Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Bayer AG heeft hogere voorziening ingesteld tegen het arrest dat het Gerecht van eerste aanleg op 29 mei 1991 heeft gewezen in zaak T-12/90. Bij dit arrest is een door Bayer krachtens artikel 85 EEG-Verdrag ingesteld beroep tot nietigverklaring van een door de Commissie gegeven beschikking verworpen wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Bayer concludeert tot vernietiging van het arrest van het Gerecht en tot toewijzing van haar in eerste aanleg geformuleerde conclusie, subsidiair, tot terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Bayer betoogd, dat de beschikking van de Commissie nietig, dat wil zeggen non-existent, is. Om te beginnen zal ik onderzoeken, of het Hof op basis van de gegevens waarover het beschikt, over dit punt uitspraak kan en moet doen.
De nietigheid van de beschikking van de Commissie
2. Bayer betoogt:
° dat de Commissie zich bij de vaststelling van de beschikking niet heeft gehouden aan artikel 12 van haar reglement van orde, volgens hetwelk beschikkingen zowel door haar voorzitter als door haar algemeen secretaris moeten worden ondertekend (de zogenoemde procedure van authentisatie), en
° dat deze fout zo ernstig is, dat de beschikking als nietig moet worden beschouwd.
Zij baseert zich op de verklaringen die de Commissie tijdens de mondelinge behandeling in de zogenoemde PVC-zaken heeft afgelegd. Die verklaringen kwamen erop neer, dat artikel 12 van het Reglement van orde van de Commissie reeds lang in onbruik is geraakt.
Tot staving van haar opvatting met betrekking tot de daaruit te trekken rechtsgevolgen verwijst zij naar het door het Gerecht op 27 februari 1992 gewezen arrest in de PVC-zaken.(1) In de rechtsoverwegingen 71 tot en met 76 wees het Gerecht op het belang van de authentisatie van de beschikkingen van de Commissie, die zijns inziens een hoeksteen van de rechtszekerheid vormt. Het Gerecht ging ervan uit, dat de betrokken beschikking niet was geauthentiseerd, en voerde deze omstandigheid in de rechtsoverwegingen 84 tot en met 96 aan als één van de redenen waarom de beschikking van de Commissie als non-existent moest worden beschouwd, en het betrokken beroep derhalve moest worden verworpen.
De Commissie heeft op 29 april 1992 hogere voorziening ingesteld tegen dit arrest en onder meer betoogd, dat het Gerecht het belang van de procedure van authentisatie juridisch verkeerd heeft beoordeeld.
3. Het Gerecht van eerste aanleg deed in zijn arresten van 10 maart 1992 in zeven van de zogenoemde polypropyleen-zaken(2) onder meer uitspraak over een aantal verzoeken van ondernemingen om heropening van de mondelinge behandeling. Het doel hiervan was, maatregelen van instructie te laten treffen om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag, of aan de bestreden beschikking van de Commissie gebreken kleefden die volgens de rechtsopvatting uit de PVC-arresten tot gevolg zouden hebben, dat de beschikking non-existent was. Het Gerecht wees de verzoeken af op grond van een in wezen gelijkluidende motivering, waaruit het volgende dient te worden aangehaald(3):
"Ten slotte moet hetgeen verzoekster (...) aanvoert, aldus worden begrepen, dat deze (...) stelt, dat er geen door de handtekeningen van de voorzitter en de algemeen secretaris van de Commissie gewaarmerkt origineel van de bestreden beschikking bestaat. Zelfs al zou dat zo zijn, dan is dit nog geen voldoende grond om te concluderen dat de bestreden beschikking non-existent is. Anders dan in de meermaals genoemde PVC-zaken heeft verzoekster in het onderhavige geval immers geen concrete aanwijzingen geleverd, dat na de vaststelling van de bestreden beschikking het beginsel van de onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling is geschonden, zodat die beschikking ten gunste van verzoekster het vermoeden van wettigheid heeft verloren, dat haar ogenschijnlijk toekwam. In dat geval brengt de enkele omstandigheid dat een volgens de regels gewaarmerkt origineel ontbreekt, op zichzelf niet mee dat de bestreden handeling non-existent is. Ook om deze reden zijn er geen termen aanwezig om de mondelinge behandeling te heropenen ten einde nieuwe maatregelen van instructie te treffen. Daar verzoeksters betoog een verzoek om herziening niet kan rechtvaardigen, dient geen gevolg te worden gegeven aan de suggestie om de mondelinge behandeling te heropenen."
Tegen zes van deze arresten is bij het Hof hogere voorziening ingesteld om de betrokken beschikking non-existent te doen verklaren.(4) In deze hogere voorzieningen wordt onder meer betoogd, dat het feit dat de beschikking niet geauthentiseerd is, op zich een dermate ernstige en kennelijke fout oplevert, dat het tot nietigheid leidt, en dat het Hof in hogere voorziening bevoegd is hierover uitspraak te doen na in voorkomend geval de nodige maatregelen van instructie te hebben getroffen. Elke rechterlijke instantie zou op ieder moment de vraag van de nietigheid kunnen onderzoeken. Tot staving van deze stelling wordt verwezen naar het arrest van het Hof in zaak 15/85, Consorzio Cooperative d' Abruzzo.(5)
In twee van de polypropyleenzaken waarin vóór het arrest in de PVC-zaken uitspraak is gedaan, is hogere voorziening bij het Hof ingesteld, in de ene zaak door de Commissie en in de andere door één van de betrokken ondernemingen.(6) In deze twee hogere voorzieningen wordt de vraag van de nietigheid, die in de arresten van het Gerecht niet is behandeld, opgeworpen tegen de achtergrond van het arrest van het Gerecht in de PVC-zaken.
Ten slotte is in twee polypropyleenzaken een verzoek om heropening van de procedure ingediend om de beschikking van de Commissie op soortgelijke gronden als die welke in het PVC-arrest zijn aangevoerd, non-existent te laten verklaren. Eén van deze zaken is nog aanhangig bij het Gerecht(7), in de andere zaak is het verzoek bij beschikking van het Gerecht van 26 maart 1992 afgewezen. Tegen deze beschikking is nu hogere voorziening bij het Hof ingesteld.(8)
4. Derhalve mag worden aangenomen, dat het Hof de gelegenheid zal hebben te antwoorden op de vraag, of de niet-naleving van artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie een grond voor nietigheid oplevert, en onder welke procedurele voorwaarden in een hogere voorziening op die vraag kan worden beslist. Waarschijnlijk zullen deze punten door het voltallige Hof worden beslist.
Het is mijns inziens dus duidelijk, dat de Zesde kamer van het Hof in deze zaak niet op basis van de beschikbare gegevens uitspraak moet doen over de non-existentie van de beschikking.
Minder duidelijk is, of de kamer in deze zaak moet beslissen geen uitspraak te doen over de gestelde nietigheid dan wel of zij de behandeling van de zaak moet schorsen totdat in één van de genoemde hogere voorzieningen een beslissing is gevallen over de procedurele vragen die deze stelling doet rijzen.
Men zou kunnen aanvoeren, dat een uitspraak over de gestelde nietigheid zowel formeel als materieel een wijziging van het voorwerp van geding zou inhouden, hetgeen in strijd is met de artikelen 113, lid 2, en 116, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, volgens welke het voorwerp van het geding in hogere voorziening niet mag worden gewijzigd.
Opgemerkt zij, dat het beroep bij het Gerecht strekte tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie, terwijl een uitspraak over de thans gestelde nietigheid zou leiden tot vaststelling van de non-existentie van de beschikking en derhalve tot verwerping van het beroep. In dat verband zij er eveneens op gewezen, dat uit de verdeling van de bevoegdheden tussen het Gerecht en het Hof volgt, dat de partijen zich in hogere voorziening niet kunnen beroepen op feitelijke omstandigheden die in de procedure voor het Gerecht niet zijn aangevoerd.
Het Hof zou er mijns inziens verkeerd aan doen, in deze zaak op basis van de beschikbare gegevens uitspraak te doen over de zeer lastige en principieel belangrijke vraag, onder welke procedurele voorwaarden in een hogere voorziening een nietigheidsvordering geldend kan worden gemaakt.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, krachtens artikel 82 bis van het Reglement voor de procesvoering de behandeling van de zaak te schorsen.
Voor het geval dat het Hof evenwel zou vaststellen, dat Bayer niet kan worden gevolgd waar zij stelt, dat de beschikking non-existent is, of dat het zou besluiten geen uitspraak te doen over de gestelde nietigheid, zal ik in het kort onderzoeken, of de vordering van Bayer tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg moet worden toegewezen.
De hogere voorziening tegen het arrest tot verwerping van het beroep
5. Voor een uiteenzetting van de feiten en de door partijen aangevoerde middelen en argumenten verwijs ik naar het bestreden arrest en het rapport ter terechtzitting.
In dit gedeelte zal ik mij concentreren op hetgeen mijns inziens de kern van deze zaak vormt, namelijk de juridische beoordeling van de door Bayer gestelde onduidelijkheid in de door de Commissie gekozen betekeningswijze.
Het essentiële punt van het betoog van Bayer is, dat het vereiste van strikte inachtneming van de beroepstermijnen impliceert, dat aan de betekeningsprocedure overeenkomstig strenge eisen moeten worden gesteld.
Ik ben het met dit standpunt eens.
Verder betoogt Bayer, zakelijk weergegeven, dat de door de Commissie gekozen betekeningswijze niet voldeed aan de voorwaarden inzake de duidelijkheid van de betekening, en dat het Gerecht daaruit niet de juiste consequenties heeft getrokken.
Bayer beklemtoont met name, dat de Commissie de verzending van de beschikking per aangetekende brief met ontvangstbewijs (Einschreiben mit Rueckschein) heeft gecombineerd met de verzending van een formulier met het opschrift "Acknowledgement of receipt/Accusé de reception", dat moest worden ingevuld en met vermelding van de ontvangstdatum moest worden teruggestuurd.
Zij wijst er voorts op,
° dat de Commissie eerdere brieven in deze zaak rechtstreeks aan de afdeling juridische zaken van de onderneming heeft gezonden en dat deze brieven waren voorzien van het opschrift "Einschreiben mit Rueckschein" (aangetekend met ontvangstbewijs), en
° dat de Commissie bij de verzending van de bestreden beschikking van deze procedure is afgeweken, aangezien de beschikking aan de onderneming als zodanig was gezonden en op het begeleidend schrijven "EINSCHREIBEN MIT EMPFANGSBESTAETIGUNG" (Aangetekend met ontvangstbevestiging) stond, terwijl ook bovengenoemd standaardformulier was bijgevoegd.
Bayer betoogt primair, dat aan de betekening gebreken kleefden en dat de beroepstermijn daardoor pas op 3 januari 1990 is ingegaan. Subsidiair betoogt zij, dat is voldaan aan de in artikel 42, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EEG gestelde voorwaarden voor schorsing van de termijn en dat de overschrijding van de termijn overigens als verschoonbaar moet worden aangemerkt.
6. Dit betoog heeft wel enige indruk op mij gemaakt. De overschrijding van de beroepstermijn kan slechts hierdoor worden verklaard, dat de verantwoordelijken in de juridische afdeling aannamen, dat de Commissie haar betekeningswijze had gewijzigd en dat de beschikking pas op 3 januari 1990 was binnengekomen. Uitgaande van die datum organiseerden zij de voorbereiding van het beroep en het lijdt geen twijfel, dat zij ervan overtuigd waren het beroep tijdig bij het Gerecht van eerste aanleg te hebben ingesteld. Mijns inziens mag worden aangenomen, dat de rechtstreekse oorzaak van de overschrijding van de beroepstermijn was gelegen in het bij de verantwoordelijken heersende misverstand over de betekeningswijze, dat berustte op een verkeerde opvatting van het belang van het door de Commissie toegezonden formulier voor bevestiging van de ontvangst. Met enig recht kan worden gesteld, dat de Commissie in het begeleidend schrijven, dat het opschrift "Einschreiben mit Empfangsbestaetigung" droeg, erop had moeten wijzen, dat de beschikking op het ogenblik van de ontvangst van de aangetekende brief en de daarvan aan de post gegeven kwijting als betekend zou worden aangemerkt.
In deze omstandigheden kan het op het eerste gezicht een te strenge sanctie lijken, Bayer voor een termijnoverschrijding van drie dagen de mogelijkheid te ontnemen, een voor de onderneming belangrijke beschikking van de Commissie op haar wettigheid te laten toetsen.
Zelfs al kan men objectief gezien aannemen, dat een misverstand, veroorzaakt door de door de Commissie gekozen betekeningswijze, de rechtstreekse oorzaak van de termijnoverschrijding was, dan blijft nog de vraag, of deze overschrijding niet kon en moest worden vermeden, dat wil zeggen of Bayer niet zelf moet opdraaien voor het misverstand dat in haar juridische afdeling is ontstaan.
Een aantal omstandigheden kunnen hiervoor relevant zijn.
Van belang is, dat ° zoals het Gerecht in rechtsoverweging 20 uiteenzette ° kan worden gesteld:
° dat het door de adressaat eigenhandig invullen en terugzenden van een ontvangstformulier geen gewone en gebruikelijke betekeningswijze is wanneer een beschikking van de Commissie per aangetekende brief is verstuurd, en
° dat deze omstandigheid voor de verantwoordelijken aanleiding had moeten zijn om te onderzoeken, of de Commissie daadwerkelijk deze "betekeningswijze" had gekozen.
Voorts kan misschien ook enig, zij het beperkt, belang worden gehecht aan het feit, dat de verantwoordelijken in de juridische afdeling zouden hebben gezien, dat de beschikking niet op 3 januari was binnengekomen, indien zij hadden gekeken naar de envelop, waaruit vrij duidelijk bleek, dat de onderneming de beschikking vóór 3 januari moest hebben ontvangen.
Het belangrijkste is ten slotte, dat ° gelijk het Gerecht in rechtsoverwegingen 33 en 34 heeft beklemtoond ° het misverstand binnen de juridische afdeling zeker niet zou zijn ontstaan, indien de postkamer bij de behandeling van het verzonden stuk niet een aantal in het kader van deze zaak essentiële fouten had gemaakt.
Rekening houdend met al deze omstandigheden kom ik tot de conclusie, dat het Gerecht terecht geen belang heeft gehecht aan het feit, dat de onduidelijkheid in verband met de door de Commissie gekozen betekeningswijze, één van de oorzaken van de termijnoverschrijding was.
7. Verder ben ik het eens met de overwegingen die het Gerecht ertoe hebben gebracht, geen belang te hechten aan het feit, dat de Commissie na het ontvangstbewijs en Bayers brief van 15 januari 1990 aan het bevoegde commissielid te hebben ontvangen, Bayer er niet op heeft gewezen, dat de in die stukken genoemde betekeningsdatum onjuist was.
Mijns inziens zijn er in de onderhavige zaak geen termen aanwezig om nader in te gaan op het argument van Bayer, dat fouten van personeelsleden van een onderneming die niet aan de directie kunnen worden verweten, de onderneming als zodanig niet kunnen worden aangerekend. Dit argument vindt geen steun in de rechtspraak van het Hof(9) en zou tot onaanvaardbare resultaten leiden.
Zoals uit het rapport ter terechtzitting blijkt, voert Bayer voorts een aantal grieven aan tegen de door het Gerecht gegeven uitlegging van artikel 42, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EEG en tegen de betekenis die het Gerecht heeft toegekend aan de rechtspraak van het Hof inzake "verschoonbare dwaling".
Met deze grieven van Bayer kan niet worden ingestemd. De hierboven gegeven beoordeling van de omstandigheden die tot overschrijding van de beroepstermijn hebben geleid, is mijns inziens ook in dit opzicht beslissend. Derhalve kan Bayer niet worden gevolgd waar zij stelt, dat de overschrijding van de beroepstermijn gerechtvaardigd was wegens overmacht of onvoorzienbare omstandigheden. Dit betekent ook, dat de termijnoverschrijding niet als het gevolg van een "verschoonbare dwaling" kan worden aangemerkt.
Conclusie
8. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de behandeling van de zaak te schorsen.
Voor het geval het Hof van mening zou zijn, dat het op basis van de beschikbare gegevens uitspraak kan doen over requirantes vordering tot vernietiging van het arrest van het Gerecht, geef ik het Hof in overweging, de hogere voorziening af te wijzen en requirante te verwijzen in de kosten van de procedure.
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
(1) ° Arrest van 27 februari 1992 in de gevoegde zaken T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, BASF e.a., Jurispr. 1992, blz. II-315.
(2) ° Arresten van 10 maart 1992 in de zaken T-9/89; Huels, Jurispr. 1992, blz. II-499, T-10/89, Hoechst, Jurispr. 1992, blz. II-629, T-11/89, Shell, Jurispr. 1992, blz. II-757, T-12/89, Solvay, Jurispr. 1992, blz. II-907, T-13/89, ICC, Jurispr. 1992, blz. II-1021, T-14/89, Montedipe, Jurispr. 1992, blz. II-1155 en T-15/89, Chemie Linz, Jurispr. 1992, blz. II-1275.
(3) ° Hier aangehaald uit het arrest van het Gerecht in zaak T-9/89, Huels, r.o. 385.
(4) ° Het gaat hier om de zaken C-199/92 P, C-200/92 P, C-227/92 P, C-234/92 P, C-235/92 P en C-245/92 P.
(5) ° Arrest van 26 februari 1987, Jurispr. 1987, blz. 1005. Rechtsoverweging 10 luidt als volgt:
Met betrekking tot de non-existentie moet worden opgemerkt dat een administratieve handeling, zelfs indien zij onregelmatig is, in het gemeenschapsrecht evenals in het nationale recht van de Lid-Staten wordt vermoed rechtsgeldig te zijn totdat zij nietig is verklaard of op regelmatige wijze is ingetrokken door het orgaan waarvan zij afkomstig is. Wordt een handeling als non-existent aangemerkt, dan kan ook na afloop van de beroepstermijnen worden vastgesteld, dat zij geen rechtsgevolgen teweeg heeft gebracht. Om voor de hand liggende redenen van rechtszekerheid moet deze kwalificatie derhalve in het gemeenschapsrecht, gelijk dit het geval is in de nationale rechtsstelsels die haar kennen, worden voorbehouden aan handelingen waaraan bijzonder ernstige en in het oog springende gebreken kleven.
(6) ° Respectievelijk de zaken C-49/92 P, Enichem Anic, en C-51/92 P, Hercules.
(7) ° Het gaat hier om zaak T-8/89 Rev., DSM.
(8) ° Zaak C-255/92 P, BASF.
(9) ° Tot staving van deze stelling beroept Bayer zich op het arrest van het Hof van 9 februari 1984, zaak 284/82, Busseni, Jurispr. 1984, blz. 557. In dat arrest ging het echter niet om een situatie waarin personeelsleden een fout hadden gemaakt, maar om een geval waarin de directie geen maatregelen had getroffen om te verzekeren dat de post van de onderneming werd geopend.
Full & Egal Universal Law Academy