CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. GULMANN
van 16 februari 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Eén van de middelen om de kwaliteit van wijn te garanderen en te verbeteren, is het beperken van de hoeveelheid wijn die per hectare wordt geproduceerd. ( 1 )
In verordening (EEG) nr. 823/87 van de Raad van 16 maart 1987 houdende vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (hierna: „vqprd-verordening”) ( 2 ), wordt in de vijftiende considerans verklaard dat om het kwaliteitspeil van de wijn te handhaven en om te voorkomen dat de markt door excessieve opbrengsten wordt verstoord, de Lid-Staten voor elke kwaliteitswijn een maximumopbrengst per hectare dienen vast te stellen.
Artikel 11 van de verordening bepaalt:
—
in lid 1, dat voor elke, in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijn (hierna: „vqprd” of eenvoudigweg „kwaliteitswijn”) door de betrokken Lid-Staat een opbrengst per hectare wordt vastgesteld, die in hoeveelheden druiven, druivemost of wijn wordt uitgedrukt, en
—
in lid 2, dat de overschrijding van de in lid 1 bedoelde opbrengst ten gevolge heeft dat voor de gehele oogst het gebruik van de benaming waarop aanspraak wordt gemaakt, wordt verboden, behoudens algemene uitzonderingen of uitzonderingen voor bijzondere gevallen waarin door de Lid-Staten wordt voorzien, onder bepaalde voorwaarden.
2.
Naar aanleiding van deze bepalingen is het Duitse Weingesetz in 1989 en 1990 gewijzigd. § 2a van het Weingesetz bepaalt thans het volgende:
—
lid 1: de regeringen van de Lander met wijnbouwgebieden leggen de toegelaten opbrengst per hectare vast; deze opbrengst per hectare is de maximumhoeveelheid wijn van het betrokken jaar die mag worden verkocht;
—
lid 2: wijn die boven de toegelaten opbrengst per hectare wordt geproduceerd (hierna: „overproduktie”), mag enkel voor nader aangeduide doeleinden worden verkocht, bij voorbeeld als druivesap (maar niet als kwaliteitswijn of tafelwijn); en
—
lid 3: de ovcrproduktie mag onder bepaalde voorwaarden worden opgeslagen en verkocht als kwaliteitswijn tijdens een later wijnjaar, binnen de grenzen van de toegelaten opbrengst per hectare voor het betrokken jaar.
3.
De autoriteiten van het Land Rheinland-Pfalz hadden de toegelaten opbrengst per hectare vastgesteld overeenkomstig het Weingesetz. ( 3 )Kuhn, winbouwer, heeft in 1990 verzocht om de toekenning van een „controlcnummcr” voor een bepaalde hoeveelheid wijn, hetgeen hem het recht zou verlenen, die wijn als kwaliteitswijn op de markt te brengen. ( 4 )
De autoriteiten hebben hem het verzochte controlcnummcr toegekend voor de binnen de toegelaten opbrengst per hectare geproduceerde wijn; zij weigerden evenwel hem het controlcnummcr toe te kennen voor de ovcrproduktie. Als reden voor de weigering werd aangevoerd, dat de voorschriften van het Weingesetz met betrekking tot de toegelaten opbrengst per hectare niet waren nageleefd.
4.
Kuhn heeft daarop tegen de administratie beroep ingesteld bij het Vcrwaltungsgericht Neustadt an der Weinstraße teneinde eveneens een controlcnummcr te verkrijgen voor dc ovcrproduktie.
Kuhn bestrijdt niet, dat de autoriteiten § 2a van het Weingesetz correct hebben toegepast. Hij voert echter aan, dat dit artikel — behalve dat het onverenigbaar is met de Duitse grondwet — op bepaalde punten in strijd is met het gemeenschapsrecht, met name met artikel 11 van de vqprd-verordening.
5.
Het Verwaltungsgericht, van mening dat kan worden getwijfeld aan de verenigbaarheid van § 2a van het Wcingcsetz met artikel 11 van de verordening, heeft bijgevolg een prejudiciële vraag aan het Hof gesteld: het wenst te vernemen, of artikel 11 van de vqprd-verordcning aldus kan worden uitgelegd, dat de in § 2a van het Weingesetz vervatte regeling geoorloofd kan worden geacht.
Plet Vcrwaltungsgericht wijst erop, dat artikel 11 de invoering van een „produktie-rcgeling” betreft, terwijl de Duitse wetgeving zich beperkt tot de invoering van een „afzet-rcgeling”. In dit verband verwijst de nationale rechter naar drie concrete punten op grond waarvan er een tegenstelling lijkt te bestaan tussen de twee soorten regels:
—
in de eerste plaats schrijft de verordening alleen de vaststelling voor van regels betreffende de toegelaten opbrengst per hectare voor kwalitcitswijnen, terwijl de Duitse regels eveneens voorzien in de vaststelling van de toegelaten opbrengst per hectare voor tafclwijn;
—
in de tweede plaats gaan de gemeenschapsregels er noodzakelijkerwijs van uit, dat de toegelaten opbrengst per hectare enkel wordt vastgesteld voor daadwerkelijk bebouwde oppervlakten, terwijl liet volgens de Duitse regels mogelijk is, dat de toegelaten opbrengst per hectare voor een wijnbouwbedrijf eveneens bebouwbare — maar niet bebouwde — oppervlakten omvat; en
—
in de derde plaats bestaat er een verschil tussen de „sanctie” op overproduktie volgens de gemeenschapsregels en de „sanctie” volgens het Weingesetz.
6.
Op het eerste gezicht doet de gedachte wat verrassend aan, dat tussen artikel 11 van de verordening en § 2a van het Weingesetz een onverenigbaarheid zou bestaan die van invloed is op de beslechting van het hoofdgeding. Het lijkt immers, dat deze twee regels op het door Kuhn in het hoofdgeding bestreden punt in ieder geval met elkaar in overeenstemming zijn, aangezien de twee regelingen tot gevolg hebben dat overtollige wijn niet als kwaliteitswijn op de markt kan worden gebracht.
In zijn verwijzingsbeschikking zegt het Verwaltungsgericht uitdrukkelijk, dat de vaststelling van onverenigbaarheid tussen § 2a van het Weingesetz en artikel 11 van de verordening naar zijn mening noodzakelijkerwijs meebrengt, dat de afgifte van een controlenummer ten onrechte is geweigerd en dat in dat geval gevolg dient te worden gegeven aan Kuhns verzoek hem ook voor de overproduktie een controlenummer toe te kennen. Het Verwaltungsgericht vermeldt dat:
—
het controlenummer is geweigerd, omdat het overproduktie betrof die ingevolge § 2a van het Weingesetz niet in het verkeer mocht worden gebracht; en
—
deze weigering enkel gewettigd is, indien de desbetreffende Duitse regels verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, aangezien met het gemeenschapsrecht onverenigbare nationale regels niet-toepasselijk zijn.
7.
In haar opmerkingen aan het Hof verklaarde de Commissie, dat haars inziens sprake is van een zekere mate van onverenigbaarheid tussen het Weingesetz en de gemeenschapsverordening; zij benadrukt daarbij echter tevens, dat deze onverenigbaarheid in het onderhavige geval niet kan leiden tot de niet-toepasselijkheid van de Duitse regels zoals door Kuhn was verzocht en door het Verwaltungsgericht werd overwogen. In wezen is de Commissie van mening, dat de vaststelling dat de Duitse regels in het onderhavige geval niet van toepassing zijn, voor Kuhn een voordeel zou opleveren dat op zichzelf onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
8.
Het gemeenschapsrecht heeft ondanks alles grote vooruitgang geboekt. De huidige zaak biedt het Hof niet de gelegenheid om, zoals zo vaak in het verleden, een uiteenzetting te geven over het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht en het fundamentele belang van de eerbiediging van dat beginsel door de nationale rechterlijke instanties voor een eenvormige en doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht in de Lid-Staten. De prejudiciële vraag zou niet zijn gesteld, indien de verwijzende rechter niet van dit beginsel en de consequenties ervan op de hoogte was geweest. De huidige zaak biedt het Hof daarentegen wel de gelegenheid, zich uit te spreken over de vraag, of er gevallen zijn waarin het voor een partij in een geding voor een nationale rechter niet mogelijk is zich op een bepaling van een verordening te beroepen teneinde de niet-toepasselijkheid van een daarmee strijdige nationale regel te doen vaststellen.
Dc huidige zaak heeft betrekking op het bijzondere geval, dat de betrokken partij, door de toepassing van het voorrangsbeginsel, eventueel een situatie kan doen ontstaan waarin noch de gemeenschapswetgeving noch de desbetreffende nationale regels van toepassing zijn, hetgeen een „juridisch vacuüm” zou scheppen, dat onverenigbaar zou kunnen zijn met de doelstelling van de betrokken gemeenschapsregels.
9.
Naar mijn mening dient bij deze prejudiciële vraag derhalve eerst te worden nagegaan, of de in het onderhavige geval relevante regel van het gemeenschapsrecht door Kuhn voor het Verwaltungsgericht kan worden ingeroepen voor zijn stelling, dat de weigering hem een controlenummer toe te kennen onwettig is. Mijns inziens dient het Hof zich enkel uit te spreken over de voorgelegde vraag, indien het van oordcel is, dat de verordening in het huidige geval door Kuhn kan worden ingeroepen. Om deze voorafgaande vraag te kunnen beantwoorden, dient men echter op de hoogte te zijn van de relevante regels en de juridische standpunten die zijn uiteengezet in de aan het Hof gemaakte opmerkingen over de beweerde onverenigbaarheid tussen de verordening en de Duitse wetgeving. Ik zal deze daarom eerst uiteenzetten.
Het feit dat in Duitsland ook voor tafelwijn een toegelaten opbrengst per hectare is vastgesteld
10.
Het Verwaltungsgericht heeft terecht opgemerkt, dat de verplichting voor de Länder om toegelaten opbrengsten per hectare vast te stellen, volgens § 2a van het Wcingcsetz mede andere wijnen dan vqprd omvat, terwijl artikclll van de verordening enkel bepaalt, dat een toegelaten opbrengst per hectare voor vqprd dient te worden vastgesteld.
Aangezien de gemeenschapswetgeving geen enkele regel bevat inzake de toegelaten opbrengst per hectare voor tafelwijn, kan men stellen dat, gezien het alomvattende karakter van het gemeenschapsrecht op dit gebied, de Lid-Staten niet bevoegd zijn dergelijke regels vast te stellen.
De Commissie en de Duitse regering voeren niettemin aan, dat het wegens de zeer bijzondere omstandigheden in Duitsland gerechtvaardigd is, dat de Duitse regels inzake de toegelaten opbrengst per hectare eveneens van toepassing zijn op tafelwijn. Zij wijzen erop, dat met betrekking tot alle wijnmerken in Duitsland de mogelijkheid is erkend vqprd te produceren, en bovendien dat bepaalde uit Duitsland afkomstige tafelwijnen als „Landwein” kunnen worden aangemerkt, en dat het gemeenschapsrecht uitdrukkelijk bepaalt dat het mogelijk is, regels vast te stellen inzake de toegelaten opbrengst per hectare voor Landwcin.
De berekening van de toegelaten opbrengst per hectare (bebouwde oppervlakte in tegenstelling tot onbebouwde doch bebouwbare oppervlakte)
11.
Artikeln, lidi, van de verordening luidt als volgt:
„Voor elke vqprd wordt door de betrokken Lid-Staat een opbrengst per hectare vastgesteld, die in hoeveelheden druiven, druivcmost of wijn wordt uitgedrukt.
Bij de vaststelling van deze opbrengst wordt in het bijzonder rekening gehouden met de opbrengsten van de tien voorafgaande jaren, waarbij alleen de kwalitatief bevredigende oogsten van de voor het bepaalde gebied representatieve gronden in aanmerking worden genomen.
Voor een zelfde vqprd kan een verschillende opbrengst per hectare worden vastgesteld naar gelang van:
—
het deelgebied, de gemeente of het deel van de gemeente,
—
het wijnstokras of de wijnstokrassen,
waaruit, onderscheidenlijk, de gebruikte druiven afkomstig zijn.
Deze opbrengst kan door de betrokken Lid-Staat worden gecorrigeerd.”
Het Duitse Weingesetz zegt niet uitdrukkelijk, of alleen voor de bebouwde oppervlakten een toegelaten opbrengst per hectare moet worden vastgesteld, ofwel dat de bebouwbare — maar in feite niet bebouwde— oppervlakten eveneens mogen worden meegeteld. Uit de voorstukken van de wet blijkt echter, dat de Länder over deze laatste mogelijkheid beschikken. In bepaalde delen van het Land Rheinland-Pfalz — waaronder het gebied waar het bedrijf van Kuhn zich bevindt — is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Hierbij geldt evenwel als voorwaarde, dat de in de berekening opgenomen onbebouwde oppervlakten niet meer dan 12 % van de totale oppervlakte van de onderneming mogen uitmaken. Bovendien -wordt in gebieden waar men oppervlakten in aanmerking neemt die niet bebouwd zijn, de toegelaten opbrengst per hectare met 3 % verminderd in vergelijking met de opbrengst per hectare in gebieden waar men enkel bebouwde oppervlakten in aanmerking neemt.
De verwijzende rechter is van mening, dat de mogelijkheid onbebouwde oppervlakten in aanmerking te nemen, moeilijk verenigbaar is met de in de vqprd-verordening opgenomen regeling ter bevordering van de kwaliteit. Kuhn en de Commissie zijn het hiermee eens. Zij merken op, dat het begrip toegelaten opbrengst per hectare veronderstelt, dat men bij de vaststelling van de opbrengst per hectare enkel rekening houdt met de werkelijk bebouwde oppervlakten. Bovendien benadrukt de Commissie, dat het meerekenen van onbebouwde oppervlakten tot discriminatie leidt, niet alleen tussen gebieden waar het mogelijk is, onbebouwde oppervlakten mee te rekenen, en gebieden waar dat niet het geval is, maar ook tussen bedrijven binnen de eerstgenoemde gebieden.
De Duitse regering betoogt, dat de Duitse regels op dit punt niet in strijd zijn met artikel 11 van de verordening; de verordening bevat dienaangaande geen enkel uitdrukkelijk voorschrift. Bovendien bestaat er voor de Duitse regel een concrete wettige grondslag, aangezien zij er in bepaalde zwaar getroffen gebieden toe bijdraagt, wijnbouwers aan te sporen, bepaalde door ziekte aangetaste oppervlakten gedurende een jaar niet te bebouwen.
De sanctie bij overschrijding van de toegelaten opbrengst per hectare
12.
Lid 2 van artikel 11 bepaalt:
„Overschrijding van de in lid 1 bedoelde opbrengst heeft ten gevolge dat voor de gehele oogst het gebruik van de benaming waarop aanspraak wordt gemaakt, wordt verboden, behoudens algemene uitzonderingen of uitzonderingen voor bijzondere gevallen waarin door de Lid-Staten wordt voorzien op de voorwaarden die zij in voorkomend geval al naar gelang de produktiegebieden vaststellen; deze voorwaarden hebben met name betrekking op de bestemming van de wijnen of van de betrokken produkten.”
Zoals reeds gezegd, bepaalt § 2a van het Weingcsetz, dat de vastgestelde opbrengst per hectare, de maximale hoeveelheid wijn van het betrokken jaar vormt die mag worden verkocht, en dat de overproduktic alleen voor andere nauwkeurig omschreven doeleinden — en niet als tafclwijn of kwaliteitswijn— mag worden verkocht, en dat de overproduktic kan worden opgeslagen en, onder bepaalde voorwaarden, als kwaliteitswijn mag worden verkocht tijdens latere wijnjaren, binnen de grenzen van de voor het betrokken jaar vastgestelde toegelaten opbrengst per hectare,
13.
Het Verwaltungsgericht wijst erop dat het Weingesetz niet bepaalt, dat de Länder een opbrengst per hectare moeten vaststellen, maar enkel de hoeveelheden die elk jaar als kwalitcitswijn mogen worden verkocht, en dat de regeling daarom in de eerste plaats een afzctregcling is. De verwijzende rechter voegt hieraan toe, dat een wijnbouwer volgens de Duitse regels per hectare zoveel kan produceren als hij wenst, zonder dat zijn wijn daardoor de aanduiding vqprd verliest, hetgeen zelfs geldt voor de overtollige hoeveelheden: deze mag volgens § 2a, lid 3, van het Weingesetz als vqprd op de markt worden gebracht gedurende een later wijnjaar. De rechter is van mening, dat de door de Duitse wetgeving ingevoerde regeling grote verschillen vertoont met de regeling van artikel 11, lid 2, van de verordening, en dat de sanctie van de verordening „veel zwaarder” is dan die van het Weingesetz.
In wezen delen Kuhn en de Commissie de mening van het Vcrwaltungsgericht en zijn zij van oordeel, dat de Duitse sanctieregeling in strijd is met de regeling van artikel 11, lid 2, van de verordening.
14.
De Duitse regering bestrijdt weliswaar niet, dat de twee regelingen in zekere zin uiteenlopende rechtsgevolgen verbinden aan een overschrijding van de toegelaten opbrengst per hectare. Zij merkt echter op, dat de beide regelingen in wezen hetzelfde doel hebben, te weten de beperking van de produktio van vqprd om de kwaliteit ervan te verzekeren en te verbeteren en om verstoring van de markt te voorkomen, en dat er niet veel verschil bestaat tussen het produktiebcperkend effect van de twee sancties. De regering benadrukt met name, dat volgens de gemeenschapsregels niets belet dat een wijnbouwer die de toegelaten opbrengst per hectare overschrijdt, zijn totale produktie als tafclwijn verkoopt, terwijl een Duitse wijnbouwer die de toegelaten opbrengst per hectare overschrijdt, niet over de mogelijkheid beschikt de overproduktic als tafclwijn te verkopen. De Duitse regering voert verder aan, dat de mogelijkheid de overproduktic tijdens latere jaren te gebruiken door deze op te slaan, vanwege de beperkte opslagmogelijkheden in de praktijk niet zo belangrijk is. Zo gezien valt de Duitse regeling volgens artikel 11, lid 2, onder de mogelijkheid voor de Lid-Staten, in algemene uitzonderingen te voorzien.
De Commissie werpt op dit punt tegen, dat de mogelijkheid voor de Lid-Staten om in uitzonderingen te voorzien, niet de volledige veronachtzaming van het beginsel waarop de sanctie van de verordening berust, tot gevolg mag hebben, en dat de uitzonderingen in ieder geval op zijn minst juridische gevolgen moeten hebben die gelijk zijn te stellen met het verbod op het gebruik van de kwaliteitsaanduiding voor de gehele oogst. Volgens de Commissie voldoen de Duitse regels niet aan deze voorwaarden.
Produktieregeling versus afzetregeling
15.
Naar de mening van het Verwaltungsgericht is met de Duitse regels een „afzet regeling” ingevoerd, terwijl de gemeenschapsverordening in een „produktieregeling” voorziet. In hun opmerkingen aan het Hof hebben Kuhn en de Commissie te kennen gegeven het hiermee eens te zijn.
Naar mijn mening moet geen belang worden gehecht aan deze terminologie. Het blijft vatbaar voor discussie of het juist is de twee regelingen aldus te betitelen. Eventueel kan worden gesteld, dat zij de concrete verschillen tussen de twee regelingen wel tot uitdrukking brengen. Men mag echter niet uit het oog verliezen, dat beide regelingen de produktie beogen te beperken, en dat zij geen van beide een echt verbod bevatten op het produceren van wijn boven de toegelaten opbrengst per hectare — hetgeen uiteraard niet uitsluit, dat er belangrijke verschillen kunnen bestaan in de doeltreffendheid waarmee de twee regelingen hun gemeenschappelijk doel verwezenlijken.
De grenzen aan de mogelijkheid zich in geschillen voor nationale rechterlijke instanties op het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht te beroepen
16.
In het arrest Simmenthal ( 5 ) heeft het Hof uiteengezet, waarom de voorrang van het gemeenschapsrecht van fundamenteel belang is. „De toekenning van enige rechtskracht aan nationale wetgevende handelingen die op het terrein komen waarbinnen de wetgevende bevoegdheid der Gemeenschap geldt, of die anderszins met de bepalingen van het gemeenschapsrecht onverenigbaar zijn, zou neerkomen op een ontkenning in zoverre van de werkingskracht van door de Lid-Staten bij het Verdrag onvoorwaardelijk en onherroepelijk aanvaarde verbintenissen, en zou aldus tornen aan de grondslagen zelf der Gemeenschap.” ( 6 ) In hetzelfde arrest heeft het Hof de verplichtingen van de nationale rechterlijke instanties en hun doorslaggevende rol in dit verband benadrukt. „Elke in het kader zijner bevoegdheid aangezochte nationale rechter is verplicht het gemeenschapsrecht integraal toe te passen en de door dit recht aan particulieren toegekende rechten te beschermen, daarbij buiten toepassing latend elke eventueel strijdige bepaling van de nationale wet, ongeacht of deze van vroegere of latere datum is dan de gemeenschapsregel.” ( 7 )„Krachtens het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht, hebben de verdragsbepalingen en de rechtstreeks toepasselijke handelingen der instellingen tot gevolg (...) niet alleen dat zij door het enkele feit van hun inwerkingtreding elke strijdige bepaling van de bestaande nationale wetgeving van rechtswege buiten toepassing doen treden, maar ook (...) in de weg staan aan de geldige totstandkoming van nieuwe nationale wetgevende handelingen, voor zover die onverenigbaar met de gemeenschapsregels zouden zijn.” ( 8 )
17.
Het is ontegenzeglijk zo, dat de handhaving door de nationale rechterlijke instanties van het beginsel van de voorrang er in hoge mate toe bijdraagt — zoals ook door Kuhn is benadrukt—, dat de Lid-Staten de hun door het gemeenschapsrecht opgelegde verplichtingen eerbiedigen. In zijn arrest Van-Gcnd & Loos ( 9 ) heeft het Hof het belang van de nationale rechterlijke instanties in dit opzicht benadrukt. Het verklaarde met name:
„Een beperking der waarborgen tegen schending van [hun communautaire verplichtingen] enkel tot de procedures der artikelen 169 en 170 [EEG-Verdrag, zou] elke onmiddellijke rechtsbescherming van de eigen aanspraken der ingezetenen uitsluiten. (...) De waakzaamheid der belanghebbenden op de verzekering van hun rechten [verschaft] een doelmatige controle, die zich paart aan het toezicht dat de artikelen 169 en 170 aan de Commissie en de Lid-Staten opdragen.”
18.
Niettemin staat het vast, dat het tot de algemene bevoegdheden van de Commissie en de Lid-Staten — die op basis van de artikelen 169 en 170 EEG-Verdrag een procedure bij het Hof kunnen instellen — behoort, te doen vaststellen of de staten al dan niet hun uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen nakomen.
Een dergelijke algemene bevoegdheid is niet aan particulieren toegekend. Hun mogelijkheden zich op gemeenschapsregels te beroepen om de strijdigheid van nationale regels — en bijgevolg hun nietocpassclijkhcid — te doen vaststellen, is op diverse manieren beperkt.
Deze beperkingen komen zowel uit het nationale recht als uit het gemeenschapsrecht voort; in wezen gaat het er daarbij om, dat particulieren — om zich te kunnen beroepen op de betrokken gemeenschapsregel— dienen te beschikken over een juridisch belang dat bescherming verdient, en dat deze regel aan bepaalde voorwaarden moet voldoen om door de nationale rechter te kunnen worden toegepast.
19.
In beginsel kunnen particulieren zich enkel beroepen op gemeenschapsregels die rechtstreekse werking hebben. Deze regels worden juist gekenmerkt door het feit dat zij kunnen worden ingeroepen voor een nationale rechter, die — overeenkomstig het gemeenschapsrecht— verplicht is, deze in aanmerking te nemen bij de motivering van zijn beslissing.
De criteria die algemeen worden gehanteerd bij de vaststelling dat gemeenschapsregels rechtstreekse werking hebben, houden verband met hun geschiktheid rechtstreeks te worden toegepast door de nationale rechter, en meer in het bijzonder met de vraag, of deze regels voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn.
20.
De gemeenschapsregel waarop Kuhn zich in het hoofdgeding beroept, is een bepaling van een verordening. Onder verwijzing naar artikel 189 EEG-Vcrdrag heeft het Hof vastgesteld, dat een verordening, naar haar aard en functie in het stelsel van de communautaire rechtsbronnen, rechtstreeks werkt en als zodanig aan particulieren rechten kan verlenen die de nationale rechter verplicht is te beschermen. ( 10 ) Dit betekent uitcraard niet, dat elke bepaling van een verordening geschikt is om te worden ingeroepen als bron van rechten voor particulieren. ( 11 ) Verordeningen kunnen bepalingen bevatten die uitsluitend tot de Lid-Staten zijn gericht en aan deze de verplichting opleggen, regels met een bepaalde inhoud vast te stellen; bovendien bestaan er — zoals hieronder zal blijken — bepalingen die, gezien hun doelstelling, niet beogen particulieren het recht te verlenen om zich daarop te beroepen teneinde de niet-toepasselijkheid van een daarmee strijdige nationale regel te doen vaststellen.
21.
Al mag derhalve de regel die hier wordt ingeroepen, een regel uit een verordening zijn, toch is het niet mogelijk met volledige zekerheid op de vraag te antwoorden, of Kuhn deze bepaling kan inroepen om de niet-toepasselijkheid van de nationale regel te doen vaststellen.
Bovendien is het naar mijn mening, in de omstandigheden van het onderhavige geval, moeilijk om het antwoord op die vraag in de rechtspraak van het Hof aangaande de rechtstreekse werking van gemeenschapsregels te vinden.
22.
Deze omstandigheden worden gekenmerkt door het volgende:
—
de ingeroepen gemeenschapsregels kunnen als uitgangspunt worden gebruikt om te bepalen, of de betrokken nationale regels in strijd zijn met de gemeenschapsregels, maar
—
de gemeenschapsregels zijn niet — of niet noodzakelijkerwijs — van dien aard, dat zij als alternatieve regels voor de eventueel daarmee strijdige nationale regels kunnen worden toegepast, daar zij gezien hun inhoud geen — althans niet met zekerheid— rechten en verplichtingen jegens particulieren vastleggen waarvan door de nationale rechterlijke instanties de naleving kan worden afgedwongen.
Het is de vraag, of een particulier in die omstandigheden wel de mogelijkheid heeft gemeenschapsregels en het beginsel van de voorrang in te roepen, met als gevolg dat noch de strijdige nationale regels (die daardoor niet-toepasselijk worden), noch de gemeenschapsregels als basis kunnen dienen voor de bepaling van de rechtspositie van de particulier.
23.
In een zaak als de onderhavige wordt door een particulier een gemeenschapsregel ingeroepen om voor zichzelf een recht te creëren —namelijk het recht te ontsnappen aan de toepassing van een bestaande nationale regel die hem verplichtingen oplegt. De door hem ingeroepen gemeenschapsregel doet jegens hem echter geen rechten, doch verplichtingen ontstaan. In een dergelijke situatie kan men zich afvragen, of men het recht van particulieren zich op gemeenschapsregels met een dergelijke inhoud te beroepen, dient te beperken tot die regels die door de nationale rechter als alternatieve rechtsbasis kunnen worden gebruikt om de toepasselijke rechtstoestand te bepalen.
Naar mijn mening is een vereiste van zo algemene aard moeilijk te rechtvaardigen, daar het waarschijnlijk eveneens aanzienlijke beperkingen zou meebrengen van de mogelijkheden voor particulieren, zich op gemeenschapsregels te beroepen om de niet-toepassclijkheid van strijdige nationale regels te doen vaststellen.
24.
Naar mijn mening zijn deze mogelijkheden in dit soort gevallen het best af te bakenen met het vereiste, dat particulieren een door het gemeenschapsrecht beschermd belang dienen aan te tonen om zich op de regel te kunnen beroepen.
25.
Het komt mij voor, dat de Commissie en de Duitse regering in hun opmerkingen uitgaan van dezelfde gedachten. Zij benadrukken, dat een particulier zich niet kan beroepen op een gemeenschapsregel die hem verplichtingen oplegt, teneinde de niet-toepasselijkheid te doen vaststellen van een nationale regel die hem eveneens verplichtingen oplegt, waardoor een „juridisch vacuüm” ontstaat dat met de door de twee regels nagestreefde doelstelling onverenigbaar is.
26.
In het arrest van het Hof in de zaak Ratti ( 12 ) komt waarschijnlijk dezelfde opvatting tot uitdrukking. Ratti werd in Italië vervolgd wegens het op de markt brengen van oplosmiddelen op een wijze die een schending opleverde van de Italiaanse regels inzake het verhandelen van deze produkten. Ratti voerde aan, dat zijn handelwijze in overeenstemming was met de in een richtlijn van de Raad vastgelegde regels; deze richtlijn had door Italië moeten zijn uitgevoerd. In dit verband verklaarde het Hof met name het volgende:
„Wanneer (...) een justitiabele die overeenkomstig de bepalingen van een richtlijn heeft gehandeld, de nationale rechter verzoekt een nationale bepaling die onverenigbaar is met die door een Lid-Staat — in strijd met zijn verplichting— niet in zijn nationale rechtsorde ingevoerde richtlijn, buiten toepassing te laten, dan dient die rechter aan dat verzoek te voldoen indien de betrokken verplichting onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is.
(...) een Lid-Staat [mag] zijn nationale, nog niet aan een richtlijn aangepaste wetgeving — ook indien deze strafbedreigingen bevat— na het verstrijken van de voor de uitvoering van die richtlijn gestelde termijn niet (...) toepassen op degene die overeenkomstig de bepalingen van die richtlijn handelt” (r. o. 23 en 24; (cursivering van mij).
Het arrest zegt niet uitdrukkelijk, wat de rechtspositie zou zijn, indien de betrokken produkten niet in overeenstemming met de regels van de richtlijn op de markt waren gebracht. Men mag echter gevoeglijk aannemen, dat het Hof, door te benadrukken dat de regels van de richtlijn waren nageleefd, althans de mogelijkheid heeft willen openlaten om, ingeval van niet-nalcving, Ratti niet te vergunnen zich op de regels van de richtlijn te beroepen, zelfs indien deze laatste onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk waren en zelfs ingeval van een overduidelijke onverenigbaarheid tussen de gemeenschapsregels en de Italiaanse regels. ( 13 )
27.
Alvorens te onderzoeken, of Kuhn zich in het hoofdgeding op artikel 11 van de verordening kan beroepen, wil ik opmerken, dat het naar mijn mening voor nationale rechterlijke instanties praktisch onbeperkt mogelijk is de voorrang van het gemeenschapsrecht te handhaven, indien als voorwaarde wordt gesteld, dat particulieren een door het gemeenschapsrecht beschermd belang hebben om zich op de gemeenschapsregels te beroepen, teneinde de niet-toepasselijkheid van de nationale regels te doen vaststellen. In het betrekkelijk kleine aantal gevallen waarin men zich concreet moet afvragen, of aan dit vereiste is voldaan, dient het Hof de precieze inhoud van dit vereiste vast te stellen in het licht van de bij de behandeling van dergelijke zaken opgedane ervaring.
28.
In alle lopende zaken behouden de nationale rechters de mogelijkheid in te grijpen bij tegenstrijdigheid tussen de gemeenschapsregels en de nationale regels, indien zij de tegenstrijdigheid kunnen vaststellen op basis van de betrokken gemeenschapsregels. Een uitzondering hierop ware slechts te overwegen in gevallen waarin het ontstaan van een „juridisch vacuüm” in strijd zou zijn met het doel van de gemeenschapsregel; een „juridisch vacuüm” in die zin, dat onderdanen van de Lid-Staten aan de verplichtingen ontsnappen die de gemeenschapsregels evenals de nationale regels hun beogen op te leggen.
Zelfs indien men in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid voor particulieren zich op het gemeenschapsrecht te beroepen, zou wegnemen, dan wil dit nog niet zeggen, dat de met het gemeenschapsrecht strijdige nationale juridische situatie in stand kan blijven. Dit betekent alleen, dat geschillen over de vraag, in hoeverre bepaalde juridische situaties in strijd zijn met het gemeenschapsrecht, beslecht dienen te worden via een beroep wegens niet-nakoming ex de artikelen 169 en 170 EEG-Verdrag. Indien aldus bij arrest wordt vastgesteld, dat de betrokken nationale regel in strijd is met het gemeenschapsrecht, dan volgt uit artikel 171 van het Verdrag, dat de Lid-Staat de nodige maatregelen moet nemen ter uitvoering van het arrest.
Kan Kuhn zich op artikel 11 van de verordening beroepen om de niet-toepasselijkheid van § 2a van het Duitse Weingesetz te doen vaststellen?
29.
Naar mijn mening leidt de toepassing van de hierboven door mij uiteengezette standpunten tot het volgende resultaat.
30.
De beweerde onverenigbaarheid tussen de Duitse regel en de gemeenschapsregel in die zin, dat de Duitse regel eveneens in de vaststelling van een toegelaten opbrengst per hectare voor tafelwijn voorziet en toestaat, dat bij de toegelaten opbrengst per hectare eveneens de onbebouwde oppervlakten in aanmerking worden genomen, kan mijns inziens niet door Kuhn in het hoofdgeding worden ingeroepen om te doen vaststellen, dat § 2a van het Weingesetz niet toepasselijk is als rechtsgrondslag voor de administratieve handeling waarbij zijn verzoek om een controlenummer is verworpen. Hiervoor bestaan minstens twee redenen.
In de eerste plaats valt moeilijk in te zien, hoe een tegenstrijdigheid tussen de gemeenschapsregel en de Duitse regel op deze punten van belang kan zijn in verband met de bepalingen van het Weingesetz op grond waarvan Kuhns verzoek is verworpen. Het komt mij trouwens voor, dat uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat het Vcrwaltungsgericht de mening is toegedaan, dat een onverenigbaarheid tussen de Duitse regel en de gemeenschapsregel —wat die twee aspecten betreft— niet van rechtstreeks belang is voor de beslechting van het geschil. Ik heb de indruk, dat de verwijzende rechter vermeldt dat hij niet zeker is of de verordening en de Duitse wet op die punten verenigbaar zijn, om — bij wijze van spreken — zijn twijfel, die voor de beslechting van het geschil van beslissende betekenis is, omtrent de verenigbaarheid van de sancticbepaling van het Weingesetz met die van de gemeenschapsverordening, te ondersteunen.
In de tweede plaats komt het mij bovendien voor, dat Kuhn in ieder geval in het kader van het hoofdgeding niet heeft aangetoond, dat hij over een door het gemeenschapsrecht beschermd belang beschikt om een eventuele onverenigbaarheid op deze twee punten te doen vaststellen tussen de gemeenschapsverordening en de Duitse regels. Naar mijn mening heeft Kuhn niet bewezen, dat hij zich in een andere en — in de concrete context van het geding — betere rechtspositie zou bevinden, wanneer de gemeenschapsregels op hem zouden zijn toegepast overeenkomstig de uitleg die hij eraan geeft.
31.
Het lijdt geen twijfel, dat de kern van het geschil gelegen is in de beweerde tegenstrijdigheid tussen de sanctiebepaling van artikel 11, lid 2, van de verordening en die van § 2a van het Duitse Weingesetz. De verwerping van het door Kuhn ingediende verzoek om een controlenummer is gebaseerd op de sanctiebepaling van § 2a van het Weingesetz.
32.
Wat de sanctie van artikel 11, lid 2, van de verordening betreft, wil ik nog wijzen op een aspect dat in de bij het Hof ingediende opmerkingen niet is belicht, Men moet zich afvragen, of de materiële bepalingen van artikel 11, lid 2, van de verordening —dat wil zeggen het verbod de kwaliteitsaanduiding voor de gehele oogst te gebruiken bij overschrijding van de toegelaten opbrengst per hectare — rechtstreekse werking hebben. Het is de vraag, of het aan de nationale autoriteiten, en dus ook aan de nationale rechterlijke instanties staat, om de eerbiediging van dit verbod rechtstreeks op basis van de bepaling van de verordening af te dwingen. De Duitse administratieve regeling lijkt de oplegging van een dergelijk verbod mogelijk te maken, aangezien de nict-naleving van de regel inzake de toegelaten opbrengst per hectare kan worden bestraft met de weigering een controlenummer toe te kennen, met liet gevolg dat de wijn niet als kwaliteitswijn op de markt kan worden gebracht.
De toekenning van rechtstreekse werking aan de communautaire sanctiebepaling houdt mijns inziens in, dat Kuhn zich niet op die regel kan beroepen om de ongeldigheid te doen vaststellen van de weigering hem een controlenummer toe te kennen, aangezien die weigering in dat geval rechtstreeks zou zijn gebaseerd op de bepalingen van de verordening. Stellig hebben de Duitse autoriteiten de bepaling van artikel 11, lid 2, deels onjuist toegepast, aangezien Kuhn in strijd met de verordening een controlenummer heeft gekregen voor een gedeelte van zijn produktie binnen de grenzen van de toegelaten opbrengst per hectare. Mijns inziens heeft deze fout van de Duitse administratie echter in geen geval tot gevolg, dat aan de bepalingen van de verordening het beoogde rechtsgevolg wordt ontnomen wat de overproduktie betreft.
33.
Het is echter niet zeker of aan de sanctiebepaling van artikel 11, lid 2, rechtstreekse werking toekomt. In dit verband is het van belang dat de Commissie niet heeft gesteld, dat deze bepaling rechtstreekse werking heeft; hiervoor kunnen meerdere redenen bestaan. Rechtstreekse werking kan eventueel worden uitgesloten vanwege de algemene mogelijkheid voor de Lid-Staten in uitzonderingen te voorzien op de materiële inhoud van artikel 11, lid 2. Dat deze bepaling rechtstreekse werking zou ontberen, kan eventueel ook uit haar context worden afgeleid. Artikel 11, lid 1, inzake de verplichting van de Lid-Staten de toegelaten opbrengsten per hectare vast te stellen, voldoet in zoverre niet aan de algemene voorwaarden voor rechtstreekse werking, dat het op zichzelf verplichtingen voor particulieren in het leven kan roepen; de meeste overige bepalingen van de verordening hebben een soortgelijke inhoud, dat wil zeggen dat zij de Lid-Staten ertoe verplichten op de aangegeven terreinen een min of meer welomschreven rechtstoestand te scheppen. Ook heeft de Commissie in casu de rechtstoestand in de andere Lid-Staten uiteengezet, waaruit blijkt, dat deze laatste de bepalingen van artikel 11, lid 2, hebben „uitgevoerd” op een wijze die in zekere zin van de exacte inhoud van de sanctiebepaling van artikel 11, lid 2, afwijkt. Men zou dat wellicht kunnen beschouwen als een blijk dat deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft.
34.
Niettemin heeft het Hof zich naar mijn mening niet uit te spreken over de vraag, of de naleving van artikel 11, lid 2 — als bepaling die rechtstreeks verplichtingen in het leven roept— kan worden afgedwongen. Ik ben namelijk van mening, dat het in ieder geval in strijd met de doelstelling van deze bepaling zou zijn, indien Kuhn zich op een eventuele tegenstrijdigheid tussen deze bepaling en § 2a van het Duitse Weingesetz zou kunnen beroepen met als enig doel, de niet-toepasselijkheid van deze laatste bepaling te doen vaststellen. Volgens mij heeft Kuhn geen door het gemeenschapsrecht beschermd belang op grond waarvan hij zich op de gemeenschapsregel kan beroepen om een dergelijk resultaat te bereiken.
35.
De Commissie beklemtoont in het bijzonder, dat men er rekening mee moet houden dat artikelll, lid 2, van de verordening een „strengere” bepaling ten aanzien van wijnbouwers is dan § 2a van het Weingesetz.
Ik ben het eens met cie Commissie, dat dit in de onderhavige zaak als argument kan worden gebruikt om Kuhn een beroep op de gemeenschapsregel te ontzeggen.
Toch kan men moeilijk als noodzakelijkerwijs te vervullen voorwaarde stellen, dat een bepaling van gemeenschapsrecht „strenger” moet zijn dan de nationale regel om een particulier het recht te ontzeggen zich op een gemeenschapsregel te beroepen.
In de praktijk zullen zich gevallen voordoen waarin niet zo maar valt uit te maken of de juridische situatie op grond van de gemeenschapsregel ofwel die op grond van de nationale regel de „strengste” is vanuit het oogpunt van de betrokken partij. Bovendien kunnen zich gevallen voordoen waarin de betrokken partij geen door het gemeenschapsrecht beschermd belang heeft om zich op een gemeenschapsregel te beroepen teneinde de nict-toepassclijkheid van een nationale regel te doen vaststellen, zelfs indien de gemeenschapsregel „minder streng” is dan de nationale regel.
36.
Naar mijn mening dient het Hof zich in de huidige zaak te beperken tot de vaststelling, dat verzoeker in het hoofdgeding geen door het gemeenschapsrecht beschermd belang heeft om zich op artikel 11 van de vqprd-verordcning te beroepen teneinde de nict-toepassclijkheid van § 2a van het Duitse Wcingcsetz — de grondslag voor de weigering van zijn verzoek om een controlcnummer— te doen vaststellen.
Naar mijn mening dient het Hof in zijn motivering dienaangaande vooral te benadrukken, dat het duidelijk onverenigbaar zou zijn met de doelstelling van de verordening om artikel 11 aan te wenden teneinde in Duitsland een juridische situatie te scheppen waarin — zolang een tussen de gemeenschapsregel en de overeenkomstige Duitse regel vastgestelde onverenigbaarheid niet is weggenomen door een wijziging van de Duitse wetgeving — men ongehinderd wijn als kwaliteitswijn op de markt kan brengen, zelfs indien het wijn betreft die is geproduceerd boven de toegelaten opbrengst per hectare.
In dit verband is er een belangrijk element, dat wellicht van beslissende betekenis is: er is geen sprake van een concrete tegenstelling tussen de verordening en het Weingesetz met betrekking tot het onderwerp van het hoofdgeding, dat wil zeggen de vraag of Kuhn een controlcnummer dient te worden toegekend voor zijn overproduktic, waardoor deze als kwalitcitswijn kan worden verkocht. Zowel de gemeenschapsverordening als het Duitse Weingesetz bevatten een verbod de overproduktie als kwaliteitswijn te verkopen.
Ingeval het Hof van oordeel is dat het dient te antwoorden op de door het Verwaltungsgericht voorgelegde prejudiciële vraag
37.
Indien het Hof met mij van mening is, dat verzoeker in het hoofdgeding zich niet op artikel 11 van de verordening kan beroepen om te doen vaststellen dat § 2a van het Wcingcsetz niet van toepassing is, dient het Hof volgens mij geen antwoord te geven op de concrete voorgelegde prejudiciële vraag. Verzoeker kan zich niet op de gemeenschapsregel beroepen, omdat de toepassing van deze regel door het Vcrwaltungsgericht in het onderhavige geval tot een resultaat zou leiden dat in strijd is met de doelstelling van de verordening. In die omstandigheden heeft de beantwoording van de prejudiciële vraag geen enkel nut voor de verwijzende rechter.
Mocht het Hof de mening zijn toegedaan, dat het op de vragen van het Verwaltungsgericht behoort te antwoorden, dan wil ik opmerken dat ik volledig kan instemmen met de door de Commissie gegeven uitlegging van artikel 11.
Conclusie
In het licht van het bovenstaande, stel ik het Hof voor, de door het Verwaltungsgericht Neustadt an der Weinstraße gestelde prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
„Artikeln van verordening (EEG) nr. 823/87 houdende vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen, kan door verzoeker in het hoofdgeding niet worden ingeroepen om de niet-toepasselijkheid te doen vaststellen van de bepaling van het Duitse Weingesetz die de grondslag vormt van de administratieve handeling waarbij aan verzoeker een controlenummer is geweigerd voor wijn die door hem is geproduceerd boven de toegelaten opbrengst per hectare.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) De beperking van de per hectare geproduceerde hoeveelheid Nwijn is ontegenzeglijk van doorslaggevend belang voor de kwaliteit van de wijn. De Britse wijncriticus H.Johnson heeft dit benadrukt in cen interview, gepubliceerd in Time Magazine, nr. 3, 1993, blz. 42. Johnson was gevraagd, in te gaan op de opmerking, dat „de integriteit van de Duitse wijnbouw wordt bedreigd”. Hij antwoordde hierop als volgt: „De fout bij de Duitse wijnen ligt in wezen in de overproduktie. De Duitse wijnen uit de negentiende eeuw waren droog, maar de produktic van wijn had een laag rendement. Het waren volle wijnen met bouquet, die vrijwel onbeperkt konden rijpen, hetgeen een zeer goede eigenschap is. Maar indien men plotseling 200 hectoliter per nectare begint te produceren, vraagt men zich af, waarom de wijn naar water smaakt — in feite is het water — en waarom hij niet rijpt —, dat is omdat hij geen structuur heeft (...)”
( 2 ) PB 1987, L 84, blz. 59.
( 3 ) Uit de stukken blijkt, dat de volgende opbrengsten per hectare van belang waren voor het hoofdgeding:
kwalitcitswijn „mit Prädikat”
80hl
kwalitcitswijn
105hl
tafclwijn
140hl.
( 4 ) Kuhn beschikte over een erkend wijnbouwgebied van 82445 m2, en had reeds een controlcnummcr voor de volgende hoeveelheden gekregen:
Kwalitcitswijn „mit Prädikat”
23 850 l
=29 813 m2
kwalitcitswijn
27 011 l
=25 725 m2
tafclwijn
37 538 l
=26813 m1
82 351 m2
Er bleef derhalve 94 m2 over (82445 m2 — 82351 m2).
Het hoofdgeding betreft een verzoek om dc toekenning van een controlcnummcr voor 1500 liter extra. Kuhn kreeg echter slechts cen controlcnummcr voor 75 liter kwalitcitswijn „mit Prädikat”, hetgeen overeenkomt met de toegelaten opbrengst per hectare van de resterende 94 m2.
( 5 ) Arrest van 9 maart 1978 (zaak 106/77, Jurispr. 1978, blz. 629).
( 6 ) Ibid., r. o. 18.
( 7 ) Ibid., r. o. 21.
( 8 ) Ibid., r. o. 17.
( 9 ) Arrest van 5 februari 1963 (zaak 26/62, Jurispr. 1963, blz. 1).
( 10 ) Arrest van 14 december 1971 (zaak 43/71, Politi, Jurispr. 1971, blz. 1039, r. o. 9).
( 11 ) Zie het arrest van het Hof van 30 november 1978 (zaak 31/78, Bussonc, Jurispr. 1978, blz. 2429), waar het in rechtsoverweging 30 vaststelt, dat „de rechtstreekse toepasselijkheid van een verordening vooronderstelt dat zij in werking treedt en ten gunste of ten laste van de rechtssubjecten wordt toegepast zonder dat daartoe enige maatregel tot receptie in het nationale recht noodzakelijk is”. Zie eveneens de conclusie van advocaatgeneraal \Varncr in de zaak ïannclli (arrest van 22 maart 1977, zaak 74/76, Jurispr. 1977, blz. 557), waarin het volgende wordt gezegd: „De omstandigheid dat een bepaling van een verordening ingevolge artikel 189 rechtstreeks toepasselijk is, houdt niet per se in, dat zij ook rechtstreeks werkt: dit zal alleen het geval zijn wanneer zij voldoet aan de bekende criteria van duidelijkheid en onvoorwaardclijkhcid en zonder nadere wetgevende handelingen ten uitvoer kan worden gelegd.”
( 12 ) Arrest van 5 april 1979 (zaak 148/78, Jurispr. 1979, blz. 1629).
( 13 ) In de zaken C-46/90 en C-93/91, Lagauchc en Evrard, Jurispr. 1993, blz. I-5267, C-69/91, Dccoster, Jurispr. 1993, blz. I-5335, C-92/91, Taillandier, Jurispr. 1993, blz. I-5383, dient het Hof zich uit te spreken over een vraag die een zekere gelijkenis vertoont met de vraag die hier aan de orde is. Zoals bekend, betreffen deze zaken een reeks gevallen waarin personen in België en Frankrijk strafrechtelijk zijn vervolgd wegens het bezit van tclccommunicatieapparatuur die niet door de autoriteiten was goedgekeurd, zoals het nationale recht vereist. Het Hof heeft al eerder geoordeeld, dat nationale regels betreffende de goedkeuring van dat soort apparatuur niet op zichzelf onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, maar dat de in de vier zaken toepasselijke regels m strijd zijn met het gemeenschapsrecht, voor zover zij ervan uitgaan dat de goedkeuring wordt verleend door een lichaam dat zelf als economisch subject op de markt optreedt. In die zaken is het de vraag, of de aldus gemotiveerde en begrensde onverenigbaarheid van de Belgische en Franse regels met het gemeenschapsrecht door de verdachten kan worden ingeroepen teneinde de onwettigheid te doen vaststellen van de nationale regels waarop de vervolging is gebaseerd. Bepaalde opmerkingen van advocaatgeneraal Lenz in zijn op 2 december 1992 genomen conclusie in de zaken C-46/90 en C-93/91, Lagauchc en Evrard, zouden tot op zekere hoogte aldus kunnen worden uitgelegd, dat üc verdachten die niet om goedkeuring hebben verzocht, geen door het gemeenschapsrecht beschermd belang hebben om zich op üc betrokken gemeenschapsregels te kunnen beroepen teneinde te doen vaststellen, dat het Belgische vereiste van goedkeuring als zodanig niet op hen van toepassing was (zie de punten 44 en 45 van de conclusie in de zaak Lagauchc en de punten 17 en 18 van de conclusie in de zaak Evrard).
Full & Egal Universal Law Academy