Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 Is de in een regio van een Lid-Staat toepasselijke wettelijke regeling, die de binnenkomst en de verhandeling van vers vlees op het grondgebied van een gemeente onderwerpt aan een verplichte sanitaire controle en aan de betaling van rechten, ongeacht de herkomst van het produkt, verenigbaar met de te dezer zake toepasselijke gemeenschappelijke regelgeving?
2 Dat is kort weergegeven de belangrijkste vraag die de president van het Tribunale di Genova u in de drie zaken Ligur Carni Srl (C-277/91), Ponente SpA (C-318/91) en Genova Carni Srl (C-319/91) voorlegt.
3 Koninklijk besluit nr. 3298 van 20 december 1928 betreffende de goedkeuring van het reglement voor het gezondheidstoezicht op vlees(1), bepaalt in artikel 40:
"Het binnenbrengen in een gemeente van elders geslacht vers vlees dat bestemd is voor winkels die voor het publiek toegankelijk zijn, en voor industriële inrichtingen, is toegestaan op voorwaarde, dat het:
a) voorzien is van het gezondheidskeurmerk (stempel) van de gemeente van oorsprong;
b) vergezeld gaat van een door de gemeentelijke overheid afgegeven certificaat conform het bij dit reglement gevoegde model (model nr. 1), met de verklaring van de gemeentelijke dierenarts, dat het vlees dat voorzien is van het op het certificaat afgedrukte of beschreven gezondheidskeurmerk (stempel), vlees is van een volstrekt gezond dier dat met inachtneming van de toepasselijke regels is geslacht;
c) onderworpen wordt aan een nieuwe keuring door de dierenarts van de gemeente van bestemming."
4 Regionale wet nr. 31 van 22 augustus 1989 van de regio Ligurië, houdende "bepalingen inzake de betaling van de rechten, verschuldigd door particulieren die gebruik maken van de veterinaire verrichtingen van de gemeentelijke gezondheidsdienst"(2), bepaalt dat de door die dienst (Unità Sanitaria Locale; hierna: "USL") verrichte veterinaire inspecties en controles leiden tot het heffen van rechten.
5 Deze bepalingen worden door de regionale administratie van Ligurië zo toegepast en uitgelegd, dat de invoer van vers vlees in deze regio aan de volgende voorwaarden is onderworpen:
- in de gemeente van bestemming mag uitsluitend vlees op de markt worden gebracht, dat bij aankomst een veterinaire keuring heeft ondergaan; bij gebreke van die keuring mag het vlees niet in de handel worden gebracht;
- deze verplichte tegenkeuring wordt verzorgd door de USL van de gemeente van bestemming;
- zij leidt tot de heffing van een recht.(3)
6 Laat ik meteen de twee kenmerken van deze regeling noemen: zij is zonder onderscheid toepasselijk op vers vlees dat wordt ingevoerd uit andere Lid-Staten, en op vers vlees afkomstig uit andere Italiaanse regio's. Zij verplicht tot een sanitaire controle, niet bij het passeren van de intracommunautaire grens, maar in de gemeente van bestemming.
7 Voor vlees dat op het grondgebied van de gemeente La Spezia wordt verhandeld, moet bovendien verplicht gebruik worden gemaakt van de diensten van CO.SE.GE.MA (een coöperatie voor het beheer van de diensten op het gebied van de slacht van de gemeente La Spezia), die een door de gemeentelijke administratie verleend exclusief recht bezit op het inladen, uitladen en vervoeren van vers vlees.
8 De drie verzoeksters in de hoofdgedingen zijn Italiaanse vennootschappen die vers vlees importeren uit andere staten van de Gemeenschap. Niet betwist wordt, dat dit vlees gewoonlijk vergezeld gaat van een gezondheidscertificaat, afgegeven door een officiële dierenarts van het land van verzending, overeenkomstig de communautaire wetgeving.
9 Gedurende de periode 1990-1991 betalen Ligur Carni en Genova Carni, respectievelijk Ponente SpA, aan USL nr. XV te Genua, respectievelijk aan USL nr. XIX te La Spezia, aanzienlijke bedragen ter zake van inspectierechten. Bovendien moet Ponente LIT 70 511 609 aan CO.GE.SE.MA betalen, terwijl deze, hetgeen zij betwist, volgens de importeur in het geheel niet had deelgenomen aan de werkzaamheden voor de distributie van de goederen.
10 Verzoeksters in de hoofdgedingen vragen voor de president van het Tribunale di Genova om teruggave van de aan de USL's (en, wat Ponente betreft, aan CO.GE.SE.MA) betaalde bedragen, op grond dat deze bestaan uit "heffingen" die verboden zijn door de richtlijnen 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees(4), 83/90/EEG van de Raad van 7 februari 1983(5), 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989(6) en 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990(7).
11 De president van het Tribunale di Genova stelt u zes vragen(8), waarvan de laatste twee alleen op zaak C-318/91, Ponente SpA, betrekking hebben, en die in een zakelijke weergave kunnen worden samengevat, als volgt:
- Is een dergelijk stelsel van sanitaire controle in strijd met bovenbedoelde richtlijnen, in zoverre als het verplicht tot "stelselmatige sanitaire controles op kosten van de importeurs" tijdens het vervoer van het vlees en bij aankomst in de gemeente van bestemming? (vragen 1 en 2).
- Zijn deze inspecties maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen die verboden zijn door artikel 30? Kunnen zij gerechtvaardigd worden op grond van artikel 36? (vraag 3).
- Moeten de kosten van dergelijke stelselmatige controles, die ten laste van de importeur komen, worden beschouwd als de tegenprestatie voor aan hem bewezen diensten in de zin van uw rechtspraak? (vraag 4).
- Is het in strijd met de artikelen 30, 52 en 59 van het Verdrag om de marktdeelnemer te verplichten aan een onderneming, ook indien van haar diensten geen gebruik wordt gemaakt, het bedrag te betalen dat overeenkomt met de prijs van de verrichtingen waarvoor deze onderneming is aangesteld in het kader van een haar door een gemeente verleende concessie voor de verlading en het vervoer van goederen? (vragen 5 en 6).
12 Vooraf het volgende: de Italiaanse regering stelt, dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 177, tweede alinea, van het Verdrag, aangezien de van de president van het Tribunale di Genova gevraagde uitspraak de uitkomst zou zijn van een summiere procedure "ter verkrijging van een rechterlijk bevel", uitsluitend op grond van de beweringen van de verzoeker en zonder voorafgaande discussie tussen partijen, dus zonder dat het beginsel van tegenspraak in acht is genomen.(9)
13 In de zaak Politi(10) heeft u op vragen van de president van het Tribunale di Torino, eveneens in een "procedure ter verkrijging van een rechterlijk bevel", geoordeeld dat het feit dat het geen procedure op tegenspraak betrof, geen beletsel was u te adiëren, in zoverre als
"kan worden volstaan met de vaststelling, dat de president van de rechtbank te Turijn met rechtspraak belast is in de zin van artikel 177, dat hij een uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk heeft geacht voor het geven van zijn beslissing en dat het Hof geen overwegingen behoeft te wijden aan de stand van de procedure waarin de vraag is gesteld"(11).
14 Dit is sindsdien vaste rechtspraak.(12) Er kan derhalve geen twijfel bestaan aan de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing.
15 Alvorens op de eigenlijke prejudiciële vragen in te gaan, moet nog een opmerking vooraf worden gemaakt.
16 Ik neem als vaststaand aan, zoals naar mijn mening volgt uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter en de opmerkingen van de Italiaanse regering, dat de nationale Italiaanse wet waarbij richtlijn 64/433/EEG is omgezet, niet heeft geleid tot de intrekking van het koninklijk besluit van 20 december 1928 en regionale wet nr. 31 van Ligurië van 22 augustus 1989.
17 De eerste twee prejudiciële vragen hebben betrekking op de verenigbaarheid met de richtlijnen 64/433/EEG, 89/662/EEG en 90/425/EEG van de wettelijke regeling en de heersende praktijk in de regio Ligurië inzake gezondheidsinspecties en de controle van goederen bij hun doorvoer enerzijds en op het moment van hun binnenkomst in de gemeente van bestemming anderzijds.
18 Ik wijs er in de eerste plaats op, dat de nationale wettelijke bepalingen (koninklijk besluit nr. 3298 van 20 december 1928 en regionale wet nr. 31 van 22 augustus 1989) zijn aangenomen vóór 31 december 1991, de datum waarop de termijn voor omzetting van de richtlijnen 89/662/EEG(13) en 90/425/EEG(14) afliep. In de tweede plaats: het hoofdgeding heeft betrekking op een tijdvak dat vóór laatstgenoemde datum ligt.(15) Het onderwerp van richtlijn 90/425/EEG, ten slotte, staat geheel los van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding.
19 Hieruit volgt, dat uw eventuele uitlegging van deze richtlijnen niet van invloed zou zijn op de toepassing van die nationale wettelijke bepalingen op de feiten van het onderhavige geval.(16)
20 Hoe echter ten aanzien van richtlijn 64/433/EEG?
21 Deze richtlijn, gewijzigd bij richtlijn 83/90/EEG, beoogt in het intracommunautaire handelsverkeer van vers vlees de in de Lid-Staten bestaande ongelijkheid op het gebied van de gezondheidsvoorschriften op te heffen, teneinde het vrije verkeer van de produkten mogelijk te maken onder omstandigheden die overeenkomen met die op een interne markt.(17) Zij bevat niet alleen eenvormige sanitaire voorschriften voor de behandeling van vers vlees in slachthuizen en uitsnijderijen, maar heeft tevens betrekking op de opslag en het vervoer.(18) Zij legt in hoofdzaak verplichtingen op de Lid-Staten van uitvoer. Zij berust op het beginsel van de gelijkwaardigheid van de in alle Lid-Staten voorgeschreven sanitaire waarborgen(19): de in het land van oorsprong verrichte sanitaire controle - leidend tot de afgifte van een gezondheidscertificaat(20) - is geldig voor de gehele duur van het vervoer, dus tot aan de bestemming.(21) De Lid-Staat van invoer kan nagaan, of iedere zending vers vlees vergezeld gaat van het gezondheidscertificaat.(22)
22 Zo hebt u in het arrest van 15 december 1976 (Simmenthal)(23) geoordeeld,
"dat het [geharmoniseerde] stelsel [van sanitaire keuringen] de keuring naar de Lid-Staat van uitvoer verlegt en aldus de systematische beschermingsmaatregelen aan de grens vervangt door een eenvormig stelsel dat de talrijke grenskeuringen overbodig maakt, doch het land van bestemming niettemin de mogelijkheid laat erop toe te zien, dat de waarborgen van het aldus eenvormig gemaakte stelsel inderdaad worden geboden"(24).
23 Artikel 10, leden 2 en 3, van richtlijn 64/433/EEG(25) geeft inderdaad aan het land van bestemming de mogelijkheid, indien er ernstige vermoedens bestaan dat er onregelmatigheden zijn begaan, op niet-discriminerende basis over te gaan tot inspecties om na te gaan of aan de eisen van de richtlijn is voldaan. Deze inspecties mogen niet leiden tot een onnodige vertraging bij de aan- en afvoer en het in de handel brengen van de goederen, noch tot een vertraging waardoor de kwaliteit van het vlees kan worden aangetast.
24 Met betrekking tot deze zelfde richtlijn hebt u geoordeeld, nog voordat het nieuwe artikel 10 door richtlijn 83/90/EEG werd ingevoerd, dat enkel sporadische controles aan de grens van het land van invoer toelaatbaar zijn, mits zij niet zo veelvuldig voorkomen, dat zij een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen.(26)
25 Met richtlijn 83/643/EEG(27) heeft de Raad het beginsel van wederzijdse erkenning van de door de Lid-Staten uitgevoerde controles bekrachtigd(28) en het door richtlijn 64/433/EEG reeds voor vers vlees ingevoerde stelsel uitgebreid tot het vervoer van goederen die nog niet aan een specifieke gemeenschappelijke regeling waren onderworpen. De achtste overweging van de considerans van richtlijn 83/643/EEG is dienaangaande zeer verhelderend:
"(...) dat het voor een betere doorstroming van het vervoer in het goederenverkeer tussen de Lid-Staten wenselijk is, de verschillende controles op dezelfde plaats en bij voorkeur op de plaats van vertrek of bestemming van de goederen te concentreren"(29).
26 Volgens deze richtlijn sluit de controle, uitgevoerd door de ene Lid-Staat en erkend door alle andere, iedere tegenkeuring en iedere andere controle uit, behoudens door steekproeven(30).
27 Ten slotte zijn, om tot een volledig vrij verkeer van de bedoelde produkten te komen, de in het land van verzending verrichte controles tijdens het gehele traject en met name ook bij grensoverschrijding geldig.(31)
28 Met dit stelsel, ingevoerd door richtlijn 64/433/EEG, moet de door de verwijzende rechter beschreven nationale wettelijke regeling worden vergeleken: de controles in de gemeente van bestemming zijn verplicht, stelselmatig en permanent en zijn voorwaarde voor het in de handel brengen van het produkt op het grondgebied van die gemeente. Bovendien is verhandeling niet mogelijk zonder betaling van rechten die "naar eigen inzicht" door de overheid worden vastgesteld.(32) Zoals gezegd kent deze wetgeving een bijzonder kenmerk: de sanitaire controles worden niet uitgevoerd bij de grensoverschrijding, maar binnen de Lid-Staat van bestemming.
29 Het beginsel van wederzijdse erkenning van de controles van de Lid-Staten brengt noodzakelijkerwijs mee, dat geen aanvullende controle wordt verricht, waar dat ook moge geschieden. Op grond van het beginsel van de gelijkwaardigheid van de sanitaire waarborgen treedt de door het land van verzending verrichte controle in de plaats van iedere andere controle, of deze nu plaatsvindt aan de grens van het land van bestemming dan wel daarbinnen. Aan een dergelijk doelmatigheidsbeginsel, volgens hetwelk de eerste controle voor alle Lid-Staten geldt, zou volledig afbreuk worden gedaan, indien datgene wat aan de grens verboden is, op enige afstand daarvan niet meer verboden zou zijn. Men merke bovendien op, dat wanneer de gemeente van bestemming een haven is, er samenloop is tussen de grensoverschrijding en de binnenkomst in de gemeente van bestemming die een sanitaire controle "bij aankomst" uitvoert. In bepaalde gevallen heeft de controle dus wel degelijk plaats bij het overschrijden van de grens.
30 Richtlijn 64/433/EEG moet derhalve aldus worden uitgelegd, dat zij iedere stelselmatige sanitaire controle in het land van bestemming verbiedt, zowel tijdens het vervoer van de goederen als na aankomst op hun bestemming.
31 De door verzoeksters in de hoofdgedingen ingestelde beroepen zijn, voor zover het de toepassing van richtlijn 64/433/EEG betreft, gericht tegen USL nr. XV te Genua (zaken C-277/91 en C-319/91) en USL nr. XIX te La Spezia (zaak C-318/91).
32 Zijn verzoeksters echter wel gerechtigd, zich tegenover dergelijke lichamen op die richtlijn te beroepen?
33 Zoals bekend heeft een richtlijn slechts rechtstreekse werking, indien
1) de Lid-Staat haar niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft omgezet,
2) de bepalingen ervan voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn,
3) daarop een beroep wordt gedaan tegen de staat of een harer organen.
34 Laat ik deze drie punten nagaan.
35 De richtlijnen 64/433/EEG en 83/90/EEG zijn in Italiaans recht omgezet bij wet nr. 1073 van 29 november 1971(33), respectievelijk ministerieel besluit van 15 maart 1985.(34)
36 Zoals wij zagen, laten die omzettingsregelingen evenwel bepalingen in stand die stelselmatige controles voorschrijven.
37 U hebt geoordeeld, dat de onvolledige omzetting van een richtlijn dezelfde gevolgen heeft als het niet omzetten ervan:
"In alle gevallen dat de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, kunnen particulieren zich voor de nationale rechter op die bepalingen beroepen tegenover de staat, wanneer deze hetzij heeft verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan."(35)
38 Bovendien eist u, dat
"elke Lid-Staat aan de betrokken richtlijnen uitvoering geeft op een wijze die (...) ten volle voldoet aan de eisen van duidelijkheid en zekerheid in de door de richtlijnen gewenste rechtssituatie"(36).
39 De relevante bepaling van de richtlijn is in dit geval artikel 10, lid 2, dat zoals wij zagen, voorschrijft dat de Lid-Staten slechts overgaan tot inspecties om na te gaan of aan de eisen van de richtlijn is voldaan, "indien er ernstige vermoedens bestaan dat er onregelmatigheden zijn begaan". Impliciet, maar ondubbelzinnig wordt de Lid-Staten een verplichting om niet te doen opgelegd. Het is hun verboden stelselmatige inspecties uit te voeren. Deze bepaling is voldoende nauwkeurig om een particulier het recht te geven zich erop te beroepen tegenover een staat die dergelijke controles algemeen toepast.
40 Ten slotte kan een particulier, bij de huidige stand van uw rechtspraak, slechts tegenover een Lid-Staat of een overheidsinstantie en niet tegenover een particulier een beroep doen op een duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke bepaling van een niet goed omgezette richtlijn.(37)
41 U aanvaardt echter, dat
"tot de rechtssubjecten tegenover welke een beroep kan worden gedaan op bepalingen van een richtlijn die rechtstreekse werking kunnen hebben, in elk geval, ongeacht zijn juridische vorm, een lichaam behoort dat krachtens een overheidsmaatregel is belast met de uitvoering van een dienst van openbaar belang, onder toezicht van de overheid, en dat hiertoe over bijzondere, verder gaande bevoegdheden beschikt dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden"(38).
42 Het is dus aan de verwijzende rechter om vast te stellen, of de USL's in Ligurië rechtssubjecten zijn die voldoen aan in het arrest Foster(39) gestelde criteria, wil tegenover hen een beroep kunnen worden gedaan op de bepalingen van een richtlijn.(40)
43 Voor het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees heeft richtlijn 64/433/EEG, zoals wij zagen, een geharmoniseerd stelsel van sanitaire controles ingevoerd.(41)
44 Moet dan een regeling die door een staat of een regio daarvan op dit gebied is ingevoerd, onderzocht worden in het licht van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag?
45 Uw vaste rechtspraak op dit punt(42) luidt, dat
"wanneer met toepassing van artikel 100 EEG-Verdrag communautaire richtlijnen de harmonisatie voorschrijven van maatregelen die noodzakelijk zijn om onder meer de bescherming van de gezondheid van mens en dier te waarborgen, en communautaire procedures instellen voor het toezicht op de naleving ervan, een beroep op artikel 36 niet meer gerechtvaardigd is en de harmonisatierichtlijn het kader vormt waarbinnen voortaan de geëigende controles moeten worden uitgevoerd en de beschermende maatregelen moeten worden getroffen (...)
Dit op communautair niveau geharmoniseerd systeem, dat uitgaat van een volledige controle van de waar in het land van verzending, komt in de plaats van de controle in het land van bestemming en heeft ten doel, een vrij verkeer van de betrokken produkten onder dezelfde voorwaarden als in een binnenmarkt mogelijk te maken."(43)
46 Hieruit volgt dat, in aanmerking genomen de antwoorden op de eerste twee vragen, de derde niet behoeft te worden beantwoord.
47 Verzet het gemeenschapsrecht zich tegen het heffen van rechten voor stelselmatige inspecties door de veterinaire diensten, zoals die welke voorgeschreven worden door artikel 1 e.v. van wet nr. 31 van 22 augustus 1989 van de regio Ligurië? Dat is het onderwerp van de vierde vraag.
48 Uit die wet blijkt, dat de USL's een forfaitaire vergoeding (artikel 3, lid 2) heffen ter zake van hun verrichtingen, zoals inspecties, sanitaire controles en de afgifte van certificaten voor de verhandeling.
49 Wanneer de door die instellingen verrichte stelselmatige controles in strijd met richtlijn 64/433/EEG zouden zijn, zouden de bij die controles geheven rechten eveneens strijdig zijn met het gemeenschapsrecht.
50 Dergelijke rechten zouden ook in strijd met het gemeenschapsrecht zijn, indien ze geheven werden voor steekproefsgewijze controles.
51 Het feit dat een steekproefsgewijze controle op de plaats van bestemming door richtlijn 63/433/EEG wordt toegestaan, rechtvaardigt namelijk niet noodzakelijkerwijze, dat bij die gelegenheid een recht ten laste van de importeur wordt geheven, zelfs al zwijgt de richtlijn op dit punt.
52 Uit uw arrest Simmenthal(44), dat met name op de uitlegging van richtlijn 64/433/EEG betrekking had, blijkt dat geldelijke lasten, opgelegd ter zake van sanitaire controles van produkten bij grensoverschrijding, heffingen van gelijke werking als douanerechten vormen. Dat is zelfs het geval, wanneer het recht niet ten behoeve van de staat wordt geheven.(45)
53 Dit zou slechts anders zijn, wanneer de geldelijke lasten deel zouden uitmaken van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden belast.(46)
54 Men zal opmerken, dat de hier onderzochte regeling ingevoerde produkten zou kunnen discrimineren: vers vlees dat afkomstig is van het slachthuis van een gemeente en in diezelfde gemeente in de handel wordt gebracht, wordt aan slechts één sanitaire controle onderworpen: het is niet "elders geslacht" in de zin van koninklijk besluit nr. 3298 en is dus geen voorwerp van de heffing van rechten in de gemeente van bestemming.
55 Bovendien treffen de in deze gemeente uitgevoerde controles alle ingevoerde produkten en hebben zij dezelfde werking als een controle aan de grens; beide controles kunnen trouwens samenvallen, wanneer de gemeente van bestemming een haven is.
56 Het feit, ten slotte, dat die rechten niet alleen de uit een andere Lid-Staat ingevoerde goederen treffen, maar ook die welke de gemeente binnenkomen uit een ander deel van het eigen land, betekent niet, dat zij geen heffing van gelijke werking meer zijn.
57 U hebt immers geoordeeld, dat een aan een regionale grens geheven recht wegens het binnenbrengen van produkten in een regio van een Lid-Staat, een heffing van gelijke werking als een douanerecht vormt, en er daarbij op gewezen dat die heffing
"een minstens even ernstige belemmering voor het vrije verkeer van goederen vormt als een heffing die bij de nationale grens wordt toegepast wegens het binnenbrengen van produkten in een Lid-Staat als geheel"(47).
58 Evenzo zou het nogal paradoxaal zijn, een nationale wettelijke regeling niet onverenigbaar met de artikelen 9 en 12 van het Verdrag te verklaren, omdat zij ook nationale produkten uit andere delen van de betrokken Lid-Staat treft.
59 De heffing van rechten bij sanitaire controles op de plaats van bestemming mag slechts geschieden, wanneer deze rechten de vergoeding zijn voor een aan de marktdeelnemer bewezen dienst(48).
60 Dit is niet het geval wanneer het betreft
"het bestuurlijk handelen van de staat tot handhaving van een in het algemeen belang opgelegd veterinair keuringsstelsel [, hetgeen] niet kan worden beschouwd als een aan de importeur bewezen dienst, die de oplegging van een geldelijke last als tegenprestatie zou kunnen rechtvaardigen; (...) zo veterinaire keuringen ook na het verstrijken van de overgangsperiode al gerechtvaardigd zijn, moeten de kosten daarvan uit de openbare middelen worden bestreden, daar de voordelen van het vrije goederenverkeer aan het algemeen ten goede komen"(49).
61 In de zaak Ponente heeft de verwijzende rechter u ten slotte twee prejudiciële vragen voorgelegd, die specifiek betrekking hebben op het monopolie van CO.GE.SE.MA.
62 De eerste (vraag 5) betreft de vraag, of de artikelen 30, 52 en 59 van het Verdrag zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, waarbij het een onderneming die goederen invoert, wordt verboden op het grondgebied van een gemeente van de Lid-Staat van invoer de handelingen voor het in- en uitladen en de aflevering te verrichten met de middelen waarover zijzelf beschikt.
63 De tweede vraag (vraag 6) betreft de verenigbaarheid met diezelfde artikelen van een administratieve praktijk, inhoudend dat importbedrijven alleen zelf het vervoer en de aflevering van de goederen op een gedeelte van het nationale grondgebied mogen verzorgen, als zij ook dan aan de concessiehoudende onderneming een zeker bedrag betalen, dat alsdan overeenkomt met "niet gevraagde en niet verrichte diensten"(50).
64 Ik zal deze twee vragen gezamenlijk behandelen.
65 Een onderneming, houdster van een exclusieve concessie, beschikt over een monopolie voor de behandeling en het vervoer van vlees op het grondgebied van een gemeente.
66 Wij hebben dus te maken met een onderneming waaraan uitsluitende rechten in de zin van artikel 90 van het Verdrag zijn verleend.
67 Een dergelijke situatie is weliswaar verwant aan die van de zaak Merci(51), maar kan er niet mee worden gelijkgesteld: de toepasselijkheid van artikel 86 van het Verdrag is hier allerminst zeker. Het staat immers niet vast, dat de door deze gemeentelijke concessie bestreken markt een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt uitmaakt.(52) Op basis van de gegevens waarover het Hof beschikt, hebben wij evenmin te maken met een reeks van gemeentelijke monopolies, die in concessie zijn overgedragen aan één groep van ondernemingen, wier activiteiten gevolgen zouden hebben voor de invoer van goederen uit andere Lid-Staten.(53) Indien vaststond, dat dergelijke exclusieve concessies op het grondgebied van een Lid-Staat algemeen verbreid zijn, zou het aan de verwijzende rechter zijn om, gelet op de artikelen 86 en 90, daaruit zijn conclusies te trekken voor de beantwoording van de vraag, of een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt ongunstig wordt beïnvloed.
68 Geheel anders ligt het, wanneer men de onderhavige concessie - en het vervoersverbod dat er voor de ondernemingen die vlees op het grondgebied van de gemeente invoeren, uit voortvloeit - beschouwt in het kader van artikel 30.
69 Zoals bekend heeft dit artikel na 31 december 1969, de datum waarop de overgangsperiode afliep, rechtstreekse werking en roept het voor particulieren rechten in het leven, die de nationale rechters moeten beschermen.(54)
70 Het verbod van maatregelen met gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen is van toepassing op iedere belemmering van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap.
71 Is artikel 30 evenzeer toepasselijk op een situatie die de volgende vier bijzonderheden kent:
1) de verbodsmaatregel is zonder onderscheid toepasselijk,
2) hij betreft slechts het grondgebied van een gemeente,
3) hij heeft slechts een zeer geringe ongunstige invloed op het intracommunautaire handelsverkeer,
4) tot rechtvaardiging van de exclusieve concessie wordt een beroep gedaan op de bescherming van de volksgezondheid?
72 Laat ik deze vier punten nader beschouwen.
73 Ook indien hij zonder onderscheid toepasselijk is en binnenlandse produkten evenzeer treft als uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten, is een nationale maatregel toch in strijd met artikel 30, wanneer hij een beperking van het handelsverkeer tussen Lid-Staten tot gevolg heeft, met name wanneer de invoer van produkten uit andere Lid-Staten duurder en moeilijker wordt gemaakt.(55)
74 Het verbod dat de vleesimporteurs op het grondgebied van een gemeente treft, verplicht hen voor vervoer dat zijzelf kunnen verzorgen, een beroep te doen op de diensten van een vervoerder, hetgeen uiteraard tot een prijsverhoging kan leiden. Het kan er in de praktijk zelfs toe leiden, dat de importeurs zelf het vervoer gaan verzorgen tegen betaling van "tolgeld", dat voldaan wordt zonder tegenprestatie van de zijde van de exclusieve-concessiehouder. Het vervoer komt dan ten laste van de importeur en de vergoeding aan de concessiehouder komt daar nog bij.
75 Zonder rechtstreeks een ongunstige invloed op de invoer te hebben, kan een dergelijke regeling de omvang van de invoer beperken door de verhoging van de transportkosten die zij tot gevolg kan hebben. Er is dus sprake van een verstarring van de markt, van een belemmering van het handelsverkeer die mogelijk onder artikel 30 valt.
76 Een wettelijke regeling die slechts op een deel van het grondgebied van een Lid-Staat van toepassing is, kan met dat artikel in strijd zijn.
77 Dit beginsel is met kracht bevestigd in uw arrest van 25 juli 1991, Aragonesa de Publicidad Exterior(56):
"(...) een maatregel die slechts op een gedeelte van het nationale grondgebied van toepassing is en derhalve een beperkte territoriale werkingssfeer heeft, kan niet aan de kwalificatie $discriminerende of beschermende maatregel' in de zin van de bepalingen betreffende het vrije goederenverkeer ontkomen op de enkele grond, dat hij niet alleen een nadelige invloed heeft op de afzet van uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten, maar ook op die van produkten afkomstig uit andere gedeelten van het nationale grondgebied. Om als discriminerende of beschermende maatregel te kunnen worden aangemerkt, behoeft die maatregel dus niet noodzakelijkerwijs tot gevolg te hebben, dat alle nationale produkten gunstiger worden behandeld of dat uitsluitend ingevoerde produkten worden benadeeld."(57)
78 Overigens merk ik op, dat het paradoxaal zou zijn een regeling die het handelsverkeer beperkt, toe te laten wanneer zij slechts plaatselijke rechtskracht binnen een gemeente of een regio heeft, terwijl zij op nationaal niveau verboden zou zijn. Want wat zou er gebeuren, als alle regio's of gemeenten van een land dezelfde regeling zouden invoeren?
79 Een wettelijke regeling op het gebied van vervoer heeft een zeer rechtstreekse ongunstige invloed op de voorwaarden voor de verhandeling van de produkten binnen de Gemeenschap. Geen enkele beperking van het handelsverkeer, hoe gering ook, mag aanvaardbaar worden geacht. Er is geen reden op dit gebied de "de minimis" theorie toe te passen. Uit het arrest van 13 maart 1984 (Prantl)(58) blijkt namelijk, dat het niet nodig is "dat er aan het handelsverkeer in de Gemeenschap merkbaar afbreuk is gedaan". Het arrest van 18 mei 1993 (Yves Rocher)(59) zegt:
"dat in artikel 30 EEG-Verdrag, de voorschriften die louter hypothetische gevolgen voor de intracommunautaire handel hebben daargelaten, maatregelen die kunnen worden aangemerkt als maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, niet worden gedifferentieerd naar de intensiteit van de gevolgen van die maatregelen voor de handel binnen de Gemeenschap"(60).
80 Volgens CO.GE.SE.MA heeft de gemeentelijke overheid haar de concessie uitsluitend verleend met het oogmerk de gezondheid van de burgers te beschermen.
81 Men kan zich afvragen of dit oogmerk wel bestaat, en dus of een dergelijke concessie noodzakelijk is, aangezien volgens de verwijzende rechter niet betwist wordt, dat die verrichtingen door de importeur zelf mogen worden gedaan, mits hij aan de concessiehoudster een bedrag betaalt, dat alsdan niet beantwoordt aan verleende diensten.
82 Ik wijs er bovendien op, dat geen enkele bijzondere situatie op het gebied van de gezondheid is aangevoerd, welke rechtvaardigt dat het een importeur verboden is zelf het in- en uitladen van vers vlees op het grondgebied van een gemeente te verzorgen. Men zou integendeel gerede twijfel kunnen hebben, of een maatregel die verplicht tot het overladen van ladingen, met het oog op de eisen van volksgezondheid wel opportuun is.
83 Een concessie die slechts tot gevolg zou hebben dat op de importeurs een aanvullende geldelijke last rust, zonder voordeel voor de bescherming van de gezondheid, kan nooit gerechtvaardigd zijn op grond van een dwingend vereiste.
84 Weliswaar moet vers vlees inderdaad in een gemeente in de handel worden gebracht onder omstandigheden die verenigbaar zijn met de bescherming van de volksgezondheid, maar het betrokken verbod gaat, hoe dan ook, verder dan hetgeen strikt noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken.(61)
85 Is het verbod, opgelegd aan de importeur van goederen op het grondgebied van een gemeente, om zelf het in- en uitladen van die goederen in die gemeente te verzorgen, bovendien in strijd met artikel 52 van het Verdrag?
86 Concessies die door particuliere ondernemingen aan andere particuliere ondernemingen worden verleend, zoals bierleveringscontracten(62), vallen zonder enige twijfel onder de mededingingsregels; een door een overheidsinstantie, in casu een gemeentelijke overheid, verleende concessie valt onder bepaalde voorwaarden onder de werking van artikel 52.
87 Men kan gerede twijfel hebben, of een dergelijke concessie verenigbaar is met dat artikel. Wij dienen ons hier echter op de feitelijke situatie te concentreren en na te gaan, of blijkt van een voldoende buitenlands aspect om een beroep op dit artikel te kunnen doen.
88 In het geding voor de verwijzende rechter staat de concessiehoudster (CO.SE.GE.MA) tegenover een Italiaanse onderneming die vlees uit Noord-Europa invoert.
89 Indien deze laatste zich als vervoerder in La Spezia zou willen vestigen, zou het, gezien haar nationaliteit, om een volstrekt nationale situatie gaan.
90 Artikel 52 zou alleen aan de orde kunnen komen, indien aan een onderneming die onderdaan van een andere Lid-Staat is, ieder recht zou worden ontzegd om de activiteiten uit te oefenen die door de concessiehoudende onderneming op het grondgebied van de concessieverlenende gemeente worden verricht. Dat is in casu niet het geval.
91 Ik concludeer hieruit, dat artikel 52 bij gebreke van een buitenlands aspect niet op het onderhavige geding van toepassing is.
92 Hoe staat het met artikel 59?
93 Ik wijs erop, dat het verrichten van diensten, dat hier belemmerd zou worden, betrekking heeft op het vervoer en derhalve niet onder artikel 59, maar onder artikel 61 zou vallen.
94 Het vrij mogen verrichten van diensten wordt hier niet ingeroepen door de dienstverlener: verzoeksters in het hoofdgeding zijn geen onderdanen van andere Lid-Staten, die vervoersdiensten, het voorwerp van de concessie, willen kunnen aanbieden op het grondgebied van de gemeente. Hoogstens willen zij die diensten zelf kunnen verzorgen. Om de hierboven uiteengezette redenen kan een dergelijke situatie niet onder het gemeenschapsrecht vallen.
95 Op artikel 61 zou slechts een beroep kunnen worden gedaan, voor zover de Italiaanse vleesimporteurs als ontvangers van diensten op het grondgebied van de concessieverlenende gemeente gebruik zouden willen maken van de diensten van een vervoerder die onderdaan van een andere Lid-Staat is. Door het bestaan van een exclusieve concessie zijn de betrokken ondernemingen namelijk niet meer vrij in hun keuze van degene die de diensten verricht.
96 Het vrij verrichten van diensten op het gebied van het vervoer veronderstelt de opheffing van iedere discriminatie van degene die diensten verricht, op grond van zijn nationaliteit of de omstandigheid dat hij in een andere Lid-Staat is gevestigd dan die waar de dienst wordt verricht.
97 Zoals bekend is de vrijheid op dit gebied nog niet geheel verwezenlijkt. In afwachting van een definitief stelsel is zij het voorwerp van een overgangsstelsel van cabotage.
98 Dienaangaande breng ik in herinnering, dat het Hof bij arrest van 22 mei 1985(63) heeft vastgesteld, dat de Raad in verzuim is en heeft nagelaten de vrijheid van dienstverrichting op het gebied van het internationaal vervoer te verzekeren en de voorwaarden voor de toelating van niet in een Lid-Staat gevestigde vervoerders tot het binnenlands vervoer in die Lid-Staat vast te stellen.
99 Bij arrest van 7 november 1991(64) hebt u het toelaatbaar geacht, dat de liberalisering van de cabotage in het wegvervoer geleidelijk ten uitvoer wordt gelegd.
100 Hieruit volgt, dat vervoerders die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd en alleen in die Lid-Staat een vergunning als vervoerder hebben, niet op grond van de artikelen 59 tot en met 61 vrijelijk toegang hebben tot deze activiteiten binnen een andere Lid-Staat.
101 De huidige stand van zaken is, dat verordening (EEG) nr. 4059/89 van de Raad van 21 december 1989 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder niet in een Lid-Staat woonachtige vervoersondernemers aldaar tot het binnenlands goederenvervoer over de weg worden toegelaten(65), een communautaire vervoerder van goederen over de weg slechts in het kader van een communautair cabotagecontingent toestaat, binnenlands goederenvervoer in een andere Lid-Staat te verrichten.
102 Artikel 61 roept dus ten behoeve van een importeur geen enkel recht in het leven, dat door hem rechtstreeks kan worden ingeroepen.
103 Mitsdien stel ik u voor, te verklaren voor recht:
1) a) Richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees, zoals gewijzigd bij richtlijn 83/90/EEG van de Raad van 7 februari 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen binnenlandse wettelijke voorschriften en praktijken van een Lid-Staat, op grond waarvan geïmporteerd vers vlees dat reeds in de Lid-Staat van uitvoer aan de aldaar vereiste sanitaire inspecties is onderworpen, in de Lid-Staat van invoer 1) bij doorvoer over het grondgebied van een gemeente en/of 2) bij binnenkomst in de gemeente van bestemming stelselmatige veterinaire inspecties en sanitaire controles waarvan de kosten ten laste van de importeurs komen, moet ondergaan.
b) Een dergelijk verbod kan door een particulier rechtstreeks worden ingeroepen tegenover een instelling die naar het oordeel van de nationale rechter een lichaam is, dat, ongeacht zijn rechtsvorm, krachtens een overheidsmaatregel is belast met de uitvoering van een dienst van openbaar belang, onder toezicht van de overheid, en dat hiertoe over bijzondere, verder gaande bevoegdheden beschikt dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden.
2) Gezien het antwoord op de eerste twee vragen behoeft de derde niet te worden beantwoord.
3) Zowel de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag als richtlijn 64/433/EEG verzetten zich tegen het heffen van rechten voor stelselmatige sanitaire inspecties van uit andere Lid-Staten afkomstig vers vlees door de veterinaire diensten in de gemeenten van doorvoer of van bestemming van de Lid-Staat van invoer.
4) a) Artikel 30 EEG-Verdrag verzet zich tegen een nationale maatregel of administratieve praktijk, die verbiedt dat een onderneming die in een gemeente goederen invoert, op het grondgebied daarvan zelf het inladen, uitladen en afleveren verzorgt of die haar slechts toestaat dat te doen op voorwaarde van de betaling van rechten, zonder tegenprestatie, aan een gemeentelijke concessiehouder.
b) Artikel 52 van het Verdrag is niet van toepassing op een zuiver binnenlandse situatie in een Lid-Staat, zoals die waarbij een onderdaan van die Lid-Staat een door een gemeente op haar grondgebied verleende concessie aanvecht.
c) Artikel 61 van het Verdrag roept geen rechten in het leven, waarop door een particulier rechtstreeks een beroep kan worden gedaan.
(1) - GURI nr. 36 van 12 februari 1929.
(2) - Publikatieblad van de regio Ligurië nr. 15 van 6 september 1989, deel I, blz. 1439.
(3) - Naar het schijnt weigeren de USL's de sanitaire controle uit te voeren, indien het recht niet vooraf wordt betaald. Zie circulaire nr. 27303/3062 van 29 november 1990 van de veterinaire dienst van de regio Ligurië, welke bij de opmerkingen van de Commissie is gevoegd.
(4) - PB 1964, 121, blz. 2012.
(5) - Richtlijn tot wijziging van richtlijn 64/433/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1983, L 59, blz. 10).
(6) - Richtlijn inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB 1989, L 395, blz. 13).
(7) - Richtlijn inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB 1990, L 224, blz. 29).
(8) - De volledige tekst ervan is opgenomen in het rapport ter terechtzitting, punt 14.
(9) - Opmerkingen van de Italiaanse regering in de zaken C-318/91 en C-319/91.
(10) - Arrest van 14 december 1971, zaak 43/71, Jurispr. 1971, blz. 1039.
(11) - R.o. 5, cursivering van mij. Hetzelfde middel is in de zaak Marimex (arrest van 7 maart 1972, zaak 84/71, Jurispr. 1972, blz. 89) door de Italiaanse regering aangevoerd, die zich ter terechtzitting aan 's Hofs oordeel heeft gerefereerd; zie Jurispr. 1972, blz. 93.
(12) - Zie arrest van 21 april 1988, zaak 338/85, Pardini, Jurispr. 1988, blz. 2041, r.o. 8 . Zie ook mijn conclusie in de zaak Corbiau, punten 8 t/m 10 (arrest van 30 maart 1993, zaak C-24/92, Jurispr. 1993, blz. I-1277).
(13) - Zie artikel 22.
(14) - Zie artikel 26.
(15) - Ligur Carni verzoekt om terugbetaling van tussen januari 1990 en juni 1991 betaalde rechten. Genova Carni verzoekt om terugbetaling van tussen februari 1989 en september 1991 betaalde rechten.
(16) - Over de rechtswerking van richtlijnen vóór het aflopen van de termijn voor omzetting, zie arrest van 5 april 1979, zaak 148/78, Ratti, Jurispr. 1979, blz. 1629, in het bijzonder r.o. 43.
(17) - Zie met name de derde overweging van de considerans van richtlijn 64/433/EEG en de eerste van richtlijn 83/90/EEG.
(18) - Zie arrest van 6 oktober 1983, gevoegde zaken 2-4/82, Delhaize, Jurispr. 1983, blz. 2973, r.o. 14.
(19) - Zie arrest van 15 december 1976, zaak 35/76, Simmenthal, Jurispr. 1976, blz. 1871, r.o. 34.
(20) - Artikel 3, lid 1, sub g, van richtlijn 64/433/EEG.
(21) - Zie de zesde overweging van de considerans van richtlijn 64/433/EEG.
(22) - Artikel 10, lid 1, zoals gewijzigd bij artikel 1 van richtlijn 83/90/EEG.
(23) - Reeds aangehaald in voetnoot 21.
(24) - R.o. 35.
(25) - Zoals gewijzigd bij artikel 1 van richtlijn 83/90/EEG.
(26) - Zie r.o. 38 van arrest Simmenthal en r.o. 12 en 13 van arrest Delhaize, beide reeds aangehaald.
(27) - Richtlijn 83/643/EEG van de Raad van 1 december 1983 ter vereenvoudiging van de fysieke controle en de administratieve formaliteiten bij het goederenvervoer tussen Lid-Staten (PB 1983, L 359, blz. 8).
(28) - Zie artikel 3.
(29) - Cursivering van mij. Zie ook artikel 2 van de richtlijn.
(30) - Artikel 2.
(31) - Zie r.o. 14 en 17 van arrest Delhaize: "(...) dat de in het land van verzending verrichte controles tevens betrekking hebben op het vervoer van het vlees en het pluimvee en zich derhalve ook uitstrekken tot de staat van conservering van het vlees tijdens het gehele traject, en dus met name ook bij grensoverschrijding" (r.o. 17, cursivering van mij).
(32) - Zie de tweede vraag.
(33) - GURI nr. 319 van 18 december 1971.
(34) - GURI nr. 68 van 20 maart 1985, blz. 2153, gewijzigd bij besluit van de president van de Republiek nr. 312/91, GURI nr. 233 van 4 oktober 1991.
(35) - Arrest van 22 juni 1989, zaak 103/88, Fratelli Costanzo, Jurispr. 1989, blz. 1839, r.o. 29; cursivering van mij.
(36) - Arrest van 6 mei 1980, zaak 102/79, Commissie/België, Jurispr. 1980, blz. 1473, r.o. 11.
(37) - Zie arresten van 26 februari 1986, zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723, r.o. 48, en 22 februari 1990, zaak C-221/88, Busseni, Jurispr. 1990, blz. I-459, r.o. 23.
(38) - Arrest van 12 juli 1990, zaak C-188/89, Foster, Jurispr. 1990, blz. I-3313, r.o. 20.
(39) - Zie voetnoot 40.
(40) - Zie arresten Foster en Marshall, beide reeds aangehaald, resp. r.o. 15 en r.o. 50.
(41) - Zie arrest Delhaize, reeds aangehaald, r.o. 11.
(42) - Arrest van 20 september 1988, zaak 190/87, Moormann, Jurispr. 1988, blz. 4689.
(43) - R.o. 10 en 11.
(44) - Zie r.o. 41.
(45) - Arrest van 25 januari 1977, zaak 46/76, Bauhuis, Jurispr. 1977, blz. 5, r.o. 10.
(46) - Zie arrest van 8 november 1979, zaak 251/78, Denkavit, Jurispr. 1979, blz. 3369, r.o. 30.
(47) - Arrest van 16 juli 1992, zaak C-163/90, Legros, Jurispr. 1992, blz. I-4625, r.o. 16.
(48) - Arrest van 5 februari 1976, zaak 87/75, Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129, r.o. 10.
(49) - Ibid.
(50) - Ik houd mij aan de tekst van de prejudiciële vraag en zal mij niet uitspreken over de vraag, of CO.GE.SE.MA in feite bedragen heeft ontvangen voor niet gevraagde en niet verrichte diensten, ook al is dit punt bij de mondelinge behandeling aan de orde geweest. Een aspect als dit staat immers uitsluitend ter beoordeling van de nationale rechter.
(51) - Arrest van 10 december 1991, zaak C-179/90, Jurispr. 1991, blz. I-5889.
(52) - Ibid, r.o. 15.
(53) - Zie arrest van 4 mei 1988, zaak 30/87, Bodson, Jurispr. 1988, blz. 2479.
(54) - Arrest Denkavit, reeds aangehaald in voetnoot 49, r.o. 3. Zie ook arrest van 14 december 1982, gevoegde zaken 314-316/81 en 83/82, Waterkeyn, Jurispr. 1982, blz. 4337, en arrest Merci, reeds aangehaald in voetnoot 54, r.o. 23.
(55) - Zie in deze zin het arrest Merci, reeds aangehaald in voetnoot 54, r.o. 22.
(56) - Gevoegde zaken C-1/90 en C-176/90, Jurispr. 1991, blz. I-4151.
(57) - R.o. 24.
(58) - Zaak 16/83, Jurispr. 1984, blz. 1299.
(59) - Zaak C-126/91, Jurispr. 1993, blz. I-2361.
(60) - R.o. 21.
(61) - Hierop wijst de Commissie in haar opmerkingen.
(62) - Zie arresten van 12 december 1967, zaak 23/67, Brasserie de Haecht, Jurispr. 1967, blz. 526, en 28 februari 1991, zaak C-234/89, Delimitis, Jurispr. 1991, blz. I-935.
(63) - Zaak 13/83, Parlement/Raad, Jurispr. 1985, blz. 1513.
(64) - Zaak C-17/90, Pinaud Wieger, Jurispr. 1991, blz. I-5253, r.o. 12.
(65) - PB 1989, L 390, blz. 3. De verordening is nietigverklaard bij arrest van het Hof van 16 juli 1992, zaak C-65/90, Parlement/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-4593. De gevolgen van de verordening zijn niettemin gehandhaafd, totdat de Raad na behoorlijke raadpleging van het Parlement een nieuwe regeling te dezer zake heeft vastgesteld.
Full & Egal Universal Law Academy