CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
W. VAN GERVEN
van 10 december 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Onderhavige zaak betreft een verzoek van het Duitse Finanzgericht München om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de draagwijdte van de artikelen 366 en 368 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de verdragen ( 1 ) (hierna: „Toetredingsakte”), in samenhang met artikel 1 van verordening (EEG) nr. 449/86 ( 2 ), en van artikel 1 van Protocol nr. 3 bij de op 2 april 1980 te Belgrado ondertekende Samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (hierna: „overeenkomst”), welke overeenkomst voor de Gemeenschap werd goedgekeurd door verordening (EEG) nr. 314/83. ( 3 )
De gestelde vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen de firma Gebr. Weis (verzoekster in het bodemgeschil, hierna: „Weis”) en het Hauptzollamt Würzburg (verweerster in het bodemgeschil, hierna: „Hauptzollamt”).
Achtergrond
2.
In het kader van een haar toegekende vergunning voor passieve veredeling heeft Weis gedurende de jaren 1986 en 1987 weefsels uit Portugal via het Duitse Zollamt Aschaffenburg naar het toenmalige Joegoslavië gezonden. In dat land werden de weefsels tot bovenkleding voor heren veredeld, waarna ze via hetzelfde Zollamt Aschaffenburg (hierna: „Zollamt”) naar de Gemeenschap terugkeerden.
Bij uitklaring in Duitsland van de onveredelde Portugese goederen werden telkens door Weis opgestelde goederenverkeercertificaten ter bevestiging voorgelegd aan het Zollamt. Bij inklaring in Duitsland van de in Joegoslavië veredelde goederen werden deze door de Joegoslavische autoriteiten vervolledigde goederenverkeercertificaten door het Zollamt telkens als bewijs van oorsprong erkend, en werden er geen douanerechten geheven.
Na een controle door de Oberfinanzdirektion Nürnberg besloot het Hauptzollamt alsnog bij rectificatiebeschikking tot inning van douanerechten over te gaan. Tegen deze beslissing heeft Weis beroep ingesteld bij het Finanzgericht München, dat het Hof twee prejudiciële vragen heeft gesteld. Voor een verdere uiteenzetting van de feiten en voor een weergave in extenso van de prejudiciële vragen, verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
De eerste prejudiciële vraag
3.
Onder verwijzing naar de artikelen 366 en 368 van de Toetredingsakte en naar artikel 1 van verordening nr. 449/86, vraagt het Finanzgericht of in 1986 uit Portugal betrokken goederen in het handelsverkeer tussen Duitsland en Joegoslavië moesten worden beschouwd als goederen van oorsprong uit de Gemeenschap, in de zin daaraan gegeven door artikel 1 van Protocol nr. 3 bij de overeenkomst. Het Finanzgericht wenst ook te vernemen in welke mate het antwoord op deze vraag bepaald wordt door de omstandigheid dat de betrokken goederen zich al dan niet in het vrije verkeer bevonden binnen de „oorspronkelijke” ( 4 ) Gemeenschap.
4.
Volgens artikel 15 van de overeenkomst worden er in principe geen douanerechten geheven op „produkten van oorsprong uit Joegoslavië” die in de Gemeenschap worden ingevoerd. ( 5 ) Uit artikel 1, lid 1, laatste zin van Protocol nr. 3 bij de overeenkomst (waarnaar artikel 30 van de overeenkomst verwijst) volgt dat ook als „produkten van oorsprong uit Joegoslavië” in de zin van artikel 15, worden beschouwd „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap” ( 6 ) op voorwaarde dat ze in Joegoslavië op meer dan „ontoereikende” wijze be- of verwerkt zijn. ( 7 )
5.
Dat de in geding staande Portugese produkten in Joegoslavië op meer dan ontoereikende wijze bewerkt zijn, wordt niet betwist. Vraag is echter, of deze produkten wel als „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap” beschouwd konden worden. Het Hauptzollamt, daarin gesteund door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof, meent van niet. Weliswaar is Portugal sinds 1 januari 1986 lid van de Gemeenschap ( 8 ), maar tijdens een overgangsperiode tot 31 december 1987 waren Portugese produkten binnen de Gemeenschap nog aan bepaalde douanerechten onderworpen. Volgens het Hauptzollamt en de Commissie ( 9 ) konden Portugese produkten tijdens die overgangsperiode nog niet als „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap” — en dus als gelijkgesteld met Joegoslavische produkten in de zin van artikel 1, lid 1, van Protocol nr. 3 bij de overeenkomst — worden beschouwd, zodat artikel 15 van de overeenkomst geen toepassing kon vinden.
6.
Het kan niet worden ontkend dat Portugal sinds 1 januari 1986 volwaardig lid van de Gemeenschap is en dat Portugese produkten derhalve sedert die datum in beginsel als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap moeten worden beschouwd. De vaststelling dat Portugese produkten in 1986 binnen de Gemeenschap nog aan bepaalde douanerechten onderworpen waren, volstaat niet om te besluiten dat het niet om „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap” zou kunnen gaan in de zin van artikel 1 van Protocol nr. 3 bij de overeenkomst. Deze gehoudenheid tot de betaling van douanerechten tussen de toetredende en de andere Lid-Staten van de Gemeenschap is immers een interne aangelegenheid die niet aan derde landen kan worden tegengeworpen. Ten overstaan van een derde land als Joegoslavië was Portugal sinds 1 januari 1986 volwaardig lid van de Gemeenschap, en dienden zijn produkten derhalve als „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap” te worden beschouwd. ( 10 )
7.
Tegen deze zienswijze voert de Commissie aan dat het territoriaal toepassingsgebied van de overeenkomst bij de toetreding van Portugal tot de Gemeenschap op 1 januari 1986, niet automatisch tot dat land werd uitgebreid. Dit argument — dat voor de Commissie in haar antwoord op een bijkomende vraag van het Hof sterk werd afgezwakt — lijkt mij in strijd te zijn met de artikelen 61 juncto 54, lid 2, van de overeenkomst.
Volgens artikel 61 is de overeenkomst „van toepassing op de grondgebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap onder de daarin vermelde voorwaarden geldt (...)”.
Wanneer de Gemeenschap uitgebreid wordt, zodat het EEG-Verdrag onder in de Toetredingsakte vermelde voorwaarden ook uitwerking heeft op het grondgebied van nieuwe Lid-Staten, is bijgevolg ook de overeenkomst zelf in deze nieuwe Lid-Staten van toepassing. Dit wordt trouwens expliciet erkend in de artikelen 366, lid 1, en 368 van de Toetredingsakte, die voorzien dat Portugal de overeenkomst vanaf 1 januari 1986 diende toe te passen, zij het onder voorbehoud van de in artikel 367 van de Toetredingsakte uitgewerkte regeling voor gevallen waarin „om redenen onafhankelijk van de wil” van de Gemeenschap of de Portugese Republiek met een derde land geen overeenstemming kon worden bereikt omtrent overgangsmaatregelen.
Het in artikel 61 van de overeenkomst vervatte principe wordt bevestigd door artikel 54, lid 2, van de overeenkomst, dat als volgt luidt:
„Indien een derde Staat tot de Gemeenschap toetreedt, vindt daaromtrent passend overleg plaats in de Samenwerkingsraad, zodat rekening kan worden gehouden met de belangen van de partijen bij de Overeenkomst ( 11 ) als omschreven in deze Overeenkomst.”
Het komt mij voor dat deze bepaling van de overeenkomst er duidelijk van uitgaat dat Portugal van bij zijn toetreding een volwaardig lid is van de Gemeenschap: artikel 54, lid 2, zou immers niet in een overlegprocedure hoeven te voorzien indien, zoals de Commissie beweert, de toetreding van een derde staat tot de Gemeenschap de territoriale werkingssfeer van de overeenkomst op generlei wijze zou beïnvloeden.
8.
Men zou tegen de hier voorgestane opvatting nog kunnen opwerpen dat het toekennen aan Portugese produkten van de hoedanigheid „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap” in de betrekkingen met Joegoslavië tot gevolg zou hebben dat de vrije toegang in Joegoslavië van produkten uit vroegere derde landen, in casu Portugal, daardoor automatisch zou toenemen. Dit is evenwel onjuist, aangezien Joegoslavië volgens artikel 29, lid 2, van de overeenkomst niet verplicht is vrije toegang te geven aan produkten uit de Gemeenschap maar integendeel in het kader van het voornoemde artikel 54, lid 2, van de overeenkomst overleg kan plegen met de Gemeenschap. Desgewenst had men daaromtrent ook overgangsmaatregelen kunnen overeenkomen in het kader van artikel 367 van de Toetredingsakte.
Omgekeerd is het wel zo dat ingevolge de hier voorgestane opvatting produkten uit Portugal die, zoals in casu, in Joegoslavië op voldoende wijze worden veredeld, op grond van artikel 15 van de overeenkomst vrij van rechten naar de Gemeenschap kunnen worden heringevoerd. Dit lijkt mij evenwel in overeenstemming te zijn met de doelstelling van de overeenkomst die, aldus de artikelen 1 en 2 daarvan, op de eerste plaats wil bijdragen tot de economische en sociale ontwikkeling van Joegoslavië. „Op handclsgebied heeft de Overeenkomst ten doel het handelsverkeer tussen de partijen bij de Overeenkomst te bevorderen (...) ten einde de voorwaarden voor toegang van de Joegoslavische produkten tot de markt van de Gemeenschap te verbeteren.” ( 12 ) De hierboven voorgestane opvatting ligt volledig in de lijn daarvan. Inderdaad, als ook Portugese produkten na veredeling in Joegoslavië in aanmerking komen voor vrijstelling van douanerechten bij (wedcr)invoer naar de Gemeenschap is dat voordelig voor de economie van Joegoslavië, waar de be- oí verwerking van die produkten extra werkgelegenheid en extra inkomen creëert.
9.
Ik kom derhalve tot de conclusie, op basis van zowel de bewoordingen als de doelstellingen van de overeenkomst ( 13 ), dat Portugese produkten in 1986 als „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap” beschouwd moesten worden in de zin van artikel 1 van Protocol nr. 3 van de overeenkomst. Daarbij moet aan de omstandigheid dat die produkten zich na verzending van Portugal naar Duitsland al dan niet in het vrije verkeer bevonden binnen de oorspronkelijke Gemeenschap, geen belang worden gehecht, aangezien de hoedanigheid van „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap” hierboven uit andere factoren werd afgeleid. ( 14 )
De tweede prejudiciële vraag
10.
Het Finanzgericht wenst met zijn tweede vraag te vernemen of een marktdeelnemer als Weis de vergissing had moeten ontdekken welke de Duitse douaneautoriteiten zouden hebben begaan toen ze Weis' produkten vrijstelden van douanerechten. Bij de behandeling van de eerste prejudiciële vraag stelde ik reeds dat de in geding staande vrijstellingen volgens mij niet als een vergissing kunnen bestempeld worden (supra, punt 6 e. v.). Voor het geval uw Hof hierover anders zou oordelen, wens ik niettemin ook op de tweede vraag van het Finanzgericht in te gaan.
11.
Zoals de Commissie terecht opmerkt, moet deze vraag beantwoord worden in het licht van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979. ( 15 ) Artikel 5, lid 2, stelt drie cumulatieve voorwaarden waaronder bevoegde douaneautoriteiten kunnen afzien van navordering van ten onrechte niet-geheven invoerrechten ( 16 ): de aanvankelijke met-heffing van zulke rechten moet het gevolg geweest zijn van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, de belastingplichtige moet te goeder trouw hebben gehandeld — hetgeen wil zeggen dat hij de vergissing van de autoriteiten niet zelf had kunnen ontdekken— en hij moet voldaan hebben aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte. Volgens vaste rechtspraak van het Hof betekent dit dat de belastingplichtige er recht op heeft, dat niet tot navordering wordt overgegaan wanneer aan al deze voorwaarden voldaan is. ( 17 )
12.
Het Finanzgericht vraagt het Hof om uitleg over de tweede voorwaarde. Met betrekking tot deze voorwaarde besliste het Hof in de zaak Foto-Frost dat een belastingplichtige geacht moet worden te goeder trouw te hebben gehandeld indien „ter zake kundige rechters” —het ging in casu eveneens om een Duits Finanzgericht — „het zeer twijfelachtig hebben geacht of over [de in geding staande] verrichtingen rechten verschuldigd waren”. ( 18 ) Volgens het Hof geldt dit a fortiori indien „voor eerdere gelijksoortige transacties ook vrijstelling van rechten was verleend”. ( 19 )
Uit de motivering van de nu voorliggende prejudiciële vraag blijkt dat ook het Finanzgericht München ten zeerste betwijfelt of Weis de in geding staande invoerrechten verschuldigd is. Bovendien blijkt uit het feitenrelaas van het Finanzgericht dat de Duitse douaneautoriteiten transacties van Weis bij herhaling hebben vrijgesteld van douanerechten vooraleer ze tot navordering overgingen. Het komt me derhalve voor dat Weis te goeder trouw heeft gehandeld in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79.
13.
Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het arrest Binder waarin het Hof stelde dat een attente marktdeelnemer niet te goeder trouw is, indien hij een door douaneautoriteiten gemaakte vergissing had kunnen ontdekken bij lezing van het Publikatieblad der Europese Gemeenschappen. ( 20 ) Uit mijn behandeling van de eerste prejudiciële vraag moge immers op voldoende wijze blijken dat Weis uit de lezing van het Publikatieblad alleen, onmogelijk had kunnen opmaken of al dan niet een beroep kon worden gedaan op artikel 15 van de overeenkomst.
14.
Net zoals de Commissie en het Finanzgericht concludeer ik derhalve dat een marktdeelnemer die zich heeft gedragen zoals Weis dat gedaan heeft, te goeder trouw heeft gehandeld in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979.
Besluit
15.
Ik geef het Hof in overweging de gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
„1)
De artikelen 366 tot 368 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen, en artikel 1 van verordening (EEG) nr. 449/86 van 24 februari 1986 moeten aldus worden uitgelegd, dat produkten van oorsprong uit Portugal die in 1986 via Duitsland ter veredeling naar Joegoslavië zijn uitgevoerd, in het handelsverkeer tussen de Bondsrepubliek Duitsland en Joegoslavië beschouwd moesten worden als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van artikel 1 van Protocol nr. 3 bij de op 2 april 1980 ondertekende overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië. Daarbij is het niet van belang of die produkten bij verzending uit Portugal naar Duitsland al dan niet binnen de Gemeenschap in het vrije verkeer werden gebracht.
2)
Indien zou blijken dat dergelijke produkten bij vergissing als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap werden bestempeld, moet een marktdeelnemer in omstandigheden zoals die in dit geval voorliggen, geacht worden dergelijke vergissing niet te hebben kunnen ontdekken, zodat hij te goeder trouw heeft gehandeld in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
( 1 ) PB 1985, L 302, Hz. 132-133.
( 2 ) Verordening (EEG) nr. 449/86 van 24 februari 1986 tot vaststelling van de regeling die het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek op het handelsverkeer met bepaalde derde landen moeten toepassen (PB 1986, L 50, blz. 40).
( 3 ) Verordening (EEG) nr, 314/83 van de Raad van 24 januari 1983 betreffende de sluiting van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (PB 1983, L 41, blz. 1).
( 4 ) Hiermee wordt klaarblijkelijk de Gemeenschap van vóór de toetreding van Spanje en Portugal bedoeld.
( 5 ) Artikel 15 wordt in extenso geciteerd in het rapport ter terechtzitting.
( 6 ) Het begrip „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap” wordt gedefinieerd ín artikel 1, lid 2, van genoemd Protocol nr.3.
( 7 ) In artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 3 wordt aangegeven welke bc- of verwerkingen als „ontoereikend” moeten worden beschouwd.
( 8 ) Zie artikel 2, lid 2 van Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 1985, L 302, blz. 9).
( 9 ) Zij beroepen zich hierbij op artikel 211, lid 1, van de Toetre-dingsakte.
( 10 ) Trouwens, ook tussen de Lid-Staten werden de in de Toetredingsakte vastgestelde uitzonderingen op het principe van een volwaardig Portugees lidmaatschap, in het verleden door het Hof restrictief geïnterpreteerd. Zie mijn conclusie bij het arrest van 27 maart 1990, zaak C-113/89, Rush Portuguesa, Jurispr. 1990, blz. I-1425, punt 12.
( 11 ) Zie de „Interpreterende verklaring inzake het begrip ‚partijen bij de Overeenkomst’ zoals dit in de Overeenkomst voorkomt” (PB 1983, L 41, blz. 101).
( 12 ) Artikel 14 van de overeenkomst.
( 13 ) Dat internationale overeenkomsten als tic overeenkomst volgens hun bewoordingen en in het licht van hun doel moeten worden geïnterpreteerd, staat buiten kijf. Zie het advies van 14 december 1991, advies 1/91, Jurispr. 1991, blz. I-6079, r. o. 14.
( 14 ) Uit het dossier kan overigens niet met zekerheid worden afgeleid of de Portugese goederen bij inklaring in Duitsland door betaling van de verschuldigde rechten ook in het vrije communautaire verkeer werden gebracht.
( 15 ) Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1).
( 16 ) Arrest van 22 oktober 1987, zaak 314/85, Foto-Frost, Jurispr. 1987, blz. 4199, r. o. 22-26.
( 17 ) Arrest Foto-Frost, r. o. 22, laatstelijk bevestigd door arrest van 24 juni 1991, zaak C-348/89, Mccanarte, Jurispr. 1991, blz. I-3299, r. o. 12-14.
( 18 ) Arrest Foto-Frost, r. o. 25.
( 19 ) Arrest Foto-Frost, r, o. 25.
( 20 ) Arrest van 12 juli 1989, zaak 161/88, Jurispr. 1989, blz. 2415, r. o. 20 en 25.
Full & Egal Universal Law Academy