CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 9 februari 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Met haar vier vragen wil de verwijzende nationale rechterlijke instantie in wezen van het Hof vernemen, of de artikelen 90 en 86 van het Verdrag zich er tegen verzetten, dat een Lid-Staat een monopoliestelsel instelt of handhaaft dat, buiten de basispostdienst, eveneens de koeriersdienst omvat.
Deze vragen zijn gerezen in het kader van een strafvervolging ingesteld tegen Corbeau wegens schending van de regels inzake het Belgische postmonopolie (wet van 26 december 1956, artikelen 1, 26 en 33).
Corbeau heeft binnen een territoriaal afgebakende sector (de stad Luik en aangrenzende zones) postdiensten verricht. Te dien einde heeft hij een aantal overeenkomsten tot dienstverrichting gesloten volgens welke hij zich heeft verbonden om de poststukken ten huize van de afzender in te zamelen en ze, voor zover de geadresseerden binnen de betrokken sector wonen, vóór de volgende dag's middags te bestellen. Corbeau houdt zich eveneens bezig met de verzending via de post van poststukken die bestemd zijn voor het gebied buiten de betrokken sector.
Ten tijde van de feiten reserveerde de reeds aangehaalde Belgische wetgeving het inzamelen, vervoeren en bestellen van de correspondentie, hoofdzakelijk en enkele uitzonderingen daargelaten, voor de posterijen.
De wetgeving is nadien evenwel gewijzigd. De wet van 21 maart 1991 bepaalt uitdrukkelijk, dat de via koeriersdienst („snelpostzen-dingen”, „courrier accéléré”) verzorgde bestelling een van de uitzonderingen op het postmonopolie is.
In de bij het Hof ingediende opmerkingen heeft de Belgische post (de Regie der posterijen) verduidelijkt, dat de nieuwe wetgeving in wezen een erkenning vormt van een reeds bestaande feitelijke situatie, aangezien de Belgische bevoegde instanties reeds vóór de wijzigingen van maart 1991, de verrichting van diverse koeriersdiensten door in de sector gespecialiseerde ondernemers gedoogden.
De Regie der posterijen betwist echter, dat de door Corbeau uitgeoefende activiteit als een koeriersdienst kan worden gekwalificeerd.
De vier vragen
2.
Tegen deze achtergrond heeft de nationale rechter het Hof een aantal vragen gesteld. Deze vragen (voor de tekst wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting) kunnen als volgt worden samengevat:
a)
Vormt een postmonopolie, zoals geregeld in de Belgische wet van 1956, een onderneming die een machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag inneemt (zie de vierde vraag)?
b)
In hoeverre is een dergelijk monopolie in overeenstemming met het gemeenschapsrecht en met name met de artikelen 90, 85 en 86 (zie de eerste vraag)?
c)
In hoeverre is de afwijking waarin artikel 90, lid 2, voorziet, op een dergelijk monopolie van toepassing (zie de derde vraag)?
d)
In hoeverre moet een dergelijk monopolie worden aangepast om in overeenstemming te zijn met het gemeenschapsrecht (zie de tweede vraag)?
De punten d en a
3.
Alvorens aan de kern van het probleem toe te komen — dat, zoals is uiteengezet, de wettigheid van het uitsluitend recht met betrekking tot koeriersdiensten betreft en dat in de punten b en c ter sprake komt — dienen eerst kort de twee andere door de rechter a quo aan de orde gestelde aspecten aan een nadere beschouwing te worden onderworpen.
Ten eerste kan, wat punt d betreft, dat het onderwerp is van de tweede vraag, worden opgemerkt, dat het Hof zich niet specifiek hoeft uit te spreken over de noodzaak van een „aanpassing” van het Belgisch postmonopolie. Het antwoord op deze vraag hangt namelijk volledig af van de antwoorden die het Hof op de andere vragen van de verwijzingsbeschikking moet geven. Zodra is vastgesteld of en in hoeverre het postmonopolie de grenzen van de communautaire rechtsorde in acht neemt, wordt het overbodig zich af te vragen of dit monopolie moet worden aangepast: het spreekt vanzelf dat hoe dan ook de nationale regeling gewijzigd zal moeten worden om de eventuele door het Hof vastgestelde gronden van onverenigbaarheid op te heffen en om bijgevolg een situatie te scheppen die beantwoordt aan de vereisten van het Verdrag. Voorts is het duidelijk, dat de vraag die door de rechter in dit verband is gesteld, kennelijk doelt op de verplichting tot „aanpassing” van monopolies van commerciële aard, zoals bedoeld in artikel 37 van het Verdrag, een bepaling die volgens vaste rechtspraak uitsluitend voor het in de handel brengen van goederen geldt en waar dus geen beroep op kan worden gedaan wanneer het gaat over de toekenning van uitsluitende rechten voor dienstverrichtingen.
4.
Het is verder niet moeilijk om te antwoorden op de eerste van de hierboven vermelde punten. In wezen vraagt de rechter in dit verband, of de Regie der posterijen gekwalificeerd kan worden als een onderneming met een machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag. In dit verband dient eraan te worden herinnerd, dat het Hof in het arrest Höfner ( 1 ) heeft uitgelegd — in de context van het mededingingsrecht — dat het begrip onderneming iedere eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de juridische vorm van deze eenheid en haar financieringsmethode. Welnu, in het geval waarover het hier gaat, is het duidelijk — zoals de Regie der posterijen zelf heeft erkend— dat de koeriersdienst evenzeer als de basispostdiensten — bestaande uit het inzamelen, sorteren en bestellen van de correspondentie — een activiteit van economische aard is. Er is dus geen enkele reden waarom een lichaam dat de bedoelde activiteiten uitoefent, zoals bijvoorbeeld de Regie der posterijen, niet als een onderneming in de zin van de communautaire mededingingsregels zou kunnen worden beschouwd.
5.
Ik vermeld ook, dat de Regie der posterijen een wettelijk monopolie heeft voor de verrichting van de diensten waarover het gaat, en wel krachtens de reeds aangehaalde Belgische wet van 1956, en dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof ( 2 ), een machtspositie kan voortvloeien uit wettelijke bepalingen of regelingen die aan een bepaalde onderneming uitsluitende rechten toekennen.
Ten slotte moet, zoals nog bevestigd is in het arrest ERT, een machtspositie die betrekking heeft op het gehele grondgebied van de Lid-Staat, worden geacht zich uit te strekken tot een „wezenlijk deel” van de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 86 van het Verdrag.
In dit verband ligt het antwoord op de door de nationale rechter gestelde vraag voor de hand, namelijk dat een lichaam, zoals de Regie der posterijen, waaraan de wet een monopolie van algemene aard met betrekking tot de postdiensten heeft verleend dat het gehele nationale grondgebied omvat, een machtspositie inneemt op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 86 van het Verdrag.
De punten b en c
6.
De bespreking van de centrale vraag in de onderhavige zaak omvat de volgende twee aspecten.
In de eerste plaats dienen de belangrijkste elementen uit de rechtspraak vermeld te worden betreffende de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag — met name de artikelen 90 en 86 — met betrekking tot de uitsluitende rechten die door de Lid-Staten aan bepaalde ondernemingen zijn verleend voor het verrichten van diensten.
In de tweede plaats zal moeten worden beoordeeld, in hoeverre de toekenning van het uitsluitend recht aan de Belgische posterijen met betrekking tot de basispostdienst en de koeriersdienst waarover het in deze zaak gaat, in overeenstemming met deze regels is.
De rechtspraak ter zake
7.
Allereerst zij gewezen op de vaste rechtspraak, zoals laatstelijk bevestigd in het arrest betreffende „telecommunicatiediensten” ( 3 ), inhoudende dat het creëren van een machtspositie door de toekenning van uitsluitende rechten in de zin van artikel 90, lid 1, van het Verdrag, als zodanig niet onverenigbaar is met artikel 86.
Tevens heeft het Hof, vanaf de eerste op dit gebied gewezen arresten, de voorwaarden uiteengezet die de Lid-Staten beperken in hun mogelijkheid om bepaalde ondernemingen door het verlenen van uitsluitende rechten aan het stelsel van de vrije mededinging te onttrekken.
8.
Zo heeft het Hof reeds in het arrest „Mul-Ier” ( 4 ), met betrekking tot een problematiek die nauwelijks verschilt van het onderwerp van het meer recente arrest „Porto di Genova” ( 5 ), erop gewezen, dat artikel 90, lid 2, in beginsel van toepassing is op het geval van een onderneming die de belangrijkste afzet van de betrokken staat voor het rivierverkeer verzorgt, in welke context zij bepaalde voorrechten geniet voor de vervulling van de haar wettelijk opgedragen taak en daartoe nauw contact onderhoudt met de overheid (zie r. o. 11). In het betrokken geval concretiseerden deze „voorrechten” zich in een feitelijk monopolie dat bedoelde onderneming, als gevolg van de door de overheid genomen maatregelen, toekomt inzake laden en lossen van goederen (het hoofdgeding was namelijk ingeleid op initiatief van een concurrent die vond, dat hij uitgesloten was van de dienstverrichting van deze werkzaamheden op grond van het aan de „bevoorrechte” onderneming verleende monopolie).
Het Hof stelde in díe zaak, dat het de taak van de Commissie is om te onderzoeken of de voorwaarden voor toepassing van de in artikel 90, lid 2, bedoelde afwijking aanwezig zijn, een onderzoek dat op zijn beurt „een beoordeling inhoudt van de eisen die inherent zijn aan de vervulling van de bijzondere taken der betrokken ondernemingen enerzijds en aan de bescherming van het belang der Gemeenschap anderzijds” (r. o. 12-14 van het reeds aangehaalde arrest).
Het Hof heeft er verder op gewezen, dat deze beoordeling „deel uitmaakt van de algemene economische beleidsdoeleinden welke de Lid-Staten onder toezicht der Commissie nastreven” (r. o. 15 en 16), een toezicht dat de Commissie dient uit te oefenen krachtens de haar door artikel 90, lid 3, toegekende bevoegdheid. ( 6 )
9.
Evenzo heeft het Hof in de zaak Sacchi ( 7 ) benadrukt dat artikel 90, lid 1, niet de toekenning van bijzondere of uitsluitende rechten verbiedt, en erop gewezen, dat de instelling van een wettelijk monopolie — zoals het monopolie dat de RAI is verleend voor radio- en tv-uitzendingen —, „om redenen van algemeen belang van niet-economische aard”, in overeenstemming met het Verdrag is (r. o. 14).
10.
Het latere arrest Van Ameyde ( 8 ) gaat uit van dezelfde gedachte. In deze zaak is het Hof opnieuw verzocht zich uit te spreken over de wettigheid van de beperkingen op de vrije mededinging ten gevolge van de toekenning van uitsluitende rechten aan bepaalde ondernemingen. In het betrokken geval achtte een als „loss adjuster” (betreffende de voorbereiding en afhandeling van ongevallen op het gebied van de automobielverzekering) optredende onderneming (dochter van een Nederlandse verzekeringsmaatschappij) zich belemmerd in de uitoefening van haar activiteiten ten gevolge van de door de Italiaanse overheid in het kader van het groene-kaartstelsel genomen maatregel, die de werkzaamheden op het gebied van de afwikkeling van op haar grondgebied door in het buitenland verzekerde auto's veroorzaakte schade uitsluitend voorbehield aan verzekeringsmaatschappijen die lid van het Italiaanse centrale bureau van automobielverzekcringen (UCI) waren, met uitsluiting dientengevolge van de „loss adjusters”. ( 9 )
In dit verband heeft het Hof benadrukt, dat om de vraag met betrekking tot de artikelen 85, 86 en 90 van het Verdrag te kunnen beantwoorden, er een afzonderlijk onderzoek moet plaatsvinden naar enerzijds de
verenigbaarheid met deze bepalingen van de eventuele gedragingen of praktijken van de ondernemingen met het uitsluitende recht, en anderzijds naar de nationale maatregel die de afwikkeling van door buitenlandse voertuigen veroorzaakte ongevallen uitsluitend voorbehoudt aan verzekeringsmaatschappijen,Wat dit laatste betreft, heeft het Hof verklaard, dat de betrokken maatregel niet onverenigbaar is met artikel 90 in samenhang met de artikelen 85 en 86 van het Verdrag. Het resultaat van dit onderzoek spitst zich voornamelijk toe op de doeleinden van de maatregel in het licht van de bijzondere vereisten van de Gemeenschap. Het Hof stelt in feite, dat met de bijzondere positie van de verzekeringsmaatschappijen een van de doelstellingen van het groene-kaartstelsel wordt nagestreefd (volledige bescherming bieden tegen ongevallen, door de oprichting in ieder deelnemend land van een nationaal bureau, samengesteld uit verzekeringsmaatschappijen die aan bijzonder toezicht zijn onderworpen en die ieder zekerheden moeten stellen zoals vereist door de nationale regeling); en dat dit stelsel — door het gemeenschapsrecht erkend en aangevuld — op zijn beurt tot doel heeft het vrije verkeer van personen en goederen te vergemakkelijken. Verder heeft het Hof, waar het op deze gronden de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van het betrokken uitsluitend recht — en van de beperkingen van de vrije mededinging die eruit voortvloeien— heeft erkend, de grenzen van deze verenigbaarheid aangegeven: de wettigheid van het nationale stelsel met betrekking tot artikel 90 juncto de artikelen 85 en 86, is afhankelijk van de voorwaarde dat het wettelijke uitsluitend recht in geen enkel geval tot een belemmering van de verzekeraar mag leiden „in zijn vrijheid om voor het schadeonderzoek een andere, niet bij het bureau aangesloten doch ten deze gespecialiseerde onderneming in te schakelen” (r. o. 18).
Ook zij opgemerkt, dat het Hof in het arrest Van Ameyde de gedachte heeft verworpen dat de toekenning van een uitsluitend recht door een Lid-Staat — dat wil zeggen door het enkele feit van het voorbehouden van een activiteit aan bepaalde ondernemingen— op zich een discriminatie op grond van de nationaliteit inhoudt en die een schending van de artikelen 52 en 59 van het Verdrag oplevert (zie r. o. 26 e. v.).
11.
Meer recent heeft het Hof in twee groepen arresten de verenigbaarheid van uitsluitende rechten met de verdragsbepalingen onderzocht. De eerste groep omvat de arresten Höfner, ERT en „Porto di Genova”. In deze drie uitspraken gaat het Hof uitdrukkelijk uit van zijn reeds in het arrest INNO ( 10 ) ingenomen standpunt, dat de Lid-Staten zich ervan moeten onthouden maatregelen te nemen die het nuttig effect van de communautaire mededingingsregels in gevaar brengen. Het Hof leidt hieruit af, dat artikel 90, lid 1, juncto artikel 86 geschonden wordt wanneer Lid-Staten uitsluitende rechten verlenen die ertoe leiden dat de ondernemer die houder is van deze uitsluitende rechten, in een situatie komt te verkeren waarin misbruik door haar van die rechten onontkoombaar is. Voornoemde arresten omschrijven niet (althans niet duidelijk) welke factoren een onderscheid mogelijk maken tussen een situatie die onontkoombaar tot misbruik leidt enerzijds, en een situatie die hier niet toe leidt anderzijds. De arresten preciseren ook niet, of het volstaat dat een gegeven situatie tot misbruik kàn leiden, dan wel of in ieder afzonderlijk geval onderzocht moet worden of een bepaalde vorm van misbruik daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. ( 11 ) Toch lijkt uit het geheel van de motivering van de aangehaalde arresten op te maken, dat om vast te stellen of de instelling of handhaving van een uitsluitend recht kan afdoen aan het nuttig effect van de communautaire mededingingsregels en dus onverenigbaar is met artikel 90, lid 1, moet worden gelet op factoren als de capaciteit van de houder van het uitsluitend recht om aan de vraag op de betrokken markt te voldoen, en (in ieder geval) de mogelijkheid dat hij in een situatie wordt gebracht waarin hij zich in strijd met artikel 86 van het Verdrag gaat gedragen.
12.
Ook moet worden benadrukt, dat het Hof in het ERT-arrest heeft vastgesteld, dat artikel 59 van het Verdrag zich verzet tegen het instellen van een wettelijk monopolie (betreffende het uitzenden van televisieprogramma's die door het monopolie zelf zijn geproduceerd en van uit andere Lid-Staten afkomstige programma's), wanneer een dergelijk monopolie een discriminerende werking heeft ten nadele van uit andere Lid-Staten afkomstige uitzendingen. In het latere arrest Commissie/Nederland ( 12 ) heeft het Hof echter verklaard, dat een regeling die omroepinstellingen verplicht zich voor het maken van hun programma's te wenden tot een binnenlandse onderneming, zeker onder het verbod van artikel 59 valt, tenzij zij gerechtvaardigd is door redenen van algemeen belang (zie r. o. 31 e. v.). Ingevolge artikel 59 mag een wettelijk monopolie dus geen afbreuk doen aan de vrijheid van de dienstontvangers om dienstverrichters uit andere Lid-Staten in te schakelen. Artikel 59 kan nochtans niet van toepassing worden verklaard op een ander geval, te weten dat van het wettelijk monopolie, waarin — zoals in casu het geval is — een binnenlandse dienstverrichter wordt verhinderd diensten te verrichten ten behoeve van binnenlandse ontvangers. ( 13 )
13.
Deze rechtspraak is uiteindelijk aangevuld met een andere groep arresten, waaronder de uitspraken betreffende de RTT ( 14 ) en de telecommunicatiediensten. Blijkens laatstgenoemd arrest is de uitbreiding zonder objectieve rechtvaardiging van een wettelijk monopolie tot een verwante maar onderscheiden markt, als zodanig verboden door artikel 90, lid 1, juncto artikel 86. Dit arrest is gebaseerd op de gedachte, die ook, en nog duidelijker, naar voren komt in het RTT-arrest, dat een nationale regeling niet een openbare onderneming of een begunstigde van uitsluitende of bijzondere rechten in een positie mag plaatsen die een schending van artikel 86 van het Verdrag zou zijn indien zij het resultaat was van de handelwijze van de onderneming zelf.
Uit het RTT-arrest blijkt voorts:
—
dat wanneer een nationale regeling een uitsluitend recht van toepassing maakt op een andere markt, zonder objectieve rechtvaardigingsgrond, de uitbreiding als zodanig door de artikelen 90, lid 1, en 86 is verboden, zonder dat het nodig is te bewijzen, dat de staat een misbruik in de hand heeft gewerkt dat daadwerkelijk is begaan door toedoen van de onderneming met het uitsluitende recht (r. o. 23 en 24);
—
dat de produktic en verkoop van produkten (waarop het alleenrecht invloed heeft) activiteiten zijn die door iedere onderneming moeten kunnen worden uitgeoefend (r. o. 22);
—
dat de uitsluiting of beperking van de vrije mededinging, ten gevolge van de in het geding zijnde nationale maatregel, op grond van artikel 90, lid 2, gerechtvaardigd kan zijn mits zij evenredig is aan bepaalde „fundamentele vereisten” (r. o. 22): in het betrokken geval ging het om de veiligheid van de gebruikers, de veiligheid van de exploitanten van het net en de bescherming van dit net tegen eventuele schade.
Algemene beschouwingen over de relevante rechtspraak
14.
Het onderzoek van de rechtspraak lijkt te bevestigen dat het gemeenschapsrecht bepaalde grenzen stelt aan de mogelijkheid van de Lid-Staten om uitsluitende rechten te verlenen, Inzake diensten kan de regeling die dergelijke rechten verleent, getoetst worden aan artikel 90 juncto artikel 86 of, wanneer aan de voorwaarden daarvan is voldaan, van de artikelen 90 en 59.
Het Hof acht in het bijzonder de regelingen díe het toepassingsgebied van het wettelijk uitsluitend recht van de ene naar een andere markt uitbreidt onverenigbaar met de artikelen 90 en 86 (de arresten RTT en telecommunicatiediensten). In die gevallen heeft de overheidsmaatregel immers bijzonder nadelige gevolgen voor de vrije mededinging en het handelsverkeer. Hij grijpt in een situatie in, waarin de structuur van de markt reeds is aangetast door het bestaan van een al eerder verleend uitsluitend recht; wanneer onder deze omstandigheden nog andere marktsectoren aan de vrije mededinging worden onttrokken, is dit in beginsel niet in overeenstemming met een stelsel dat bedoeld is om het vrije handelsverkeer en een daadwerkelijke concurrentie tussen ondernemingen onderling te verzekeren.
Nochtans lijkt een verduidelijking nodig. De maatregelen die de draagwijdte van een uitsluitend recht uitbreiden zijn niet uit hun aard verschillend van die welke een uitsluitend recht instellen. In beide gevallen heffen zij de mogelijkheid van vrije uitoefening van de economische activiteit op en bijgevolg van de vrije mededinging, Daarom kunnen zij worden getoetst aan de artikelen 90 en 86. In beide gevallen komt het er vooral op aan vast te stellen of de maatregelen al dan niet als objectief gerechtvaardigd beschouwd kunnen worden.
Het onderzoek naar deze rechtvaardigingsgronden is mijns inziens in feite het cruciale punt in de besproken rechtspraak (zie de arresten Muller, Van Ameyde, Sacchi, RTT en telecommunicatiediensten). Zo bezien, is het dus van fundamenteel belang te beoordelen of de door Lid-Staten verleende uitsluitende rechten worden gerechtvaardigd door eisen van algemeen belang, die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Gemeenschap.
Bij deze beoordeling moet het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen, en kunnen aldus niet als gerechtvaardigd worden beschouwd die beperkingen van de mededinging (en het handelsverkeer) die niet volstrekt noodzakelijk zijn om te voldoen aan de eisen die ingeroepen worden ter rechtvaardiging van de uitsluitende rechten (zie met name de arresten RTT, en Muller). De rechtspraak is niet eenduidig wat de vraag betreft, of die eisen moeten worden beoordeeld in het kader van artikel 90, lid 1 (zie in deze zin de arresten Sacchi en Van Ameyde), dan wel in dat van artikel 90, lid 2 (zie de arresten Muller en, meer recent, RTT). De eerste oplossing lijkt meer in overeenstemming te zijn met de inhoud van de twee bepalingen. Artikel 90, lid 1, heeft namelijk betrekking op de door Lid-Staten genomen maatregelen, terwijl artikel 90, lid 2, betrekking heeft op ondernemingen en de toepassing van de mededingingsregels beperkt tot de gedragingen van deze ondernemingen. Het onderscheid lijkt juridisch gezien echter niet van wezenlijk belang. In ieder geval zal moeten worden vastgesteld of de beperkingen van de mededinging ten gevolge van de in het geding zijnde nationale regeling noodzakelijk zijn voor de verwezenlijkingvan de nagestreefde doelstellingen van algemeen belang.
Tegen deze achtergrond moet de verenigbaarheid van de aan de Belgisch posterijen verleende uitsluitende rechten met de artikelen 90 en 86 worden beoordeeld.
Het wettelijk monopolie op de basispostdienst
15.
In iedere Lid-Staat is een universele postdienst opgericht voor de inzameling, sortering en bestelling van de correspondentie (basispostdienst). Vaststaat dat deze dienst, voor zover zij het mensen mogelijk maakt onderling te communiceren, voorziet in essentiële sociale behoeften.
In overeenstemming met zijn sociale functie is de postdienst aldus georganiseerd dat tegemoet gekomen wordt aan verscheidene bijzondere doelstellingen. Hij wordt namelijk verleend:
—
aan een ieder die erom vraagt, over het gehele grondgebied van de betrokken Lid-Staat (verplichting van openbare dienst);
—
onder vergelijkbare voorwaarden van kwaliteit;
—
tegen een eenvormig tarief (dat wil zeggen onafhankelijk van de af te leggen afstand en van de plaats van verzending of bestemming) vastgesteld op een voor iedereen betaalbaar niveau.
Daarom hanteert de postdienst een systeem van een eenheidstarief. Dit komt erop neer, dat de tarieven vastgesteld worden aan de hand van de gemiddelde exploitatiekosten, waardoor een compensatie wordt bewerkstelligd tussen de winst in sectoren met lage kosten per eenheid (in het bijzonder de sectoren met omvangrijk en regelmatig postverkeer) en het verlies in sectoren met hogere kosten per eenheid.
Dit eenheidstarief vooronderstelt op zijn beurt de invoering van een wettelijk monopolie. Want als de postdienst geliberaliseerd zou zijn, zou de concurrentie zich concentreren op de meer winstgevende sectoren, waardoor een toenemende druk op de tarieven zou ontstaan, en bijgevolg een afroming van de winst van de post. De duurdere en dus structureel verliesgevende diensten zou daarentegen aan de posterijen worden gelaten.
Hieruit volgt, zoals grotendeels bevestigd in het Groenboek van de Commissie met betrekking tot de postdiensten ( 15 ), dat de post zonder een wettelijk monopolie gedwongen zou zijn, teneinde zijn financiële evenwicht te kunnen handhaven, afstand te doen van het systeem van het eenheidstarief en een systeem van gedifferentieerde tarieven in te voeren. Maar een dergelijke oplossing zou — nog afgezien van haar concrete uitvoerbaarheid — in tegenspraak zijn met de bijzondere sociale functie van de postdienst, aangezien zij zou leiden tot een tariefverhoging voor de sectoren met een beperkt postverkeer waarvan de exploitatie duurder is, met negatief effect op de correspondentie afkomstig uit of bestemd voor de meer geïsoleerde en dunbevolkte streken, dat wil zeggen de gebieden die in beginsel een zekere ontwikkelingsachterstand hebben en waarvoor een tariefverhoging van een zo belangrijke publieke dienst als de postdienst dus in alle opzichten bijzonder nadelig zou zijn.
Samenvattend kan gesteld worden, dat het wettelijk monopolie dat onlosmakelijk verbonden is met een basispostdienst, niet kan worden afgeschaft zonder schade toe te brengen aan de zeer belangrijke functie die de universele basispostdienst vervult, te weten het aan een ieder, over het hele nationale grondgebied aanbieden van een middel tot persoonlijke communicatie, onder vergelijkbare voorwaarden van kwaliteit, en tegen een vast en voor ieder betaalbaar tarief.
16.
De verdediging van Corbeau heeft er nochtans op gewezen, onder verwijzing naar het arrest Höfner, dat het Belgische monopolie niet langer gerechtvaardigd is, gezien het onvermogen om diensten van een kwalitatief aanvaardbaar niveau aan te bieden die ook aan de vraag en het verwachtingspatroon van de gebruikers voldoen.
Zeker, in het arrest Höfner heeft het Hof geoordeeld, dat de instelling van een wettelijk monopolie onverenigbaar met de artikelen 90 en 86 is, wanneer dit monopolie kennelijk niet in staat is aan de vraag te voldoen. Het valt echter te betwijfelen of deze rechtspraak ook van toepassing is op het geval van een postmonopolie. Immers, dit laatste is, zelfs als zijn de diensten van middelmatige kwaliteit en voldoen zij niet aan de verwachtingen van het publiek, niettemin wettelijk gehouden aan een ieder die er om vraagt de betrokken dienst te verlenen.
Nog afgezien daarvan, ben ik van mening, dat de stelling van Corbeau verworpen dient te worden om redenen van principiële aard. Zoals uiteengezet, dienen de wettelijke monopolies die door objectieve doelstellingen van algemeen belang worden gerechtvaardigd, in het bijzonder wanneer deze doelstellingen van niet-economische aard zijn, worden geacht in overeenstemming te zijn met de artikelen 86 en 90. Daarentegen lijkt het niet mogelijk om de artikelen 90 en 86 als beoordelingsmaatstaf te hanteren ten aanzien van de economische effectiviteit van een monopolie. Indien een monopolie beantwoordt aan objectieve rechtvaardigingsgronden — zoals in het geval van het basispostmonopolie — doet het er verder weinig meer toe of de uitvoering ervan meer of minder effectief is; het moet worden geacht in overeenstemming te zijn met het Verdrag, terwijl het de taak van de overheid is om alles in het werk te stellen om de kwaliteit van de geboden dienst te verbeteren. Een andere oplossing zou overigens tot gevolg hebben, dat een nationale regeling die uitsluitende rechten verleent, in het ene geval geoorloofd en in het andere verboden zou zijn, al naar gelang de mate van effectiviteit van het beheer van het orgaan waaraan het uitsluitend recht is verleend, uiteindelijk dus naar gelang van de competentie van het orgaan.
17.
Tegen deze achtergrond ben ik van mening, dat de toekenning aan de posterijen van uitsluitende rechten voor het inzamelen op vaste plaatsen, en het sorteren en bestellen van correspondentie, niet in strijd is met de artikelen 90 en 86 van het Verdrag.
De koeriersdienst
18.
Naar overigens uit het Groenboek van de Commissie blijkt en zoals uitvoerig door de partijen in de zaak — waaronder begrepen de Commissie — is benadrukt, rechtvaardigt de handhaving van het universele postmonopolie toch niet de stelling, dat de draagwijdte van de uitsluitende rechten onbegrensd zou zijn. Immers, de beperkingen van de mededinging die het resultaat van een wettelijk monopolie zijn, mogen in principe niet verder gaan dan absoluut noodzakelijk is om aan de doelstellingen te voldoen met het oog waarop het monopolie is ingesteld.
Waar vaststaat dat het overheidsmonopolie op de basispostdienst gehandhaafd dient te blijven, kan dit niet gezegd worden met betrekking tot de diensten die objectief verschillen van de basispostdienst en die in vergelijking hiermee een specifieke toegevoegde waarde bieden.
Dat geldt met name voor de koeriersdienst waarover het in de onderhavige procedure gaat.
De koeriersdienst —niet te verwarren met de traditionele „spoedbesteldienst” die onder de basispostdienst valt (Groenboek blz. 279 en 280) — is een specifieke dienst die zich in het bijzonder de laatste jaren in gestaag tempo heeft ontwikkeld, om in de behoeften van bepaalde categorieën gebruikers te voorzien (hoofdzakelijk ondernemingen en beoefenaren van een vrij beroep).
Opgemerkt dient te worden dat, wat ten overvloede blijkt uit het Groenboek, de koeriersdienst — waarvan geen enkele juridische omschrijving bestaat— zich noch door de inhoud of het gewicht van de te bezorgen objecten, noch noodzakelijkerwijs door een grotere snelheid van de basispostdienst onderscheidt. In het Groenboek merkt de Commissie dienaangaande op, dat een expreszending niet gemakkelijk kan worden onderscheiden van een gewone brief. Afmetingen, inhoud en gewicht kunnen dezelfde zijn; zelfs de snelheid waarmee zij aankomen hoeft niet te verschillen. Het essentiële verschil ligt in de waarde (in wat voor vorm dan ook) die wordt toegevoegd door de leveranciers van de expresdiensten en die waaraan de klant belang hecht. Om te bepalen welke waarde toegevoegd is, kan men het beste kijken naar het extra bedrag dat de klant bereid is ervoor te betalen.
De koeriersdienst wordt in het algemeen gekenmerkt door de toegevoegde waarde die hij levert in vergelijking met de basispostdienst, een toegevoegde waarde die op haar beurt bestaat uit een of meer bijkomende prestaties zoals:
—
het afhalen van de correspondentie ten huize van de afzender;
—
een grotere snelheid en betrouwbaarheid bij het bestellen (als gevolg van bij voorbeeld aflevering binnen een afgesproken termijn, of persoonlijke bezorging aan geadresseerde, of bevestiging aan de afzender dat zijn zending is ontvangen);
—
de mogelijkheid de bestemming onderweg te wijzigen („tracking and tracing”);
—
de mogelijkheid om de dienst aan te passen op verzoek van de cliëntèle (dienstverlening op maat). ( 16 )
De koeriersdienst kan verder worden uitgeoefend over een verschillend grondgebied: internationaal, nationaal, en zelfs lokaal. ( 17 ) Het Groenboek wijst er naar aanleiding van de stadspost-dienstverrichtingen („city-mail”), met name op, dat het een dienst betreft die door particuliere ondernemers wordt geëxploiteerd en die zich in het algemeen richt op het inzamelen van de post over een stedelijk gebied teneinde deze post over hetzelfde gebied te bestellen. Overigens staat niets er aan in de weg, dat ondernemingen op het gebied van de internationale koeriersdienst zich tegelijkertijd ook met stadspost bezighouden.
Ik wijs er eveneens op, dat deze dienst verricht wordt in een contractuele, privaatrechtelijke, rechtsverhouding, en bijgevolg onder een andere juridische regeling valt dan de regeling die op de diensten van de posterijen van toepassing is. Ten slotte moeten, met betrekking tot de tarieven, twee aspecten worden benadrukt. In de eerste plaats zal het duidelijk zijn dat, bij gebreke van een door de overheid vastgestelde regeling, de tarieven vrijelijk door de ondernemers worden bepaald op basis van hun kosten en andere marktomstandigheden (wat er in zeldzame gevallen toe kan leiden, dat de tarieven gelijk of zelfs lager zijn dan de tarieven die in een land worden gehanteerd voor een gelijkwaardige basispostdienst).
In de tweede plaats verzet niets zich ertegen, dat de overheid tariefvoorschriften vaststelt met een minimumprijs voor het aanbieden van de koeriersdienst. Dergelijke voorschriften kunnen het financiële evenwicht van de basispostdienst verzekeren, zonder overigens de koeriersdienst in gevaar te brengen: als het immers zo is dat deze laatstgenoemde een toegevoegde waarde levert in vergelijking met de basispostdienst, mag men veronderstellen, dat de gebruiker bereid zal zijn er een hogere prijs voor te betalen dan voor de basispostdienst. Deze voorschriften kunnen verder, gelijk het Hof overwoog in het arrest Ahmed Saeed Flugreisen e. a. ( 18 ) ( 19 ), voor zover zij transparant zijn en binnen de grenzen blijven die noodzakelijk zijn om tegemoet te komen aan de eisen die het postmonopolie met betrekking tot de basispostdienst stelt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de communautaire mededingingsregels.
19.
Wat nu het onderzoek betreft van de verenigbaarheid van de toekenning van uitsluitende rechten — niet alleen met betrekking tot de basispostdienst, maar ook met betrekking tot de koeriersdienst— met de artikelen 90 en 86, moet erop worden gewezen, dat de vereisten die de instandhouding van een monopolie van de basispostdienst rechtvaardigen, niet gelden voor de koeriersdienst.
Deze laatste vervult niet de bijzondere sociale functie van het postmonopolie en is niet aan dezelfde beperkingen gebonden: anders dan de basispostdienst voorziet hij niet in een algemene maatschappelijke behoefte, maar in de bijzondere behoeften van specifieke categorieën gebruikers (in de regel zakenmensen). Hij is dan ook niet onderworpen aan de bijzondere vereisten die de basispostdienst kenmerken, namelijk de prestatieverplichting ten aanzien van een ieder die er om vraagt, onder vergelijkbare voorwaarden van kwaliteit en tegen een enkel en voor iedereen betaalbaar eenheidstarief, welke eisen — zoals hierboven is uiteengezet- het absoluut noodzakelijk maken dat de voor de basispostdienst voorbehouden sector gehandhaafd blijft.
Verder kan worden benadrukt, dat de noodzaak om de koeriersdienst te liberaliseren, door de Lid-Staten zelf doorgaans wordt erkend. In feite zijn zij zich volkomen ervan bewust, dat de koeriersdienst een dienst is die objectief verschilt van de basispostdienst en zich op een onderscheiden markt situeert. Dat het wettelijk monopolie gedurende een bepaalde periode ook van toepassing was op de koeriersdienst, was niet het gevolg van het feit dat men op grond van welke reden dan ook van oordeel zou zijn geweest, dat deze dienst aan de posterijen moet worden voorbehouden, maar van de omstandigheid dat het postmonopolie van algemene aard is en dat vanaf het moment dat met betrekking tot de bestelling van correspondentie nieuwe diensten met een toegevoegde waarde werden ontwikkeld, zij automatisch onder de werkingssfeer van het monopolie vielen. Het is overigens niet betwist, dat een monopolie op de koeriersdienst niet alleen niet te rechtvaardigen is, maar vooral dat de posterijen hoe dan ook niet in staat zijn de betrokken dienst alleen te verzorgen (zoals blijkt uit het Groenboek, is de koeriersdienst in de Gemeenschap in slechts drie Lid-Staten nog niet geliberaliseerd).
20.
Wat verder de invloed betreft van de beperkingen van de mededinging die gelieerd zijn aan het postmonopolie op het intracommunautaire handelsverkeer, volstaat het op te merken dat de nationale regelgeving niet alleen de uit andere Lid-Staten afkomstige ondernemers kan verhinderen zich op de Belgische markt te vestigen om koeriersdiensten aan te bieden, maar ook bedoelde diensten te verrichten vanuit andere Lid-Staten.
21.
Er valt nog een laatste punt te bezien. In de onderhavige procedure zijn zowel de regeringen die opmerkingen hebben ingediend, als de Regie der posterijen zelf het erover eens geweest dat de uitsluitende rechten die aan de post zijn verleend, willen zij in overeenstemming met het Verdrag zijn, in beginsel een beperkte draagwijdte dienen te hebben en niet mogen worden uitgebreid tot de koeriersdiensten met een daadwerkelijke toegevoegde waarde, die zich bijgevolg onderscheiden van de basispostdienst.
Daarentegen is het in de zaak waarover het hier gaat betwist of activiteiten op het gebied van postbestelling zoals uitgeoefend door Corbeau, als koeriersdienst gekwalificeerd kunnen worden. Dienaangaande is gesteld, dat een postbestellingsdienst die territoriaal begrensd is, waarvan de verzendtermijn gelijk aan of iets korter is dan die van de postdienst, en waarvoor (enigszins) voordeligere tarieven gelden dan die van de basispostdienst, niet werkelijk een toegevoegde waarde levert, onder de basispostdienst valt en dus aan het wettelijk monopolie onderworpen dient te zijn.
22.
In dit verband wil ik het volgende opmerken.
Allereerst dient erop te worden gewezen, dat de definitie van koeriersdienst ter afbakening van de basispostdienst, op communautair niveau dient te worden uitgewerkt, op basis van zo duidelijk en eenvormig mogelijke criteria. Aan de hand van een dergelijke definitie moet namelijk worden bepaald of een bepaalde activiteit onder de ene dan wel de andere juridische regeling valt, juridische regelingen die totaal van elkaar verschillen: de geliberaliseerde regeling aan de ene kant, en het overheidsmonopolie aan de andere kant. De aan deze regelingen onderworpen activiteiten dienen in voor de gehele Gemeenschap geldende termen te worden gedefinieerd.
Verder is uiteengezet, dat de koeriersdienst wordt gekenmerkt door het feit dat de gebruiker in vergelijking met de basispostdienst bijkomende prestaties worden geboden, en is opgemerkt dat het accent eerder ligt op de garantie die de klant krijgt ten aanzien van de betrouwbaarheid dan op de grotere snelheid bij het bestellen. Voorts is het, op voorwaarde dat de aangeboden dienst een toegevoegde waarde vertegenwoordigt, van geen belang of hij over een min of meer uitgestrekt grondgebied wordt verleend.
Ten aanzien van de door Corbeau uitgeoefende activiteit moet er, op grond van de processtukken, en onder voorbehoud van de resultaten van het onderzoek dat alleen door de nationale rechter verricht kan worden, op worden gewezen:
—
dat gedaagde de inzameling ten huize voor zijn rekening neemt;
—
dat deze inzameling gewoonlijk geschiedt na het tijdstip waarop de inzameling door de post plaatsvindt;
—
dat de bestelling ten laatste de volgende morgen de geadresseerde bereikt; dat, nu de bestellingstermijnen theoretisch gelijk zijn aan die van de post, gedaagde zich contractueel verplicht om de stipte naleving van deze termijnen te verzekeren (zie artikel 3 van de bij het dossier gevoegde kopie van de overeenkomst), terwijl de bestellingstermijnen van de postdienst indicatieve en geen gegarandeerde termijnen zijn, die lang niet altijd in acht worden genomen;
—
dat de dienst gebaseerd is op een directe vertrouwensband tussen gedaagde en zijn cliënten;
—
dat de cliënt binnen bepaalde grenzen contact kan opnemen met Corbeau teneinde de bestemming van de correspondentie te wijzigen.
Al deze prestaties zijn objectief bezien bijkomende prestaties die in vergelijking met de basispostdienst een reële toegevoegde waarde vertegenwoordigen. Tegen deze achtergrond zijn er dus geen bezwaren om de door gedaagde uitgeoefende activiteiten als koeriersdiensten aan te merken.
Wat ten slotte de omstandigheid betreft, dat de door gedaagde gehanteerde tarieven enigszins voordeliger zijn dan de posttarieven, moet in herinnering worden gebracht, dat de nationale overheid in beginsel een tariefregeling kan vaststellen op grond waarvan de verrichting van koeriersdiensten aan een bepaalde minimumprijs is gebonden, maar dat bij ontbreken van een dergelijke regeling, de ondernemers vanzelfsprekend vrij zijn hun tarieven naar eigen goeddunken vast te stellen, op basis van hun kostenstructuur en de marktomstandigheden.
23.
Gelet op het voorgaande, geef ik in overweging de vragen van de nationale rechter te beantwoorden als volgt:
„1)
Een orgaan als de Belgische Regie der posterijen, waaraan een wettelijk monopolie van algemene aard met betrekking tot de postdiensten is verleend dat het gehele nationale grondgebied omvat, is een onderneming met een machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 86 van het Verdrag.
2)
Een Lid-Staat die het met het oog op de basispostdienst ingesteld wettelijk monopolie ook doet gelden voor koeriersdiensten zoals die welke thans in geding zijn, die werkelijk een toegevoegde waarde vertegenwoordigen in vergelijking met wat de basispostdienst inzake inzameling en bestelling van correspondentie te bieden heeft, schendt artikel 90, lid 1, juncto artikel 86 van het Verdrag.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Arresi van 23 april 1991, zaak C-41/90, Höfncr en Eiser, Jurispr. 1991, blz. I-1979.
( 2 ) Zie arrest van 3 oktober 1985, zaak 311/84, CBEM, Jurispr. 1985, blz. 3261, en meest recentelijk het arrest van 18 juni 1991, zaak C-260/89, ERT, Jurispr. 1991, blz. I-2925.
( 3 ) Arrest van 17 november 1992, zaak C-271/90, Koninkrijk Spanje/Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-5833.
( 4 ) Arrest van 14 juli 1971, zaak 10/71, Muller, Jurispr. 1971, blz. 723.
( 5 ) Arrest van 10 december 1991, zaak C-179/90, Merci convenzionali Porli di Genova, Jurispr. 1991, blz. I-5889.
( 6 ) Opgemerkt moet worden, dat het Hof in het arrest Muller,evenals in het arrest Inter-Huilcs (arrest van 10 maart 1983, zaak 172/82, Jurispr. 1983, blz. 555), uitgaat van het beginsel dat artikel 90, lid 2, geen directe werking heeft. Deze uitlegging, die reeds door andere arresten, uit ongeveer dezelfde lijd als de twee reeds aangehaalde arreslcn, is tegengesproken, lijkt evenwel achterhaald in het licht van de meer récenle rechtspraak (zie met name de arresten ERT en Porto di Genova).
( 7 ) Arrest van 30 april 1974, zaak 155/73, Jurispr. 1974, blz. 409.
( 8 ) Arrest van 9 juni 1977, zaak 90/76, Jurispr. 1977, blz. 1091.
( 9 ) In het hoofdgeding had de „loss adju5tcrs”-ondcrncming de rechter om afwijzing verzocht van de cis van de UCI, dat het onderzoek en de afwikkeling van ongevallen alleen mag worden toevertrouwd aan verzekeringsmaatschappijen ¿Tic lid van de UCI zijn, en zich dus uit te spreken tegen elke tussenkomst van de UCI jegens derden die erop gericht is de uitoefening van verzoeksters werkzaamheden te beperken en haar haar clientèle te ontnemen.
( 10 ) Arrest van 16 november 1977, zaak 13/77, Jurispr. 1977, blz. 2115.
( 11 ) Dat de uitkomsten waartoe de nationale rechterlijke instanlies zijn gekomen die verzocht zijn het arrest „Porto di Genova” in verschillende gevallen toe te passen, zeer uiteenlopend zijn, bevestigt dat de formulering situatie díe onontkoombaar tot misbruik leidt, voor meer dan één interpretatie vatbaar is („a rather confusine formula” volgens L. Gyselen, CMLR 1992, blz. 1238) en dus tot twijfels leidt over de toepasselijkheid. Want volgens verschillende rechters (Tribunale di Genova, beschikking van 9 juli 1992; Pretura di Genova, beschikkingen van 19 juni 1992, 22 juni 1992, 20 juli 1992 en 12 augustus 1992, in Foro Italiano 1992, I, 2811) zou het Hof niet de onwettigheid op zich hebben vastgesteld van het aan havenondernemingen verleende uitsluitende recht, maar zich hebben beperkt tot het bekritiseren van het misbruik van dat recht. Hieruit volgt, volgens deze rechtspraak, dat het bij wet aan de havcnondcrncmingcn toegekende uitsluitende recht slechts dan buiten toepassing dient te blijven wanneer zou blijken dat het in concreto abusievelijk is gebruikt. Andere rechters (Pretura dì La Spezia, beschikking van 3 juni 1992; Pretura di Massa, beschikking van 2 juni 1992, eveneens ih Foro Italiano, op. cit.) hebben daarentegen geoordeeld dat, conform het arrest van het Hof, het bij wet toegekende uitsluitende recht als zodanig als onverenigbaar met het gemeenschapsrecht moet worden beschouwd.
Deze tweede opvatting wordt onderschreven zowel door de Italiaanse regering bij circulaire betreffende de toepassing van het arrest „Porto di Genova”, als door de Consiglio di Stato, ín een advies betreffende bedoelde circulaire (advies nr. 598 van 13 mei 1992, in Foro Italiano, , 1992, III, 425). Zij zijn immers van mening, dat het arrest van het Hof heeft bepaald, dat artikel 10, laatste lid, van de „Codice della Navigazione” onwettig is, wat ipso factor de onwettigheid van het monopolie voor de uitvoering van havenactiviteiten meebrengt.
Voorts zij erop gewezen, dat de Consiglio dì Stato in bedoeld advies, in afwijking van het standpunt dat in de ministeriele circulaire tot uitdrukking komt, van mening is dat het arrest van het Hof niet alleen leidt tot een verbod van havcnmonopolics, maar eveneens gevolgen heeft voor het administratieve-vergunningstelsel betreffende de in artikel 111 van de Codice bedoelde havenwerkzaamheden. De Consìglio di Stato heeft namelijk meerdere criteria uit het arrest van het Hof afgeleid waaraan het bestuur moet voldoen bij hel afgeven van de vergunning. Deze verplichtingen zijn gebaseerd op de verklaring dat, overeenkomstig e principes van de communautaire regeling, „het administratieve-vergunningstelsel niet mag leiden tot de feitelijke realisatie van onwettelijke monopoliesituaties, ten gevolge van onjuist gebruik van administratieve bevoegdheid bij het verlenen van één of een beperkt aantal vergunningen”. Volgens de Consiglio di Stato „impliceert de tenuitvoerlegging van de gemeenschapsregels, dat een verscheidenheid aan vergunningen verleend wordt op een wijze die de vrije markt en de daadwerkelijke mededinging verzekert”. Hieruit volgt dat de administratieve overheid, bij het verlenen van vergunningen, „gehouden ís rekening te houden met het economische gegeven van de verhouding tussen het aantal ondernemingen en de eisen van het havenverkeer, en het juridische gegeven dat de principes voortvloeiend uit de gemeenschapsregels inzake vrije markt en vrije mededinging moeten worden, toegepast.” Het advies preciseert verder, dat de genomen administratieve beslissingen behoorlijk moeten worden gemotiveerd.
( 12 ) Arrest van 25 juli 1991, zaak C-353/89, Jurispr. 1991, blz. I-4069.
( 13 ) In zijn arrest Höfncr had het Hof artikel 59 niet van toepassing verklaard op de betrokken zaak, op grond dat zowel de ondernemer aan wie het uitsluitend reent was verleend, als de ontvanger van de dienst de nationaliteit van dezelfde Lid-Staat hadden.
( 14 ) Arrest van 13 december 1991, zaak C-18/88, RTT/GB-Inno-BM, Jurispr. 1991, blz. I-5973.
( 15 ) In het Groenboek over de interne markt voor postdiensten (COM(91) 476 def. van 11 juni 1992), heeft de Commissie benadrukt, dat het noodzakelijk is dat er in heel de Gemeenschap in een universele postdienst legen een voor eenieder betaalbare prijs wordt voorzien. Deze doelstelling moet worden gerealiseerd middels de invoering (voor zover in de afzonderlijke Lid-Staten nog nodig) van een pakket van voorbehouden diensten waaraan bepaalde bijzondere en uitsluitende rechten zijn verbonden teneinde het behoud van voldoende inkomsten te garanderen om de openbare dienst onder goede voorwaarden te kunnen laten functioneren; tegelijkertijd en in overeenstemming met deze doelstelling, dient de vrije concurrentie te worden verzekerd in een zo groot mogelijk deel van de sector (beleidsdoelstelling, blz. 10 van de samenvatting).
( 16 ) Niet alleen uil het Groenboek, maar ook uit de door de Commissie krachtens artikel 90, lid 3, genomen beschikkingen met betrekking tot de regeling van de koeriersdiensten in Spanje [beschikking 90/456/EEG van 1 augustus 1990 (PB 1990, L 233, blz. 19)] en in Nederland [beschikking 90/16/EEG van 20 december 1989 (PB 1989, L 10, biz. 47)] blijkt, dat het deze prestaties zijn die meestal de koeriersdienst karakteriseren.
( 17 ) Voor de kocricrsdicnstvcrrichtingcn op een begrensd grondgebied, verwijs ik naar de beschikking 90/16/EEG van de Commissie, waarin is uiteengezet dat tot 1 januari 1989 de ondernemingen die deze activiteit in Nederland uitoefenden, voornamelijk kleine en middelgrote ondernemingen waren die voor deze dienst ongeveer 4000 personen in dienst hadden, die voor hel merendeel belast waren met de bestelling van binnenlandse correspondentie.
( 18 ) Arrest van 11 juni 1989, zaak 66/86, Jurispr. 1989, blz. 803, r. o. 54 c. v.
( 19 ) In beschikking 90/16/EEG heeft de Commissie de Nederlandse voorschriften, die voor de koeriersdienst een minimumtarief vaststelden, aan een onderzoek onderworpen. In de betrokken zaak heeft de Commissie, zonder het minimumtarief als zodanig ter discussie te stellen, het feit bestreden dat dit tarief alleen gold voor ondernemers en niet voor de posterijen, die de exprcsscpostdicnst dus ook onder de minimumprijs konden verrichten.
Eveneens dient te worden opgemerkt, dat door de Commissie in het Groenboek (blz. 31, 157 en 275-276) is voorgesteld om middels de invoering van tariefvoorschriften de koeriersdienst (geliberaliseerd) rechtens te onderscheiden van de basispostdienst (onderworpen aan een monopolie).
Full & Egal Universal Law Academy