CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G.TESAURO
van 22 oktober 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De door het Tribunal d'instance du septième arrondissement de Paris gestelde prejudiciële vraag heeft betrekking op de uitlegging van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide ( 1 ), en, subsidiair, van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten. ( 2 )
2.
Onder verwijzing naar het rapport ter terechtzitting voor de details, herhaal ik in het kort de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten.
De vennootschap Hewlett Packard France (hierna: „HP-France”) voerde in de periode 1986-1988 uit Singapore afkomstige toetsenborden in. Afgaande op een door de Oberfinanzdirektion München aan de Duitse dochtervennootschap van Hewlett Packard
afgegeven bindende tariefinlichting, gaf HP-France deze goederen bij de inklaring in Frankrijk aan onder tariefpost 84.55 C (losse computeronderdelen). Omdat voor de goederen van deze tariefpost de invoerrechten waren geschorst ( 3 ), was HP-France vrijgesteld van betaling van de desbetreffende rechten.
Na een later onderzoek deelden de Franse douaneautoriteiten HP-France mee, dat de betrokken toetsenborden onder post 84.53 Β hadden moeten worden ingedeeld, die betrekking heeft op „verwerkingseenheden” voor computers, en dat dienvolgens zou worden overgegaan tot naheffing van de over het jaar 1986 verschuldigde rechten. ( 4 )
Met een beroep op het toepasselijke gemeenschapsrecht verzocht HP-France de douaneautoriteiten haar geen boete op te leggen en haar dossier aan de Commissie voor te leggen om krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 een nietnavorderingsbeschikking te verkrijgen. Toen de Franse autoriteiten geen antwoord gaven, verzocht HP-France het Tribunal ďinstance du septième arrondissement de Paris het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het verzoek tot niet-navordering nietig te verklaren.
3.
De nationale rechter heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag of verzoekster, gelet op de door haar in deze zaak aangevoerde omstandigheden, te weten het bestaan van een bindende tariefinlichting van de Oberfinanzdirektion München inzake de indeling van de betrokken goederen onder post 84.55 C, en het feit dat de Franse douane geen bezwaar tegen die indeling had gemaakt (hoewel op iedere aangifte ten invoer de aangegeven post uitdrukkelijk naast de juiste handelsbenaming van de goederen was vermeld), recht heeft op niet-navordering van de in geding zijnde rechten in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, of, subsidiair, op terugbetaling van invoerrechten in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79.
Opgemerkt zij allereerst, dat het Hof, wanneer het krachtens artikel 1 77 uitspraak moet doen, niet bevoegd is de regels van het gemeenschapsrecht op een concreet geval toe te passen, maar dat het zich ertoe moet beperken, de nationale rechter op basis van de gegevens van het dossier de uitleggingselementen te verstrekken die deze nodig heeft om het bij hem aanhangige geschil te beslechten. ( 5 ) Met andere woorden, wanneer het Hof gesteld wordt voor vragen die het kader van zijn bevoegdheid krachtens artikel 177 te buiten gaan, dient het uit de door de nationale rechter verschafte gegevens, en met name de motivering van de verwijzingsbeschikking, die elementen van gemeenschapsrecht te halen die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven. ( 6 )
In deze zaak moet de gestelde vraag aldus worden opgevat, dat de nationale rechter wil vaststellen, of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 dan wel, subsidiair, aan die van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, wanneer een onderneming voor de tariefindeling is afgegaan op een verkeerde (bindende) inlichting die aan een zustervennootschap is verstrekt door de bevoegde douaneautoriteiten van een andere Lid-Staat, en/of wanneer de tot inning van de rechten bevoegde douaneautoriteiten geen bezwaar tegen die tariefindeling hebben gemaakt.
4.
Na deze precisering wil ik er verder op wijzen, dat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 het besluit van de bevoegde autoriteiten om niet tot navordering van het bedrag van de verschuldigde rechten over te gaan, afhankelijk stelt van drie voorwaarden: zo moeten de rechten „niet zijn geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte”. Ik herinner er voorts aan, dat dit artikel volgens vaste rechtspraak van het Hof „aldus moet worden uitgelegd, dat de belastingplichtige er recht op heeft, dat niet tot navordering wordt overgegaan, wanneer aan alle in deze bepaling gestelde voorwaarden is voldaan”. ( 7 )
De eerste van de zojuist genoemde voorwaarden is dus, dat de rechten niet zijn geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf. Vastgesteld moet dus worden, of als een „vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf” kan worden beschouwd: a) een vergissing die niet is toe te rekenen aan de tot inning bevoegde autoriteiten, maar aan die van een andere Lid-Staat, die de verkeerde (bindende) inlichting aan de zustervennootschap van de belanghebbende vennootschap verstrekten, b) het feit dat de autoriteiten die bevoegd zijn tot navordering over te gaan, geen enkel bezwaar tegen de tariefindeling van de toetsenborden hebben gemaakt, ofschoon zij, indien zij de in de aangifte vermelde tariefpost hadden vergeleken met de uitdrukkelijk vermelde handelsbenaming van de goederen, hadden moeten vaststellen dat er iets niet klopte.
5.
Wat punt a betreft, merk ik in de eerste plaats op, dat als ik mij houd aan de letter van artikel 5, lid 2, ik moet concluderen, dat voor niet-navordering alleen maar de vergissing die door de tot heffing bevoegde autoriteiten zelf is begaan, van belang is. Deze restrictieve uitlegging is echter niet die van het Hof, dat in het arrest Mecanarte-Metalurgica de Lagoa ( 8 ) heeft verklaard, dat als bevoegde autoriteit in de zin van de in geding zijnde bepaling moet worden beschouwd „elke autoriteit die in het kader van zijn bevoegdheden gegevens verstrekt die in aanmerking worden genomen bij de navordering van douanerechten, en die bij de belastingschuldige dus het gewettigd vertrouwen kan opwekken”, zulks met de precisering: „Dit geldt dus in het bijzonder voor de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer die optreden ten aanzien van de douaneaangifte.”
Het Hof heeft dus erkend, dat men eveneens een vergissing in aanmerking kan nemen die gemaakt is door andere douaneautoriteiten dan die welke tot navordering bevoegd zijn. Uit genoemd arrest volgt, dat een dergelijke vergissing een rol moet spelen bij de inning van rechten en daarmee het gewettigd vertrouwen van de betrokken marktdeelnemer moet kunnen opwekken. De Commissie betoogt, dat in deze zaak niet aan die voorwaarde is voldaan, omdat de betrokken informatie niet aan HP-France, maar aan haar Duitse zustervennootschap is verstrekt, die dus de enige zou zijn die zich erop kan beroepen.
Het is echter overduidelijk, dat alleen de Duitse zustervennootschap van Hewlett Packard zich op de bindende inlichting als zodanig kan beroepen: zij alleen kan artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1697/79 inroepen, volgens welk lid het is verboden douanerechten na te vorderen wanneer het bedrag ervan is berekend op grond van inlichtingen die bindend zijn voor de autoriteiten die ze hebben verstrekt. In deze zaak gaat het daarentegen om de vraag, of voor de toepassing van artikel 5, lid 2, van dezelfde verordening een beroep op een dergelijke inlichting kan worden gedaan door ondernemingen tot wie de inlichting niet is gericht.
Alvorens deze vraag te beantwoorden, acht ik het nuttig te herinneren aan verordening (EEG) nr. 1715/90 van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de inlichtingen die door de douaneautoriteiten van de Lid-Staten worden verstrekt op het gebied van de indeling van goederen in douanenomenclatuur. ( 9 ) Deze verordening, waarbij een harmonisatie van deze materie tot stand is gebracht, bepaalt onder meer, dat de Commissie door middel van een uitvoeringsverordening moet verzekeren, dat een in een Lid-Staat afgegeven bindende inlichting dezelfde juridische strekking heeft in alle andere Lid-Staten, dat wil zeggen, dat die inlichting ook bindend is voor de bevoegde instanties van alle andere Lid-Staten. Deze ontwikkeling in de regelgeving vindt haar verklaring in het streven, discriminerende behandelingen binnen de Gemeenschap te voorkomen, en gaat er, zoals voor de hand ligt, van uit, dat de tariefindeling van een goed niet van Lid-Staat tot Lid-Staat mag verschillen. Wanneer de Commissie die uitvoeringsverordening eenmaal zal hebben vastgesteld, zal men redelijkerwijze niet meer het belang kunnen ontkennen van een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten van een Lid-Staat voor in andere Lid-Staten gevestigde marktdeelnemers, die daarop dan een beroep zullen kunnen doen —indien aan de andere voorwaarden van artikel 5, lid 2, is voldaan — om zich tegen navordering te verzetten.
Ten tijde van de feiten evenwel liet de toen geldende regeling het niet toe, de door de bevoegde Duitse douaneautoriteiten begane vergissing aan te merken als een „vergissing” van de bevoegde autoriteiten zelf in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79.
6.
Dan kom ik thans tot de vraag, of als een vergissing van de bevoegde autoriteiten kan worden aangemerkt het feit dat deze geen enkel bezwaar hebben gemaakt tegen de tariefpost waaronder de marktdeelnemer in casu de goederen heeft aangegeven. Uit het arrest Foto-Frost ( 10 ) kan men weliswaar afleiden, dat wanneer de rechten op basis van niet-geverifieerde verklaringen in de douaneaangifte zijn berekend, die verklaringen achteraf kunnen worden gecontroleerd en het bedrag van de rechten kan worden gecorrigeerd, maar dat wanneer bij de controle achteraf geen gegevens aan het licht komen die nieuw zijn ten opzichte van de douaneaangifte, het feit dat geen rechten zijn geheven, in beginsel aan de douaneautoriteiten moet worden toegerekend. Anders gezegd, er is al sprake van een vergissing van de in de zin van die bepaling tot inning bevoegde autoriteiten, wanneer deze ondanks het aantal en de omvang van de door de marktdeelnemer verrichte transacties geen bezwaar hebben gemaakt tegen zijn tariefindeling.
Dit wordt, op zijn minst indirect, bevestigd in artikel 2 van de in casu toepasselijke richtlijn 82/57/EEG ( 11 ), bepalende dat de marktdeelnemer de goederen moet omschrijven „in termen die voldoende duidelijk zijn om het de douane mogelijk te maken onmiddellijk en met zekerheid vast te stellen dat zij inderdaad onder de opgegeven tariefpost of onderverdeling vallen”. ( 12 ) Nu vaststaat, dat in alle door HP-France ingediende douaneaangiften de aanduiding „toetsenborden” expliciet is vermeld naast de aangegeven tariefpost, en nu de in geding zijnde importen gedurende een relatief lange periode hebben plaatsgevonden, zonder dat de douaneautoriteiten de minste kritiek aangaande de opgegeven tariefpost hebben geuit, volgt hieruit, dat de niet-inning van de rechten, die overigens hoe dan ook ten tijde van de feiten niet verschuldigd waren, stellig aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf kan worden toegeschreven.
7.
Vervolgens de tweede voorwaarde van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79: het moet gaan om een vergissing die door de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon worden ontdekt. Ik herinner er allereerst aan, dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof de taak van de nationale rechter is om vast te stellen, of aan deze voorwaarde is voldaan, rekening houdend met de aard van de vergissing, de ervaring van de betrokken marktdeelnemer en de zorgvuldigheid waarvan deze blijk geeft. ( 13 ) Het Hof heeft de nationale rechter evenwel enkele criteria voor een dergelijk onderzoek aangereikt.
Wat de aard van de vergissing betreft, heeft het Hof immers gepreciseerd, dat moet worden nagegaan of de betrokken regelgeving tamelijk eenvoudig dan wel juist ingewikkeld is. In het onderhavige geval moet men op zijn minst opmerken, dat het feit dat het wegens de tussen de Lid-Staten bestaande meningsverschillen over de tariefindeling van toetsenborden en dus om een uniforme toepassing van de gecombineerde nomenclatuur te waarborgen, noodzakelijk was een verordening ad hoc vast te stellen ( 14 ), waarbij de douanepost waaronder de betrokken goederen moeten worden ingedeeld, uiteindelijk dwingend is voorgeschreven, al een belangrijke aanwijzing vormt, dat het hier een moeilijk vraagstuk betreft ( 15 ), en dat er geen sprake is van onzorgvuldigheid van de betrokken marktdeelnemer. ( 16 )
Wat verder de ervaring van de marktdeelnemer betreft, heeft het Hof erop gewezen, dat moet worden onderzocht, of het gaat om een beroepsmatig handelend persoon en „in het bijzonder of hij in het verleden al dergelijke transacties heeft verricht, waarbij de douanerechten wél correct waren berekend”. ( 17 ) Het is inderdaad zo, dat HP-France een beroepsmatig handelend persoon is; zoals de Commissie heeft meegedeeld, mag zij zelfs gebruik maken van een vereenvoudigde aangifteprocedure. Uit het dossier blijkt echter, dat zij tot het moment waarop de Franse autoriteiten de tariefindeling betwistten, de in geding zijnde goederen steeds onder dezelfde tariefpost, te weten post 84.55 C, had ingevoerd.
8.
Tot slot dan de derde voorwaarde: de marktdeelnemer moet te goeder trouw hebben gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte hebben voldaan. Zoals uit de rechtspraak van het Hof ter zake ( 18 ) volgt, is de aangever gehouden aan de douaneautoriteiten alle noodzakelijke inlichtingen te verschaffen die in de gemeenschapsregeling en in voorkomend geval in aanvullende of uitvoerende nationale regels zijn neergelegd. Daartoe kan men niet méér eisen dan, zoals het Hof zelf verklaarde ( 19 ), de gegevens die de belastingschuldige redelijkerwijze kan kennen en verkrijgen, in die zin dat het voldoende is, dat dergelijke gegevens, ook al zijn zij onjuist, te goeder trouw zijn verstrekt.
HP-France heeft de betrokken goederen correct omschreven, maar ze verkeerd ingedeeld door af te gaan op een bindende inlichting die door de bevoegde Duitse douaneautoriteiten aan een zustervennootschap was verstrekt. De aangegeven tariefpost was overigens duidelijk en uitdrukkelijk vermeld naast de omschrijving van de goederen, zodat de douane onmiddellijk en met zekerheid had kunnen — en moeten — vaststellen, dat het niet de juiste tariefpost was.
Wat verder meer in het bijzonder het vereiste van goede trouw betreft, lijkt het mij redelijkerwijze niet mogelijk de goede trouw in twijfel te trekken in een geval waarin, zoals in casu, de betrokken marktdeelnemer op het moment van de feiten zelfs dan geen enkel recht verschuldigd was geweest indien hij voor de goederen de tariefpost had vermeld die later de juiste is gebleken. Ik kan het niet eens zijn met de stelling van de Commissie, dat HP-France om aan deze voorwaarde te voldoen, in ieder geval de Franse douaneautoriteiten om een „indelingsadvies” had moeten vragen. Ik behoef er nauwelijks aan te herinneren, dat de toepasselijke regeling de marktdeelnemers niet verplicht om een indelingsadvies te vragen: het betreft een procedure waarvan de marktdeelnemer gebruik kan (en moet) maken, wanneer hij twijfelt aan de tariefindeling van een goed.
9.
Na het voorgaande behoeft niet meer te worden onderzocht, of in deze zaak is voldaan aan de in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 gestelde voorwaarden voor kwijtschelding van rechten. Volledigheidshalve en voor het geval het Hof de voorgestelde oplossing niet zou overnemen, wil ik toch op dit punt ingaan. Om te beginnen wijs ik erop, dat een verzoek tot kwijtschelding van geboekte, maar nog niet betaalde rechten uit hoofde van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 mijns inziens zeer wel tegelijk met een verzoek tot niet-navordering in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 kan worden ingediend. Bij die twee verordeningen gaat hier niet om alternatieven, maar om verordeningen die verschillende situaties betreffen; niets verzet zich er derhalve tegen, dat een marktdeelnemer door een op dezelfde datum ingediend verzoek probeert te weten te komen of hij, voor het geval het recht op niet-navordering hem niet wordt toegekend, aanspraak heeft op kwijtschelding van de eventueel na te vorderen rechten.
Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 biedt de mogelijkheid invoerrechten terug te betalen of kwijt te schelden in buitengewone omstandigheden „die geen enkele nalatigheid of manipulatie van de zijde van de betrokkene inhouden”. De Franse regering stelt, dat de onderhavige zaak zelfs niet binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 1430/79 valt, daar zover deze de gevallen regelt waarin de autoriteiten terugbetaling of kwijtschelding toestaan van invoerrechten die ten onrechte zijn geheven of verkeerd zijn berekend, terwijl in casu de rechten hadden moeten worden geïnd en dit niet is gebeurd. De waarheid is, dat verordening nr. 1430/79 niet uitsluitend betrekking heeft op gevallen waarin er geen douaneschuld is of waarin meer is gevorderd dan wettelijk verschuldigd is; verder moet er in het bijzonder op worden gewezen, dat artikel 13 betrekking heeft op een hele reeks van situaties waarin achteraf blijkt, dat rechten geheel of ten dele onverschuldigd zijn betaald.
10.
Ik merk in de eerste plaats op, dat het in de onderhavige zaak niet gaat om een van de in artikel 4 van verordening nr. 3799/86 van de Commissie van 12 december 1986 ( 20 ) genoemde „typische” bijzondere situaties waarin terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 mogelijk is. En hoewel is voorzien in een procedure ter beoordeling van andere concrete gevallen die zich kunnen voordoen, lijkt de algehele logica van het stelsel mij van dien aard te zijn, dat het de mogelijkheid uitsluit, met een beroep op artikel 13 te ontkomen aan de navordering van rechten die, hoewel wettelijk verschuldigd, niet zijn geïnd, behalve nu juist in het geval waarin dergelijke rechten, zo zij inderdaad op het juiste moment waren betaald, vervolgens voor terugbetaling in aanmerking waren gekomen. Welnu, het staat vast, dat indien HP-France de toetsenborden onder de later juist gebleken post had aangegeven, zij geen enkel recht zou hebben betaald, omdat voor die goederen een preferentiële behandeling gold binnen de limieten van een tariefplafond.
In werkelijkheid werd het tariefplafond van 1986 in de loop van 1987 overschreden, zoals gemakkelijk valt af te leiden uit het feit, dat de verordening van de Commissie waarbij de heffing van rechten opnieuw werd ingevoerd, op 4 mei 1987 is vastgesteld, hetgeen betekent, dat de inning van de rechten (of eigenlijk hun navordering) uitsluitend de in de loop van 1986 werkelijk verrichte importen betrof en betreft, maar waarvan de situatie pas na 4 mei 1987 is geregulariseerd. En dat is nu juist het geval bij HP-France.
Op gevaar af de geldigheid van het gehele stelsel ter discussie te stellen, kan een dergelijke situatie echter niet als „bijzonder” worden beschouwd, daar zij uitdrukkelijk is voorzien in artikel 13 van verordening nr. 3599/85 van de Raad, die het voor de Commissie mogelijk maakt om — ook na het verstrijken van de betrokken periode — maatregelen te treffen om de afschrijving op de preferentiële tariefquota te beëindigen, van welke mogelijkheid de Commissie gebruik heeft gemaakt bij de vaststelling van verordening nr. 1236/87.
Het feit dus, dat de hier bedoelde marktdeelnemer geen rechten zou. hebben betaald wanneer hij ten tijde van de feiten de betrokken goederen had aangegeven onder de tariefpost die later de juiste bleek te zijn, levert geen bijzondere situatie in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 op; de overschrijding van het tariefplafond en de daaropvolgende herinvoering van de rechten vormen immers een normaal ondernemersrisico, ook voor hen die ten gevolge van een vergissing die pas na de overschrijding van het plafond is ontdekt, niet de preferentiële behandeling hebben gekregen.
11.
Het enige wat nog moet worden vastgesteld, is of het feit dat de betrokken marktdeelnemer is afgegaan op een door de bevoegde douaneautoriteiten van een andere Lid-Staat verstrekte bindende inlichting, een bijzondere omstandigheid kan vormen.
Ik beperk mij in dit verband tot de opmerking, dat, zoals de Commissie zelf in haar schriftelijke opmerkingen heeft erkend, de vergissing van een dergelijke autoriteit zeer wel een „bijzondere omstandigheid” kan opleveren, vooral indien men de situatie in haar geheel beschouwt, dat wil zeggen, dat het gaat om een „bindende” inlichting, verstrekt aan een dochteronderneming van dezelfde groep als waartoe de betrokken marktdeelnemer behoort, en dat deze laatste de betrokken goederen aanvankelijk importeerde uit de Lid-Staat welks douaneautoriteiten de bindende inlichting hebben verstrekt.
Wat vervolgens het bestaan van de andere in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 genoemde voorwaarden betreft, dat wil zeggen ontbreken van manipulatie en van duidelijke nalatigheid, volsta ik met te verwijzen naar hetgeen ik hierboven al heb opgemerkt met betrekking tot artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79.
12.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof dan ook in overweging, de vragen van het Tribunal d'instance du septième arrondissement de Paris te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 5, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1697/79 van dc Raad moet aldus worden uitgelegd, dat een verkeerde bindende tariefinlichting, die door de niet tot navordering bevoegde douaneautoriteiten van een andere Lid-Staat aan een andere marktdeelnemer dan de belastingschuldige is verstrekt, geen vergissing van de bevoegde autoriteiten oplevert; er is daarentegen wel sprake van een vergissing van de voor de inning in de zin van die bepaling bevoegde autoriteiten, wanneer deze ondanks het aantal en de omvang van de door de belastingschuldige verrichte importen, geen bezwaar hebben gemaakt tegen de tariefindeling van de betrokken goederen, ofschoon een vergelijking van de aangegeven tariefpost met de uitdrukkelijke handclsbenaming van de goederen het mogelijk zou hebben gemaakt de juiste tariefindeling te bepalen.
2)
Artikel 5, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1697/79 van de Raad moet aldus worden uitgelegd, dat liet de taak is van de nationale rechter om vast te stellen of de vergissing door de belastingschuldige redelijkerwijze kon worden ontdekt, zulks gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken marktdeelnemer en de zorgvuldigheid waarvan deze blijk geeft. De belastingsschuldige moet aan de douaneautoriteiten alle noodzakelijke inlichtingen verschaffen die de gemeenschapsregeling betreffende de douaneaangifte en in voorkomend geval de aanvullende of uitvoerende nationale regels verlangen; daartoe is het voldoende, dat deze gegevens, ook al zijn zij onjuist, te goeder trouw zijn verstrekt.”
Subsidiair stel ik het Hof voor te antwoorden als volgt:
„Aan de in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1430/79 bedoelde voorwaarden is voldaan, wanneer de betrokken marktdeelnemer, zonder dat er voor het overige sprake is van maniptilatie of kennelijke nalatigheid, is afgegaan op een bindende tariefinlichting, door de bevoegde douaneautoriteiten verstrekt aan een dochteronderneming van dezelfde groep als waartoe hijzelf behoort.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1979, L 197, blz. 1.
( 2 ) PB 1979, L 175, blz. 1.
( 3 ) Zie bijlage II bij verordening (EEG) nr. 3599/85 van de Raad van 17 december 1985 houdende toepassing van algemene tariefprefcrenties voor het jaar 1986 op bepaalde industrieprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden (PB 1985, L 352, blz. 1).
( 4 ) Hierbij dient te worden gepreciseerd, dat ten tijde van de feiten voor goederen van post 84.53 B de invoerrechten eveneens waren geschorst, binnen de grenzen van een (jaarlijks) tariefplafond. Deze grens was in 1986 bereikt, als gevolg waarvan de rechten weer van kracht werden (zie verordening nr. 1236/S7 van de Commissie van 4 mei 1987; PB 1987, L 117, blz. 5) voor de in de loop van dat jaar verrichte transacties die na de overschrijding van het tariefplafond werden geregulariseerd; daarom heeft de door de Franse autoriteiten ingestelde naheffingsprocedure slechts betrekking op de invoer in 1986.
( 5 ) Arrest van 22 mei 1990 (zaak C-322/88, Alimenta, Jurispr. 1990, blz. I-2077, r. o. 9).
( 6 ) Arrest van 20 maart 1986 (zaak 35/85, Tissier, Jurispr. 1986, blz. 1207, r. o. 9).
( 7 ) Zie laatstelijk arrest van 27 juni 1991 (zaak C-348/89, Mecanarte-Metalurgica de Lagoa, Jurispr. 1991, blz. I-3277, r. o. 12).
( 8 ) Arrest reeds aangehaald, r. o. 22.
( 9 ) PB 1990, L 160, blz. 1.
( 10 ) Arresi van 22 oktober 1987 (zaak 314/85, Jurispr. 1987, blz. 4199, r. o. 24); zìe voorts arrest vau 23 mei 1989 (zaak 378/87, Top Hit Holzvcrtricb, Jurispr. 1989, blz. 1359, r. o. 19).
( 11 ) Richtlijn van de Commissie van 17 december 1981 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van richtlijn 79/695/EEG van de Raad inzake de harmonisatie van de procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen (PB 1982, L 28, blz. 38).
( 12 ) Cursivering van mij.
( 13 ) Zie laatstelijk arrest van 16 juli 1992 (zaak C-187/91, Belovo, Jurispr. 1992, blz. I-4937, r. o. 17).
( 14 ) Verordening (EEG) nr. 1288/91 van de Commissie van 14 mei 1991 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB 1991, L 122, blz. 11).
( 15 ) Arrest van 26 juni 1990 (zaak C-64/89, Deutsche Fernsprecher, Jurispr. 1990, blz. I-2535, r. o. 20).
( 16 ) Arrest Belovo, reeds aangehaald, π o. 18.
( 17 ) Arrest Deutsche Fernsprecher, reeds aangehaald, r. o. 21, en arrest Belovo, reeds aangehaald, r. o. 19.
( 18 ) Arrest Top Hit Holzvertrieb, reeds aangehaald, r. o. 22-26.
( 19 ) Arrest Mecanarte-Metalúrgica de Lagoa, reeds aangehaald, r. o. 29.
( 20 ) PB 1986, L 352, blz. 19.
Full & Egal Universal Law Academy