn naam te ontnemen. De verklaring voor dit verbod is, dat in Italië in de fascistische tijd bepaalde etnische minderheden gedwongen waren hun naam te veritaliaansen (zie U. de Siervo in: „Commentario della Costituzione”, onder redactie van G. Branca, Rapporti Civili, art. 22 en 23, 1978, blz. 20). Op het eerste gezicht zouden de woorden „om politieke redenen” kunnen suggereren, dat burgers wel om „niet-politieke” redenen van hun naam kunnen worden beroofd. Volgens de doctrine is dat niet het geval en is het door de Italiaanse Grondwet verzekerde ius nominis een absoluut recht, dat geen enkele beperking kent (V. Falzone, F. Palermo en F. Cosentino: La Costituzione della Repubblica italiana, 1969, blz. 87).
39.
Kan uit bovenstaande bepalingen in het bijzonder en uit de constitutionele tradities van de Lid-Staten in het algemeen het bestaan worden afgeleid van een beginsel, dat de Lid-Staten verplicht niet enkel het fysieke welzijn van de individu te eerbiedigen, maar ook zijn waardigheid, zedelijke integriteit en gevoel van persoonlijke identiteit? Het lijdt mijns inziens geen twijfel, dat deze „immateriële rechten” worden geschonden wanneer een staat iemand verplicht zijn naam op te geven of te wijzigen, tenzij hij dit op zeer goede gronden doet (bij voorbeeld indien de naam bij gebruik voor commerciële doeleinden tot verwarring leidt met goederen van een andere handelaar, kan het gewettigd zijn het gebruik van die naam voor die doeleinden te verbieden).
40.
Iemands recht op zijn naam is fundamenteel in iedere zin des woords. Wat zijn wij per slotte zonder naam? Onze naam onderscheidt ieder van ons van de rest van de mensheid. Onze naam geeft ons een gevoel van identiteit, waardigheid en eigenwaarde. Iemand zijn rechtmatige naam ontnemen, is een uiterste vernedering, wat blijkt uit de praktijk die in repressieve strafregimes gebruikelijk is, om de naam van de gevangene door een nummer te vervangen. In Konstantinidis' geval is de schending van zijn immateriële rechten bijzonder groot indien hij wordt gedwongen om de naam „Hréstos” te dragen in plaats van „Christos”; want niet alleen wordt zijn etnische oorsprong daardoor verdoezeld — Hréstos ziet er niet uit en klinkt niet als een Griekse naam en heeft een vaag Slavisch tintje —, maar bovendien worden zijn religieuze gevoelens gekwetst omdat het christelijke karakter van zijn naam wordt gewist. Ter terechtzitting wees Konstantinidis erop, dat hij zijn voornaam te danken heeft aan zijn geboortedatum (25 december): Christos is de Griekse naam van de stichter van de christelijke — en niet „hréstelijke”— godsdienst.
41.
Gezien het voorgaande is het mijns inziens niet juist te zeggen, dat de manier waarop Konstantinidis door de Duitse instanties is behandeld, noodzakelijkerwijs verenigbaar is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, eenvoudig omdat dit verdrag geen expliciete bepalingen bevat die het recht van het individu op een eigen naam erkennen of zijn zedelijke integriteit beschermen. Ik meen integendeel, dat het mogelijk moet zijn via een ruime uitlegging van artikel 8 van dat verdrag tot de conclusie te komen, dat het wel het recht van het individu beschermt om zich te verzetten tegen ongerechtvaardigde bemoeienis met zijn naam.
42.
Moeilijker is de vraag, of iemand die gebruik maakt van zijn recht van vrij verkeer op grond van de artikelen 48, 52 of 59 EEG-Verdrag, naar gemeenschapsrecht gerechtigd is op te komen tegen een behandeling die zijn fundamentele rechten schendt. Op dit punt geeft de rechtspraak de laatste jaren een enorme ontwikkeling te zien. De meest volledige uiteenzetting van het huidige standpunt is te vinden in het arrest van 18 juni 1991 (zaak C-260/89, ERT, Jurispr. 1991, blz. I-2925), waarin het Hof verklaarde:
„41
Wat artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens betreft, genoemd in de negende en de tiende vraag, zij eraan herinnerd, dat de fundamentele rechten volgens vaste rechtspraak integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert. Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities welke aan de Lid-Staten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzingen die de internationale wilsverklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens verschaffen, waaraan de Lid-Staten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten (zie onder meer het arrest van 14 mei 1974, zaak 4/73, Nold, Jurispr. 1974, blz. 491, r. o. 13). Aan het Europees Verdrag komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe (zie onder meer het arrest van 15 mei 1986, zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r. o. 18). Daaruit volgt, zoals het Hof heeft bevestigd in het arrest van 13 juli 1989 (zaak 5/88, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609, r. o. 19), dat in de Gemeenschap geen maatregelen kunnen worden toegelaten die zich niet verdragen met de aldus erkende en gewaarborgde rechten van de mens.
42
Volgens de rechtspraak (zie de arresten van 11 juli 1985, gevoegde zaken 60/84 en 61/84, Cinéthèque, Jurispr. 1985, blz. 2605, r. o. 26; en van 30 september 1987, zaak 12/86, Demirei, Jurispr. 1987, blz. 3719, r. o. 28) kan het Hof een nationale wettelijke regeling die niet binnen het kader van het gemeenschapsrecht valt, niet toetsen aan het Europees Verdrag. Zodra daarentegen een dergelijke wettelijke regeling binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht komt, moet het Hof ingeval het om een prejudiciële beslissing wordt verzocht, alle uitleggingsgegevens verschaffen die de nationale rechter nodig heeft om de verenigbaarheid te kunnen beoordelen van die regeling met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, in het bijzonder die welke in het Europees Verdrag zijn neergelegd.
43
In het bijzonder wanneer een Lid-Staat zich beroept op het bepaalde in artikel 56 juncto artikel 66 ter rechtvaardiging van een regeling die de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting kan belemmeren, moet deze door het gemeenschapsrecht geboden rechtvaardigingsgrond worden uitgelegd in het licht van de algemene rechtsbeginselen en met name de fundamentele rechten. Aldus kan de betrokken nationale regeling slechts in aanmerking komen voor de in artikel 56 juncto artikel 66 genoemde uitzonderingen, wanneer zij in overeenstemming is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert.
44
Daaruit volgt, dat de nationale rechter, en in voorkomend geval het Hof, in een dergelijk geval de toepassing van die bepalingen dient te toetsen aan alle regels van het gemeenschapsrecht, daaronder begrepen de in artikel 10 van het Europees Verdrag neergelegde vrijheid van meningsuiting, zijnde een algemeen rechtsbeginsel waarvan het Hof de eerbiediging verzekert.”
43.
De vraag of Konstantinidis in de omstandigheden van het onderhavige geval op grond van het gemeenschapsrecht kan verlangen, dat zijn fundamentele rechten worden beschermd, wordt door dit arrest niet duidelijk in de ene of de andere zin beslist. Het volgende kan worden opgemerkt.
44.
In de eerste plaats kan niet worden gezegd, dat de in geding zijnde regelingen geheel buiten het kader van het gemeenschapsrecht vallen, aangezien zij, wanneer zij op migrerende werknemers worden toegepast, voor de onderdanen van een bepaalde Lid-Staat een bijzonder ongunstig gevolg kunnen hebben. In de tweede plaats zijn einu ten minste twee situaties waarin het gemeenschapsrecht verlangt, dat nationale wetgeving aan fundamentele rechten wordt getoetst, te weten: a) wanneer de nationale wettelijke regeling uitvoering geeft aan bepalingen van gemeenschapsrecht (zie r. o. 19 van het arrest Wachauf), en b) wanneer ter rechtvaardiging van een beperking van het vrije verkeer een beroep wordt gedaan op een bepaling van het Verdrag die een afwijking inhoudt van het beginsel van vrij verkeer (r. o. 43 van het arrest ERT). Het is dus duidelijk, dat indien, zoals ik suggereer, de manier waarop de Duitse instanties Konstantinidis behandelen, neerkomt op een bij de artikelen 7 en 52 EEG-Verdrag verboden discriminatie, er geen sprake kan zijn van een rechtvaardiging van die behandeling om redenen van openbare orde krachtens artikel 56, lid 1, indien die behandeling inbreuk maakt op zijn fundamentele rechten.
45.
Maar stel nu dat wordt aangenomen, dat de wijze waarop Konstantinidis door de Duitse instanties wordt behandeld, niet discriminerend is. Betekent dat dan, dat die behandeling niet in strijd kan zijn met artikel 52, ondanks het feit dat Konstantinidis' fundamentele rechten daardoor worden geschonden? De implicaties van deze vraag worden wellicht duidelijker als een dramatischer voorbeeld wordt gekozen. Veronderstel, dat een Lid-Staat een draconisch wetboek van strafrecht introduceert, op grond waarvan diefstal kan worden bestraft met amputatie van de rechterhand. Een onderdaan van een andere Lid-Staat gaat naar dat land toe, gebruikmakend van de rechten van vrij verkeer die de artikelen 48 e. v. EEG-Verdrag hem verlenen, steelt een brood en wordt veroordeeld tot afhakking van zijn rechterhand. Een dergelijke straf is onmiskenbaar een met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens strijdige onmenselijke en vernederende straf. Maar is het ook een schending van de rechten die de betrokkene aan het gemeenschapsrecht ontleent, hoewel de straf op niet-discriminerende wijze wordt toegepast? Mijns inziens wel.
46.
Een gemeenschapsonderdaan die als werknemer of zelfstandige krachtens artikel 48, 52 of 59 naar een andere Lid-Staat gaat, is mijns inziens niet alleen gerechtigd zijn vak of beroep uit te oefenen en dezelfde levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden te genieten als de onderdanen van de ontvangende staat; hij mag er bovendien van uitgaan, dat, waar hij ook gaat in de Europese Gemeenschap om de kost te verdienen, hij volgens een gemeenschappelijke code van fundamentele waarden zal worden behandeld, in het bijzonder de waarden die zijn neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Met andere woorden, hij heeft het recht om te zeggen „civis europeus sum” en zich op die status te beroepen om op te komen tegen elke schending van zijn fundamentele rechten.
47.
Tegen deze propositie kunnen drie argumenten worden ingebracht: in de eerste plaats, dat het niet zou aansluiten bij de bestaande rechtspraak van het Hof, waarin artikel 52 in het algemeen is opgevat als niet meer dan een verbod om onderdanen van andere Lid-Staten te discrimineren (zie bij voorbeeld P. Troberg in: Kommentar zum EWG-Vertrag, onder redactie van von der Groeben, Thiesing en Ehlermann, 4de druk, 1991, paragrafen 37 en 38 betreffende artikel 52, blz. 952 e. v.); in de tweede plaats, dat dit zou leiden tot „omgekeerde” discriminatie van onderdanen van de ontvangende staat; en in de derde plaats, dat dit zou leiden tot een overlapping van de rechtsmacht van het Hof van Justitie enerzijds en het Europese Hof voor de rechten van de mens anderzijds, met het risico van tegenstrijdige beslissingen. Geen van deze argumenten is overtuigend.
48.
Wat het eerste argument betreft: hoewel de meeste zaken waarin het Hof schending van artikel 52 aanvaardde, discriminerende maatregelen betroffen, moet die rechtspraak mijns inziens niet zo worden begrepen, dat een maatregel nooit in strijd kan zijn met artikel 52 om de simpele reden dat hij niet-discriminerend is (zie enerzijds de opmerkingen van advocaatgeneraal Lenz in zaak 221/85, Commissie/België, Jurispr. 1987, blz. 719, 730 e. v., en anderzijds de opmerkingen van advocaatgeneraal Van Gerven in zaak C-340/89, Vlassopoulou, Jurispr. 1991, blz. I-2357, I-2370, punt 10). Het is misschien niet onredelijk, dat iemand die zich naar een andere Lid-Staat begeeft, zich, waar het om technische belemmeringen van de vrijheid van vestiging gaat, aan de plaatselijke wettelijke regelingen moet aanpassen (bij voorbeeld de regel dat restaurateurs enige jaren ervaring hebben in het cateringbedrijf), hoewel ik mij afvraag of, zelfs op technisch niveau, een onevenredige beperking of een waarvoor geen enkele rechtvaardiging bestaat, wel tegen een onderdaan van een andere Lid-Staat kan worden gehandhaafd (zie arrest van 16 juni 1992, zaak C-351/90, Commissie/Luxemburg, Jurispr. 1992, blz. I-3945, r. o. 14). Maar wanneer er sprake is van een inbreuk op fundamentele rechten, zie ik niet, hoe het niet-discriminerende karakter van de maatregel hem buiten de werkingssfeer van artikel 52 kan plaatsen. De stelling, dat een Lid-Staat de fundamentele rechten van onderdanen van andere Lid-Staten mag schenden zolang hij zijn eigen onderdanen op dezelfde manier behandelt, is onhoudbaar.
49.
Wat liet tweede argument betreft: het risico van omgekeerde discriminatie kan mijns inziens geen geldige reden zijn om de werking te beperken van de rechten die het Verdrag verleent aan personen die in een andere Lid-Staat in hun onderhoud willen voorzien. De opvatting dat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer enkel discriminerende maatregelen verbieden, is met betrekking tot goederen reeds lang verlaten (arrest van 20 februari 1979, zaak 120/78, Rewe, „Cassis de Dijon”, Jurispr. 1979, blz. 649) en recenter met betrekking tot het verrichten van diensten (arrest van 25 juli 1991, zaak C-76/90, Säger, Jurispr. 1991, blz. I-4221, r. o. 12). Wanneer men aanvaardt, dat het Verdrag meer verlangt dan de afschaffing van discriminatie, volgt hieruit logischerwijs, dat een Lid-Staat onder bepaalde omstandigheden gedwongen kan worden, producenten of werknemers uit andere Lid-Staten gunstiger te behandelen dan zijn eigen producenten en werknemers.
50.
Wat het derde argument betreft: het gevaar van overlapping van de rechtsmacht van het Hof van Justitie en die van het Europese Hof voor de rechten van de mens zal de facto niet groot zijn. Laatstgenoemd Hof heeft altijd beklemtoond, dat zijn rechtsmacht subsidiair is in die zin, dat het in eerste instantie aan de nationale autoriteiten en nationale gerechten is om het verdrag toe te passen (zie in het bijzonder het arrest van dat Hof van 23 juli 1968 met betrekking tot de materiële klachten in de „Belgische taaizaak”, Series A, vol. 6, blz. 35, paragraaf 10, in fine, het arrest Handyside van 7 december 1976, Series A, vol. 24, blz. 22, paragraaf 48, en het arrest Eckle van 15 juli 1982, Series A, vol. 51, blz. 30-32, paragraaf 66, in fine). Verzoekers moeten hoe dan ook op grond van artikel 26 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens alle nationale rechtsmiddelen uitputten, waaronder uiteraard ook de mogelijkheid valt om krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Zou het Hof van Justitie de omstandigheden verruimen waaronder in het gemeenschapsrecht een beroep op het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens kan worden gedaan, dan zou het hierdoor eenvoudig waarschijnlijker worden, dat krachtens nationaal recht een oplossing wordt gevonden zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de organen die door het Verdrag tot bescherming van de rechten van mens in het leven zijn geroepen.
51.
Wat de mogelijkheid betreft van tegenstrijdige uitspraken over de uitlegging van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens: die bestaat al sinds het Hof van Justitie heeft erkend, dat in het gemeenschapsrecht op dat verdrag een beroep kan worden gedaan. Die mogelijkheid lijkt geen ernstige problemen te hebben veroorzaakt. Het zou hoe dan ook paradoxaal zijn indien het bestaan van dat verdrag en van het daarin gecreëerde systeem zou leiden tot een vermindering van de bescherming die het nationale recht of het gemeenschapsrecht verleent.
Conclusie
52.
Op grond hiervan ben ik van oordeel, dat de vragen van het Amtsgericht Tübingen moeten worden beantwoord als volgt:
„Wanneer een onderdaan van een Lid-Staat zich krachtens artikel 52 EEG-Verdrag vestigt in een andere Lid-Staat, die een ander alfabet gebruikt dan zijn eigen staat, dan wordt inbreuk gemaakt op de artikelen 7 en 52 van het Verdrag indien bepalingen of praktijken van de ontvangende staat, die verlangen dat zijn naam tegen zijn wil in de registers van de burgerlijke stand wordt ingeschreven in een translitteratie die een zeer misleidende indruk geeft van de juiste uitspraak van die naam, zoals in casu het geval is.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) De enige versie van die methode die aan het Hof is overgelegd, is een ontwerpversie die als bijlage aan de opmerkingen van de Griekse regering is gehecht (Ontwerp Internationale Norm ISO/DIS S43.2). Dat ontwerp is klaarblijkelijk een voorstel tot wijziging van een in 1968 vastgestelde norm. Het is niet duidelijk of dit ontwerp is aangenomen, maar het lijkt wel te zijn gevolgd door degene die de geboorteakte ten behoeve van het Amtsgericht Tübingen heeft vertaald.
( 2 ) Er is geen verklaring gegeven voor het gebruik van accents aigus in plaats van liggende streepjes. Misschien is het eenvoudig zo, dat de schrijfmachines of tekstverwerkers die door de Duitse autoriteiten worden gebruikt, net zoals die van het Hof van Justitie, moeite hebben met het plaatsen van liggende streepjes boven letters.
( 3 ) De „P” in „Puharćs” is zonder accent aigu geschreven omdat de tekstverwerkers die bij hel Mof in gebruik zijn, niel in staat zijn hoofdletters van accenten te voorzien.
( 4 ) De betrokken staten zijn: Oostenrijk, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Nederland en Turkije; zie Bowman en Harris: Multilateral Treaties, Iudex and Current Status, 1984, blz. 378 (zesde cumulatief supplement, 1989).
Full & Egal Universal Law Academy