CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. GULMANN
van 24 juni 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechter,
1.
De Belgische Staat in de persoon van de minister van Economische zaken heeft voor de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau de coöperatieve vennootschap Belovo aangesproken tot nabetaling van ongeveer 20 miljoen BFR aan invoerheffingen.
2.
De achtergrond van de zaak is de volgende.
Tussen 24 november 1988 en 21 september 1989 verzocht Belovo negen keer om certificaten voor de invoer van eieren uit bepaalde derde landen (Israël, de Duitse Democratische Republiek, de Sovjet-Unie en Tsjechoslowakije). Tegelijk verzocht zij om voorfixatie van de invoerheffingen. De bevoegde instanties gaven tussen 28 november 1988 en 21 september 1989 de negen gevraagde certificaten af, waarin een voorfixatie van de invoerheffingen was opgenomen.
Zonder nadere uitleg vorderden de Belgische instanties op 3 oktober 1989 de vijf laatst afgegeven invoercertificaten terug. Die terugvordering gebeurde op grond van artikel 25, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoeren voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten (hierna: „de uitvoeringsverordening”). ( 1 ) De terugvordering werd later gemotiveerd met het argument, dat de verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren ( 2 ) de voorfixatie van de heffingen bij de invoer van eieren uit derde landen niet toestond. Belovo erkende de juistheid daarvan en gaf de vijf invoercertificaten, die slechts gedeeltelijk of helemaal niet waren gebruikt, terug.
Uit het dossier van de zaak blijkt, dat Belovo na onderhandelingen in augustus en september 1989 met een overheidsinstelling van de Sovjet-Unie een overeenkomst heeft gesloten voor de verkoop van een kantenklare fabriek voor de verwerking van eieren. Die overeenkomst bevatte een beding over de aankoop van ongeveer 2000 ton verse eieren. Belovo betoogt, dat haar er in het kader van die compensatieovereenkomst met de Sovjetrussische overheidsinstelling veel aan was gelegen, dat zij de in de overeenkomst bedoelde eieren in de Gemeenschap kon invoeren met voorfixatie van de invoerheffingen. ( 3 ) Het beding verplichtte Belovo de in de Sovjet-Unie gekochte eieren in te voeren tussen oktober en december 1989, in welke periode zij de aangevoerde eieren in douaneentrepôt plaatste. In kort geding besliste de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 2 november en 8 december 1989, dat Belovo de eieren uit het entrepot mocht halen en ze mocht invoeren tegen betaling van de in de voorfixatiecertificaten vermelde heffingen. Dat gebeurde op grond van de overweging, dat de eieren bederfelijke goederen waren en dat de invoer ervan niet vooruitliep op de vraag, of Belovo later kon worden veroordeeld tot betaling van eventuele achterstallige invoerheffingen.
Bij dagvaarding van 30 augustus 1990 stelde de Belgische Staat bij de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau voormelde vordering in tot nabetaling van ongeveer 20 miljoen BFR.
3.
De navordering heeft betrekking op de heffingen die terzake van de invoer onder dekking van vier van de negen invoercertificaten ( 4 ) verschuldigd waren.
Ik zal hierna uiteenzetten, dat de navordering niet alleen betrekking heeft op de heffingen terzake van de invoer van eieren, bedoeld in de met de Sovjetrussische instantie gesloten koopovereenkomst.
Meer dan de helft van het nagevorderde bedrag betreft achterstallige heffingen voor eieren die vóór 30 juni 1989 uit de Duitse Democratische Republiek zijn ingevoerd krachtens een invoercertificaat dat in oktober niet is teruggevorderd.
4.
In het hoofdgeding vordert Belovo 5 miljoen BFR schadevergoeding, op grond dat het onrechtmatig handelen van de Belgische instanties bij de afgifte van de voorfixatiecertificaten de vennootschap schade heeft berokkend, met name kosten van transport, opslag, enz.
5.
Partijen in het hoofdgeding zijn het erover eens, dat de voorfixatie geen grondslag vindt in het gemeenschapsrecht. Zij zijn het er ook over eens, dat de gevorderde bedragen correct zijn berekend. Partijen twisten dus enkel over de vraag, of de navordering gegrond is en of de schadevordering van Belovo kan worden toegewezen.
6.
De Belgische regering stelt, dat de intrekking van 3 oktober 1989 steunde op de artikelen 24 en 25 van de uitvoeringsverordening en dat die artikelen uitsluiten, dat Belovo aan de voorfixatiecertificaten rechten kan ontlenen. Bovendien beletten die artikelen, dat Belovo van de Belgische instanties schadevergoeding kan vorderen. Zij baseert haar standpunt mede op een onderzoek van de aard van de invoerheffingen, waarbij zij stelt, dat de invoerheffingen neutraal zijn en enkel bestemd zijn om het verschil te overbruggen tussen de prijs van het land van uitvoer en de prijs in de Gemeenschap, wat tot gevolg heeft, dat Belovo zich niet op de voorfixaties kan beroepen. ( 5 )
7.
Belovo betoogt, dat zij te goeder trouw heeft gehandeld toen zij op de voorfixatiecertificaten vertrouwde, en dat de afgifte van de certificaten voor haar rechten heeft doen ontstaan. Voorts kunnen de door de Belgische regering ingeroepen bepalingen geenszins beletten, dat zij de Belgische Staat aansprakelijk stelt.
8.
De Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Waar in artikel 24 van verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 is bepaald, dat indien de instantie van afgifte van het (invoer)certificaat oordeelt dat rectificatie gerechtvaardigd is, zij hetzij het uittreksel hetzij het certificaat en de vroeger afgegeven uittreksels intrekt en onverwijld een verbeterd uittreksel of een verbeterd certificaat en de dienovereenkomstig verbeterde uittreksels afgeeft, en in artikel 25 van dezelfde verordening, dat de titularis verplicht is het certificaat of de uittreksels bij de instantie van afgifte van het certificaat in te leveren, indien deze instantie daarom verzoekt, heeft dit dan tot gevolg dat:
1)
de handelaar die certificaten heeft gebruikt waarin onjuiste vermeldingen voorkomen, de verhogingen van de heffingen moet betalen, die na de afgifte van een ten onrechte toegekend voorfixatiecertificaat zijn opgetreden;
2)
in een geval waarin de importeur van eieren — een produkt waarvoor een bijzondere verordening is vastgesteld— door een vergissing van de voorfixatieregeling heeft geprofiteerd, de invoercontracten vóór de intrekking van de certificaten zijn uitgevoerd en de invoer ná de intrekking van de certificaten heeft plaatsgevonden op grond van een uitspraak in kort geding, waarbij de invoer van de geëntreposeerde goederen werd toegestaan om bederf te voorkomen, alsnog de bedragen moet betalen die verschuldigd zouden zijn geweest, indien bij de afgifte van de certificaten geen vergissing was begaan;
3)
de handelaar voor de lopende contracten en voor de reeds geplaatste bestellingen in aanmerking kan komen voor toepassing van de voorfixatieregeling, of moet hij toch de na de voorfixatie opgetreden verhogingen van de heffingen betalen;
4)
de handelaar zich tegen wijzigingen in de aan het onjuiste certificaat verbonden rechten kan verzetten dan wel de instantie van afgifte aansprakelijk kan stellen;
5)
ingeval de administratie in het invoercertificaat onjuiste vermeldingen opneemt, de instantie van afgifte niet het verwijt kan worden gemaakt, dat zij de handelaar heeft misleid?”
Uit de vraag blijkt, dat het Hof enkel om uitlegging wordt verzocht van de artikelen 24 en 25 van de uitvoeringsverordening — op grond waarvan vier certificaten zijn ingetrokken —, teneinde de vragen te beantwoorden die de Belgische rechter voor de beslechting van het geschil van belang acht.
Gelet op de door de Belgische regering in de hoofdzaak naar voren gebrachte argumenten moet worden aangenomen, dat de vraag tot dit aspect beperkt is.
9.
Die beperking doet tweeërlei moeilijkheden rijzen.
In de eerste plaats zijn de twee bepalingen mijns inziens nauwelijks relevant voor de oplossing van de problemen waarover de nationale rechter uitspraak moet doen.
In de tweede plaats kan volgens mij moeilijk worden voorbijgegaan aan het feit, dat een groot deel van de in het hoofdgeding nagevorderde bedragen betrekking heeft op een voorfixatiecertificaat dat verscheidene maanden vóór de intrekking is gebruikt om eieren in te voeren uit de Duitse Democratische Republiek en dat dan ook niet is ingetrokken.
Partijen lijken in hun opmerkingen niet specifiek de vraag te behandelen, of er zich in zoverre bijzondere problemen voordoen bij de toepassing van de artikelen 24 en 25 van de uitvoeringsverordening, die immers enkel betrekking hebben op de intrekking van certificaten. Zij hebben zich met name geconcentreerd op de situatie rond de invoer van eieren uit de Sovjet-Unie krachtens de compensatieovereenkomst ná de intrekking van de voorfixatiecertificaten, waarvan de afgifte naar verluidt een voorwaarde was voor het sluiten van die overeenkomst.
Duidelijk is, dat de punten 2 en 3 van de prejudiciële vraag op deze laatste situatie doelen. De andere onderdelen van de vraag betreffen waarschijnlijk ook de invloed van het gemeenschapsrecht op de mogelijkheid om betaling te vorderen van de achterstallige invoerheffingen voor de uit de Duitse Democratische Republiek ingevoerde eieren.
10.
Ik zal hierna eerst ingaan op de strekking van de artikelen 24 en 25 van de uitvoeringsverordening.
11.
Daarna zal ik nagaan, of het door de Commissie ingenomen standpunt, dat de voorfixatiecertificaten nietig moeten worden geacht, juist is.
12.
Ten slotte zal ik nagaan of het hoofdgeding, zoals Belovo in haar opmerkingen stelt, moet worden beslecht aan de hand van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (hierna: „de navorderingsverordening”). ( 6 )
De strekking van de artikelen 24 en 25 van de uitvoeringsverordening
13.
De twee artikelen luiden als volgt:
„Artikel 24
1. De vermeldingen op de certificaten en op de certificaatuittreksels mogen na afgifte ervan niet worden gewijzigd.
2. Bij twijfel omtrent de juistheid van de vermeldingen op het certificaat of op het uittreksel, wordt het certificaat of het uittreksel, op initiatief van de belanghebbende of van de bevoegde dienst van de betrokken Lid-Staat, aan de instantie van afgifte van het certificaat teruggezonden.
Indien de instantie van afgifte van het certificaat oordeelt dat rectificatie gerechtvaardigd is, trekt zij hetzij het uittreksel hetzij het certificaat en de vroeger afgegeven uittreksels in en geeft onverwijld een verbeterd uittreksel of een verbeterd certificaat en de dienovereenkomstig verbeterde uittreksels af (...).
Artikel 25
1. De titularis is verplicht het certificaat of de uittreksels bij de instantie van afgifte van het certificaat in te leveren, indien deze instantie daarom verzoekt.
2. (...).”
14.
Zoals gezegd, stelt de Belgische regering, dat die artikelende autoriteiten het recht geven om bij vergissing afgegeven certificaten in te trekken, en dat dat recht uitsluit, dat degene die om teruggave wordt verzocht zou kunnen stellen, dat de intrekking verkregen rechten schendt of dat de instanties aansprakelijk zijn voor eventuele vergissingen die zij bij de afgifte van de certificaten zouden hebben begaan.
Alleen al bij lezing van de tekst van artikel 24 lijkt het twijfelachtig, dat het in de door de Belgische regering voorgestelde zin moet worden uitgelegd.
15.
De Commissie betoogt, dat die bepaling alleen betrekking heeft op „kleine onjuistheden, die kunnen worden gecorrigeerd”. ( 7 ) Mijns inziens is de vraag, of zij de intrekking in min of meer ruime mate mogelijk maakt, in casu echter niet relevant.
16.
Waar het om gaat is, dat die bepaling hoe dan ook niets anders regelt dan de voorwaarden en de procedure voor de intrekking van certificaten.
Zij bevat niets dat steun biedt aan de stelling, dat intrekking kan plaatsvinden zonder rekening te houden met de rechtszekerheid van de houder van het certificaat.
Dat is ook niet verwonderlijk. Het ware immers bedenkelijk, wanneer een bepaling in een rechtsinstrument van de Raad of de Commissie de betekenis kon hebben die de Belgische regering aan artikel 24 toeschrijft. Een onvoorwaardelijk recht tot intrekking zou heel goed kunnen leiden tot resultaten die in strijd zijn met het beginsel van rechtszekerheid — waaronder mede de bescherming van verkregen rechten en van het gewettigd vertrouwen valt—, volgens vaste rechtspraak van het Hof een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, dat bij het vaststellen van algemene communautaire regels moet worden geëerbiedigd.
17.
Derhalve moet worden vastgesteld, dat de artikelen 24 en 25 van de verordening niet beslissend zijn voor de beoordeling, of de Belgische instanties achterstallige invoerheffingen mogen invorderen en of de schadevordering van Belovo ontvankelijk is.
Het standpunt van de Commissie: nietigheid van de voorfixatiecertificaten
18.
De visie van de Commissie in deze is duidelijk. De voorfixatiecertificaten vonden klaarblijkelijk geen grondslag in het geldende gemeenschapsrecht. Zij zijn derhalve nietig. Daar zij nooit hebben bestaan, konden zij rechten noch plichten doen ontstaan. Belovo moet hoe dan ook de invoerheffingen betalen die op het moment van de invoer van toepassing waren. Als het optreden van de Belgische instanties Belovo schade heeft berokkend, is dat een vraag waar de Gemeenschap buiten staat en die overeenkomstig het Belgische recht moet worden opgelost.
19.
Mijns inziens zou overneming van deze gedachtengang van de Commissie onjuist zijn. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt, dat handelingen slechts als non-existent zijn aan te merken, wanneer daaraan „bijzonder ernstige en in het oog springende gebreken kleven”. ( 8 ) Het Hof wijst erop, dat dat nodig is om voor de hand liggende redenen van rechtszekerheid.
De Commissie betoogt weliswaar terecht, dat er voor de afgifte van de voorfixatiecertificaten kennelijk geen rechtsgrondslag was en dat moeilijk valt in te zien, hoe Belovo en de Belgische instanties van mening konden zijn, dat een dergelijke grondslag wél bestond. Het zou echter verkeerd zijn, de zaak enkel vanuit die invalshoek te benaderen. Mijns inziens gaat het erom, of algemener bezien moet worden afgeweken van het wettigheidsbeginsel om de rechtszekerheid van de adressant te beschermen.
20.
De kernvraag in deze zaak is, of de bescherming van de rechtszekerheid van Belovo grenzen kan stellen aan de mogelijkheid van de Belgische instanties om de door de vennootschap verschuldigde invoerheffingen met dwang te innen, nu vaststaat dat de voorfixatiecertificaten ongeldig waren.
In de eerste plaats moet men zich afvragen, of er gemeenschapsrechtelijke regels zijn die criteria vastleggen, wanneer een betaling van achterstallige bedragen kan worden gevorderd, en waarin een afweging wordt gemaakt tussen het vereiste, dat de ondernemer de verschuldigde invoerheffingen betaalt, en het vereiste, dat de vordering tot betaling de rechtszekerheid van betrokkene niet ten onrechte aantast. Nagegaan moet worden, of dergelijke regels voorkomen in de navorderingsverordening, die met name beoogt, „om redenen van rechtszekerheid de mogelijkheid van navordering van communautaire rechten door de nationale instanties te beperken”. ( 9 )
Indien geen toepasselijke gemeenschapsregels bestaan, blijft het de vraag, of de Belgische instanties desondanks krachtens het gemeenschapsrecht het rechtszekerheidsbeginsel moeten eerbiedigen bij de navordering, die in principe door het nationale recht wordt beheerst.
Voor deze stelling kan het arrest Krücken ( 10 ) worden ingeroepen. In rechtsoverweging 22 stelde het Hof:
„Het vertrouwensbeginsel maakt deel uit van de communautaire rechtsorde (zie het arrest van 3 mei 1978, zaak 112/77, Töpfer, Jurispr. 1978, blz. 1019) en elke met de toepassing van dit recht belaste nationale instantie is gehouden, de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht te eerbiedigen (arrest van 27 september 1979, zaak 230/78, Eridania, Jurispr. 1979, blz. 2749). Derhalve is de nationale instantie die bevoegd is terzake van de toepassing van de uitvoerrestituties in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, verplicht het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de handelaren te eerbiedigen.” ( 11 )
In het arrest van 5 oktober 1988 (Padovani, reeds aangehaald, r. o. 20 en 21) overwoog het Hof evenwel, dat
„niet (kan) worden gezegd, dat de in verordening nr. 1697/79 neergelegde beperkingen van de mogelijkheden tot navordering door de nationale autoriteiten van aan de Gemeenschap verschuldigde bedragen, de uitdrukking kunnen zijn van een communautair beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen, dat reeds vóór de inwerkingtreding van die verordening bestond.
Nu niet het gemeenschapsrecht in verband met navordering de voorwaarde stelt, dat het gewettigd vertrouwen van de deelnemers aan het economisch verkeer moet worden beschermd, wordt deze materie door het nationale recht beheerst.” ( 12 )
21.
Derhalve staat vast, dat over de vordering tot nabetaling in het hoofdgeding moet worden beslist overeenkomstig de navorderingsverordening, mits die verordening van toepassing is; indien dat niet het geval is, moet in beginsel worden beslist overeenkomstig het nationale recht, waarbij echter bepaalde algemene beginselen van gemeenschapsrecht moeten worden geëerbiedigd. ( 13 )
De strekking van verordening nr. 1697/79 van de Raad — de navorderingsverordening
22.
Zoals gezegd heeft Belovo voor het Hof gesteld, dat de vordering tot betaling van achterstallige invoerheffingen onder de navorderingsverordening valt en dat artikel 5 daarvan navordering uitsluit.
23.
Eerst moet worden onderzocht, of de verordening op deze zaak van toepassing is.
De Belgische regering betwist dat — althans voor de navordering van de heffingen over de importen die plaatshadden na de intrekking van de vijf voorfixatiecertificaten.
Naar mijn mening moet ervan worden uitgegaan, dat de navordering van de heffingen over de importen die plaatshadden vóór de intrekking van de voorfixatiecertificaten, noodzakelijkerwijs binnen de werkingssfeer van de verordening valt. De verordening geldt voor navorderingen, ongeacht de soort vergissing die aanleiding gaf tot betaling van te weinig invoerheffingen en ongeacht de instantie die de vergissing heeft begaan. ( 14 )
Minder vanzelfsprekend is, dat de navordering van de heffingen over de invoer ná de intrekking van de certificaten daaronder valt. De Belgische regering heeft terecht aangevoerd, dat de instanties bij de invoer betaling hebben gevorderd van de op dat ogenblik toepasselijke heffingen en dat de navordering enkel nodig was wegens de twee voormelde beschikkingen, die de invoer toestonden tegen betaling van de vooraf vastgestelde heffingen.
Het is waar, dat de verordening extensief moet worden uitgelegd om op deze situatie toepassing te vinden. Mijns inziens zijn er echter goede redenen om de verordening extensief uit te leggen. In deze zaak gaat het eveneens om een afweging tussen het belang van een daadwerkelijke en eenvormige betaling van de heffingen door de ondernemers krachtens de toepasselijke gemeenschapsregeling, en de noodzaak de rechtszekerheid van de ondernemers te beschermen — in casu het door Belovo ingeroepen gewettigd vertrouwen om op grond van de voorfixatiecertificaten de in de compensatieovereenkomst bedoelde eieren uit de Sovjet-Unie te kunnen invoeren. De criteria van artikel 5 van de verordening kunnen volgens mij ook in deze zaak goed worden gehanteerd.
Het Hof heeft de materiële werkingssfeer van artikel 5, lid 2, van de verordening trouwens ook ruim uitgelegd (zie met name het arrest van 27 juni 1991, Mecanarte, reeds aangehaald in voetnoot 14) en heeft volgens mij terecht beklemtoond, dat een extensieve uitlegging van artikel 5 in de hele Gemeenschap een eenvormige praktijk inzake navordering garandeert, wat overigens ook de ondernemer ten goede komt.
24.
Vervolgens moet worden onderzocht, of artikel 5 navordering uitsluit, zoals Belovo stelt.
Artikel 5 luidt:
„1. De bevoegde autoriteiten kunnen niet tot navordering overgaan wanneer het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer ten aanzien waarvan achteraf wordt geconstateerd dat het lager is dan het wettelijk verschuldigde bedrag, is berekend:
—
hetzij op basis van gegevens die de bevoegde autoriteiten zelf hebben verstrekt en laatstgenoemden binden;
—
hetzij op basis van algemene bepalingen die later bij een rechterlijke beslissing ongeldig worden verklaard.
2. De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte (...).”
25.
Mijns inziens kan niet worden betwist, dat Belovo ten onrechte betoogt, dat deze zaak onder artikel 5, lid 1, valt. Zij heeft van de Belgische instanties immers noch een echt voorafgaand advies, noch een ander soort „bindende inlichting” ( 15 ) gekregen.
26.
Dan nu de vraag, of aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, is voldaan.
Blijkens vaste rechtspraak van het Hof kan niet tot navordering worden overgegaan wanneer aan alle voorwaarden van lid 2 is voldaan (zie met name het arrest Foto-Frost ( 16 )).
Artikel 5, lid 2, stelt de volgende drie voorwaarden:
—
in de eerste plaats moet de heffing achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf;
—
vervolgens moet de belastingschuldige, die te goeder trouw heeft gehandeld, de vergissing redelijkerwijze niet hebben kunnen ontdekken;
—
ten slotte moet de belastingschuldige wat zijn douaneaangifte betreft hebben voldaan aan alle voorschriften van de geldende regeling.
De kernvraag in deze zaak is, of Belovo aan de tweede van de drie voorwaarden voldoet. Als dat het geval is, kan men volgens mij zonder meer aannemen, dat ook aan de andere twee voorwaarden is voldaan.
In het arrest Deutsche Fernsprecher ( 17 ) overwoog het Hof:
„Daarentegen dienen alle omstandigheden van het geval concreet te worden beoordeeld, om te beslissen of een vergissing door de betrokken ondernemer al dan niet kon worden ontdekt.
Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de precieze aard van de vergissing, de beroepservaring van de ondernemer, en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid.
Ter beoordeling van de aard van de vergissing moet telkens worden nagegaan of de betrokken regeling ingewikkeld is of integendeel zo eenvoudig dat bij onderzoek van de feiten een vergissing gemakkelijk kan worden ontdekt. (...)
Met betrekking tot de beroepservaring van de ondernemer moet worden nagegaan of hij beroepsmatig voornamelijk op het gebied van de in- en uitvoer werkzaam is en of hij al een zekere ervaring heeft met de handel in de betrokken goederen, in het bijzonder of hij in het verleden al dergelijke transacties heeft verricht, waarbij de douanerechten wél correct waren berekend.
Wat de door de ondernemer betrachte zorgvuldigheid aangaat, zij opgemerkt, dat deze, zodra hij zelf twijfelt aan de juistheid van de berekening van de douanewaarde van de goederen, navraag heeft te doen en alle mogelijke opheldering moet zien te verkrijgen om te controleren of zijn twijfels al dan niet gerechtvaardigd zijn.
Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of, gelet op de omstandigheden van het geval, aan deze criteria is voldaan” (r. o. 18-23).
Die criteria zijn ook relevant voor de onderhavige zaak en kunnen voor het merendeel probleemloos erop worden toegepast.
27.
Belovo stelt, dat zij te goeder trouw heeft gehandeld en niet kon vermoeden, dat de certificaten onwettig waren afgegeven.
Zij wijst erop, dat de regeling inzake de voorfixatie van invoerheffingen niet erg duidelijk is en dat door de nieuwe uitvoeringsverordening die in november 1988 was vastgesteld, bij haar de mening was opgekomen, dat anders dan onder de oude regeling voorfixatie van invoerheffingen nu wél mogelijk was, net zoals de voorfixatie van uitvoerrestituties. Zij was in die overtuiging gesterkt, doordat zij in een bestek van tien maanden verschillende keren voorfixatiecertificaten had gekregen en doordat bij herhaling op basis van die certificaten was ingevoerd.
28.
Mijns inziens kan daartegen echter het volgende worden ingebracht.
Het was Belovo die eind november 1988 verzocht om voorfixatie van de invoerheffingen. Het lijkt vreemd, dat de kort voordien vastgestelde uitvoeringsverordening haar kon doen geloven, dat de rechtstoestand zo grondig was gewijzigd, dat de invoerheffingen in het vervolg vooraf konden worden vastgesteld.
De nieuwe verordening had een vrij beperkte doelstelling. Dat blijkt al dadelijk uit de eerste overweging van haar considerans, waarin wordt gesteld, dat de bepalingen van de tot dan geldende verordening
„herhaaldelijk en soms ingrijpend zijn gewijzigd; dat het derhalve met het oog op duidelijkheid en administratieve doelmatigheid dienstig is de ter zake geldende voorschriften algeheel te herzien en daarin tevens op bepaalde punten enkele wijzigingen aan te brengen die blijkens de opgedane ervaring wenselijk zijn”.
Belovo geeft niet aan, welke de „wijzigingen” waren die de juridische situatie ter zake relevant zouden hebben veranderd.
Daarbij komt, dat men de nieuwe verordening in geen geval aldus kan uitleggen, dat zij het tot dan geldende beginsel wijzigt, dat de basisregels voor de voorfixatie in een sector waarvoor een gemeenschappelijke marktordening bestaat, te vinden zijn in de verschillende verordeningen inzake de marktordeningen. Er is niet gesteld, dat in de bedoelde periode dergelijke wijzigingen zijn aangebracht in de verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren. ( 18 )
Er zijn dus goede gronden om aan te nemen, dat Belovo geen reden had om te verwachten dat zij voorfixaties zou krijgen. Tegen deze achtergrond moet worden onderzocht, of de herhaalde afgifte van certificaten gedurende een lange periode een dergelijk gewettigd vertrouwen kon doen ontstaan.
Men kan overigens reële eisen stellen met betrekking tot de zorgvuldigheid van Belovo. In confesso is, dat zij een lange en ruime ervaring heeft in de sector en dat zij een grote onderneming is die is gespecialiseerd in de invoer van eieren uit derde landen; derhalve mag worden aangenomen, dat zij de basisbeginselen van de marktordening in de sector eieren goed kent.
29.
Het staat aan de nationale rechter om uiteindelijk te beoordelen, of de afgifte van de voorfixatiecertificaten een vergissing is die Belovo redelijkerwijs niet kon ontdekken en of Belovo te goeder trouw heeft gehandeld, onder meer gelet op de aard van de vergissing, de ervaring van Belovo en de mate van de door haar betrachte zorgvuldigheid.
Het gemeenschapsrecht en de schadevordering van Belovo
30.
Hiervóór heb ik reeds gezegd, dat de artikelen 24 en 25 van de uitvoeringsverordening niet uitsluiten, dat Belovo de schade vergoed krijgt die zij door het gestelde onrechtmatige optreden van de Belgische instanties heeft geleden.
Voor het overige is het aan de hand van de gegevens waarover wij in deze zaak beschikken moeilijk, andere regels of beginselen van gemeenschapsrecht aan te wijzen die van belang zijn voor de beoordeling van Belovo's schadevordering. Daarover moet uitspraak worden gedaan overeenkomstig het nationale recht inzake aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
Conclusie
31.
Bijgevolg stel ik het Hof voor, de vraag van de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau als volgt te beantwoorden:
„1)
De artikelen 24 en 25 van verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten sluiten niet uit, dat in het kader van de navordering van invoerheffingen rekening wordt gehouden met argumenten van de verweerder betreffende door hem verworven rechten, of dat zijn schadevordering kan worden toegewezen.
2)
a)
Een actie tot navordering van invoerheffingen, zoals in casu aan de orde is, valt onder artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide.
b)
Wanneer aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de verordening is voldaan, kan niet tot navordering worden overgegaan.
Het staat aan de nationale rechter om uiteindelijk te beoordelen, of de afgifte van de voorfixatiecertificaten een vergissing was die de onderneming redelijkerwijs niet kon ontdekken en of de vennootschap te goeder trouw heeft gehandeld, onder meer gelet op de aard van de vergissing, de ervaring van de onderneming en de mate van de door haar betrachte zorgvuldigheid.
3)
Het gemeenschapsrecht kent geen beginselen of bepalingen die uitsluiten, dat de schadevordering van de onderneming wordt toegewezen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) PB 1988, L 331, biz. 1.
( 2 ) Verordening (EEG) nr. 2771/75 van de Raad van 29 oktober 1975 (PB 1975, L 282, biz. 49).
( 3 ) Uit de stukken van het hoofdgeding blijkt, dat de overeenkomst kennelijk tussen 4 en 8 september 1989 definitief is gesloten en dat twee van de voor de invoer van die eieren gebruikte invoercertificaten hoe dan ook pas op 20 en 21 september 1989 zijn afgegeven.
( 4 ) Wat de andere vijf betreft, blijkt, dat drie ervan zijn gebruikt voor invoer vóőr de intrekking van de certificaten en dat de laatste, die zijn teruggevorderd, niet zijn gebruikt.
( 5 ) Ik zal niet ingaan op dit argument, dat de Belgische regering ontleent aan net arrest van 13 december 1967 (zaak 17/67, Neumann, Jurispr. 1967, blz. 555). Het is duidelijk, dat de voorfixaties van groot belang kunnen zijn voor de beslissingen van de ondernemers en dat de weigering om de voorfixaties te honoreren, voor de ondernemers ernstige economische gevolgen kan hebben. Derhalve lijkt het verkeerd op grondvan een onderzoek van de aard van de voorfixaties en van de invoerheffingen te stellen, dat met het oog op de rechtszekerheid de rechten van de ondernemers nooit Kunnen worden beschermd, wanneer bij de afgifte van de voorfixatiecertificaten een vergissing blijkt te zijn begaan.
( 6 ) PB 1979, L 197, biz. 1.
( 7 ) Dit standpunt vindt enige steun in de zeventiende overweging van de considerans van de verordening, die luidt:
„Overwegende dat om redenen van goed administratief beheer de certificaten en uittreksels van certificaten na afgifte ervan niet meer mogen worden gewijzigd; dat evenwel, voor het geval in verband met een vergissing die aan de instantie van afgifte is toe te schrijven of met klaarblijkelijke onjuistheden twijfel rijst ten aanzien van de op het certificaat of het uittreksel voorkomende vermeldingen, in een procedure dient te worden voorzien die tot de intrekking van de foutieve certificaten of uittreksels en tot de afgifte van verbeterde documenten kan leiden.”
( 8 ) Zie het arrest van 26 februari 1987 (zaak 15/85, Consorzio Cooperative d'Abruzzo, Juríspr. 1987, biz. 1005). In r. o. 10 overwoog het Hof:
„Met betrekking tot de non-existentic moet worden opgemerkt dat een administratieve handeling, zelfs indien zij onregelmatig is, in het gemeenschapsrecht evenals in het nationale recht van de Lid-Statcn wordt vermoed rechtsgeldig te zijn totdat zij nietig is verklaard of op regelmatige wijze is ingetrokken door net orgaan waarvan zij afkomstig is. Wordt een handeling als non-existent aangemerkt, dan kan ook na afloop van de beroepstermijnen worden vastgesteld, dat zij geen rechtsgevolgen teweeg heeft gebracht. Om voor de liana liggende redenen van rechtszekerheid moet deze kwalificatie in het gemeenschapsrecht, gelijk dit liet Seval is in de nationale rechtsstelsels die haar Kennen, woren voorbehouden aan handelingen waaraan bijzonder ernstige en in het oog springende gebreken kleven.”
Ik verwijs eveneens naar de conclusie van advocaatgeneraal Mischo in die zaak, waarin het beperkte toepassingsgebied van de non-existentic wordt beklemtoond (zie met name blz. 1019).
( 9 ) Zie r. o. 6 van het arrest van 5 oktober 1988 (zaak 210/87, Padovani, Jurispr. 1988, blz. 6177), en de tweede overweging van de considerans van de verordening: „Overwegende dat navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer in zekere mate afbreuk doet aan de zekerheid die de belastingschuldige mag verwachten van administratieve besluiten die geldelijke gevolgen hebben; dat derhalve ter zake de mogelijkheden tot optreden van de bevoegde autoriteiten dienen te worden beperkt door (...)”.
( 10 ) Arrest van 26 april 1988, zaak 316/86, Jurispr. 1988, blz. 2213.
( 11 ) In r. 0.23 van dit arrest overwoog het Hof eveneens, „dat noch een onrechtmatig handelen van de Commissie of haar ambtenaren noch een met de gemeenschapsregeling strijdige praktijk van een Lid-Staat een gewettigd vertrouwen kan -wekken bij de handelaar aan wie de aldus geschapen situatie ten goede komt (zie het arrest van 16 november 1983, zaak 188/82, Thyssen, Jurispr. 1983, blz. 3721, en het arrest van 15 december 1982, zaak 5/82, Maizena, Jurispr. 1982, blz. 4601)”. Ik zal mij hier beperken tot de opmerking, dat mij dat overtrokken lijkt.
( 12 ) In r. o. 19 stelde het Hof:
„Bij een vergelijkend onderzoek van de desbetreffende nationale bepalingen blijkt het immers niet mogelijk, beginselen aan te wijzen die aan het recht van de Lid-Statcn gemeen zijn of die in de Lid-Statcn algemeen worden aanvaard, waaruit cen algemeen beginsel van gemeenschapsrecht zou zijn af te leiden dat een nationale administratie belet, te laag vastgestelde gemcenschapsheffingen na afloop van cen eenvormige termijn of in geval van cen aan de administratie te wijten vergissing te corrigeren.”
( 13 ) In r. o. 22 en 24 van het arrest Padovani preciseerde het Hof dat als volgt:
„In gevallen waarin het ten aanzien van de modaliteiten en voorwaarden van de navordering toepasselijke nationale recht cen beginsel kende dat het gewettigd vertrouwen van de deelnemers aan het economisch verkeer bescherming bood, heeft het Hof geoordeeld, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat de navordering van verschuldigde bedragen van te goeder trouw zijnde justitiabelen met toepassing van zulk een beginsel van nationaal recht wordt uitgesloten, op voorwaarde evenwel dat de toepassing van het nationale recht aan de draagwijdte en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht geen afbreuk doet en niet discriminerend werkt vergeleken met procedures ter beslissing van soortgelijke, doch zuiver nationale geschillen (arresten van 5 maart 1980, zaak 265/78, Fcrwcrda, Jurispr. 1980, blz. 617, en 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82 tot en met 215/82, Deutsche Milchkontor, Jurispr. 1983, blz. 2633).
Wanneer, omgekeerd, de door de nationale autoriteiten op de navordering van communautaire rechten en heffingen toegepaste voorwaarden en modaliteiten dezelfde zijn als die zij toepassen in vergelijkbare gevallen waarin het om zuiver nationale heffingen gaat, valt in beginsel niet aan te nemen, dat die voorwaarden en modaliteiten in strijd zijn met de verplichting van de nationale autoriteiten, op hun grondgebied de uitvoering van de communautaire regeling te verzekeren, en dat zij derhalve afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht (vgl. arrest van 21 september 1983, reeds aangehaald).”
( 14 ) Zie het arrest van 27 juni 1991, zaak C-348/89, Mccanartc, Jurispr. 1991, blz. I-3277, r. o. 20 en 22.
( 15 ) Zie liet arrest van 8 april 1992, zaak C-371/90, Dcirafrio, Jurispr. 1992, blz. I-2715.
( 16 ) Arrest van 22 oktober 1987, zaak 314/85, Jurispr. 1987, blz. 4199, r. 0.22.
( 17 ) Arrest van 26 juni 1990, zaak C-64/89, Jurispr. 1990, blz. I-2535.
( 18 ) Zie verordening nr. 2771/75 van de Raad, waarvan de artikelen 3 en 8 bepalingen bevatten inzake vaste en variabele invoerheffingen. Zoals ik al zei, is het duidelijk dat de verordening niet voorziet in de mogelijkheid om die heffingen vooraf vast te stellen.
Full & Egal Universal Law Academy