Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De prejudiciële vraag van het Finanzgericht Hamburg aan het Hof betreft gemeenschapsregels die tot doel hebben bij te dragen tot het wegwerken van de overschotten in de sector rundvlees, door de op de gemeenschappelijke markt aangeboden hoeveelheden te beperken.
Het gaat hierbij om regels met betrekking tot uitvoerrestituties en steun aan de particuliere opslag.
De relevante regels met betrekking tot de uitvoerrestituties staan in artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980(1), dat voorziet in de mogelijkheid van vooruitbetaling van uitvoerrestituties indien "de goederen onder het stelsel van douane-entrepots of vrije zones zijn gebracht met het oog op uitvoer binnen een bepaalde termijn". De regels met betrekking tot deze termijn zijn vastgesteld in artikel 11 van verordening (EEG) nr. 798/80 van de Commissie van 31 maart 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwprodukten(2), waarin het heet: "de termijn gedurende welke (...) produkten onder douanecontrole kunnen blijven (...) is zes maanden (...)", met dien verstande dat de goederen moeten worden uitgevoerd binnen 60 dagen na de dag waarop zij niet langer aan het stelsel van douane-entrepots zijn onderworpen.
De ter zake van vooraf forfaitair vastgestelde steunbedragen voor de particuliere opslag geldende regels maken de steun onder meer afhankelijk van het sluiten van een contract tussen de opslaghouder en de entrepothouder. Artikel 5 van verordening (EEG) nr. 2267/84 van de Commissie van 31 juli 1984 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten van runderen(3), bepaalt het volgende:
1. "De opslagtermijn bedraagt 9, 10, 11 of 12 maanden naar keuze van de opslaghouder; deze moet de gewenste termijn vermelden bij de indiening van zijn (...) aanvraag (...)
2. Op de betaling van de steun kan slechts aanspraak worden gemaakt wanneer al het vlees gedurende de gehele opslagtermijn in het vrieshuis is gebleven."
Ingevolge artikel 2, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1091/80 van de Commissie van 2 mei 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag van rundvlees(4), zoals ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 2629/80 van de Commissie van 14 oktober 1980 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1091/80(5), was het aanvankelijk verboden om gelijktijdig op beide regelingen een beroep te doen. Deze regeling is gewijzigd bij verordening nr. 2267/84 die in artikel 6, lid 1, het volgende bepaalt:
"In afwijking van artikel 2, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1091/80 kunnen produkten tegelijkertijd het voorwerp uitmaken van een contract voor particuliere opslag en onder toepassing van de regeling in artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 565/80 worden geplaatst."
Tevens werd in artikel 6, lid 2, het volgende bepaald:
"In dat geval bedraagt de in dat artikel bedoelde periode in afwijking van artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 798/80, twaalf maanden."
2. Annuss GmbH & Co. KG (hierna: "verzoekster") deed in november 1984 een beroep op beide regelingen. Tussen 8 en 16 november 1984 plaatste zij dozen rundvlees onder douanecontrole voor een periode die volgens het met de entrepothouder gesloten contract twaalf maanden zou duren.
Toen verzoekster besloot de goederen uit te slaan, rezen er problemen. Aan de steun voor de particuliere opslag was de voorwaarde verbonden dat de in het contract op twaalf maanden vastgestelde opslagperiode was verstreken; de goederen mochten het douane-entrepot dus eerst na afloop van deze periode verlaten, terwijl de vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie inhield, dat de goederen het douane-entrepot uiterlijk na afloop van de in het kader van dit stelsel geldende periode van twaalf maanden dienden te verlaten.
Om dus ten volle van beide steunregelingen te kunnen profiteren, hadden beide periodes dus op dezelfde datum moeten beginnen.
Dit was volgens de Duitse douaneautoriteiten evenwel niet het geval. Zij waren van mening dat :
° de periode van twaalf maanden wat de vooruitbetaling van uitvoerrestituties betreft inging op de dag waarop een "vooruitbetalingsaangifte" door de douaneautoriteiten werd aanvaard (artikel 11, lid 2, juncto de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, van verordening nr. 798/80(6)), en
° de periode van twaalf maanden inzake opslagsteun begon op de dag volgende op die waarop de inslag was beëindigd (artikel 8 van verordening 1091/80(7)).
Het verschil tussen deze twee regels kwam dus hierop neer, dat de periode inzake steun voor particuliere opslag later inging dan de termijn inzake vooruitbetaling van uitvoerrestituties, omdat de inslag verschillende dagen in beslag nam.(8)
Vaststaat, dat de in het kader van het stelsel van uitvoerrestituties voorziene termijn met drie dagen is overschreden, wanneer die termijn inging op de dag van de aanvaarding van de vooruitbetalingsaangifte.
De op die basis door de douaneautoriteiten geconstateerde overschrijding leidde tot een vordering tot terugbetaling waarvan het bedrag, nadat in 1987 een nieuwe regeling was vastgesteld, definitief werd bepaald op circa 21 000 DM.(9)
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beschikking van de douane, stellende dat de vordering tot terugbetaling onwettig was, omdat de bij verordening nr. 2267/84 vastgestelde regels, die voorzien in de mogelijkheid van gelijktijdige toepassing van beide steunregelingen, aldus moeten worden uitgelegd, dat beide periodes op dezelfde datum moesten ingaan.
3. Het Finanzgericht Hamburg heeft het Hof de volgende vraag gesteld:
"Moet artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2267/84 aldus worden uitgelegd, dat in afwijking van artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 798/80, de opslagperiode niet verstrijkt vóór de termijn die de exporteur uit hoofde van de hem toegekende steun voor particuliere opslag in acht moet nemen?"
Het Finanzgericht heeft hierbij het volgende aangetekend:
"De exporteur stuit dus op moeilijkheden, wanneer hij de hem bij de steunregeling toegekende opslagperiode volledig wil benutten. Bovendien ligt voor de hand, dat ook een ervaren bedrijf, dat de regels zeer serieus toepast, het onderscheid tussen de termijnen gemakkelijk over het hoofd kan zien. Daarbij komt nog, dat artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2267/84 de indruk wekt, dat de opslagtermijnen in de steunregeling en in die inzake de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties geharmoniseerd zijn.
Volgens de nationale rechter lijkt de Gemeenschap geen enkel wezenlijk belang bij dit onderscheid tussen deze twee periodes te hebben. Waarschijnlijk heeft de wetgever niet eens gezien welke moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van de betrokken bepalingen zouden ontstaan, en heeft hij getracht ze bij artikel 4, leden 3 en 5, van verordening (EEG) nr. 3445/90 te verhelpen."
De Commissie stelt, dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord, onder meer omdat verzoekster de geldende termijnen zonder problemen in acht had kunnen nemen. Om te beginnen had verzoekster namelijk ook een opslagcontract voor een periode van elf maanden kunnen sluiten. Voorts had verzoekster ook gebruik kunnen maken van de mogelijkheid van een kortere contractuele opslagperiode, conform artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2267/84, in het kader van de nieuwe regeling met betrekking tot de gelijktijdige toepassing van beide steunregelingen.(10)
4. Voor de uitlegging van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2267/84 moet eerst worden gekeken naar de bewoordingen van deze bepaling. Daarin heet het, dat in geval van vooruitbetaling van uitvoerrestituties de normale periode zes maanden bedraagt, maar in geval van gelijktijdige toepassing van beide steunregelingen twaalf maanden. In deze bepaling wordt het tijdstip waarop deze periode van twaalf maanden ingaat, in elk geval niet uitdrukkelijk gewijzigd.
Artikel 6, lid 2, kan alleen dan in die zin worden uitgelegd dat het aanvangstijdstip van de termijn stilzwijgend zou zijn gewijzigd, indien uit het door deze bepaling nagestreefde doel en uit andere uitleggingselementen blijkt, dat beide steunregelingen zijn bedoeld om ten volle te worden toegepast gedurende de periode van twaalf maanden die voor de steun voor particuliere opslag geldt.
De nieuwe regeling met betrekking tot de gelijktijdige toepassing van beide steunregelingen is in de considerans van verordening nr. 2267/84 als volgt gemotiveerd:
"Overwegende dat gezien de uitzonderlijke omstandigheden op de rundvleesmarkt en teneinde de betrokkenen ertoe aan te zetten gebruik te maken van de particuliere opslag, bepaald moet worden dat produkten waarvoor een contract voor particuliere opslag gesloten is, voor een bepaalde termijn tegelijkertijd onder de regeling kunnen worden geplaatst als bedoeld in artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 565/80 (...); dat met het oog op de contractuele opslagperioden moet worden afgeweken van artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 798/80 (...) ten aanzien van de periode waarin de produkten onder de in verordening (EEG) nr. 565/80 vastgelegde regeling mogen blijven."
De nieuwe regeling is dus bedoeld om handelaren ertoe aan te zetten tot particuliere opslag over te gaan. Daartoe kunnen zij voor goederen die voor de uitvoer zijn bestemd en waarvoor vooruitbetaling van restituties plaatsvindt, ook steun voor particuliere opslag verkrijgen. Tevens zijn de desbetreffende periodes aangepast, nu de periode van zes maanden uit hoofde van de steunregeling bij uitvoer juist voor dat geval op twaalf maanden is gebracht.
Het zou met dat doel in strijd zijn artikel 6, lid 2, aldus uit te leggen, dat de in de steunregeling bij uitvoer bedoelde periode van twaalf maanden zou verstrijken vóór de in de steunregeling voor de particuliere opslag vastgestelde periode van twaalf maanden. Uit de latere verordeningen met betrekking tot de gelijktijdige toepassing van beide steunregelingen, die voor de jaren 1986 en volgende uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid van gelijktijdige en volledige toepassing van beide regelingen, blijkt mijns inziens eveneens, dat men via artikel 6, lid 2, een dergelijk resultaat wilde bereiken.(11) De consideransen van deze verordeningen bevatten geen enkele motivering voor de aangebrachte wijzigingen. Wat de thans relevante bepalingen betreft, beperken zij zich tot een herhaling van de reeds aangehaalde overweging van de considerans van de verordening van 1984.
Overigens valt moeilijk in te zien welke gewichtige gemeenschapsbelangen in de onderhavige situatie zouden zijn gemoeid met een strikte naleving van het tijdstip waarop in het normale geval de termijn met betrekking tot de steunregeling bij uitvoer ingaat.
Artikel 7 van verordening nr. 2267/84, dat de mogelijkheid biedt de periode van de particuliere opslag te bekorten, pleit niet tegen de door mij gesuggereerde uitlegging van artikel 6, lid 2. Deze bepaling is niet ingevoerd om het probleem op te lossen dat voortvloeit uit het feit dat de termijnen van twaalf maanden op verschillende tijdstippen ingaan. Zij is ingevoerd, om te voorkomen dat de voor particuliere opslag geldende periode van twaalf maanden tot gevolg zou hebben, dat de handelaren die vóór het verstrijken van die twaalf maanden een koper in het buitenland hebben gevonden, zou worden belet om op het door de medecontractant gewenste tijdstip tot uitvoer over te gaan.
Gelet op een en ander, kan mijns inziens op basis van een teleologische uitlegging de conclusie worden verdedigd, dat de periode van twaalf maanden in het kader van de steunregeling, in geval van uitvoer op het zelfde tijdstip verstrijkt als de periode in het kader van de steunregeling voor particuliere opslag.
5. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vraag van het Finanzgericht Hamburg te beantwoorden als volgt:
"Artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2267/84 moet aldus worden uitgelegd, dat in afwijking van artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 798/80, de opslagperiode niet verstrijkt vóór de termijn waaraan de exporteur zich uit hoofde van de hem toegekende steun voor particuliere opslag moet houden."
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
(1) ° PB 1980, L 62, blz. 5.
(2) ° PB 1980, L 87, blz. 42.
(3) ° PB 1984, L 208, blz. 31.
(4) ° PB 1980, L 114, blz. 18.
(5) ° PB 1980, L 270, blz. 9.
(6) ° Volgens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 798/80 is de vooruitbetalingsaangifte een verklaring waarin de exporteur zijn voornemen te kennen geeft de produkten of goederen onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones te plaatsen en ze na opslag met toekenning van een restitutie uit te voeren.
(7) ° Artikel 8 van verordening nr. 1091/80, zoals gewijzigd bij artikel 7 van verordening (EEG) nr. 2826/82 van de Commissie van 22 oktober 1982 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van achtervoeten van runderen en houdende een tweede wijziging van verordening (EEG) nr. 1091/80 (PB 1982, L 297, blz. 18), bepaalt:
(...)
2. De eerste dag van de opslagperiode is de dag volgende op die waarop de inslag beëindigd is.
3. De uitslag van de produkten kan beginnen op de dag volgende op de laatste dag van de contractuele opslagperiode.
(8) ° Voor steun aan de particuliere opslag geldt een minimum opslaghoeveelheid. Aangezien deze minimumhoeveelheid aanzienlijk is, zullen de inslagverrichtingen in het algemeen verschillende dagen duren.
(9) ° De ter zake geldende regels staan in verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer van landbouwprodukten (PB 1987, L 351, blz. 1). In artikel 33, juncto artikel 51, is bepaald, dat het terug te betalen bedrag wordt berekend als volgt:
Behoudens overmacht wordt de restitutie eerst verlaagd met 15 %. Het overblijvende bedrag wordt verder verlaagd met 2 % voor elke dag waarmee de termijn wordt overschreden. Het bedrag waarmee de restitutie aldus is verlaagd, wordt tenslotte verhoogd met 20 %.
(10) ° Artikel 7, lid 1, bepaalt :
Na afloop van een opslagperiode van twee maanden mag de contractant het vlees waarvoor het opslagcontract is gesloten geheel of gedeeltelijk uitslaan, met dien verstande dat nooit minder dan tien ton mag worden uitgeslagen en op voorwaarde dat binnen zestig dagen na de dag van uitslag het vlees het grondgebied van de Gemeenschappen (...) heeft verlaten (...)
Het steunbedrag wordt op de in de verordening bepaalde wijze naar evenredigheid verlaagd.
(11) ° In artikel 4, lid 5, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 3445/90 van de Commissie van 27 november 1990 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor de particuliere opslag van rundvlees (PB 1990, L 333, blz. 30), waar het Finanzgericht Hamburg naar verwijst, is bepaald dat de termijn uit hoofde van de steunregeling bij uitvoer in geval van gelijktijdige toepassing van de steunregeling voor de particuliere opslag zodanig (wordt) verlengd dat hij de maximale periode van de contractuele opslag omvat, vermeerderd met een maand . In het tweede streepje van deze bepaling heet het, dat
[de Lid-Staten kunnen] eisen dat de inslagverrichtingen en het brengen onder de in artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 565/80 bedoelde regeling gelijktijdig worden afgewikkeld. In dat geval kan, wanneer een contract voor particuliere opslag is gesloten voor een hoeveelheid die uit verscheidene afzonderlijke partijen bestaat die op verschillende tijdstippen worden ingeslagen, voor elk van de afzonderlijke partijen een afzonderlijke betalingsaangifte worden ingediend (...)
De verordeningen die in de loop van de jaren 1986-1989 in de mogelijkheid van een gelijktijdig beroep op beide steunregelingen voorzagen, bevatten soortgelijke uitvoeringsregels: zie artikel 6 van verordeningen (EEG) nrs.:
° 2651/86 (PB 1986, L 241, blz. 14),
° 2437/87 (PB 1987, L 225, blz. 13),
° 2675/88 (PB 1988, L 239, blz. 20), en
° 2965/89 (PB 1989, L 281, blz. 103).
Full & Egal Universal Law Academy