CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 18 februari 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
Mijne heren Rechters,
1.
In deze zaak wordt het Hof verzocht om uitlegging van de artikelen 13 en 20 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk ( 1 ), in welke bepalingen in hoofdzaak de formulering van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag is overgenomen.
2.
De feiten die aan deze zaak ten grondslag liggen, zijn betrekkelijk eenvoudig en kunnen worden samengevat als volgt.
Eurim-Pharm GmbH, gevestigd in Duitsland, was voornemens op de Duitse markt een geneesmiddel aan te bieden, «Adalat» genaamd, dat in Frankrijk wordt geproduceerd door Bayer, die het onder dezelfde benaming in Oostenrijk en in Duitsland in de handel brengt. Daartoe kocht Eurim-Pharm Adalat op de Oostenrijkse markt in met de bedoeling het in Duitsland door te verkopen, parallel aan het distributiesysteem van Bayer, na er een sticker met haar eigen firmanaam op aan te hebben gebracht.
Plet bij de Duitse gezondheidsautoritcit ingediende verzoek om toelating werd evenwel afgewezen, daar het niet alle gegevens bevatte die volgens de nationale wetgeving aan die autoriteit moeten worden overgelegd.
3.
Na een vergeefs bezwaarschrift wendde Eurim-Pharm zich tot het Verwaltungsgericht Berlin, stellende dat de betrokken nationale wetgeving in strijd is met het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen ingevolge de artikelen 13 en 20 van de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en Oostenrijk. Met name zou het feit, dat van de importeur van een uit Oostenrijk afkomstig geneesmiddel stukken over dit geneesmiddel worden verlangd, terwijl de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat van invoer over alle vereiste stukken beschikt, omdat zij het in de handel brengen van hetzelfde produkt door de van fabrikantenzijde aangewezen distributeur reeds heeft goedgekeurd, gelijke werking hebben als een door de bovengenoemde artikelen verboden maatregel. Dit is vooral zo, wanneer, zoals in het onderhavige geval, de vereiste stukken niet verkrijgbaar zijn zonder toestemming van de fabrikant of van de door deze aangewezen distributeur.
4.
Eurim-Pharm is van mening, dat haar argumenten worden bevestigd door het arrest De Peijper ( 2 ), dat betrekking heeft op de parallelimport van geneesmiddelen tussen Lid-Staten. Naar de mening van verzoekster zouden de in dit arrest neergelegde regels, alhoewel betrekking hebbend op de handel binnen de Gemeenschap, eveneens geldig zijn voor een uit Oostenrijk ingevoerd produkt, daar de artikelen 13 en 20 van de Overeenkomst en de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag een overeenkomstige inhoud en dezelfde doelstelling hebben, namelijk het opheffen van handelsbelemmeringen.
5.
Het verwijzende gerecht, dat feitelijk heeft vastgesteld dat het produkt dat men uit Oostenrijk parallel wil importeren, identiek is met dat wat in Duitsland reeds in de handel wordt gebracht, neigt tot de opvatting, dat, als het arrest De Peijper op het hem voorgelegde geval zou moeten worden toegepast, de bestreden afwijzing door de Duitse gezondheidsautoriteit onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Daar het echter enige twijfel koestert, of een dergelijke rechtspraak wel steeds volledig van toepassing is in het kader van een vrijhandelsovereenkomst, vraagt het het Hof te verklaren, of de artikelen 13 en 20 van de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en Oostenrijk in het geval van parallelimport van geneesmiddelen moeten worden uitgelegd volgens dezelfde beginselen als de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag. Als dit inderdaad zo is, dan zou daaruit volgen, dat de toelating tot de handel van een geneesmiddel dat uit Oostenrijk in Duitsland wordt ingevoerd en volkomen identiek is met een niet parallel produkt dat in dit laatste land reeds is toegelaten, niet kan worden onderworpen aan de voorwaarde, dat de importeur aan de bevoegde gezondheidsautoriteit stukken en gegevens overlegt waarover deze reeds beschikt.
6.
Alvorens op deze vraag in te gaan, is het nodig enkele preliminaire punten te onderzoeken.
De Britse en de Italiaanse regering betogen namelijk, dat de import van het betrokken geneesmiddel niet binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst valt.
Volgens deze regeringen zou het doel van deze Overeenkomst, namelijk het bevorderen van de ontwikkeling van de economische activiteiten van de partijen bij de overeenkomst middels liberalisatie van de handel, impliceren, dat het produkt in elk geval een zekere verandering moet hebben ondergaan in het land van uitvoer om van het vrijhandelssysteem te kunnen profiteren. Met andere woorden, de Overeenkomst zou van toepassing zijn op produkten van oorsprong uit Oostenrijk die worden ingevoerd in de Gemeenschap en omgekeerd, maar niet op produkten van oorsprong uit een Lid-Staat die, na eenvoudige doorvoer door Oostenrijk, opnieuw in de Gemeenschap worden ingevoerd.
7.
Ik zeg meteen, dat een dergelijke restrictieve uitlegging van de Overeenkomst mij van iedere grond verstoken en uiteindelijk weinig overtuigend lijkt.
In de eerste plaats is het goed eraan te herinneren, dat wat de tekst van de Overeenkomst zelf betreft, artikel 2, dat de werkingssfeer van de Overeenkomst definieert en aangeeft, dat deze van toepassing is op produkten van oorsprong uit de Gemeenschap en uit Oostenrijk, geen enkele toespeling maakt op het vereiste, dat de communautaire produkten zouden moeten worden uitgevoerd naar Oostenrijk of omgekeerd.
8.
In de tweede plaats lijkt mij, dat juist de doelstellingen en het kader van een overeenkomst zoals deze nauwelijks verenigbaar zijn met een uitlegging die erop uitloopt, dat de werkingssfeer ervan aanzienlijk wordt beperkt.
Immers, volgens artikel 1 heeft de Overeenkomst tot doel het bevorderen van de harmonieuze ontwikkeling van de economische betrekkingen tussen de partijen door uitbreiding van het wederzijdse handelsverkeer en het op deze wijze begunstigen van de ontplooiing van de economische bedrijvigheid, de verbetering van de levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden, de vermeerdering van de produktiviteit en de financiële stabiliteit, tegelijkertijd billijke mededingingsvoorwaarden in het handelsverkeer tussen de partijen verzekerend.
Te dien einde wordt voorzien in afschaffing van invoerrechten en heffingen van gelijke werking in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Oostenrijk (artikelen 3-7). Hetzelfde beginsel wordt toegepast op de kwantitatieve beperkingen en op de maatregelen van gelijke werking (artikel 13). Deze bepalingen vormen één geheel met het verbod van maatregelen of fiscale praktijken van discriminerende aard (artikel 18) en de afschaffing van iedere beperking betreffende betalingen in verband met het goederenverkeer (artikel 19). Voorts bevat de Overeenkomst enige bepalingen aangaande de mededinging, steunmaatregelen van de overheid en dumpingpraktijken (artikelen 23 en 25).
9.
Daar komt nog bij, dat, zoals in de preambule van de Overeenkomst is vermeld, het besluit van de partijen om de belemmeringen voor het voornaamste gedeelte van hun handelsverkeer geleidelijk op te heffen, past in het meer algemene kader van de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) inzake de totstandkoming van vrijhandelszones. Volgens artikel XXIV, lid 8, van het GATT verstaat men onder een vrijhandelszone „een groep van twee of meer douanegebieden waarin de douanerechten en andere beperkende regelingen op het gebied van de handel (...) worden afgeschaft ten aanzien van vrijwel de gehele handel tussen de samenstellende gebieden in produkten van oorsprong uit deze gebieden”.
10.
Ofschoon de Overeenkomst dus hoofdzakelijk is gesloten om de uitvoer te bevorderen van produkten van oorsprong uit de ene partij bij de Overeenkomst naar de andere, is er niettemin niets wat pleit voor een restrictieve uitlegging van deze Overeenkomst. Integendeel, wegens het ontbreken van een specifieke verwijzing in deze zin en gelet op de hiervoor genoemde algemene context, zou het nogal willekeurig zijn om de Overeenkomst zo uit te leggen, dat heruitvoer van produkten volledig buiten het toepassingsgebied ervan zou vallen; daardoor zou een aanzienlijk deel van de handelsstromen worden getroffen en het beoogde positieve effect van een overeenkomst van deze aard worden verminderd.
11.
De Italiaanse regering betoogt verder, dat het verwijzende gerecht zich ten onrechte heeft beroepen op de artikelen 13 en 20 van de Overeenkomst, terwijl de toepasselijke bepaling in het onderhavige geval eerder artikel 15, lid 2, is dat een meer beperkte strekking heeft en volgens hetwelk „op veterinair, sanitair en plantenzicktenkundig gebied de Partijen bij de Overeenkomst hun voorschriften op niet-discriminerende wijze toepassen en (...) geen nieuwe maatregelen invoeren ten gevolge waarvan het handelsverkeer ten onrechte zou worden belemmerd”.
Een dergelijke uitlegging van artikel 15, lid 2, als een bepaling van algemene aard betreffende alle met het goederenverkeer samenhangende problemen van sanitaire aard, lijkt mij evenwel bij nadere analyse niet stand te kunnen houden. Zoals inderdaad duidelijk blijkt wanneer men de bepaling in zijn geheel leest, is artikel 15 een bepaling van bijzondere aard, die uitsluitend betrekking heeft op de handel in landbouwprodukten, terwijl de bescherming van de gezondheid in meer algemene termen wordt gegarandeerd, juist door artikel 20 van de Overeenkomst, dat, evenals artikel 36 EEG-Verdrag, beperkingen en verboden toelaat die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, mits deze geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de partijen bij de overeenkomst vormen.
12.
Alvorens nader in te gaan op de aan het Hof voorgelegde vraag, is het ten slotte nodig de verdere vraag te beantwoorden, of op de toepasselijke bepalingen van de Overeenkomst een beroep kan worden gedaan voor de nationale rechter.
De rechtspraak van het Hof lijkt mij op dit punt voldoende overvloedig en duidelijk te zijn om zonder al te grote moeilijkheden een passende oplossing voor een geval als het onderhavige te kunnen vinden.
Volgens inmiddels vaste rechtspraak immers moet „een bepaling van een door de Gemeenschap met derde staten gesloten overeenkomst (...) worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn, wanneer zij, gelet op haar bewoordingen en op het doel en de aard van de overeenkomst, een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst, voor welker uitvoering en werking geen verdere handeling vereist is”. ( 3 )
13.
Voorts heeft het Hof in de zaak Kupferberg I ( 4 ), geconfronteerd met het probleem van de rechtstreekse werking van artikel 21 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Portugal, en nadat het enkele bezwaren die met name waren gebaseerd op het eventuele ontbreken van wederkerigheid en op het bestaan van een bijzonder institutioneel kader voor overleg en onderhandelingen met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst had afgewezen, uiteengezet, dat een dergelijke overeenkomst „de invoering beoogt van een stelsel van vrijhandel, in het kader waarvan de handelsbeperkende regelingen voor vrijwel het gehele handelsverkeer in produkten van oorsprong uit de overeenkomstsluitende partijen worden opgeheven, met name door de afschaffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking, alsmede van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking”. Het Hof kwam derhalve tot de conclusie, dat artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst, dat overeenkomstig artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag is geformuleerd, „voor de partijen een onvoorwaardelijk verbod van belastingdiscriminatie bevat, dat geldt zodra wordt vastgesteld dat onder een bepaalde belastingregeling vallende produkten gelijksoortig zijn, en waarvan de grenzen rechtstreeks uit het doel van de overeenkomst voortvloeien. Deze bepaling kan als zodanig door een rechter worden toegepast en kan dus rechtstreekse werking hebben in de gehele Gemeenschap.”
14.
Welnu, aangezien de door het Hof in het arrest Kupferberg I onderzochte overeenkomst een zelfde structuur had als die waarom het nu gaat, en de artikelen 13 en 20 van de Overeenkomst met Oostenrijk in wezen het verbod van maatregelen van gelijke werking van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag overnemen, lijkt mij, dat de redenering van het Hof in genoemd arrest volkomen toepasselijk is op ons geval. Bovendien schijnt het Hof, hoewel het niet uitdrukkelijk op deze vraag is ingegaan, de rechtstreekse werking van een bepaling in de vrijhandelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Zwitserland, waarvan de bewoordingen identiek zijn met die van artikel 13 van de Overeenkomst met Oostenrijk, stilzwijgend te hebben erkend. ( 5 )
15.
Om nu tot de uitlegging te komen van de bepalingen die het voorwerp zijn van de aan het Hof, voorgelegde vraag aan het Hof wijs ik er allereerst op, dat volgens vaste rechtspraak de aan bepalingen van het EEG-Verdrag gegeven uitlegging niet bij wijze van eenvoudige analogie kan worden toegepast op de overeenkomstige bepalingen van een vrijhandelsovereenkomst. ( 6 )
Dit op zich volledig aanvaardbare beginsel moet echter met enige voorzichtigheid worden toegepast; het betekent zeker niet, dat afwijkende uitleggingen tussen het EEGVcrdrag en de overeenkomstige bepalingen in door de Gemeenschap gesloten vrijhandelsovereenkomsten in het algemeen worden aangemoedigd of gerechtvaardigd.
In werkelijkheid is genoemd standpunt, dat men ook terugvindt in uitspraken die voorafgaan ( 7 ) aan het meer bekende arrest Polydor, niet anders dan de toepassing van een algemeen beginsel van rechtsuitlegging, dat eveneens in het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht ( 8 ) is opgenomen, volgens hetwelk een regel moet worden uitgelegd rekening houdend met zijn algemene context. ( 9 )
16.
Ofschoon dus een door het Hof in het kader van het EEG-Verdrag gegeven uitlegging in beginsel niet automatisch in de context van een overeenkomst met een derde land kan worden toegepast, moeten niettemin ten aanzien van in wezen gelijkluidend geformuleerde bepalingen die regels van fundamenteel belang uitdrukken, hetzij in het kader van het EEG-Verdrag, hetzij in dat van een vrijhandelsovereenkomst, de bijzondere redenen worden bepaald die eventueel tot een afwijkende uitlegging kunnen leiden.
17.
Deze uitlegging van de Polydorrechtspraak lijkt mij de juiste en lijkt ook in de meest recente rechtspraak te zijn bevestigd. ( 10 )
In ieder geval dient men mijns inziens in dit perspectief het arrest De Peyper ( 11 ) te bezien, waarin het Hof twee vragen heeft beantwoord die waren voorgelegd in het kader van een strafzaak ingeleid door de Officier van Justitie in het arrondissement Rotterdam tegen een ondernemer die ervan werd verdacht uit het Verenigd Koninkrijk ingevoerde geneesmiddelen aan Nederlandse apotheken te hebben geleverd zonder goedkeuring van de bevoegde autoriteit.
18.
In die zaak preciseerde het Hof allereerst, dat een nationale regeling of praktijk die ertoe leidt dat importen zodanig worden gekanaliseerd, dat slechts enkele handelaren ertoe kunnen overgaan, terwijl anderen ervan worden uitgesloten, een door artikel 30 van het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt.
Na eraan te hebben herinnerd, dat een nationale regeling of praktijk die de invoer van farmaceutische produkten belemmert of kan belemmeren, slechts verenigbaar is met het Verdrag in de zin van artikel 36, voor zover zij noodzakelijk is voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en het leven van personen, onderzocht het Hof vervolgens de verschillende veronderstellingen van het verwijzende gerecht.
19.
Het Hof maakte onderscheid tussen de documenten betreffende een geneesmiddel in het algemeen, in dat geval het door de Nederlandse wetgeving vereiste „dossier”, en die welke betrekking hebben op een concrete, door een bepaalde handelaar ingevoerde partij geneesmiddelen, in het bedoelde geval de door diezelfde wetgeving vereiste „protocollen”.
Met betrekking tot de documenten betreffende een bepaald farmaceutisch produkt overwoog het Hof, dat „indien de met de zorg voor de volksgezondheid belaste autoriteiten van de Lid-Staat van invoer ten gevolge van een eerdere import reeds beschikken over alle farmaceutische gegevens aangaande het betrokken geneesmiddel die onmisbaar worden geoordeeld voor de controle van de doeltreffendheid en de onschadelijkheid daarvan, het uiteraard voor de bescherming van de gezondheid en het leven van personen niet noodzakelijk is dat genoemde autoriteiten van een tweede handelaar die een op alle punten identiek geneesmiddel heeft geïmporteerd, eisen hun opnieuw bovengenoemde gegevens over te leggen; dat bijgevolg een nationale regeling of handelwijze waarin een dergelijke eis wordt gesteld, niet gerechtvaardigd zou zijn uit hoorde van bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 36 van het Verdrag” (r. o. 21 en 22).
20.
Het Hof is in wezen tot dezelfde gevolgtrekking gekomen wat de documenten betreffende afzonderlijke partijen ingevoerde geneesmiddelen betreft, want hoewel erkennend dat de controlerende autoriteiten met volledige zekerheid en te allen tijde moeten kunnen nagaan of een bepaalde partij geneesmiddelen aan de gegevens in het dossier beantwoordt, wees het erop, dat, in de eerste plaats, het de nationale autoriteiten zeker niet aan wettelijke en administratieve middelen ontbreekt om de fabrikant en zijn aangewezen vertegenwoordiger te dwingen de gegevens te verschaffen waarmee men kan vaststellen of een bepaald parallel geïmporteerd geneesmiddel identiek is met het geneesmiddel waarvan het dossier reeds is overgelegd, en dat, in de tweede plaats, de voornoemde instanties eveneens zonder bijzondere moeilijkheden elkaar wederkerig de stukken met betrekking tot bepaalde, min of meer gestandaardiseerde produkten met een grote verspreiding voor controledoeleinden zouden kunnen verschaffen.
21.
Ten slotte heeft het Hof, zich eveneens baserend op de mogelijkheid van het bevoegde bestuursorgaan van de importerende Lid-Staat ora gegevens en informatie bij de fabrikant of zijn aangewezen vertegenwoordiger te verzamelen, beklemtoond, dat bovenbedoelde oplossing ook geldt voor het geval dat het ingevoerde geneesmiddel een variant is van het reeds goedgekeurde produkt, mits de verschillen onbeduidend zijn en geen ander therapeutisch effect hebben.
22.
De Commissie en de twee regeringen die in deze zaak opmerkingen hebben ingediend, wijzen erop, dat 's Hofs benadering in het arrest De Peijper mogelijk was dank zij de toen reeds geboekte vooruitgang bij de harmonisatie van de gencesmiddelenwetgeving ( 12 ), en dank zij de samenwerking in deze sector tussen de administraties van de Lid-Staten. ( 13 )
In dit verband is eveneens verwezen naar de mededeling van de Commissie over de parallelle invoer van farmaceutische specialiteiten ( 14 ), gepubliceerd naar aanleiding van het arrest De Peijper, waarin met name werd gewezen op het belang van de samenwerking tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten voor een efficiënte controle op parallel geïmporteerde geneesmiddelen.
Juist op grond van deze overwegingen nu zijn de Commissie en de interveniërende regeringen van mening, dat het niet mogelijk is om deze rechtspraak toe te passen in het kader van een vrijhandelsovereenkomst, die niet voorziet in enige harmonisatie van wetgeving noch in een specifieke verplichting tot samenwerking in deze sector door de administratieve autoriteiten van de partijen bij de Overeenkomst.
23.
Deze opmerkingen, die ik in theorie wel zou kunnen onderschrijven, lijken mij desondanks niet geheel ter zake dienend met betrekking tot het specifieke geval dat door de rechter a quo aan het Hof is voorgelegd.
Zoals duidelijk blijkt uit de verwijzingsbeschikking, heeft het Verwaltungsgericht namelijk vastgesteld, dat het geneesmiddel waarvoor de toelating wordt verzocht, volledig identiek is met een produkt dat reeds op de Duitse markt is gebracht.
Met andere woorden, de aan het Hof voorgelegde zaak komt overeen met de eerste in het arrest De Peijper besproken veronderstelling, namelijk die met betrekking tot produkten waarvan de identiteit is vastgesteld en ten aanzien waarvan geen bijzonder onderzoek of samenwerking nodig is vanwege de desbetreffende administratieve autoriteit, die reeds over alle nodige documentatie beschikt.
De belemmering die aan de nevenimporteur in de weg wordt gelegd, is dus zuiver formeel en kan geen enkele aannemelijke rechtvaardiging vinden in de bescherming van de gezondheid van personen, ook niet in het kader van een vrijhandelsovereenkomst als waarom het in casu gaat.
24.
Evenmin zijn de bezwaren overtuigend, die ook in de loop van de procedure naar voren zijn gebracht, met betrekking tot het risico van een uitlegging van de bepalingen van de overeenkomst, die niet zou worden gedeeld door de andere partij, en dus de mogelijkheid van een uiteenlopende toepassing van dezelfde overeenkomst, waardoor de mededingingsvoorwaarden in de handelsbetrekkingen tussen Oostenrijk en de Gemeenschap ongunstig zouden kunnen worden beïnvloed.
Een dergelijke mogelijkheid bestaat immers altijd wanneer een rechterlijke instantie van één der verdragsluitende partijen de bepalingen van een volkenrechtelijk verdrag moet toepassen, en het komt mij derhalve niet voor, dat deze procedure ook maar iets aan het licht heeft gebracht wat aannemelijk zou maken, dat de andere verdragsluitende partij grond zou hebben om maatregelen die het kanaliseren van de invoer bevorderen en die geen enkele rechtvaardiging vinden in de bescherming van de gezondheid van personen, verenigbaar te achten met de overeenkomst. Anderzijds zou bij een eventueel verschil in de toepassing van de overeenkomst een passende oplossing kunnen worden gevonden met behulp van de wijzen van geschillenbeslechting waarin de overeenkomst zelf voorziet.
25.
Alvorens te besluiten, zou ik bovendien graag de angst willen wegnemen die door de Britse regering tot uitdrukking is gebracht, wat de mogelijkheid betreft, dat een uitlegging van de Overeenkomst die de parallelimport van geneesmiddelen begunstigt, de Europese ondernemingen ertoe zou brengen, de prijzen te verhogen van de geneesmiddelen die worden verhandeld in de ontwikkelingslanden tegenover welke de Gemeenschap zich heeft verplicht de handelsbelemmeringen eenzijdig op te heffen.
Afgezien van iedere andere overweging, is het immers voldoende erop te wijzen, dat de uitleggingscriteria die door het Hof zijn toegepast ten aanzien van bepalingen in internationale overeenkomsten en die met name zijn gebaseerd op de aard en het doel van de overeenkomst, het hoe dan ook niet mogelijk maken dat een uitlegging die is gegeven in verband met een vrijhandelsovereenkomst, automatisch wordt toegepast in het kader van een overeenkomst met een ontwikkelingsland.
26.
Gelet op het voorgaande, geeft ik het Hof in overweging de vragen van het Verwaltungsgericht Berlin te beantwoorden als volgt:
„De artikelen 13 en 20 van de Overeenkomst tussen de Republiek Oostenrijk en de Europese Economische Gemeenschap moeten aldus worden uitgelegd, dat de toestemming tot het in de handel brengen van een uit Oostenrijk in Duitsland ingevoerd geneesmiddel dat in alle opzichten identiek is met een reeds in dit laatste land toegelaten geneesmiddel, niet kan worden onderworpen aan de voorwaarde, dat de importeur aan de bevoegde autoriteit documenten of gegevens verschaft waarover deze reeds beschikt.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1972, L 300, blz.2.
( 2 ) Arrest van 20 mei 1976 (zaak 104/75, De Peijper, Jurispr. 1976, blz. 613).
( 3 ) Arresten van 31 januari 1991 (zaak 18/90, Kziber, Jurispr. 1991, blz. I-199, r. o. 15) en 30 september 1987 (zaak 12/86, Demirel, Jurispr. 1987, blz. 3719, r. o. 14).
( 4 ) Arrest van 26 oktober 1982 (zaak 104/81, Kupferberg I, Jurispr. 1982, blz. 3641).
( 5 ) Arrest van 24 april 1980 (zaak 65/79, Chatain, Jurispr. 1980, blz. 1345).
( 6 ) Arresten van 26 oktober 1982 (Kupferberg, reeds aangehaald, r. o. 30) en 9 februari 1982 (zaak 270/80, Polydor, Jurispr. 1982, blz. 329, r. o. 15 en 16).
( 7 ) Arrest van 11 oktober 1979 (zaak 225/78, Bouhelier, Jurispr. 1979, blz. 3151, r. o. 6).
( 8 ) Zie artikel 31, lid 1, volgens hetwelk „een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag”.
( 9 ) Ik herinner aan de oude, aan Celsus toegeschreven uitleggingsregel, volgens welke „incivile est, nisi tola lege perspecta, una aliqua particula eius proposita, iudicare vel respondere”.
( 10 ) In zijn recent arrest van 16 juli 1992 (zaak C-163/90, Legros, Jurispr. 1992, blz. I-4625, r. o. 26) heeft het Hof met betrekking tot de vrijhandelsovereenkomst met Zwitserland geoordeeld, dat „de overeenkomst derhalve van een belangrijk gedeelte van zijn nuttige werking beroofd zou zijn als hel begrip heffing van gelijke werking, dat voorkomt in artikel 6 van de overeenkomst, zou moeten worden uitgelegd als hebbende een nauwere werkingssfeer dan dat van dezelfde bepaling in het EFG-Verdrag”.
( 11 ) Arrest van 20 mei 1976, reeds aangehaald.
( 12 ) Zie richtlijn 65/65/EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake geneesmiddelen (PB 1965, blz.369); richtlijn 75/318/EEG van de Raad van 20 mei 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de analytische, toxicologisch-farmacologische en klinische normen en voorschriften betreffende proeven op farmaceutische specialiteiten (PB 1975, L 147, blz. 1); Tweede richtlijn (75/319/EEG) van de Raad van 20 mei 1975, betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (PB 1975, L 147, blz. 13).
( 13 ) Zie in het bijzonder de artikelen 8 en 15 van richtlijn 75/319 en besluit 75/320/EEG van de Raad van 20 mei 1975 tot instelling van cen gcnecsmiddclcncomilć (PB 1975, L 147, blz. 23).
( 14 ) PB 1982, C 115, blz. 5.
Full & Egal Universal Law Academy