CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 14 januari 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze zaak heeft het Finanzgericht Hamburg drie prejudiciële vragen gesteld over de berekening van de zuiverheid van stroop met het oog op de vaststelling van de bij uitvoer van suiker te betalen monetair compenserende bedragen („mcb's”). Krachtens de toepasselijke gemeenschapsverordeningen is het voor de berekening van mcb's noodzakelijk de zuiverheid van een stroop vast te stellen, teneinde te kunnen beslissen of de mcb's betaald moeten worden over het werkelijke suikergehalte van de stroop, uitgedrukt in saccharose, dan wel op basis van een saccharosegehalte dat forfaitair op 73 % van het gewicht in droge staat wordt bepaald.
2.
De prejudiciële vragen zijn de volgende:
„1)
Moet artikel 13, lid 2, van verordening (EEG) nr. 394/70 aldus worden uitgelegd, dat het zuiverheidspercentage van stroop wordt berekend door het totaalsuikergehalte na vermenigvuldiging met de coëfficiënt 0,95 te delen door het gehalte aan droge stof, en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met honderd?
2)
Moet artikel 13, lid 2, van verordening (EEG) nr. 394/70 aldus worden uitgelegd, dat de zuiverheid van vruchtensuikerstroop mag worden bepaald door het fructosegehalte te meten en de verhouding ervan tot het gehalte aan droge stof vast te stellen?
3)
Moet artikel 13, lid 2, van verordening (EEG) nr. 394/70 aldus worden uitgelegd, dat de zuiverheid van vruchtensuikerstroop mag worden bepaald door met toepassing van de daarvoor geschikte methodes het gehalte aan droge stof in de geïnverteerde oplossing te meten en de verhouding daarvan tot het suikergehalte van de geïnverteerde oplossing vast te stellen?”
3.
Deze vragen zijn gerezen in een procedure die door verzoekster, Süddeutsche Zucker, is aangespannen tegen het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, verweerder, en zij hebben betrekking op de uitvoer van vruchtensuikerstroop van Duitsland naar België. Verzoekster exporteerde stroop van tariefpost 17.02 DII van het gemeenschappelijk douanetarief („andere suikers en stropen”). Met het oog op de toekenning van mcb's voor deze exporten stelde verweerder vast, dat de zuiverheid van de stroop lag tussen 92,9 % en 93,9 % van het gehalte aan droge stof. Verweerder had daartoe eerst het suikergehalte van de stroop tot saccharose omgerekend, door het totaal suikergehalte te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 0,95, alvorens dat bedrag te delen door het gehalte aan droge stof. Verzoekster heeft tegen deze berekeningsmethode bezwaren, waartoe zij aanvoert, dat bij de vaststelling van de zuiverheid van de vruchtensuikerstroop het totaal suikergehalte niet door toepassing van de coëfficiënt moet worden gecorrigeerd. Verzoekster wijst erop, dat een dergelijke correctie er steeds toe leidt, dat de zuiverheid van vruchtensuikerstroop ondergewaardeerd wordt. In het onderhavige geval was de consequentie van een dergelijke onderwaardering, dat mcb's werden toegekend op basis van een saccharoscgchalte dat forfaitair op 73 % was vastgesteld, en niet op basis van het werkelijke suikergehalte van de stroop (uitgedrukt in saccharose).
4.
In de relevante periode werden de mcb's bedoeld in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 (PB 1971, L 106, blz. 1), bepaald door verordening (EEG) nr. 1800/83 van de Commissie van 28 juni 1983 (PB 1983, L 176, blz. 65). In bijlage I van laatstgenoemde verordening zijn de mcb's voor suiker vastgesteld per 1 % van het saccharoscgchalte en per 100 kg netto van de genoemde produkten, waarvan met name relevant zijn die van tariefpost 17.02 ex D II van het gemeenschappelijk douanetarief („andere suikers en stropen, met uitzondering van sorbose”). Volgens aantekening 4 bij die bijlage wordt
„het saccharoscgchalte, met inbegrip van het gehalte aan andere suikers omgerekend tot saccharose, (...) bij uitvoer bepaald in overeenstemming met artikel 13 van verordening (EEG) nr. 394/70”.
5.
Voor hetgeen thans volgt, is het nodig enige notie te hebben van de begrippen „saccharoscgchalte” en van „andere suikers omgerekend tot saccharose”. Saccharose is een suiker van de groep „disacchariden”, met een moleculair gewicht dat ongeveer twee maal dat van „monosacchariden” is, zoals fructose (ook wel genoemd „vruchtsuikcr”) en glucose. Een oplossing van saccharose kan door middel van een procedé dat „inversie” wordt genoemd, worden omgezet in een oplossing die uit een mengsel van fructose en glucose bestaat. Wanneer de saccharoseoplossing op die manier is geïnverteerd, wordt elk saccharosemolecuul (C12H22 O11) afgebroken in een fructose- en een glucosemolecuul (ieder: C6, H12 O6); er is echter een watermolecuul nodig om, uitgaande van een saccharoscmolecuul, fructose en glucose te bekomen:
C12H22 O11 + H2O
-► C6H12O6 + C6H12O6.
6.
Daaruit volgt dat, wanneer een saccharosestroop wordt omgezet naar een oplossing van fructose en glucose, het gehalte aan droge stof van de oplossing met iets meer dan 5 % toeneemt; de toename van de drogestofmassa is een gevolg van de opname van een watermolecuul voor elk saccharoscmolecuul dat in fructose en glucose is omgezet. Die verhoging wordt „inversictocname” genoemd. Daarentegen moet het gewicht van een hoeveelheid fructose of glucose worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,95 wanneer het overeenkomstig gewicht aan saccharose moet worden berekend. Zoals wij hierboven hebben gezien, worden de mcb's voor de uitvoer van suiker berekend op basis van het saccharoscgchalte van het produkt, met inbegrip van andere suikers „omgerekend tot saccharose”.
7.
Voor die berekening wordt, zoals ik al heb opgemerkt, het saccharoscgchalte van de stroop bepaald overeenkomstig artikel 13 van verordening (EEG) nr. 394/70 van de Commissie van 2 maart 1970 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de restitutie bij uitvoer van suiker (PB 1970, L 50, blz. 1; hierna: „verordening”). Artikel 13, lid 1, van de verordening luidt:
„(...) onder voorbehoud van het bepaalde in lid 2 en lid 3 is het gehalte aan saccharose, eventueel verhoogd met het gehalte aan andere suikers welke tot saccharose zijn omgerekend, het totaalsuikergehalte dat vastgesteld wordt door toepassing van de methode Lane en Eynon (koper-reductiemethode), uitgaande van de volgens Clerget-Herzfeld geïnverteerde oplossing. Het volgens deze methode vastgestelde totaalsuikergehalte wordt door vermenigvuldiging met de coëfficiënt 0,95 tot saccharose omgerekend.”
De „methode Lane en Eynon” of de „koper-reductiemethode”, is een uniforme methode om het suikergehalte van oplossingen te berekenen. Die methode is echter alleen bruikbaar om de aanwezigheid van monosacchariden vast te stellen. Alvorens het suikergehalte van een stroop die saccharose bevat, nauwkeurig kan worden berekend, moet daarom de stroop worden geïnverteerd, dat wil zeggen omgezet in een oplossing die uitsluitend uit fructose en glucose bestaat. Zoals wij hierboven hebben gezien, is het resultaat van een dergelijke inversie een toename van de zich in de oplossing bevindende suikermassa. Volgens de laatste zin van artikel 13, lid 1, moet echter het aldus berekende suikergehalte worden omgerekend in saccharose door het met de coëfficiënt 0,95 te vermenigvuldigen.
8.
Er zij aan herinnerd, dat mcb's, evenals uitvoerrestituties, worden berekend op basis van saccharose „met inbegrip van het gehalte aan andere suikers omgerekend tot saccharose” [zie voor uitvoerrestituties, artikel 8 van verordening (EEG) nr. 766/68 van de Commissie van 18 juni 1968 houdende algemene regels inzake de verlening van restituties bij de uitvoer van suiker (PB 1968, L143, biz. 6)]. In overeenstemming daarmede moet — zelfs in het geval van een stroop waarbij geen inversietoename plaatsvindt, omdat zij al geheel uit monosacchariden bestaat— het volgens de koper-reductiemethode vastgestelde suikergehalte vermenigvuldigd worden met 0,95: het totaalsuikergehalte van de stroop is dan omgerekend tot het overeenkomstige saccharosegehalte.
9.
De bepaling die in het onderhavige geval een probleem oplevert, is artikel 13, lid 2, van de verordening, luidende als volgt:
„Voor stroop met een zuiverheid van ten minste 85 % en minder dan 94,5 % wordt het gehalte aan saccharose, eventueel verhoogd met het gehalte aan andere suikers welke tot saccharose zijn omgerekend, forfaitair vastgesteld op 73 % van het gewicht in droge toestand. Om de zuiverheid van stroop te berekenen wordt het totaalsuikergehalte gedeeld door het gehalte aan droge stof; het resultaat wordt met 100 vermenigvuldigd. Het totaalsuikergehalte wordt bepaald volgens de in lid 1 genoemde methode, het gehalte aan droge stof volgens de areometrische methode.”
Het probleem dat in de eerste prejudiciële vraag van het Finanzgericht aan de orde wordt gesteld, is of in die bepaling de „in lid 1 genoemde methode” de vermenigvuldiging met 0,95 omvat als genoemd in de laatste zin van dat lid 1, of slechts een verwijzing naar de koper-reductiemethode welke (zonodig) op de geïnverteerde oplossing wordt toegepast, derhalve zonder enige correctie. Ik zal eerst dat probleem bespreken, alvorens mij te buigen over de kwesties die door de tweede en de derde prejudiciële vraag aan de orde worden gesteld.
De eerste vraag
10.
Bij het bepalen van de zuiverheid van stroop kunnen drie afzonderlijke situaties worden onderscheiden: 1) stropen die alleen uit disacchariden bestaan zoals saccharose, 2) stropen die alleen uit monosacchariden bestaan zoals fructose of glucose, en 3) stropen die uit een mengsel van mono- en disacchariden bestaan. Het verdient opmerking, dat bij het voorschrijven van de methode die ter bepaling van de zuiverheid moet worden gebruikt, artikel 13, lid 2, van de verordening geen uitdrukkelijk verschil tussen de drie hierboven genoemde gevallen maakt. Ik herinner eraan, dat in het eerste en het derde geval de toepassing van de koper-reductiemethode als bepaald in artikel 13, lid 1, een voorafgaande inversie van de stroop noodzakelijk maakt, welke resulteert in een toename van de suikermassa. Een dergelijke toename zal echter niet in geval 2 plaatsvinden, aangezien aldaar de koper-reductiemethode kan worden gebruikt zonder enige voorafgaande omzetting van saccharose in fructose en glucose.
11.
Indien in gevallen 1 en 3 het gehalte aan droge stof van de stroop wordt gemeten alvorens deze is geïnverteerd, en de uitkomst wordt gebruikt bij de berekening van de zuiverheid van de stroop, is het duidelijk, dat het zuiverheidspercentage overgewaardeerd wordt — behoudens indien het mogelijk is dat percentage aan te passen aan het totaalsuikergehalte, In het eerste geval kan de overwaardering worden gecorrigeerd door het totaalsuikergehalte, zoals vastgesteld met de koper-reductiemethode, met de coëfficiënt 0,95 te vermenigvuldigen: anders gezegd, door toepassing van het gehele procédé van artikel 13, lid 1, met inbegrip van de correctie als vermeld in de laatste zin van dat lid. Het is echter eveneens duidelijk, dat de toepassing van een dergelijk procédé in het tweede en het derde geval zal leiden tot een onderwaardering van de zuiverheid van de stroop, aangezien de hoeveelheid suiker die overeenkomt met de oorspronkelijk in de stroop aanwezige fructose en glucose, eveneens zou worden gecorrigeerd. Zoals wij hebben gezien, kan een dergelijke onderwaardering ernstige gevolgen hebben voor de exporteur, aangezien artikel 13, lid 2, het saccharosegehalte forfaitair op 73 % van het gewicht bepaalt bij een stroop waarvan de zuiverheidsgraad op minder dan 94,5 % is vastgesteld.
12.
Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft voorgesteld, zou dit probleem kunnen worden opgelost door tussen de drie gevallen onderscheid te maken. Bij voorbeeld zou in het eerste geval de aanpassing worden toegepast op het totaalsuikergehalte, aangezien alle door middel van de koper-reductiemethode gemeten suiker voortkomt uit geïnverteerde saccharose. In het tweede geval is het duidelijk, dat geen enkele aanpassing nodig zou zijn. In het derde geval zou de aanpassing kunnen worden toegepast op het gedeelte van het totaalsuikergehalte dat overeenkomt met het van saccharose afkomstige gedeelte van de suiker in de geïnverteerde oplossing. Zoals de Commissie uiteenzet, kan de hoeveelheid saccharose die in de oorspronkelijke stroop aanwezig is, worden vastgesteld door toepassing van de koper-reductiemethode op zowel vóór als na inversie uit de stroop getrokken monsters. Bij voorbeeld, indien het suikergehalte vóór de inversie α bedraagt en daarna ß, moet een gedeelte gelijk aan ß— α van de monosacchariden in de geïnverteerde oplossing afkomstig zijn van de omzetting van saccharose in fructose en glucose. Het saccharosegehalte in de oorspronkelijke stroop is bijgevolg gelijk aan (ß — α) vermenigvuldigd met 0,95.
13.
Het komt mij voor, dat de door de Commissie voorgestelde methode in wezen juist is. Het doel van artikel 13 van de verordening zou niet worden gediend door een uitlegging van artikel 13, lid 2, die tot systematische onnauwkeurigheden in de berekening van de zuiverheid van stroop leidt, onnauwkeurigheden die in bepaalde gevallen nog zouden worden vergroot door toepassing van de forfaitaire berekeningswijze van het saccharosegehalte als bepaald in de eerste zin van dat lid. Het enige probleem met de door de Commissie voorgestelde methode is dat, zoals ik al heb opgemerkt, de tekst van artikel 13, lid 2, geen verschil maakt tussen gevallen waarin een aanpassing van het getal voor het totaalsuikergehalte noodzakelijk mocht zijn, en gevallen waarin zulks onnodig is omdat de oorspronkelijke stroop geheel uit fructose of glucose bestaat. Op overeenkomstige wijze maakt ook de laatste zin van artikel 13, lid 1 —waar verlangd wordt dat het gehele suikergehalte van de geïnverteerde oplossing met het oog op de verlening van uitvoerrestituties of, eventueel, mcb's, wordt uitgedrukt in saccharose — dat onderscheid niet. Dienovereenkomstig wordt de in die zin bepaalde aanpassing toegepast op het totaal suikergehalte van de geïnverteerde oplossing en niet slechts pro rata op het gedeelte van het totaalsuikergehalte dat voortkomt uit saccharose in de oorspronkelijke stroop.
14.
Echter moet het doel van het maken van een pro rata aanpassing bij de vaststelling van de zuiverheid van de stroop volgens artikel 13, lid 2, worden onderscheiden van het doel van de aanpassing als bepaald in de laatste zin van artikel 13, lid 1. De bedoeling van eerstgenoemde aanpassing is, een accurate berekening van de zuiverheid van de stroop te verzekeren. Indien het gehalte aan droge stof van de oorspronkelijke stroop wordt vastgesteld door middel van de areometrische methode als voorgeschreven in artikel 13, lid 2, doch het totaalsuikergehalte van de stroop wordt gemeten nadat de oplossing is geïnverteerd, zal een mogelijke toename in massa als gevolg van de inversie worden verwaarloosd. Gegeven nu dat, zoals wij hebben gezien, het evenredig gedeelte aan saccharose in de oorspronkelijke stroop kan worden vastgesteld door middel van de koper-reductiemethode, kan er geen bezwaar bestaan tegen een pro rata aanpassing welke garandeert dat de suikermassa in de oorspronkelijke stroop wordt vergeleken met het gehalte aan droge stof in diezelfde stroop. Het doel van de aanpassing als bepaald in de laatste zin van artikel 13, lid 1, is echter een geheel ander. Die aanpassing moet worden toegepast op het totaalsuikergehalte van de geïnverteerde oplossing, en niet slechts op het evenredig gedeelte voortkomende uit saccharose in de oorspronkelijke stroop, omdat zelfs fructose en glucose bij de toekenning van mcb's in saccharose moeten worden uitgedrukt. Het is daarom duidelijk, dat wanneer artikel 13, lid 2, van de verordening spreekt van „de methode bedoeld in lid 1”, bedoeld is de koper-reductiemethode als toegepast op de geïnverteerde oplossing, en niet het volledige procédé om het saccharosegehalte vast te stellen als bepaald in artikel 13, lid 1.
15.
Het komt mij daarom voor, dat de Commissie het gelijk aan haar zijde heeft wanneer zij stelt, dat een pro rata aanpassing nodig is die rekening houdt met de omstandigheid, dat de oorspronkelijke stroop al monosacchariden kan bevatten. Zoals ik al heb gezegd, moet een dergelijke aanpassing worden onderscheiden van de aanpassing als bepaald in de laatste zin van artikel 13, lid 1. Nochtans zou het wellicht meer in overeenstemming met de tekst van artikel 13 zijn om de pro rata aanpassing van toepassing te achten op het getal voor het drogestofgehalte en niet op het getal voor het totaalsuikergehalte. Ofschoon uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de areometrische methode voorgeschreven in artikel 13, lid 2, niet kan worden toegepast op een al geïnverteerde stroop, omdat deze dan te veel verdund is, moge het duidelijk zijn, dat de methode kan worden toegepast op de oorspronkelijke stroop en dat het resultaat daarvan kan worden aangepast om rekening te houden met enige toename in het gewicht van de suiker als gevolg van de inversie.
16.
De berekening als bepaald in artikel 13, lid 2, zou dan als volgt plaatsvinden. Eerst wordt het evenredig aandeel van de saccharose in de oorspronkelijke stroop vastgesteld door toepassing van de koper-reductiemethode op monsters die zowel vóór als na de inversie worden getrokken, terwijl het gehalte aan droge stof van de oorspronkelijke stroop wordt bepaald door de areometrische methode. Het totaal suikergehalte van de geïnverteerde oplossing wordt vastgesteld zonder enige aanpassing op grond van inversietoename. Ten slotte wordt het gehalte aan droge stof van de geïnverteerde stroop vastgesteld door het maken van een pro rata aanpassing voor de inversietoename, en wordt het totaal suikergehalte gedeeld door het gehalte aan droge stof. Op die manier wordt het gehalte aan droge stof genoemd in artikel 13, lid 2, geacht dat van de geïnverteerde oplossing te zijn en niet dat van de oorspronkelijke stroop.
17.
Praktisch gezien is er geen verschil tussen de hierboven gesuggereerde methode en die welke door de Commissie is voorgesteld. Een accurate bepaling van de zuiverheid van de stroop kan zowel worden bereikt door een vergelijking van het gehalte aan droge stof met het totaalsuikergehalte van de oorspronkelijke stroop als door een vergelijking van het gehalte aan droge stof met het totaalsuikergehalte van de geïnverteerde oplossing. De aandacht moet er echter wederom op worden gevestigd, dat in geen van beide gevallen de laatste zin van artikel 13, lid 1, wordt toegepast: die zin heeft betrekking op de bepaling van het saccharosegehalte, met inbegrip van andere suikers omgerekend tot saccharose, en niet op de voorafgaande bepaling van de zuiverheid van de stroop.
De tweede en de derde vraag
18.
Door middel van zijn tweede en derde vraag wenst het Finanzgericht in wezen te vernemen, welke andere methodes dan die welke in artikel 13 zijn voorgeschreven, mogen worden toegepast om het totaalsuikergehalte of het gehalte aan droge stof in de stroop te meten. Het schijnt, dat een meer geavanceerde technologie, die slechts recentelijk op brede schaal ter beschikking is gekomen, het mogelijk maakt het suikergehalte direct te meten, zonder dat een voorafgaande inversie van de stroop, wanneer deze saccharose bevat, nodig is. Op gelijke wijze maken meer recente methodes de directe meting van de concentratie mogelijk, en daarom van het gehalte aan droge stof van een geïnverteerde oplossing. Het Finanzgericht suggereert, dat het doel van artikel 13 beter zou worden gediend door zulke meer geavanceerde methodes te gebruiken.
19.
FIct moge echter evident zijn, dat het de bedoeling van artikel 13 is om voor de bepaling van het saccharoscgehalte van stroop een uniforme methode vast te stellen, teneinde een gelijke behandeling van alle belanghebbenden te verzekeren: zie de twaalfde overweging van de considerans van de verordening. Daaruit volgt, dat uitsluitend de in artikel 13 voorgeschreven uniforme methodes mogen worden toegepast. Ofschoon men tegen de achtergrond van de technische vooruitgang een aanpassing van die methodes aanbevelenswaardig zou kunnen achten, kan die aanpassing naar mijn oordeel alleen geschieden door een wijziging van de verordening. Een technische aanpassing van de verordening kan niet worden bereikt door een nieuwe interpretatie van haar bepalingen, in die zin dat zij andere methodes omvatten dan die welke in artikel 13 zijn voorgeschreven.
20.
Ik ben daarom van mening, dat de door het Finanzgericht gestelde vragen moeten worden beantwoord als volgt:
„1)
Artikel 13, lid 2, van verordening (EEG) nr. 394/70 moet aldus worden uitgelegd, dat de zuiverheid van de stroop op de volgende wijze moet worden bepaald:
a)
het totaalsuikergehalte van de stroop wordt gemeten door toepassing van de koper-reductiemethode op de geïnverteerde oplossing;
b)
het gehalte aan droge stof van de geïnverteerde oplossing wordt bepaald door het gehalte aan droge stof van de oorspronkelijke stroop te meten volgens de areometrische methode en het aldus verkregen resultaat te corrigeren, teneinde rekening te houden met een toename van het gehalte aan droge stof als gevolg van de inversie van de stroop;
c)
het totaalsuikergehalte van de geïnverteerde oplossing wordt gedeeld door het gehalte aan droge stof van de geïnverteerde oplossing.
Wanneer evenwel voor de toepassing van de koper-reductiemethode geen inversie van de stroop noodzakelijk is, wordt de zuiverheid van de stroop berekend door het totaalsuikergehalte van de stroop te delen door het gehalte aan droge stof van de stroop.
2)
Artikel 13 van verordening (EEG) nr. 394/70 moet aldus worden uitgelegd, dat voor de bepaling van het suikergehalte of van het gehalte aan droge stof van de stroop of van de geïnverteerde oplossing daarvan geen andere methode mag worden toegepast dan de koper-reductiemethode of de areometrische methode.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy