CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. GULMANN
van 15 september 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Deze zaak betreft de indeling van een meidoomextract in het gemeenschappelijk douanetarief. De zaak is naar het Hof verwezen door het Bundesfinanzhof, dat om uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief heeft verzocht, om te kunnen bepalen of het betrokken produkt moet worden ingedeeld onder post 3004 (geneesmiddelen) dan wel onder post 2208 (dranken die gedistilleerde alcohol bevatten). ( 1 )
2.
Verzoekster in het hoofdgeding, Bioforce GmbH, komt op tegen de door verweerster in het hoofdgeding, de Oberfinanzdirektion München, verstrekte bindende tariefinlichting over „meidoorndruppels”, een meidoornextract waaraan alcohol (45,9 % vol) is toegevoegd, en dat Bioforce uit Zwitserland importeert. Voor het produkt is de volgende indicatie opgegeven: „Bevordert de gezondheid en de doorbloeding van het hart (...), ondersteunt de activiteit van de hartspiercellen, en draagt aldus bij tot een beter functioneren van de kransslagaders.” De Duitse douane weigerde de indeling van het produkt onder post 3004 en deelde het in onder post 2208.
Uitlegging van post 3004 van het gemeenschappelijk douanetarief
3.
De eerste vraag betreft de uitlegging van post 3004 met het oog op de indeling van het betrokken produkt.
Het begrip „geneesmiddel voor therapeutisch en profylactisch gebruik ”
4.
Hoofdstuk 30 van het gemeenschappelijk douanetarief betreft farmaceutische produkten. Onder de posten 3003 en 3004 vallen „geneesmiddelen (...) voor therapeutisch of profylactisch gebruik”. Het onderscheid tussen deze twee posten is in casu van ondergeschikt belang, en vast staat dat post 3004 uitlegging behoeft. Die post betreft
„Geneesmiddelen (...), bestaande uit al dan niet vermengde produkten voor therapeutisch of profylactisch gebruik, in afgemeten hoeveelheden, dan wel opgemaakt voor de verkoop in het klein.”
Blijkens aantekening 1, sub a, bij hoofdstuk 30 omvat dit hoofdstuk niet:
„dieetvoeding, veredelde voedingsmiddelen, voedingsmiddelen voor diabetici, voedingssupplementen, opwekkende dranken (tonica) en mineraalwater”.
Die produkten vallen onder andere tariefposten, die een omschrijving van hun objectieve kenmerken geven. Zo bij voorbeeld vallen dranken die gedistilleerde alcohol bevatten en bestemd zijn om het organisme gezond te houden, ingevolge punt 14 van de Toelichtingen op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen ( 2 )onder post 2208.
Dit onderscheid tussen geneesmiddelen en middelen om het organisme gezond te houden, geeft aan waar de grens ligt tussen hoofdstuk 30 en de andere posten van het douanetarief. Uit dat onderscheid blijkt dat het begrip geneesmiddelen in de zin van het douanetarief alleen preparaten omvat die worden gebruikt ter voorkoming of behandeling van een bepaalde ziekte, terwijl van preparaten die bestemd zijn om het organisme als zodanig gezond te houden, het toepassingsgebied ruimer en de werking minder nauwkeurig omschreven is, zodat zij buiten voormeld begrip vallen.
Deze opvatting van het begrip geneesmiddelen in de zin van het douanetarief vindt ook steun in de tekst zelf van post 3004. Het gebruik van de woorden „profylactisch” en „therapeutisch” onderstelt noodzakelijkerwijze, dat de profylactische of therapeutische werking nauwkeurig gedefinieerd is, met name dat die werking tegen een bepaalde ziekte is gericht. Van de preventieve of helende werking van een preparaat kan alleen worden gesproken wanneer de ziekte die het voorkomt of behandelt, nauwkeurig gedefinieerd is.
Een preparaat zal dus slechts onder het begrip „geneesmiddel” in de zin van het douanetarief vallen, indien uit de bekende wetenschappelijke gegevens duidelijk blijkt, dat het preparaat bestemd is voor profylactisch of therapeutisch gebruik, dat wil zeggen dat de ziekte waarvoor het preparaat aangewezen is, nauwkeurig gedefinieerd is en dat de preventieve of helende werking van het preparaat specifiek tegen de betrokken ziekte is gericht.
Om uit te maken of zulks het geval is, moet volgens de rechtspraak ( 3 ) van het Hof naar de objectieve kenmerken van het betrokken produkt worden gekeken. Deze oplossing dient de rechtszekerheid en vergemakkelijkt de douanecontrole, die aldus sneller en minder duur wordt.
De relevantie van de opmaak van het produkt
5.
Bioforce en de Commissie zijn het erover eens, dat het betrokken produkt zich qua vorm en opmaak (onder meer verpakking, beschrijving, dosering, recipiënt) als geneesmiddel aandient.
Uit de tekst zelf van post 3004 blijkt, dat het betrokken geneesmiddel in afgemeten hoeveelheden, dan wel opgemaakt voor de verkoop in het Wein, moet worden aangeboden. Volgens punt 1, sub b, van de Toelichtingen bij post 3004 vallen daaronder de geneesmiddelen die in verband met hun opmaak, en vooral door de aanwezigheid van ter zake dienende aanwijzingen over de kenmerken van het produkt, kennelijk bestemd zijn om als zodanig en zonder verwisseling van verpakking aan de gebruiker te worden geleverd.
Zo kan het feit dat het produkt opgemaakt is voor verkoop in het klein, een voorwaarde zijn voor de indeling van het produkt onder post 3004, maar de opmaak op zich volstaat vanzelfsprekend niet om het produkt als geneesmiddel te beschouwen.
Zou de opmaak op zich bepalend zijn voor de indeling van een produkt, dan zou een bepaalde opmaak van een produkt volstaan om het onder een tariefpost in te delen, ook al komen de objectieve kenmerken ervan niet overeen met de in de relevante tariefpost vastgestelde criteria. Zulks ware in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en zou tot gevolg hebben dat produkten zonder goede gronden verschillend worden behandeld.
De relevantie van het feit dat de „meidoorndruppels” onder de Duitse geneesmiddelenwetgeving vallen en door het Bundesgesundheitsamt als geneesmiddel zijn erkend
6.
Bioforce GmbH betoogt, dat de erkenning van de „meidoorndruppels” als geneesmiddel krachtens de Duitse geneesmiddelenwetgeving een beslissende factor is.
7.
Om verschillende redenen moet dat betoog worden verworpen. Zo heet het in het algemeen gedeelte van de Toelichtingen bij hoofdstuk 30:
„De beschrijving van een produkt als geneesmiddel in wetgeving van de Gemeenschap (...), in nationale wetgeving van een Lid-Staat of in een farmacopee, is niet doorslaggevend voor de indeling in dit hoofdstuk.”
Voor het overige stelt de Commissie terecht, dat het begrip „geneesmiddel” als omschreven in richtlijn 65/65/EEG van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten ( 4 ), verschilt van het begrip „geneesmiddel” in het douanetarief, omdat de richtlijn ter bescherming van de volksgezondheid een ruim assortiment produkten onder de toezichtregeling van de geneesmiddelenwetgeving brengt. Zo geldt de richtlijn ook voor produkten die zich qua omschrijving als geneesmiddel aandienen, hoewel, zoals gezegd, de omschrijving van een produkt geen kenmerk is dat op zich beslissend kan zijn voor de tariefindeling. Zoals het Hof verklaarde in het arrest van 30 november 1983, Van Bennekom ( 5 ), beoogt de richtlijn de verbruikers te beschermen tegen produkten die een schadelijke of toxische werking kunnen hebben, alsmede tegen verschillende produkten die in de plaats van de geschikte middelen worden gebruikt. Post 3004 van het douanetarief omvat daarentegen alleen produkten die zuiver feitelijk bestemd zijn voor een therapeutisch of profylactisch gebruik.
De indeling van produkten laten afhangen van de overwegingen op grond waarvan zij volgens de nationale geneesmiddelenwetgeving als geneesmiddel zijn erkend, ware in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, dat inhoudt dat de tariefindeling op de objectieve kenmerken van de produkten is gebaseerd. Richtlijn 65/65 laat de nationale instanties een zekere marge om te beoordelen welke produkten krachtens de nationale registratieregeling kunnen worden erkend, en laat de mogelijkheid open dat een en hetzelfde produkt in de ene Lid-Staat wel en in een andere niet als geneesmiddel wordt erkend. Dit zou ertoe kunnen leiden, dat dezelfde produkten verschillend worden ingedeeld, naar gelang zij door de Lid-Staten al dan niet als geneesmiddel worden erkend.
De gestelde discriminatie van fytotherapeutische produkten
8.
Bioforce GmbH betoogt, dat de indeling van „meidoorndruppels” onder een andere post dan post 3004 het beginsel van de gelijke behandeling schendt, omdat fytotherapeutische produkten aldus worden gediscrimineerd ten opzichte van synthetische (chemische) produkten.
Ik wijs er in dit verband op, dat het Hof zich in casu niet heeft uit te spreken over de vraag of fytotherapeutische produkten als zodanig als geneesmiddelen in de zin van het douanetarief kunnen worden beschouwd, maar alleen over de vraag of de objectieve kenmerken van „meidoorndruppels” volgens de huidige wetenschappelijke inzichten van dien aard zijn dat het produkt onder post 3004 moet worden ingedeeld. Voor de indeling onder post 3004 is niet bepalend of voor de bereiding van een produkt deze of gene stof wordt gebruikt. Bepalend is de werking van het produkt bij de behandeling van de ziekte. Een plantaardig geneesmiddel moet evengoed als een synthetisch geneesmiddel dat profylactisch en therapeutisch wordt gebruikt, onder post 3004 worden ingedeeld.
Daarom kan Bioforce GmbH niet worden gevolgd in haar betoog, dat de indeling van „meidoorndruppels” onder een andere post dan post 3004 een ongeoorloofde ongelijke behandeling oplevert.
Zijn „meidoorndruppels” een geneesmiddel in de zin van post 3004?
9.
Blijkens de huidige wetenschappelijke inzichten worden „meidoorndruppels” hoofdzakelijk toegepast tegen de hedendaagse degeneratieve hartaandoeningen en vooral tegen de aandoeningen die niet echt tot de pathologie behoren, maar waarbij de hartprestatie wegens de leeftijd van de patiënt verzwakt. Het produkt is dus kennelijk bestemd voor de behandeling van harten vaataandoeningen. Dat blijkt ook uit de beschrijving van de functie van het produkt: verzorging en bevordering van de doorbloeding van het hart, ondersteuning van de activiteit van de hartspiercellen, bijdragen tot een beter functioneren van de kransslagaders. Dit wijst erop, dat het produkt een algemene heilzame werking heeft op de gezondheidstoestand in het algemeen, meer in het bijzonder op het hart en de bloedsomloop, bij aandoeningen die niet als nauwkeurig bepaalde ziekten zijn te beschouwen doch veeleer als het resultaat van een algemene verzwakking van die functies, met name wegens de leeftijd van de patiënt.
Er zijn dus ruime indicaties voor het gebruik van „meidoorndruppels”, wat kenmerkend is voor de „zachte” fytotherapie waartoe dit produkt behoort. Het staat niet vast dat het produkt tegen een bepaalde ziekte is aangewezen; evenmin is de werking ervan voldoende specifiek. Het produkt kan dus niet worden aangemerkt als een geneesmiddel dat bestemd is voor de profylactische en therapeutische behandeling van een welbepaalde ziekte.
De objectieve kenmerken van „meidoorndruppels” voldoen dus niet aan de in post 3004 gestelde criteria, zodat het preparaat niet onder post 3004 kan worden ingedeeld.
Uitlegging van post 2208 van het gemeenschappelijk douanetarief
10.
Met zijn tweede vraag wenst het Bundesfinanzhof te vernemen of „meidoorndruppels”, gesteld dat zij niet onder post 3004 vallen, onder postonderverdeling 22089059 moeten worden ingedeeld.
11.
Post 2208 van het gemeenschappelijk douanetarief omvat:
„Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80 % vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten; samengestelde alcoholische preparaten van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken.”
Postonderverdeling 22089059 omvat
„andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten, in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 1.”
Onder dranken in de zin van het douanetarief zijn volgens het Hof in zijn arrest van 26 maart 1981, Ritter ( 6 ), alle voor menselijke consumptie geschikte en bestemde vloeistoffen te verstaan, ongeacht de ingenomen hoeveelheid of het bijzondere doel waarvoor de verschillende soorten voor consumptie geschikte vloeistoffen kunnen dienen.
Het Hof preciseerde in dit arrest, dat de draagwijdte van dit begrip moet worden bepaald aan de hand van objectieve en voor toetsing vatbare criteria, en niet afhankelijk mag worden gemaakt van zuiver subjectieve en variabele factoren, zoals de wijze waarop of het het doel waarmee het produkt wordt ingenomen. Irrelevant is dus, dat „meidoorndruppels” bestemd zijn om in druppelvorm te worden ingenomen, en dat het produkt wordt ingenomen omwille van zijn heilzame werking op het organisme. Dit laatste blijkt ook uit de Toelichtingen op het douanetarief. Volgens punt 14 daarvan omvat post 2208:
„dranken die gedistilleerde alcohol bevatten en die soms ‚voedingssupplementen’ worden genoemd en bestemd zijn om het organisme gezond te houden”.
12.
Volgens verzoekster vallen „meidoorndruppels” niet onder post 2208; de alcohol in het produkt is niet kenmerkend, maar is slechts een hulpmiddel, een toevoegsel, een conserveermiddel en een drager van de actieve bestanddelen.
Dit argument kan niet worden aanvaard. Zoals gezegd, moet voor de tariefindeling alleen met de objectieve kenmerken van het produkt rekening worden gehouden. Ongeacht de functie van de alcohol, en ongeacht of alcohol al dan niet kenmerkend is voor het produkt, is duidelijk dat het produkt een alcoholgehalte heeft van 45,9 % vol. Het kan dus niet worden ingedeeld onder de posten van hoofdstuk 22 die alcoholvrije dranken omvatten. Uit aantekening 1, sub d, bij hoofdstuk 13 van het douanetarief, waaronder met name plantenextracten vallen, blijkt dat het alcoholgehalte van het preparaat indeling onder post 1302 uitsluit.
13.
De indeling van het preparaat onder post 2208 is dus gerechtvaardigd op grond van de objectieve kenmerken ervan, aangezien het gaat om een alcoholhoudende vloeistof die geschikt en bestemd is om te worden gedronken. Het preparaat moet meer bepaald onder postonderverdeling 22089059 — „andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten, in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l” — worden ingedeeld.
Conclusie
14.
Ik geef het Hof derhalve in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„Het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat een produkt als ‚meidoorndruppels’ (een meidoornextract met een alcoholgehalte van 45,9 % vol), dat als tonicum wordt gebruikt, niet onder post 3004, maar onder post 22089059 moet worden ingedeeld.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) De vragen hebben betrekking op het gemeenschappelijk douanetarief zoals gepubliceerd in bijlage bij verordening (EEG) nr. 2886/89 van de Commissie van 2 augustus 1989 tot wijziging van bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1989, L 282, blz. 1).
( 2 ) Volgens de rechtspraak van liet Hof vormen de Toelichtingen een belangrijk uitleggingselement aan de hand waarvan de draagwijdte van de verschillende posten en postonderverdelingen nauwkeurig kan worden bepaald of verduidelijkt. Zie de arresten van 8 mei 1974 (zaak 183/73, Osram, Jurispr. 1974, bh. 477) en 26 februari 1980 (zaak 54/79, Hako-Schuh, Jurispr. 1980, blz. 311).
( 3 ) Arrest van 25 mei 1989 (zaak 40/88, Weber, Jurispr. 1989, blz. 1395), alsmede de arresten aangehaald door advocaat-generaal Tesauro in zijn conclusie van 19 april 1989 in die zaak (Jurispr. 1989, blz. 1403, punt 3).
( 4 ) PB 1965, L 369, blz. 17.
( 5 ) Zaak 227/82, Jurispr. 19S3, blz. 3883.
( 6 ) Zaak 114/80, Jurispr. 1981, blz. 895.
Full & Egal Universal Law Academy