CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
W. VAN GERVEN
van 8 oktober 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Onderhavige zaak betreft een verzoek van de Italiaanse Corte Suprema di Cassazione om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over artikel 9, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1153/75 van de Commissie van 30 april 1975 tot invoering van geleidedocumenten en met betrekking tot de verplichtingen van producenten en handelaren, met uitzondering van kleinhandelaren, in de wijnsector. ( 1 ) De gestelde vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen de Prefetto di Ravenna en A. Contarini.
2.
Op 24 april 1986 werd door de Prefetto di Ravenna een boete opgelegd aan Contarini omdat deze kolom 14 van een geleidedocument bij jonge, nog gistende wijn niet had ingevuld. Volgens de Prefetto was Contarini tot dergelijke invulling gehouden krachtens artikel 9, lidi, van verordening nr. 1153/75. Dit artikel, ondertussen vervangen door verordening (EEG) nr. 986/89 ( 2 ), wordt in extenso geciteerd in het rapport ter terechtzitting. Contarini is het niet eens met de Prefetto en steunt zich daarbij op de laatste zin van artikel 9: „Vermelding van deze gegevens is niet verplicht”. Volgens hem slaat deze zin op geheel artikel 9, en dus niet alleen op lid 3. Zo Contarini het bij het rechte eind heeft, dan moest hij kolom 14 in het geheel niet invullen. Ook de Pretore di Lugo, bij wie Contarini beroep instelde tegen de boetebeschikking van de Prefetto di Ravenna, was deze mening toegedaan.
3.
De Prefetto di Ravenna heeft tegen het vonnis van de Pretore di Lugo een cassatieberoep ingesteld bij de Corte Suprema di Cassazione. Deze vraagt het Hof nu „of de bepaling aan het einde van artikel 9 van verordening nr. 1153/75 (.vermelding van deze gegevens is niet verplicht') op alle leden van dat artikel slaat (zoals in het bestreden arrest wordt gesteld), dan wel alleen op de bepalingen van lid 3 (zoals appellant betoogt).”
4.
Net als de Commissie en de Italiaanse regering in hun schriftelijke opmerkingen voor het Hof ben ik de mening toegedaan dat de laatste zin van artikel 9 niet slaat op het gehele artikel 9, maar enkel op het derde lid daarvan.
Een eerste aanwijzing daarvoor is de plaats van de zin binnen artikel 9. Had de Europese wetgever aan alle in artikel 9 besproken vermeldingen een facultatief karakter willen toekennen, zo stelt de Commissie terecht, dan zou hij daartoe een apart laatste lid hebben voorzien. Een bevestiging van deze stelling, weliswaar na de feiten, vindt men in de omstandigheid dat toen in 1986 een vierde lid (m. b. t. Spaanse rode tafelwijn) aan artikel 9 werd toegevoegd ( 3 ), de bewuste laatste zin haar oorspronkelijke positie binnen dat artikel behield. Nadien was deze zin dus niet langer de laatste zin van artikel 9 maar de laatste zin van lid 3 van artikel 9, waaruit duidelijk blijkt dat hij bestemd was om binnen het geheel van de in artikel 9 besloten regeling, slechts betrekking te hebben op lid 3.
5.
Er is daarnaast een inhoudelijke reden om aan de in lid 1 opgesomde vermeldingen geen facultatief karakter toe te kennen. Zowel de Commissie als de Italiaanse regering wijzen er terecht op dat artikel 9 van verordening nr. 1153/75 wil voorkomen dat een produkt tweemaal dezelfde bewerking ondergaat. Dit risico van dubbele bewerking is vanzelfsprekend het grootst voor de in artikel 9, lid 1, eerste alinea, bedoelde niet-afgewerkte produkten (waaronder de hier in geding staande jonge, nog gistende wijn). Zij verdienen daarom extrabescherming in de vorm van verplichte vermeldingen op de geleidedocumenten.
6.
Ten slotte lijkt de door Contarini voorgestelde extensieve interpretatie van de bewuste zin strijdig te zijn met de geest van verordening nr. 1153/75. De vijfde inleidende overweging van deze verordening stelt immers dat „de geleidedocumenten onder meer ten doel moeten hebben de geadresseerde zo volledig mogelijk in te lichten over de aard van het produkt dat hij ontvangt” en „dat derhalve de vervoerde produkten in de documenten zo nauwkeurig mogelijk moeten worden omschreven” (cursivering van mij). Deze overweging pleit, in geval van twijfel, voor een verplichte, niet-facultatieve informatieverstrekking.
7.
Concluderend geef ik het Hof in overweging de door de Corte Suprema di Cassazione geformuleerde vraag als volgt te beantwoorden:
„De laatste zin van artikel 9 van verordening (EEG) nr. 1153/75 slaat alleen op het derde lid van dat artikel.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
( 1 ) PB 1975, L 113, blz. 1.
( 2 ) Zie artikel 23 van verordening (EEG) nr. 986/89 van de Commissie van 10 april 1989 betreffende de begeleidende documenten voor het vervoer van wijnprodukten en de in de wijnsector bij te houden registers (PB 1989, L 106, blz. 1).
( 3 ) Zie artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 418/86 van de Commissie van 18 februari 1986 tot aanpassing van sommige verordeningen betreffende de wijnbouwsector in verband met de toetreding van Spanje en Portugal (PB 1986, L 48, blz. 8). Verordening nr. 418/86 trad in werking op 29 februari 1986, dit is vóór de boctebcscbikbmg.
Full & Egal Universal Law Academy