CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 12 januari 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A — De feiten
1.
In de onderhavige, door het Arbeidshof te Brussel aanhangig gemaakte prejudiciële procedure gaat het om de afbakening van de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71. ( 1 )
2.
De verwijzende rechter verzoekt om een antwoord op de prejudiciële vragen in het kader van een geding waarin hij zich heeft uit te spreken over de toekenning van tegemoetkomingen overeenkomstig de Belgische wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de mindervaliden. ( 2 )
3.
Verzoeker in het hoofdgeding maakt in zijn hoedanigheid van voogd van zijn meerderjarige mindervalide dochter op grond van de Belgische wettelijke regeling aanspraak op uitkeringen voor volwassen mindervaliden, meer bepaald de zogeheten bijzondere tegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp van een derde.
4.
Verzoeker en zijn dochter, die geboren is op 18 februari 1961, hebben de Duitse nationaliteit. Eerst was verzoeker ambtenaar van de Bundesanstalt für Flugsicherung (federale dienst voor luchtverkeersveiligheid). In het begin van de jaren zestig werd hij aangesteld door de Europese Organisatie voor de veiligheid van het luchtverkeer (Eurocontrol) en vestigde hij zich in verband daarmee in België. Hij was aangesloten bij het eigen socialezekerheidsstelsel van Eurocontrol. Inmiddels is hij gepensioneerd.
5.
Zijn dochter is vanaf haar geboorte gehandicapt en heeft om deze reden nooit gewerkt. Zij heeft altijd bij haar ouders gewoond en woont ook thans nog steeds bij hen, hoewel zij het grootste deel van de week in een revalidatiecentrum doorbrengt. Verzoeker heeft steeds in het levensonderhoud van zijn dochter bijgedragen,
6.
Tot de leeftijd van 25 jaar, de wettelijke maximumleeftijd voor de uitkeringen, kende de Belgische Staat ten gunste van verzoekers dochter kinderbijslag en een bijslag voor mindervalide kinderen toe. Zijn aanvraag voor een tegemoetkoming voor volwassen mindervaliden ten behoeve van zijn dochter werd afgewezen, op grond dat zijn dochter nooit als werkneemster aan de socialezekerheidsregeling onderworpen was geweest, en dat zij de Duitse nationaliteit heeft. Zijn beroep tegen dit besluit werd verworpen. De rechter die over het hoger beroep tegen dit vonnis uitspraak heeft te doen, heeft het Hof de volgende vragen voorgelegd:
„Moeten de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 in die zin worden uitgelegd dat toegelaten wordt tot het voordeel van de nationale wetgeving van een Lid-Staat die een eigen wettelijk beschermd recht toekent op uitkeringen voor gehandicapten, de gehandicapte die onderhorige is van een Lid-Staat doch: — zelf nooit werknemer, zelfstandige of ambtenaar geweest is in de zin van artikel 2 van deze verordening, doch die, in de Lid-Staat ten opzichte waarvan in toepassing van de wet inzake uitkeringen aan gehandicapten gevorderd wordt, voordien zekere uitkeringen ontvangen heeft, doch uitsluitend uit hoofde van haar toestand van gehandicapte en zonder enige verplichting van harentwege noch van haar vader ten opzichte van de wetgeving of regelingen inzake sociale zekerheid van deze Lid-Staat, terwijl haar vader, eveneens onderhorige van een Lid-Staat, wel de hoedanigheid van werknemer of ambtenaar in de zin van evengenoemd artikel 2, resp. leden 1 en 3 had, doch niet onderworpen is geweest aan de wettelijke of andere regeling inzake sociale zekerheid van de Lid-Staat ten opzichte waarvan zij haar vordering heeft ingesteld, noch van enig andere zoals beoogd in de verordening?
Subsidiair, en voor zover op de eerste vraag bevestigend geantwoord wordt:
1)
Welke interpretatie moet gegeven worden aan de term ‚ambtenaar’ voorkomend in artikel 2, lid 3 van verordening nr. 1408/71, inzonderheid of hieronder ressorteert de staatsambtenaar van een Lid-Staat in verlof zonder vergoeding en ambtenaar bij een internationale organisatie met eigen statuut en eigen sociale zekerheidsregeling met vrijstelling ‚van alle verplichte bijdragen aan nationale sociale verzekcringsorganen’?
Of in bevestigend geval, de bescherming zich ook tot de gezinsleden en nakomelingen uitstrekt, alhoewel de tekst dit niet voorziet?
2)
Of een eigen recht kan gevorderd worden refererend naar een hoedanigheid van gezinslid in de zin van artikel 2, lid 1; of dit ook en zelfs kan, indien de aanvraagstcr ín een instelling verblijft die gesubsidieerd is en waarvoor een fonds tussenkomt, terwijl anderzijds volgens de gesolliciteerde wetgeving inzake de uitkeringen aan gehandicapten, de toekenning daarvan ondergeschikt is aan een onderzoek omtrent de bestaansmiddelen en geen rekening meer gehouden wordt (vanaf de meerderjarigheid) met het inkomen van de ouders?”
7.
Voor de feiten, de toepasselijke bepalingen en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting.
B — Juridische beoordeling
8.
De prejudiciële vragen moeten de verwijzende rechter in staat stellen, te beoordelen of de Belgische tegemoetkomingen voor volwassen minder-validen die aan de invaliden die daarop aanspraak kunnen maken, krachtens een eigen recht worden toegekend, op grond van het gemeenschapsrecht aan verzoekers dochter moeten worden toegekend.
9.
Buiten kijf staat dat verzoekers dochter, afgezien van de Belgische nationaliteit, aan alle voorwaarden voor toekenning van de aangevraagde uitkeringen voldoet. In de loop van de procedure voor het Hof is te verstaan gegeven, dat het ontbreken van de Belgische nationaliteit onder bepaalde omstandigheden kan worden gecompenseerd door de hoedanigheid van werknemer. Gezien de feiten van de zaak kan deze regeling hier geen toepassing vinden. Op deze mogelijkheid behoeft dus niet nader te worden ingegaan.
10.
Is het gemeenschapsrecht op verzoekers dochter van toepassing, dan is het vereiste van de Belgische nationaliteit niet langer een probleem en moet de aanvraag worden toegewezen. Dit zou mogelijk kunnen zijn op grond van het in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 neergelegde gelijkheidsbeginsel, krachtens hetwelk personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van de verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen hebben voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.
11.
Sedert de laatste wijziging van de Belgische wet betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen in juli 1992 ( 3 ), hebben ook de personen die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen, uitdrukkelijk aanspraak op deze tegemoetkomingen. ( 4 ) Deze wetswijziging neemt met zoveel wooorden een rechtsgevolg in een nationale rechtshandeling op, dat krachtens het gemeenschapsrecht toch reeds bestond.
12.
Wat de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 betreft, bestaat er alleen reeds op grond van de huidige stand van de rechtspraak van het Hof van Justitie geen twijfel over, dat de betrokken uitkeringen voor minder-validen waarin het Belgisch recht voorziet, daaronder kunnen vallen. ( 5 ) Bij de laatste wijziging van vordering nr. 1408/71 ( 6 ) is ter zake een uitdrukkelijke bepaling in de tekst van de verordening opgenomen. ( 7 ) Zelfs de omschrijving van de gezinsleden op wie de verordening van toepassing is, is gewijzigd met het oog op uitkeringen voor gehandicapten. Aan artikel 1, sub f, is het volgende punt ii) toegevoegd:
„Wanneer het echter om prestaties voor gehandicapten gaat die op grond van de wetgeving van een Lid-Staat worden toegekend aan alle onderdanen van die Staat die aan de vereiste voorwaarden voldoen, wordt onder ‚gezinslid’ ten minste verstaan de echtgenoot óf echtgenote, de minderjarige kinderen, alsmede de te zijnen of haren laste komende meerderjarige kinderen van een werknemer of zelfstandige.”
13.
De wijzigingsbepalingen zijn per 1 juli 1992 in werking getreden ( 8 ), zodat zij hoogstens vanaf dat tijdstip op de onderhavige feiten kunnen worden toegepast. De prejudiciële vragen dienen dus hoe dan ook volgens de vóór de wijziging van de verordening bestaande rechtstoestand te worden beantwoord.
14.
Ondanks dat de betrokken tegemoetkomingen voor minder-validen binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 kunnen vallen, en dat die prestaties in de gewijzigde verordening uitdrukkelijk zijn vermeld, moet de personele werkingssfeer van de verordening voor de concrete prestaties worden vastgesteld.
15.
Dit geldt te meer omdat het bij tegemoetkomingen voor minder-validen zoals die waarover het thans gaat, om een mengvorm van sociale uitkeringen gaat, die niet ondubbelzinnig als socialezekerheidsuitkeringen in de zin van artikel 4, lid 1, en evenmin als van de werkingssfeer van de verordening uitgesloten sociale bijstand in de zin van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 kunnen worden aangemerkt.
16.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( 9 )„[kan het] voor de toepassing dezer verordening wenselijk zijn onderscheid te maken tussen de wettelijke regelingen die respectievelijk onder de sociale zekerheid en de bijstand vallen, maar [mag] de mogelijkheid niet worden uitgesloten dat een bepaalde regeling — wegens haar personele werkingssfeer ( 10 ), doelstellingen en wijze van toepassing — gelijktijdig aan beide categorieën verwant is en zich derhalve niet in een algemene indeling laat vatten”. ( 11 )
17.
Dit wijst er reeds op, dat de personele werkingssfeer van de toepasselijke bepalingen invloed kan hebben op het antwoord op de vraag betreffende de materiële werkingssfeer.
18.
Met betrekking tot de kwalificatie van tegemoetkomingen voor gehandicapten, verklaarde het Hof:
„Hoewel een wettelijke regeling betreffende de toekenning van tegemoetkomingen aan minder-validen door bepaalde kenmerken verwant is aan de sociale bijstand — met name waar zij uitgaat van de behoefte als wezenlijk toepassingscriterium en geen enkele eis stelt met betrekking tot de tijdvakken van beroepsarbeid, lidmaatschap of bijdrage—, komt zij niettemin dicht bij de sociale zekerheid voor zover zij afziet van een individuele beoordeling, die kenmerkend is voor de bijstand, en de begunstigde een wettelijk omschreven positie toekent; dat een dergelijke regeling, gezien de ruime omschrijving van de kring van begunstigden, in feite een tweeledige functie ( 12 ) heeft, bestaande, enerzijds, in het garanderen van een bestaansminimum aan minder-validen die volledig buiten het stelsel van sociale zekerheid vallen, en anderzijds in het verzekeren van een aanvullend inkomen aan de blijvend arbeidsongeschikten die een uitkering van sociale zekerheid genieten.” ( 13 )
19.
Nog onder verordening nr. 3, die aan verordening nr. 1408/71 vooraf is gegaan, verklaarde het Hof:
„Bijgevolg behoort een nationale wettelijke regeling, welke aan minder-validen een wettelijk beschermd recht op een uitkering geeft, ten aanzien van de in verordening nr. 3 bedoelde personen (...) tot het terrein van de sociale zekerheid in de zin van artikel 51 van het Verdrag en de gemeenschapsregelingen ter uitvoering van die bepaling.” ( 14 )
20.
Hier wordt uitdrukkelijk verklaard dat de materiële werkingssfeer afhankelijk is van de — prealabel te bepalen — personele werkingssfeer van de verordening. Reeds tijdens de periode waarin verordening nr. 1408/71 gold, bevestigde het Hof zijn rechtspraak en benadrukte het nogmaals de toepassingsvoorwaarden voor de personen die onder de verordening vallen, stellende:
„Ten aanzien van een werknemer in loondienst of daarmee gelijkgestelde die in een Lid-Staat een invaliditeitspensioen geniet, valt een regeling die aan minder-validen een wettelijk beschermd recht op een ‚tegemoetkoming’ toekent, derhalve binnen het gebied van sociale zekerheid als bedoeld in artikel 51 van het Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde regeling, zelfs wanneer een dergelijke wettelijke regeling ten aanzien van andere categorieën begunstigden niet aldus zou kunnen worden gekwalificeerd.” ( 15 )
21.
De personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 is geregeld in artikel 2. Artikel 2, lid 1, luidt:
„Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.”
22.
Nu verzoekers dochter, die aanspraak maakt op de betrokken uitkeringen, nooit heeft gewerkt of in de toekomst zal werken, valt zij niet rechtstreeks binnen de personele werkingssfeer van de verordening op grond van haar eigen rechtspositie. Wel zou zij als gezinslid van haar vader onder verordening nr. 1408/71 kunnen vallen.
23.
In twee arresten uit de jaren zeventig ( 16 ) zijn aan gezinsleden van migrerend werknemers in een vergelijkbare situatie tegemoetkomingen voor gehandicapten toegekend op grond van verordening nr. 1408/71. In de zaak 7/75, echtelieden F., hadden de ouders van een minderjarig kind aanspraak op tegemoetkomingen aan minder-validen krachtens het Belgisch recht aangevraagd. Zij hadden de Italiaanse nationaliteit en in elke geval was de vader als migrerend werknemer in de zin van de verordening te beschouwen.
24.
Het Hof overwoog in zijn arrest:
„Voor het genot van rechten krachtens een nationale wettelijke regeling waarbij tegemoetkomingen aan minder-validen worden toegekend, mogen noch de werknemer zelf noch zijn gezinsleden worden benadeeld ten opzichte van de onderdanen van de staat waar zij wonen, enkel omdat zij de nationaliteit van die staat niet bezitten.” ( 17 )
25.
Voorts heet het in het arrest:
„In het geval van een gehandicapt kind dat reeds tijdens zijn minderjarigheid aan de voorwaarden voldoet om als gezinslid van een werknemer tegemoetkomingen aan minder-validen te genieten, kan de gelijkheid van behandeling krachtens artikel 3 van verordening nr. 1408/71 niet eindigen bij het meerderjarig worden, indien het kind wegens zijn handicap de hoedanigheid van werknemer in de zin van de verordening niet zelf kan verwerven; immers, ware dit anders, zou de werknemer, ten einde zijn kind duurzaam te verzekeren van de wegens zijn handicap noodzakelijke tegemoetkomingen, ertoe worden gebracht niet te blijven in de Lid-Staat waar hij zich heeft gevestigd en zijn werk heeft gevonden, hetgeen zou ingaan tegen het doel van het beginsel van vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, mede gelet op het krachtens dit beginsel aan de werknemer en diens gezinsleden toegekende recht om, onder de voorwaarden van verordening nr. 1251/70 (...), verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat, na er een betrekking te hebben vervuld.” ( 18 )
26.
In zaak 63/76, Inzirillo, waarin een volwassen gehandicapte met de Italiaanse nationaliteit, die bij zijn — als werknemer in de zin van verordening nr. 1408/71 te beschouwen — vader woonde, tegemoetkomingen voor gehandicapten krachtens het Franse recht aanvroeg, bevestigde het Hof zijn rechtspraak in de zaak echtelieden F. over de hele linie. ( 19 )
27.
Gelet op deze rechtspraak is voor de beoordeling van de onderhavige zaak beslissend, of verzoeker binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt. Uitgangspunt voor deze toetsing is het reeds aangehaalde artikel 2, lid 1, volgens hetwelk werknemers en zelfstandigen alsmede hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen met zoveel woorden binnen de personele werkingssfeer van de verordening vallen, en eventueel artikel 2, lid 3, dat luidt:
„Deze verordening is van toepassing op ambtenaren en op personeel dat volgens de toepasselijke wetgeving met hen gelijkgesteld is, voor zover zij onderworpen zijn of geweest zijn aan de wettelijke regelingen van een Lid-Staat, waarop deze verordening van toepassing is.”
28.
Deze bepaling kan derhalve op verzoeker worden toegepast, omdat hij ooit, toen hij voor de Bundesanstalt für Flugsicherung werkte, de hoedanigheid van Duits ambtenaar heeft gehad, en deze hoedanigheid niet heeft verloren toen hij voor Eurocontrol ging werken en in het kader van een „verlof zonder vergoeding” („Urlaub ohne Gewährung”) ( 20 ) zijn dienst bij de Bundesanstalt staakte. Anderzijds kon verzoeker wegens zijn dienstbetrekking bij Eurocontrol de hoedanigheid van ambtenaar van een internationale organisatie of althans van een daarmee gelijkgesteld persoon hebben verkregen.
29.
Of artikel 2, lid 3, van de verordening voor verzoeker van nut kan zijn, lijkt evenwel op verschillende gronden twijfelachtig. Voor ambtenaren of daarmee gelijkgestelde personen wordt de personele werkingssfeer beperkt door een verwijzing naar de materiële werkingssfeer van de verordening. Slechts voor zover de regeling van een Lid-Staat, die binnen de materiële werkingssfeer van de verordening valt, op ambtenaren of daarmee gelijkgestelde personen van toepassing is of was, kan deze groep personen binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen. Evenals het Hof bij de mengvormen van nationale stelsels betreffende sociale uitkeringen voor de vaststelling van de materiële werkingssfeer van de verordening verwijst naar de personele werkingssfeer ervan, gaat de gemeenschapswetgever in omgekeerde zin tewerk bij de omschrijving van de personele werkingssfeer van de verordening voor ambtenaren en daarmee gelijkgestelden.
30.
In het uiterste geval kan dit tot een cirkelredenering leiden. Zo kan men zich bij voorbeeld voorstellen, dat een ambtenaar of een daarmee gelijkgestelde voor zichzelf of voor zijn kind tegemoetkomingen voor gehandicapten ontvangt en op deze grond potentieel binnen de personele werkingssfeer van de verordening valt, doch slechts voor zover de wettelijke bepalingen op grond waarvan de uitkeringen verschuldigd zouden zijn, binnen de materiële werkingssfeer van de verordening vallen, waarbij het antwoord op de vraag of de betrokken uitkeringen binnen de materiële werkingssfeer van de verordening vallen, afhankelijk is van de vraag of degenen die aanspraak op deze uitkering maken zijn aan te merken als personen op wie de verordening van toepassing is.
31.
Ook moet worden betwijfeld of verzoeker met succes zijn aanspraken op artikel 2, lid 3, van verordening nr. 1408/71 kan baseren, wegens het feit dat de gezinsleden van een ambtenaar en daarmee gclijkgcstelden in elk geval niet uitdrukkelijk als begunstigden worden genoemd.
32.
Dit betekent nog niet, dat aan een ambtenaar of een daarmee gelijkgestelde in geen enkel geval binnen de werkingssfeer vallende uitkeringen worden toegekend ten behoeve van zijn gezinsleden. Ik denk bij voorbeeld aan gezinsbijslagen krachtens artikel 4, lid 1, sub h. Een ambtenaar of daarmee gelijkgestelde kan dus zuiver hypothetisch door de enkele omstandigheid dat hij gezinsbijslagen ontvangt, ingevolge artikel 2, lid 3, binnen de personele werkingssfeer van de verordening vallen.
33.
Hieruit blijkt evenwel, dat het begrip ambtenaar of daarmee gelijkgestelde in de zin van artikel 2, lid 3, van de verordening niet in abstracto kan worden bepaald, in dier voege dat bepaalde personen over het algemeen binnen de personele werkingssfeer van de verordening zouden vallen, doch enkel na een concreet onderzoek van de betrokken uitkeringen. Dit geldt te meer, wanneer het om uitkeringen gaat die ten behoeve van gezinsleden worden toegekend.
34.
Volgens de tekst van artikel 2, lid 3, van de verordening is het mijns inziens duidelijk, dat de gezinsleden van eventueel voor een uitkering in aanmerking komende personen hieraan geen eigen aanspraak kunnen ontlenen. Uiteindelijk staat het aan de nationale rechter, het rechtskaraktcr van de krachtens nationaal recht toc te kennen uitkeringen vast te stellen en te bepalen welke personen krachtens deze bepalingen voor deze uitkeringen in aanmerking komen. Zo kan ik mij voorstellen, dat tegemoetkomingen voor volwassen gehandicapten, qua aard en doel en gelet op de rechtspraak Inzirillo en echtelieden F., in het verlengde liggen van eventueel in het kader van gezinsbijslagen toegekende tegemoetkomingen voor gehandicapten.
35.
Uit de aan het Hof ter beschikking staande inlichtingen betreffende de tegemoetkomingen waarvan sprake in het hoofdgeding, volgt dat deze uitsluitend aan de aldaar genoemde gerechtigden worden toegekend, zodat artikel 2, lid 3, van de verordening niet op verzoekers dochter kan worden toegepast.
36.
Thans moet dus worden onderzocht, of verzoekers dochter op grond van artikel 2, lid 1, aanspraken kan ontlenen aan verordening nr. 1408/71. Voorwaarde daarvoor is dat, zoals hierboven reeds uiteengezet, haar vader werknemer of zelfstandige in de zin van die bepaling is. Wel heeft het Hof in het kader van de uitlegging van de bepalingen inzake de totstandbrenging van het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap het gemeenschapsrechtelijk begrip werknemer in ruime zin uitgelegd.
37.
In de zaak Echternach en Moritz ( 21 ) stelde het Hof vast:
„een gemeenschapsonderdaan die in een andere Lid-Staat dan zijn land van herkomst werkt, verliest zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 48, lid 1, van het Verdrag niet doordat hij een functie bij een internationale organisatie vervult, ook al zijn de voorwaarden van zijn toelating en verblijf in het land van tewerkstelling speciaal geregeld in een internationale overeenkomst tussen die organisatie en de staat waar zij haar zetel heeft.
Daaruit volgt in het bijzonder, dat het genot van de door artikel 48 van het Verdrag en verordening nr. 1612/68 toegekende rechten en voorrechten niet aan een kind van zo een werknemer uit een Lid-Staat kan worden geweigerd.”
38.
Met betrekking tot de mogelijkheden, bedoeld in artikel 48, lid 4, EEG-Verdrag, om personen van het toepassingsgebied van de andere leden van het artikel uit te sluiten, schrijft het Hof een strenge toetsing aan de doelstellingen van de bepalingen voor. ( 22 )
39.
Zonder dat de bijzonderheden van het concrete geval behoeven te worden onderzocht, kan volgens de rechtspraak van het Plof bij voorbaat ervan worden uitgegaan,
„dat artikel 48, lid 4, de Lid-Staten enkel de mogelijkheid biedt, onderdanen van andere Lid-Staten de toegang tot bepaalde betrekkingen in overheidsdienst te weigeren; dit betekent echter niet, dat de Lid-Staten degenen die zij niettemin tot dergelijke betrekkingen hebben toegelaten, van de communautaire behandeling zouden mogen uitsluiten”. ( 23 )
40.
Uiteindelijk moet dus ervan worden uitgegaan,
„dat een onderdaan van een Lid-Staat die in een andere Lid-Staat een functie vervult die door een bijzonder internationaalrechtelijk statuut wordt beheerst (...), moet worden aangemerkt als werknemer van een Lid-Staat in de zin van artikel 48, leden 1 en 2, EEG-Verdrag en derhalve, evenals zijn gezinsleden, de door die bepalingen en door verordening nr. 1612/68 voorziene rechten en voorrechten geniet”. ( 24 )
41.
Het lijdt weinig twijfel dat verzoeker onder het aldus omschreven begrip werknemer valt. Toch rijst de vraag, of hij gelijktijdig ook als werknemer in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is te beschouwen. Mijns inziens kan tegen de identiteit van het begrip werknemer in artikel 48 EEG-Verdrag en in verordening nr. 1612/68 met hetzelfde begrip in verordening nr. 1408/71 worden ingebracht, dat laatstbedoelde verordening enkel voor een materieel begrensd gebied geldt.
42.
In de considerans van de verordening wordt verklaard,
„dat, gezien de belangrijke verschillen welke tussen de nationale wetgevingen met betrekking tot hun personele werkingssfeer bestaan, er de voorkeur aan moet worden gegeven uit te gaan van het beginsel, dat de verordening van toepassing is op alle onderdanen van de Lid-Staten die verzekerd zijn krachtens de voor loontrekkenden getroffen regelingen inzake sociale zekerheid”. ( 25 )
43.
Ondanks het in beginsel ruime begin van de definitie, wordt deze toch duidelijk beperkt, in die zin dat de betrokkene aan het toepasselijke socialc-zekerhcidsstelscl onderworpen dient te zijn. Deze beperking wordt bevestigd in de reeds aangehaalde bepaling over de personele werkingssfeer van de verordening voor ambtenaren en daarmee gelijkgestelden, waaraan op basis van materiële criteria grenzen zijn gesteld.
44.
Ook de omstandigheid dat een onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen enerzijds en ambtenaren en daarmee gelijkgcstcldcn anderzijds, betekent mijns inziens dat de definitie van het begrip werknemer is afgestemd op de doelstellingen en het materiële voorwerp van de verordening.
45.
Op grond daarvan is het mijns inziens twijfelachtig, of verzoeker onder het begrip werknemer in de zin van verordening nr. 1408/71 kan vallen. Als Duits ambtenaar viel hij in principe onder een eigen stelsel van sociale zekerheid. Ook als ambtenaar van Eurocontrol geldt voor hem een bijzondere socialezekerheidsregeling, en ingevolge artikel 24 van het Internationale Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart „Eurocontrol” was hij uitdrukkelijk „vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan nationale sociale verzekeringsorganen”. ( 26 ) Zou verzoeker dienovereenkomstig niet als werknemer in de zin van verordening nr. 1408/71 zijn te beschouwen, dan zou ook zijn dochter geen uit de situatie van haar vader afgeleide aanspraken aan de verordening kunnen ontlenen.
46.
Ook op grond van een andere overweging kan volgens mij worden betwijfeld of verzoekers dochter zich voor haar aanspraken op de betrokken tegemoetkomingen voor gehandicapten met succes op verordening nr. 1408/71 kan beroepen. In de zaak Kcrmaschck ( 27 ) heeft het Hof met betrekking tot aanspraken jegens socialezekerheidsstelsels op grond van verordening nr. 1408/71 een stelsel uitgewerkt dat aldus kan worden samengevat, dat de tot de categorie van werknemers behorende personen bepaalde aanspraken als eigen rechten geldend kunnen maken, terwijl gezinsleden van de krachtens verordening nr. 1408/71 gerechtigden slechts afgeleide rechten, die zij hebben verkregen als gezinslid van een werknemer ( 28 ), geldend kunnen maken.
47.
Deze rechtspraak werd in de arresten in de zaken 157/84 ( 29 ), 94/84 ( 30 ) en 147/87 ( 31 ) doorgetrokken. Er zij evenwel op gewezen, dat deze rechtspraak, anders dan de arresten echtelieden F. en Inzirillo, niet specifiek voor tegemoetkomingen voor gehandicapten is ontwikkeld ( 32 ), en dat het arrest Kermaschek, waarin voor het eerst een onderscheid is gemaakt tussen eigen en afgeleide rechten, van vóór het arrest Inzirillo dateert.
48.
Zou men dit stelsel toch op het onderhavige geval willen toepassen, dan zou verzoekers dochter zich niet op verordening nr. 1408/71 kunnen beroepen, want blijkens de antwoorden van de Belgische regering en de gelijkluidende verklaringen van de procespartijen worden de betrokken tegemoetkomingen voor volwassen minder-validen uitsluitend uit hoofde van een eigen recht toegekend.
49.
Blijkens zijn meest recente rechtspraak ( 33 ) lijkt het Hof ook in het geval van tegemoetkomingen voor gehandicapten volgens het in het arrest Kermaschek ontwikkelde onderscheid tussen eigen en afgeleide rechten te werk te willen gaan. Zou het Hof dit in de toekomst blijven doen, dan zou verzoeker niet in naam van zijn dochter met succes een beroep kunnen doen op verordening nr. 1408/71.
50.
Deze voorlopige conclusie betekent evenwel niet, dat verzoeker zich niet toch nog met succes op het gemeenschapsrecht kan beroepen.
51.
De vragen van de verwijzende rechter betreffen uitdrukkelijk enkel de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 1408/71. Het Hof is evenwel gehouden de aan hem voorgelegde vragen uitvoerig te beantwoorden, en de verwijzende rechter alle criteria ter hand te stellen zodat hij de hem voorgelegde feiten naar behoren vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt kan beoordelen.
52.
Het Hof kan dus ook een standpunt innemen ten aanzien van gemeenschapsrechtelijke bepalingen die inhoudelijk verband houden met de uitdrukkelijk genoemde bepalingen. Dit geldt te meer, wanneer de prejudiciële vragen, indien zij abstracter geformuleerd waren, met zekerheid tot een toetsing van de daarmee verband houdende voorschriften zouden hebben geleid. Het Hof is namelijk niet aan de tekst van de prejudiciële vragen gebonden. In de praktijk legt het de vragen aldus uit, dat een uitvoerige beoordeling van de gemeenschapsrechtelijke problematiek mogelijk is.
53.
Een gemeenschapsrechtelijke regeling waarvan de toetsing zich aldus opdringt, is in casu verordening nr. 1612/68 ( 34 ). Zoals hierboven reeds is onderzocht, valt verzoeker onder het begrip werknemer als bedoeld in deze verordening, die is vastgesteld ter uitvoering van het vrije verkeer van werknemers. Verzoeker, respectievelijk zijn dochter, kan zich eventueel beroepen op artikel 7, lid 2, van de verordening, volgens hetwelk een werknemer in de zin van deze bepaling dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de nationale werknemers. Ingevolge artikel 10 van de verordening mogen onder meer bloedverwanten die te zijnen laste zijn, bij de werknemer komen wonen. Aldus wordt deze categorie van personen uitdrukkelijk tot de categorie der begunstigden van de verordening gerekend.
54.
Ook wanneer de werknemer niet meer in loondienst werkzaam is, genieten hij en zijn gezinsleden, bedoeld in artikel 10 van verordening nr. 1612/68, een verblijfsrecht in het land van tewerkstelling op grond van artikel 1 van verordening nr. 1251/70. ( 35 ) Artikel 7 van verordening nr. 1251/70 bepaalt overigens uitdrukkelijk:
„Het recht op gelijkheid van behandeling, erkend in verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad, wordt gehandhaafd ten behoeve van degenen, op wie deze verordening van toepassing is.”
55.
Op grond hiervan lijkt een beroep van verzoeker in eigen naam dan wel in naam van zijn dochter op artikel 7 van verordening nr. 1612/68 respectievelijk verordening nr. 1251/70 voor de hand te liggen. Terwijl het Hof in het arrest echtelieden F. ( 36 ) de toepasselijkheid van verordening nr. 1612/68 nog in het midden heeft gelaten, heeft het in het arrest Inzirillo ( 37 ), na zich eerst te hebben uitgesproken over verordening nr. 1408/71, uitdrukkelijk verklaard:
„Dat de verplichting aan een volwassen mindervalide kind van zulk een werknemer een gelijke behandeling te verzekeren als voor onderdanen van de Staat zijner woonplaats is weggelegd, trouwens ook in andere gemeenschapsrechtelijke bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers is omschreven; dat immers in artikel 10, lid 1, a van's Raads verordening nr. 1612/68 van 19 oktober 1968 (...) is vastgelegd dat zich bij de werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld mogen vestigen niet slechts bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar, doch in het algemeen bloedverwanten in de neergaande lijn die ‚te hunnen laste’ zijn; dat in artikel 7, lid 2, van dezelfde verordening is voorzien dat een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat, op het grondgebied van een andere Lid-Staat ‚dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers’ geniet; dat met het oog op de in verordening nr. 1612/68 beoogde gelijkheid van behandeling en de gezamenlijke bepalingen der verordening in aanmerking genomen, het materiële toepassingsgebied van artikel 7, lid 2, aldus moet worden afgebakend dat het alle, wel of niet aan het arbeidscontract verbonden, sociale en fiscale voordelen omvat, zoals een uitkering ten behoeve van volwassen mindervaliden welke een Lid-Staat aan zijn eigen onderdanen toekent langs de weg van een wettelijke regeling waarbij een wettelijk beschermd recht op uitkering wordt verleend.” ( 38 )
56.
Verzoeker zou dus met een beroep op het gemeenschapsrecht aanspraken op de betrokken uitkeringen kunnen laten gelden, indien deze voor hem sociale voordelen zijn en zijn dochter zich op het gelijkheidsbeginsel kan beroepen. Of deze vragen bevestigend kunnen worden beantwoord, betwijfel ik, aangezien tegemoetkomingen voor gehandicapten uit hoofde van een eigen recht worden verleend en het beslissend kan zijn of het recht op gelijke behandeling het gezinslid van een werknemer rechtstreeks dan wel slechts indirect toekomt.
57.
Met betrekking tot de omschrijving van de sociale voordelen in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, is het vaste rechtspraak van het Hof dat
„uit het geheel der bepalingen van deze verordening alsook uit het doel ervan [blijkt], dat de voordelen die daarbij tot werknemersonderdanen van andere Lid-Staten worden uitgebreid, die zijn welke, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemersonderdanen van andere Lid-Staten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken”. ( 39 )
58.
Weliswaar zouden de tegemoetkomingen voor gehandicapten niet aan verzoeker doch aan zijn dochter moeten worden toegekend, doch de verordening is uitdrukkelijk ook van toepassing op de gezinsleden van de migrerend werknemer, met name op zijn volwassen kinderen, die te zijnen laste zijn. ( 40 )
59.
Volgens het arrest Lebon ( 41 ) hebben de familieleden van de werknemer slechts indirect aanspraak op gelijkheid van behandeling. Toch wordt zelfs in deze uitspraak de volwassen gezinsleden de mogelijkheid van een beroep op artikel 7, lid 2, ter verkrijging van een bestaansminimum alleen dan ontzegd, wanneer zij niet langer ten laste van de werknemer komen.
60.
In het hoofdgeding liggen de feiten evenwel anders. Verzoekers dochter is nog steeds te zijne laste. In deze situatie zal zich in beginsel ook niets kunnen wijzigen, omdat zijn dochter niet in staat is een beroepsactiviteit uit te oefenen. De doorgaans tijdelijke financiële afhankelijkheid van kinderen van hun onderhoudsplichtige ouders blijft in casu wegens de handicap van de dochter voor onbepaalde tijd voortbestaan.
61.
Volgens het arrest Lebon ( 42 ) is zelfs alleen vereist dat de betrokkene door de werknemer daadwerkelijk wordt ondersteund; het bestaan van een onderhoudsplicht wordt niet verlangd. Bijgevolg zijn aan de dochter toegekende openbare bijstandsuitkeringen steeds ook als een voordeel te beschouwen voor de vader die in het levensonderhoud van zijn dochter voorziet. ( 43 )
62.
Hieraan doet niet af, dat de dochter tijdelijk in een gesubsidieerd revalidatiecentrum verblijft. Enerzijds lijkt met deze omstandigheid reeds in het kader van de nationale bepalingen inzake de toekenning van de tegemoetkomingen rekening te zijn gehouden. Anderzijds zou het feit dat de dochter bijstand in andere vorm ontvangt, eventueel in het nadeel van verzoeker kunnen uitvallen, wanneer alle bijstand door anderen werd gedragen, wat evenwel zeer onwaarschijnlijk is.
63.
Ten slotte moet nog worden uitgemaakt of verzoekers dochter zich rechtstreeks op het gelijkheidsbeginsel kan beroepen, dan wel of alleen de vader zich ten behoeve van zijn gezinsleden op dit beginsel kan beroepen.
64.
Voor de opvatting dat alleen de werknemer zich op het discriminatieverbod kan beroepen, pleit enerzijds het in het arrest Lebon ( 44 ) ontwikkelde beginsel van de indirecte aanspraak van de gezinsleden. Ook het arrest Taghavi ( 45 ) lijkt deze indruk te bevestigen. De persoon die in de zaak Taghavi aanspraak maakte op uitkeringen, was evenwel onderdaan van een derde land, zodat alleen reeds om die reden de situatie niet vergelijkbaar is.
65.
Ook het arrest Lebon geeft geen uitsluitsel over de gevolgen van een bevestigend antwoord op de vraag, of bepaalde openbare uitkeringen aan gezinsleden als een sociaal voordcel voor de werknemer zijn te beschouwen.
66.
Daarentegen heeft het Hof reeds in het arrest Inzirillo ( 46 ) uitdrukkelijk overwogen, dat aan het mindervalide kind een gelijke behandeling dient te worden verzekerd. In het arrest Bernini ( 47 ) neemt het Hof bovendien het standpunt in, dat een gezinslid van een werknemer onder de hierboven beschreven voorwaarden rechtstreeks een beroep kan doen op artikel 7, lid 2, van verordening nr, 1612/68 en eigen aanspraken kan doen gelden.
67.
Mijns inziens dient iemand op wie de verordening van toepassing is, zich in deze omstandigheden ook in eigen naam op het gelijkheidsbeginsel te kunnen beroepen. ( 48 ) Wanneer een gezinslid aan alle voorwaarden moet voldoen, die de aanspraak bepalen, dient hij ook een gelijke behandeling te genieten, omdat anders het doel van de verwezenlijking van het gelijkheidsbeginsel wordt belemmerd.
68.
Voor deze uitlegging pleit overigens ook de formulering van artikel 7 van verordening nr. 1251/70, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers en anderen op wie de verordening van toepassing is, doch uitsluitend sprake is van degenen op wie deze verordening van toepassing is.
69.
Doordat verzoekers dochter de aangevraagde uitkeringen werden geweigerd op grond van haar nationaliteit, was zij slachtoffer van een rechtstreekse discriminatie. Doch zelfs wanneer men de persoon van verzoeker, de vader van de mindervalide, als beslissend zou willen aanmerken, zou het nationaliteitsvereiste in ieder geval een indirecte discriminatie vormen, omdat de kinderen van migrerende werknemers veel vaker een andere nationaliteit hebben dan de gezinsleden van binnenlandse werknemers.
70.
Verzoeker zal zich dus met succes in naam van zijn dochter op het in de verordeningen nrs. 1612/68 en 1251/70 neergelegde gelijkheidsbeginsel kunnen beroepen.
C — Conclusie
71.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
De artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1408/71 moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet gelden ten gunste van een gehandicapte, als grondslag voor eigen aanspraken op tegemoetkomingen voor gehandicapten, wanneer de gehandicapte zelf noch haar vader, die haar gemeenschapsrechtelijke positie bepaalt, aangesloten was bij een socialezekerheidsregeling die verordening nr. 1408/71 beoogt te coördineren.
2)
Wel kan zij in haar hoedanigheid van dochter van een migrerend werknemer met een beroep op artikel 7, lid 2, van verordening nr, 1612/68 een eigen recht op de betrokken tegemoetkomingen geldend maken, voor zover de migrerend werknemer nog in haar onderhoud voorziet en de tegemoetkomingen voor deze werknemer dus een sociaal voordeel vormen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 1 ) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juli 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, biz. 6), laatstelijk gewijzigd bij verordeningen (EEG) nrs. 1247, 1248 en 1249/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, biz. 1).
( 2 ) De wet van 27 juni 1969 is gedeeltelijk opgeheven en gewijzigd bij wet van 27 februari 1987 en aangevuld bij wet van 20 juli 1991, in werking getreden op 1 augustus 1991.
( 3 ) Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1992, blz. 16971.
( 4 ) Zie artikel 4, lid 1, nr. 2, t. a. p.
( 5 ) Arresten van 13 november 1974, zaak 39/74, Costa, Jurispr. 1974, blz. 1251; 28 mei 1974, zaak 187/73, Callemcyn, Jurispr. 1974, blz. 553, en 17 juni 1975, zaak 7/75, echtelieden È, Jurispr. 1975, blz. 679; zie ook het rapport ter terechtzitting in zaak C-326/90, Commissie/België, bij het arrest van 10 november 1992 (Jurispr. 1992, blz. I-5517), het betoog van de Commissie, dat tot de veroordeling heeft geleid.
( 6 ) Verordening (EEG) nr. 1247/92 van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr, 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1992, L 136, blz. 1).
( 7 ) Zie artikel 4, lid 2 bis, en bijlage II, sub A, bij artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71.
( 8 ) Zie artikel 3 van wijzigingsverordening nr. 1247/92, reeds aangehaald in voetnoot 6.
( 9 ) Zaak 39/74, reeds aangehaald, r. o. 5 en 6; arrest van 9 oktober 1974, zaak 24/74, Biason, Jurispr. 1974, blz. 999, r. o. 9; zaak 183/73, Callemeyn, reeds aangehaald, r. o. 6, en arrest van 20 juni 1991, zaak C-356/89, Newton, Jurispr. 1991, blz. I-3017. Al deze arresten betroffen uitkeringen voor gehandicapten. Zie ook het arrest van 24 februari 1987, gevoegde zaken 379/85-381/85 en 93/86, Giletti, Jurispr. 1987, blz. 954, r. o. 9. Dit arrest betrof een aanvullende uitkering.
( 10 ) Cursivering van mi).
( 11 ) Zaak 39/74, Costa, reeds aangehaald in voetnoot 5, en arrest van 27 maart 1985, zaak 249/83, Hoeckx, Jurispr. 1985, blz. 973, r. o. 12, waar er op wordt gewezen dat het gedekte risico verband moet houden met één van de in artikel 4, lid 1, van de verordening uitdrukkelijk opgesomde soorten uitkeringen. Dit arrest betrof de toekenning van het bestaansminimum, dat eveneens het onderwerp was van het arrest van 27 maart 1985, zaak 122/84, Scrivener, Jurispr. 1985, blz. 1027, r. o. 19. Zie ook het arrest van 6 juli 1978, zaak 9/78, Gillard, Jurispr. 1978, blz. 1661, r. o. 5, betrelfende het meetellen van periodes van krijgsgevangenschap voor een pensioen, waarbij de constitutieve elementen en het doel van de prestatie als onderscheidingscriteria zijn gehanteerd. Zie ook de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1247/92, reeds aangehaald in voetnoot 6.
( 12 ) Cursivering van mi).
( 13 ) Zie zaak 39/74, Costa, reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 7 en 8. Wat de tweeledige functie van sociale uitkeringen betreft, zij ook verwezen naar het arrest van 5 mei 1983, zaak 139/82, Piscitcllo, Jurispr. 1983, blz. 1427, r. o. 12, betreffende de kwalificatie van een aanvullend pensioen. Zie ook zaak 187/73, Callcmcyn, reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 8. Zie in deze zin met betrekking tot het gewaarborgd minimuminkomen voor bejaarden het arrest van 22 juni 1972, zaak 1/72, Frilli, Jurispr, 1972, blz. 457, r, o. 14 en 15; zie eveneens in deze zin in verband met een aanvullende uitkering bij een pensioen uit een nationaal solidariteitsfonds de gevoegde zaken 379/85-381/85 en 93/86, reeds aangehaald, r. o. 10.
( 14 ) Zie zaak Costa, reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 9-11.
( 15 ) Zaak 187/73, Callcmcyn, reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 11; zie in deze zin ook het arrest Newton, zaak C-356/89, reeds aangehaald in voetnoot 9.
( 16 ) Zaak 7/75, echtelieden P., reeds aangehaald in voetnoot 5, en arrest van 16 december 1976, zaak 63/76, Inzirillo, Jurispr. 1976, blz. 2057.
( 17 ) Zaak 7/75, echtelieden F, reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 17.
( 18 ) Zie zaak 7/75, reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 18-20.
( 19 ) Zaak 63/76, reeds aangehaald in voetnoot 16, r. o. 15-17.
( 20 ) Beter ware: verlof zonder bezoldiging.
( 21 ) Arrest van 15 maart 1989, gevoegde zaken 389/87 en 390/87, Jurispr. 1989, blz. 723, r. o. 11 en 12.
( 22 ) Zie het arrest van 17 december 1980, zaak 149/79, Commissie/België, Jurispr. 1980, blz. 3881, r. o. 11.
( 23 ) Zie zaak Echternach en Moritz, reeds aangehaald in voetnoot 21, r. o. 14.
( 24 ) Zaak Echternach en Moritz, reeds aangehaald in voetnoot 21, r. o. 15.
( 25 ) Cursivering van mij.
( 26 ) Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart (Eurocontrol), gewijzigd in 1981, wet van 16 november 1981, Belgisch Staatsblad van 30 april 1985, blz. 6014, en Bundesgesetzblau 1984, Teil II, 69, 71.
( 27 ) Arrest van 23 november 1976, zaak 40/76, Kcrmaschck, Jurispr. 1976, blz. 1669.
( 28 ) Arrest Kcrmaschck, reeds aangehaald in voetnoot 27, r. o. 7.
( 29 ) Arrest van 6 juni 1985, zaak 157/84, Frascogna, Jurispr. 1985, blz. 1739, r. o. 15.
( 30 ) Arrest van 20 juni 1985, zaak 94/84, Dcak, Jurispr. 1985, blz. 1873, r. o. 11.
( 31 ) Arrest van 17 december 1987, zaak 147/87, Zaou!, Jurispr. 1987, blz. 5511, r. o. 11.
( 32 ) In zaak 40/76, Kermaschek, ging het om werkloosheidsuitkeringen; in zaak 157/84, Frascogna, om een ouderdomstoclage; in zaak 94/84, Dcak, om bepaalde uitkeringen bij werkloosheid, en in zaak 147/87, Zaoui, om een aanvullende uitkering bij een invaliditeitspensioen voor een onderdaan van een derde land.
( 33 ) Arrest van 8 juli 1992, zaak C-243/91, Tagliavi, Jurispr. 1992, blz. I-4401, r. o. 7 en 8.
( 34 ) Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2).
( 35 ) Verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking lc hebben vervuld (PB 1970, L 142, blz. 24).
( 36 ) Zaak 7/75, reeds aangehaald in voetnoot 16.
( 37 ) Zaak 63/76, reeds aangehaald in voetnoot 16.
( 38 ) zaak 63/76, reeds aangehaald in voetnoot 16, r. o. 18-21.
( 39 ) Zie zaak 249/83, Hoeckx, reeds aangehaald in voetnoot 11, r. o. 20, en zaak 122/84, Scrivener, reeds aangehaald in voetnoot 11, r. o. 24.
( 40 ) Artikel 10, lid 1, sub a, van verordening nr. 1612/68.
( 41 ) Arrest van 18 juni 1987, zaak 316/85, Lebon, Jurispr. 1987, blz. 2811, r. o. 12.
( 42 ) Zaak 316/85, reeds aangehaald in voetnoot 41.
( 43 ) Arrest van 26 februari 1992, zaak C-3/90, Bernini, Jurispr. 1992, blz. I-1071, r. o. 22 e. v.
( 44 ) Zaak 316/85, reeds aangehaald in voetnoot 41.
( 45 ) Zaak 243/91, reeds aangehaald in voetnoot 33, r. o. 11.
( 46 ) Zaak 63/76, reeds aangehaald in voetnoot 16, r, o. 18.
( 47 ) Zaak 3/90, reeds aangehaald in voetnoot 43, r. o. 26.
( 48 ) Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 16 december 1992 in zaak C-111/91, Commissie/Luxemburg, Jurispr. 1992, blz. I-817, punt 33.
Full & Egal Universal Law Academy