CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
W. VAN GERVEN
van 15 oktober 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze zaak stelt het Bundesfinanzhof (hierna: „de verwijzende rechter”) het Hof een aantal prejudiciële vragen betreffende de uitlegging van post 3002 van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: „GDT”) en zijn onderverdelingen, zoals weergegeven in het rapport van de rechterrapporteur, met het oog op de classificatie van monoclonale antilichamen.
Zoals bekend, werd de gecombineerde nomenclatuur van het GDT vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tariefen statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief. ( 1 ) De vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen de vennootschap Abbott GmbH en de Oberfinanzdirektion Köln.
2.
Abbott maakt deel uit van het Abbottconcern, een leidende groep binnen de farmaceutische industrie. Zij brengt onder meer produktenstellen (zgn. „Test-Kits”) op de markt. Dit zijn stellen in een voor de detailhandel bestemde verpakking, die verschillende laboratoriumreagentia bevatten voor gebruik als diagnostische immuuntest, dat wil zeggen ter opsporing en identificatie van bepaalde stoffen in menselijk serum en plasma.
Einde mei en begin juni 1989 verleende de Oberfinanzdirektion Köln bindende tariefinlichtingen met betrekking tot vier van Abbotts produktenstellen. Op basis van het monoclonale diagnostische reagens of antilichaam, dat als bepalend gold voor de aard van de produktenstellen, en van hun gesteldheid, werden de vier produktenstellen dooide Oberfinanzdirektion ingedeeld onder onderverdeling 30029090, „andere produkten”, van de gecombineerde nomenclatuur. Abbott kwam tegen deze classificatie op en beriep zich daarvoor onder meer op een nietbindende tariefinlichting die haar door de Britse douaneautoriteiten voor één van de produktenstellen was verleend en die verwees naar onderverdeling 30029030, „dierlijk bloed bereid (...) voor het stellen van diagnose”.
Abbotts bezwaar werd echter afgewezen. In beroep voor de verwijzende rechter vordert zij de nietigverklaring van hogergenoemde bindende tariefinlichtingen alsmede de indeling van de betrokken produktenstellen onder deelpost 30021010,„sera van geïmmuniseerde dieren of personen”.
3.
In wezen vraagt de verwijzende rechter aan het Hof of de gecombineerde nomenclatuur van het GDT aldus moet worden uitgelegd, dat de betrokken produktenstellen overeenkomstig algemene regel 3 b) van het GDT als „andere produkten” in de zin van post 30029090 zijn aan te merken, dan wel als antisera onder tariefpost 30021010 moeten worden ingedeeld en, zo geen van beide juist is, onder welke andere onderverdeling van post 3002 of een andere post van het douanetarief (b. v. post 3822) de betrokken stellen dan wel moeten worden ingedeeld.
4.
Door Abbott en de Commissie werden schriftelijke opmerkingen ingediend, die in het rapport van de rechterrapporteur zijn weergegeven. De Commissie stelt in haar opmerkingen voor, de betrokken produktenstellen in deelpost 30021091 onder te brengen. Bij brief van 21 februari 1992 heeft Abbott laten weten dat zij haar positie inmiddels herzien heeft en zich aansluit bij het standpunt van de Commissie. Zij geeft toe dat zij het belang van de materiele aard van de sera voor de indeling van de antilichamen niet in voldoende mate in acht heeft genomen, en dat zij de door haar voorgestelde classificatie onder tariefpost 30021010 derhalve niet meer voorstaat.
5.
Ook mij overtuigt het standpunt van de Commissie, waarvan ik volgende elementen belangrijk vind.
In de eerste plaats moet, zoals ook de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeschikking opmerkt, toepassing worden gemaakt van de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur. Welnu, de produktenstellen bestaan uit verscheidene stoffen die vatbaar zijn voor indeling onder minstens twee posten van het GDT. Een post met een meer specifieke omschrijving, die krachtens algemene regel A 3 a) voorrang heeft op posten met een meer algemene strekking, is niet voorhanden. Bijgevolg vindt algemene regel A3 b) toepassing, welke onder meer bepaalt dat „goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein” moeten „worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de (...) stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald”.
6.
Dat de produktenstellen te beschouwen zijn als assortimenten van artikelen die bestemd zijn voor de detailhandel, acht ik vanzelfsprekend. ( 2 ) Het komt er bijgevolg op aan de stof aan te wijzen die de betrokken produktenstellen hun wezenlijk karakter verleent. Zowel de verwijzende rechter, de partijen in het bodemgeding als de Commissie zijn het er over eens dat dit de monoclonale antilichamen zijn. Deze antilichamen worden in het bloed aangemaakt door lymfocyten B (ook bloedlymfocyten genoemd, een groep binnen de witte bloedlichaampjes), zelf bloedbestanddelen (of „bloedfracties”, om de terminologie van het GDT te gebruiken); deze monoclonale antilichamen zijn dus eveneens bloedfracties en worden aangeduid als Immunoglobuline. De monoclonale antilichamen die in de laboratoria met het oog op de samenstelling van de hieraan de orde staande produktenstellen worden -aangc--maakt, worden bekomen via afscheiding door een hybridoom (het produkt van de fusie van lymfocyten B en kankercellen). Daar deze antilichamen dezelfde zijn als degene die de lymfocyten B in het bloed afscheiden, zijn ook deze monoclonale antilichamen Immunoglobuline.
Aangezien het wezenlijk bestanddeel van de produktenstellen Immunoglobuline is en dit volgens de toelichtingen bij de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad ( 3 ) als bloedfractie wordt beschouwd ( 4 ), is het correct deze stellen onder te brengen bij post 300210, „sera van geïmmuniseerde dieren of personen, alsmede andere bloedfracties”. Een beroep op deelpost 30029090, „andere”, zoals dit door de Oberfinanzdirektion Köln werd gedaan, is derhalve niet nodig.
7.
Blijft de vraag naar de precieze indeling van de produktenstellen onder een deelpost van post 300210. In eerste instantie moet gekozen worden tussen „sera van geïmmuniseerde dieren of personen” en „andere bloedfracties”, welke laatste onderverdeling vervolgens opgesplitst wordt in verschillende in de hierna volgende alinea genoemde posten. Van een serum kan blijkbaar geen sprake zijn: volgens de toelichting van de Internationale Douaneraad, post 3002, sub c, tweede alinea, zijn sera vloeibare bloedfracties die na stolling van het bloed worden afgescheiden, en dat is met monoclonale antilichamen niet het geval. De produktenstellen moeten bijgevolg worden aangezien als „andere bloedfracties”.
Binnen deze „andere bloedfracties” moet ten slotte gekozen worden tussen „hemoglobine, bloedglobuline en Serumglobuline” (30021091), „andere”„van menselijke oorsprong” (30021095), of „andere”„andere” (30021099). Voor de Commissie is duidelijk, en dit wordt door Abbott niet meer tegengesproken, dat Immunoglobuline bloedglobuline of Serumglobuline is in de zin van deelpost 30021091 (de keuze tussen deze twee kwalificaties — bloed- of Serumglobuline — is hier niet van belang aanzien beide onder dezelfde tariefpost werden geplaatst). Ik zie geen redenen om het daarmee niet eens te zijn.
Conclusie
8.
Ik stel het Hof voor op de vragen van de verwijzende rechter als volgt te antwoorden:
„De gecombineerde nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief moet als volgt worden uitgelegd, dat produktenstellen (‚Test-Kits’) met als hoofdcomponent een monoclonaal diagnostisch reagens of antilichaam moeten worden ondergebracht in deelpost 30021091,.andere bloedfracties: (...) hemoglobine, bloedglobuline en ‚Serumglobuline’.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
( 1 ) PB 1987, L 256, blz. 1. Talrijke wijzigingen werden nadien aangebracht, welke voor onderhavige zaak niet van belang zijn.
( 2 ) Voor een nadere omschrijving van wat onder het begrip „assortiment” in de zin van algemene regel A 3 moet worden verstaan, zie arrest van 7 oktober 1985, zaak 163/81, Teleftmken, Jtirispr. 1985, blz. 3299, r. o. 35.
( 3 ) Volgens vaste rechtspraak van liet Mof vormen deze toelichtingen waardevolle hulpmiddelen bij de uitlegging van het GDT. Zie recent onder meer arresten van 28 tcbruari 1989, zaak 245/87, Blaupunkt, Jurispr. 1989, blz. 573 (summiere publikatic); 28 juni 1989, zaak 164/88, Rispal, Jurispr. 1989, blz. 2041 (summiere publikatic) en 18 september 1990, zaak C-265/89, Vismans Nederland, Jurispr. 1990, blz. I-3411, r. o. 18.
( 4 ) Zie de toelichting bij post3002, sube. Deze toelichting wordt uitvoerig geciteerd in het rapport van de rechter-rapportcur.
Full & Egal Universal Law Academy