CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
W. VAN GERVEN
van 24 juni 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Onderhavige zaak betreft een verzoek van het Belgische Hof van Cassatie om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de draagwijdte van het beginsel van gelijke behandeling van migrerende en nationale werknemers, vastgelegd in verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. ( 1 )
De gestelde vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen de Belgische Staat (verzoekster in het bodemgeschil) en mevrouw Noushin Taghavi (verweerster in het bodemgeschil), omtrent de aanvraag door deze laatste van een Belgische uitkering voor mindervaliden.
Achtergrond
2.
Mevrouw Taghavi bezit de Iraanse nationaliteit. Sinds 29 november 1971 verblijft ze in België. Ze is op 5 oktober 1977 gehuwd met de heer F. Iannino, een Italiaans staatsburger die sinds zijn twaalfde jaar in België verblijft en daar ook werkzaam is.
Mevrouw Taghavi is sinds januari 1983 ten laste van haar echtgenoot, die ten minste sinds dezelfde datum onderworpen is aan het Belgische stelsel van sociale zekerheid.
3.
Op 14 november 1985 heeft mevrouw Taghavi een uitkering voor minder-validen aangevraagd op grond van een Belgische wet van 27 juni 1969. ( 2 ) Krachtens artikel 4 van deze wet kunnen de minder-validen die aan de volgende voorwaarden voldoen, aanspraak maken op een tegemoetkoming:
„1.
Belg zijn en in België werkelijk verblijven. De Koning kan onder de voorwaarden die hij bepaalt hiervan afwijken;
2.
ten minste veertien jaar oud zijn;
3.
ten hoogste vijfenzestig jaar of zestig jaar oud zijn naargelang het een man of een vrouw betreft;
4.
behoren tot een van de (...) aangewezen categorieën van minder-validen en door een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 30 pet. getroffen zijn;
5.
geen bestaansmiddelen hebben waarvan het bedrag de perken overschrijdt welke door de Koning zijn vastgesteld (...)”
De aanvraag van mevrouw Taghavi werd bij administratieve beslissing van 21 april 1986 verworpen omdat ze niet voldeed aan alle toepassingsvoorwaarden voor financiële tegemoetkoming, in het bijzonder niet aan het nationaliteitsvereiste.
4.
In beroep beschikte het Arbeidshof in Brussel op 8 januari 1990 dat mevrouw Taghavi toch recht had op de gevraagde uitkering. Het beriep zich daarvoor op het hierna besproken artikel 3 van verordening nr. 1408/71. Tegen deze uitspraak heeft de Belgische Staat een voorziening ingeleid bij het verwijzende rechtscollege, het Hof van Cassatie, dat op 9 september 1991 besloot aan het Hof van Justitie de volgende vraag te richten:
„Moeten de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat een mindervalide die geen onderdaan van een Lid-Staat en geen loontrekkende is, zich kan beroepen op de nationale wettelijke regeling van een Lid-Staat die een mindervalide een persoonlijk en wettelijk beschermd recht op een tegemoetkoming verleent, wanneer hij zijn woonplaats op het grondgebied van die Lid-Staat heeft en gehuwd is met een loontrekkende die aan de wettelijke regeling van die Lid-Staat is onderworpen en onderdaan van een andere Lid-Staat is?”
Toepassing van verordening nr. 1408/71
5.
Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt inzake het personele toepassingsgebied van die verordening:
„Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.”
Personen op wie de verordening aldus van toepassing is en die daarenboven op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen, genieten volgens artikel 3 van een principieel recht op gelijke behandeling. Principieel hebben zij „de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat”.
6.
Vermits mevrouw Taghavi gehuwd is met een werknemer van Italiaanse nationaliteit op wie de wetgeving van een Lid-Staat (in casu de Belgische wetgeving) van toepassing is, ressorteert zij op het eerste zicht onder het personele toepassingsgebied van verordening nr. 1408/71. Daar ze bovendien op Belgisch grondgebied woont, lijkt eveneens voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 3 van die verordening. Toch verleent dit haar nog niet automatisch het recht om uitkeringen te bekomen onder dezelfde voorwaarden als Belgische onderdanen. Ter zake moet er immers onderscheiden worden tussen persoonlijke of eigen rechten en zogenaamde „afgeleide” rechten die worden verkregen in de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer.
7.
In het arrest Kermaschek ( 3 ) verklaarde het Hof dat gezinsleden van werknemers op basis van verordening nr, 1408/71 enkel aanspraak kunnen maken op afgeleide rechten:
„(Overwegende dat) de vraag is of en in hoeverre de gezinsleden van een onderdaan van een Lid-Staat voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 (...) met onderdanen zijn gelijk te stellen;
Overwegende dat de verordening naar luid van haar artikel2, lidi, ‚van toepassing (is) op werknemers op wie de wetgeving van één of meer Lid-Staten (van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten) ( 4 ), dan wel op het grondgebied van één der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen’;
dat reeds de juxtapositie welke in het woord ‚alsmede’ besloten ligt er op wijst dat deze bepaling betrekking heeft op twee duidelijk onderscheiden categorieën: werknemers enerzijds, hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen anderzijds; (...)
dat terwijl de tot de eerste categorie behorende personen de in de verordening bedoelde rechten op uitkering als eigen rechten kunnen inroepen, degenen die tot de tweede categorie behoren alleen maar aanspraak kunnen maken op afgeleide rechten, verkregen in de hoedanigheid van een gezinslid of nagelaten betrekking van een werknemer — dat wil zeggen iemand die tot de eerste categorie behoort”. ( 5 )
Op grond van deze overwegingen beschikte het Hof dat een gezinslid van een migrerende werknemer —ongeacht of dit gezinslid de nationaliteit van een Lid-Staat bezit of niet— aan verordening nr. 1408/71 wel een recht kan ontlenen in de hoedanigheid van gezinslid van een werkloze (= afgeleid recht), maar niet in de hoedanigheid van werkloos gezinslid (= persoonlijk recht):
„De gezinsleden van (werkloze migrerende) werknemers kunnen slechts aanspraak maken op de uitkeringen welke in die wetgevingen voorzien zijn ten behoeve van de gezinsleden van werkloze werknemers — waarbij de nationaliteit dier gezinsleden niet ter zake doet.”
Dat eigen en afgeleide rechten op deze manier onderscheiden moeten worden bij de aflijning van de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, bevestigde het Hof later in de arresten Frascogna ( 6 ) (inzake een bijzondere ouderdomstoelage), Deak ( 7 ) (inzake -wachtuitkeringen voor jeugdige werkzoekenden) en Zaoui ( 8 ) (inzake een aanvullende uitkering bij pensioen). ( 9 )
8.
Blijkens de prejudiciële vraag is hec recht van minder-validen op een financiële tegemoetkoming vanwege de overheid in België „een persoonlijk en wettelijk beschermd recht”. Ik leid daaruit af dat het mindervaliden niet in hun hoedanigheid van gezinslid van een werknemer toekomt en dat het derhalve een persoonlijk recht is in de communautairrechtelijke zin van het woord. ( 10 ) Overeenkomstig de zojuist aangehaalde rechtspraak kan mevrouw Taghavi zich dan ook niet beroepen op verordening nr. 1408/71 om dat recht tegenover de Belgische Staat te laten gelden.
Toepassing van verordening nr. 1612/68
9.
Vooraf zij opgemerkt dat de vraag van het verwijzende rechtscollege enkel handelt over de interpretatie van verordening nr. 1408/71, en het niet heeft over verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. ( 11 ) Teneinde een bruikbaar antwoord te geven aan de rechterlijke instantie die een prejudiciële vraag heeft voorgelegd, kan het Hof echter bepalingen van gemeenschapsrecht in aanmerking nemen die de nationale rechter in zijn vraag niet heeft vermeld. ( 12 ) In het verleden heeft het Hof in prejudiciële beslissingen trouwens meermaals de toepasselijkheid onderzocht van verordening nr. 1612/68, ofschoon de verwijzende rechter enkel naar verordening nr. 1408/71 had verwezen. ( 13 )
10.
Ook in deze zaak is het aangewezen na te gaan of mevrouw Taghavi een beroep kan doen op verordening nr. 1612/68. Partijen hebben daaromtrent overigens opmerkingen geformuleerd voor het Hof. Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 bepaalt dat een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat, op het grondgebied van andere Lid-Staten van dezelfde sociale voordelen moet kunnen genieten als de nationale werknemers. In het arrest Lebon heeft het Hof uitdrukkelijk gesteld dat dit principe van gelijke behandeling van migrerende en nationale werknemers ook van toepassing is op voordelen die aan de familieleden van de werknemer worden toegekend, en dat die familieleden op dat principe derhalve indirect aanspraak kunnen maken. ( 14 )
11.
Er kan geen twijfel over bestaan dat uitkeringen voor minder-validen ressorteren onder het materiële toepassingsgebied van verordening nr. 1612/68, in die zin dat zij een sociaal voordeel kunnen uitmaken dat aan een werknemeronderdaan van een Lid-Staat kan toekomen. Volgens vaste rechtspraak dekt het begrip „sociale voordelen” uit artikel 7, lid 2, immers „alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemers die onderdaan van andere Lid-Staten zijn, geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken”. ( 15 ) Bovendien stelde het Hof in het arrest Inzirillo dat:
„het materiële toepassingsgebied van artikel 7, lid 2 (van verordening nr. 1612/68), aldus moet worden afgebakend dat het alle, wel of niet aan een arbeidscontract verbonden, sociale en fiscale voordelen omvat, zoals een uitkering ten behoeve van volwassen minder-validen welke een Lid-Staat aan zijn eigen onderdanen toekent langs de weg van een wettelijke regeling waarbij een wettelijk beschermd recht op uitkering wordt verleend”. ( 16 )
12.
Onder verwijzing naar voornoemd arrest Zaoui ( 17 ) betwist de Belgische Staat evenwel dat mevrouw Tagliavi ook onder het personele toepassingsgebied van verordening nr. 1612/68 zou ressorteren, daar haar echtgenoot sinds zijn twaalfde jaar in België verblijft en dus nooit gebruik zou hebben gemaakt van zijn recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap. In zijn geval, zo begrijp ik de redenering, zou de uitkering voor minder-validen de mobiliteit van de betrokken werknemer niet kunnen vergemakkelijken. Met deze stelling ben ik het oneens.
Het Hof heeft weliswaar bepaald dat de verdragsregels betreffende het vrije verkeer van werknemers niet mogen worden toegepast op situaties die geen enkele aanknoping hebben met een van de situaties waarvoor het gemeenschapsrecht is geschreven. ( 18 ) Op grond daarvan heeft het in de arresten Morson en Jhanjan ( 19 ), Zaoui ( 20 ) en Dzodzi ( 21 ) geweigerd om verordening nr. 1612/68 toe te passen in geschillen waar het ging om gezinsleden van werknemers die altijd gewerkt en/of gewoond hadden in de Lid-Staat waarvan ze ook de nationaliteit bezaten. ( 22 ) Die beslissingen baseerde het Hof niet alleen op de bewoording, maar evenzeer op de finaliteit van het gemeenschapsrecht. De geweigerde voordelen konden immers onmogelijk bijdragen tot „de afschaffing van elk verschil in behandeling tussen nationale werknemers en werknemers die onderdaan zijn van andere Lid-Staten” (eigen cursivering). ( 23 )
De echtgenoot van mevrouw Tagliavi daarentegen werkt noch woont op het grondgebied van de Lid-Staat waarvan hij de nationaliteit bezit. Hij is een Italiaans onderdaan die in België verblijft en daar ook arbeid verricht. Aldus vertoont zijn situatie, in tegenstelling tot liet feitenpatroon dat in voornoemde arresten aan de orde was, wel degelijk aanknopingspunten met de situaties waarvoor het gemeenschapsrecht is geschreven. Toepassing van verordening nr. 1612/68 strookt dan ook volledig met de doelstellingen van het gemeenschapsrecht. Niets in de verordening laat immers veronderstellen dat ze, zoals de Belgische Staat voorhoudt, enkel toepasselijk zou zijn op werknemers die in meer dan één Lid-Staat hebben gewerkt, en niet ook op werknemers die steeds hebben gewerkt in slechts één andere Lid-Staat dan deze waarvan ze onderdaan zijn.
13.
Net als de Commissie ben ik derhalve van oordeel dat verordening nr. 1612/68 zowel ratione materiae als ratione personae van toepassing is op het feitenpatroon van deze zaak. ( 24 )
Het is evenwel belangrijk draagwijdte en gevolgen van het beginsel van niet-discriminatie van migrerende werknemers correct af te lijnen. Volgens artikel 7 van verordening nr. 1612/68 houdt dit beginsel in dat een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat op het grondgebied van andere Lid-Staten moet kunnen genieten van dezelfde voordelen als de nationale werknemers. Evenzo moet het gezinslid van een migrerende werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat, op het grondgebied van andere Lid-Staten kunnen genieten van dezelfde voordelen als de gezinsleden van nationale werknemers, aldus het Hof in de arresten Christini ( 25 ), Frascogna ( 26 ) en Bernini. ( 27 )
In dit kader heeft het Hof de volgende bijkomende vraag gesteld aan de Belgische regering:
„Kan een persoon die geen onderdaan is van een Lid-Staat van de EEG maar verder voldoet aan alle voorwaarden van artikel 4 van de wet van 1969, aanspraak maken op uitkeringen, louter omdat zijn echtgenoot de Belgische nationaliteit bezit?”
Op deze vraag heeft de Belgische regering op 26 mei 1992 negatief geantwoord.
14.
Nu blijkt dat de Belgische wet van 27 juni 1969 geen uitkeringen voor mindervaliden toekent aan niet-EEG echtgenoten van nationale werknemers, stelt zich de vraag of dit een voldoende reden is om dergelijke uitkering ook te weigeren aan mevrouw Tagliavi, niet-EEG echtgenote van een migrerende werknemer uit een andere Lid-Staat. Abstracter geformuleerd luidt deze vraag: houdt het beginsel van niet-discriminatie uit artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 in dat sociale voordelen die op basis van nationaliteit geweigerd worden aan gezinsleden van nationale werknemers, om die reden ook mogen worden geweigerd aan gezinsleden van migrerende werknemers uit andere Lid-Staten?
15.
In het arrest Deak van 20 juni 1985 heeft het Hof op deze vraag ontkennend geantwoord.
In de zaak Deak stond de weigering van de Belgische overheid ter discussie om wachtuitkeringen voor jeugdige werknemers toe te kennen aan Deak, een Hongaars onderdaan die in België woonde bij zijn moeder, een migrerende werkneemster van Italiaanse nationaliteit. De weigering om Deak wachtuitkeringen toe te kennen, was gebaseerd op zijn Hongaarse nationaliteit. De betrokken Belgische wettelijke regeling bepaalde immers dat dergelijke uitkeringen aan vreemden en staatlozen alleen zouden worden toegekend „binnen de grenzen van een internationale overeenkomst”. Vermits België en Hongarije ter zake geen overeenkomst hadden gesloten, zouden ook Hongaarse kinderen van Belgische onderdanen geen aanspraak op wachtuitkeringen hebben kunnen maken. Toch stelde het Hof:
„Ingevolge artikel 7 van verordening nr, 1612/68, (mag) een Lid-Staat de kinderen ten laste van een werknemer die onderdaan is van een andere Lid-Staat, de in zijn wettelijke regeling ten behoeve van jeugdige werkzoekenden voorziene uitkeringen niet ontzeggen op grond dat die kinderen een vreemde nationaliteit bezitten” (r. o. 24).
„Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat, zoals in casu, het betrokken kind onderdaan is van een derde land en niet van een Lid-Staat” (r. o. 25).
„Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, geldt immers het in artikel 7 van verordening nr. 1612/68 vervatte beginsel van gelijke behandeling van werknemers die onderdaan zijn van een Lid-Staat en — indirect— hun gezinsleden, ongeacht de nationaliteit van die gezinsleden. Dit wordt uitdrukkelijk bevestigd in artikel 11 van voormelde verordening, bepalende dat de echtgenoot van een onderdaan van een Lid-Staat die op het grondgebied van een Lid-Staat arbeid al of niet in loondienst verricht, alsmede de kinderen onder de eenentwintig jaar die te zijnen laste zijn het recht hebben, ‚zelfs indien zij niet de nationaliteit van een Lid-Staat bezitten’, om op het gehele grondgebied van die Lid-Staat iedere arbeid in loondienst te aanvaarden” (r. o. 26).
Bijzonder relevant is de motivering die het Hof geeft voor haar opvatting dat geen enkele nationaliteitsvoorwaarde mag worden verbonden aan de uitkering van wachtuitkeringen aan kinderen van migrerende werknemers:
„De werknemer die zijn kinderen wil verzekeren van de in de wettelijke regeling der Lid-Staten ter ondersteuning van jeugdige werkzoekenden voorziene sociale uitkeringen, zou immers ertoe worden gebracht niet te blijven in de Lid-Staat waar hij zich heeft gevestigd en zijn werk heeft gevonden, indien deze Lid-Staat zijn kinderen het genot van de betrokken prestaties op grond van hun vreemde nationaliteit kon ontzeggen. Gelijk het Hof overwoog in het arrest (Inzirillo), zou zulks ingaan tegen het doel van het beginsel van vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap” (r. o. 23).
16.
De in het arrest Deak geformuleerde stelling die gebaseerd is op het principe van vrij verkeer gaat volgens mij verder dan vereist door het enkele discriminatieverbod zoals hiervoor (nr. 13) verwoord. Niettemin dwingt ze me ertoe me aan te sluiten bij de Commissie en te besluiten dat mevrouw Tagliavi zich, bij de huidige stand van de rechtspraak, op verordening nr. 1612/68 kan beroepen om van de Belgische Staat uitkeringen voor minder-validen te bekomen. ( 28 ) Inderdaad, indien het de Belgische Staat zou worden toegelaten aan mevrouw Tagliavi uitkeringen voor minder-validen te ontzeggen op grond van haar nationaliteit, dan zou haar echtgenoot er daardoor toe kunnen worden gebracht, aldus de termen van het arrest Deak, „niet te blijven in de Lid-Staat waar hij zich heeft gevestigd en zijn werk heeft gevonden”.
Conclusie
17.
Concluderend geef ik het Hof in overweging de door het verwijzende rechtscollege geformuleerde vraag als volgt te beantwoorden:
„1)
Een gezinslid van een migrerende werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat kan zich ter verkrijging van een tegemoetkoming aan minder-validen in een andere Lid-Staat niet op verordening (EEG) nr. 1408/71 beroepen, indien minder-validen aldaar op die tegemoetkoming enkel een persoonlijk recht kunnen laten gelden.
2)
Artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 verzet er zich tegen dat een Lid-Staat een tegemoetkoming aan minder-validen weigert aan de echtgenoot niet-EEG onderdaan van een migrerende werknemer uit een andere Lid-Staat, op grond van de vreemde nationaliteit van die echtgenoot.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
( 1 ) Zoals opgenomen in bijlage bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, biz. 6).
( 2 ) Wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen, Belgisch Staatsblad, 15 juli 1969, blz. 6935.
( 3 ) Arrest van 23 november 1976, zaak 40/76, Jurispr. 1976, bh. 1669.
( 4 ) De woorden tussen haakjes zíjn weggevallen ¡n de Nederlandstalige versie van het arrest, zoals opgenomen in de Jurisprudentie, maar niet in de Franse of Duitse versie. Het Duits was proccstaal in deze zaak.
( 5 ) Arrest Kermaschek, r. o. 5-7.
( 6 ) Arrest van 6 juni 1985, zaak 157/84, Jurispr. 1985, blz. 1739, r. o. 15.
( 7 ) Arrest van 20 juni 1985, zaak 94/84, Jurispr. 1985, blz. 1873, r. o. 10-16.
( 8 ) Arrest van 17 december 1987, zaak 147/87, Jurispr. 1987, blz. 5511.
( 9 ) Zie ook mijn conclusie bij het arrest van 31 januari 1991, zaak C-18/90, Kziber, Jurispr. 1991, blz. I-199, blz. I-208.
( 10 ) In artikel 4 van de wet van 1969 worden wel voorwaarden gesteld inzake nationaliteit en domicilie, maar niet inzake verwantschap.
( 11 ) PB 1968, L 257, blz. 2. De wijzigingen die aan verordening nr. 1612/68 werden aangebracht door verordening (EEG) nr. 312/76 van 9 februari 1976 (PB 1976, L 39, blz. 2) zijn voor deze zaak niet relevant.
( 12 ) Arresten van 20 maart 1986, zaak 35/85, lissier, Jurispr. 1986, blz. 1207, r. o. 9 en 12 december 1990, zaakC-241/89, SARPP, Jurispr. 1990, blz. I-4695, r. o. 8. Zie ook de volgende voetnoot.
( 13 ) Zulks was met name het geval in het arrest van 27 maart 1985, zaak 249/83, Hoeckx, Jurispr. 1985, blz. 973, en in de arresten Frascogna en Deak, reeds aangehaald.
( 14 ) Arrest van 18 juni 1987, zaak 316/85, Jurispr. 1987, blz. 2811, r. o. 11 en 12.
( 15 ) Arresten van 31 mei 1979, zaak 207/78, Even, Jurispr. 1979, blz. 2019, r. o. 22; 14 januari 1982, zaak 65/81, Reina, Jurispr. 1982, blz. 33, r. o. 12; 12 juli 1984, zaak 261/83, Castelli, Jurispr. 1984, blz. 3199, r. o. 11; arrest Hocckx, reeds aangenaaid, r. o. 20; arrest van 27 maart 1985, zaak 122/84, Scrivner, Jurispr. 1985, blz. 1027, r. o. 24; arresten Frascogna, reeds aangehaald, r. o. 20; arrest Dealt, reeds aangehaald, r. o. 20; arresten van 17 april 1986, zaak 59/85, Reed, Jurispr. 1986, blz. 1283, r. o. 26 en 21 juni 1988, zaak 39/86, Lair, Jurispr. 1988, blz. 3161, r. o. 21.
( 16 ) Arrest van 16 december 1976, zaak 63/76, Jurispr. 1976, blz. 2057, r. 0.21.
( 17 ) R. o. 15 en 16.
( 18 ) Arresten van 28 maart 1979, zaak 175/78, Saunders, Jurispr. 1979, blz. 1129, r. o. 11; 28 juni 1984, zaak 180/83, Moser, Jurispr. 1984, blz. 2539, r. o. 15 en 23 januari 1986, zaak 298/84, Iorio, Jurispr. 1986, blz. 247. Zie ook de volgende drie voetnoten.
( 19 ) Arrest van 27 oktober 1982, gevoegde zaken 35/82 en 36/82, Jurispr. 1982, blz. 3723, r. o. 15-17.
( 20 ) R. o. 15 en 16.
( 21 ) Arrest van 18 oktober 1990, gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89, Jurispr. 1990, blz. I-3763, r. o. 23-28.
( 22 ) Zie ook mijn conclusie van 6 mei 1992 bij het arrest van 16 juli 1992, zaakC-7S/91, R. Hughes, Jurispr. 1992, blz. I-4839, I-4849.
( 23 ) Arrest Even, reeds aangehaald, r. o. 21.
( 24 ) De toepasselijkheid ratione loei wordt terecht niet betwist.
( 25 ) Arrest van 30 september 1975, zaak 32/75, Jurispr. 1975, blz. 1085, r. o. 14 en 15. Het Hof besliste dat „indien de weduwe en de minderjarige kinderen van een nationale onderdaan recht hebben op een (reductiekaart van de spoorwegen), wanneer die door de vader voor zijn overlijden was aangevraagd, dit eveneens het geval moet zijn wanneer de overleden vader een migrerend werknemer uit een andere Lid-Staat was” (r. o. 15).
( 26 ) In rechtsoverweging 24 wordt bepaald dat „de verplichting opgelegd aan bloedverwanten in opgaande lijn van werknemers die onderdaan zijn van een Lid-Staat, om een bepaald aantal jaren op het grondgebied van een Lid-Staat te hebben gewoond, een met artikel 7, lid 2, van verordening nr, 1612/68 strijdige discriminatie (is), wanneer die verplichting niet geldt voor bloedverwanten in opgaande lijn van nationale werknemers”.
( 27 ) Arrest van 26 februari 1992, zaak C-3/90, Jurispr. 1992, blz. I-1071, r. o. 29. Hier verklaarde het Hof dat het kind van een migrerende werknemer uit een Lid-Staat een studiefinanciering kan bekomen onder dezelfde voorwaarden als kinderen van nationale werknemers, althans indien die migrerende werknemer nog onderhoudsplichtig is tegenover zijn kind.
( 28 ) Zie arrest van 7 mei 1986, zaak 131/85, Gül, Jurispr. 1986, blz. 1573, waar het Hof zijn stellingen uit het arrest Deak lijkt te herhalen in verband met artikel 11 van verordening nr. 1612/68.
Full & Egal Universal Law Academy