CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. GULMANN
van 17 februari 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Het recht op een gedifferentieerde uitvoerrestitutie is afhankelijk van de voorwaarde dat de betrokken goederen in het land van bestemming zijn ingevoerd. Kan op deze regel een uitzondering worden gemaakt, wanneer de goederen als gevolg van overmacht onderweg van het douanegebied van de Gemeenschap naar het land van bestemming verloren zijn gegaan? Dat is de kern van de prejudiciële vraag die de High Court of Justice, Queen's Bench Division, aan het Hof heeft voorgelegd.
2.
De Engelse firma Tara Meat Packers Ltd (hierna „TMP”) ontving van de bevoegde Engelse instantie (de Intervention Board for Agricultural Produce), tegen een waarborgstelling, een voorschot op de uitvoerrestitutie bij de uitvoer van een zending rundvlees naar Egypte.
Een dergelijke uitvoer gaf recht op een gedifferentieerde restitutie, dat wil zeggen, een restitutie die afhankelijk is van het land waarheen de goederen worden uitgevoerd. De voor uitvoer naar Egypte toepasselijke restitutie was bijzonder hoog.
De goederen werden per schip vervoerd. Voordat de goederen in Egypte waren ingevoerd, brak aan boord brand uit, terwijl het schip in de haven van Alexandrie voor anker lag. Het vuur verwoestte de gehele lading.
TMP betaalde de restitutievoorschotten terug aan de Intervention Board, waarop deze de door TMP gestelde zekerheid vrijgaf.
In casu is niet betwist, dat het verlies van de goederen aan overmacht was te wijten.
3.
TMP verzocht daarop de High Court om toewijzing van haar vordering tegen de Intervention Board, dat zij recht had op de uitvoerrestitutie die voor uitvoer naar Egypte gold. TMP betoogde inzonderheid, dat volgens de betrokken gemeenschapsregeling de restitutie moest worden toegekend als waren de goederen ingevoerd, wanneer het verlies van de goederen tijdens het vervoer tussen de Gemeenschap en het land van bestemming aan overmacht is te wijten. De Intervention Board stelde, dat TMP geen recht op de uitvoerrestitutie had. ( 1 )
4.
De High Court heeft de navolgende vraag aan het Hof voorgelegd:
„Moeten verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968, verordening (EEG) nr. 885/68 van de Raad van 28 juni 1968, verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 en verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 aldus worden uitgelegd, dat zij a) een aanvrager recht geven op een uitvoerrestitutie (en, zo ja, tegen welke restitutievoet of restitutievoeten) dan wel b) verlangen dat een aanvrager de reeds ontvangen voorschotten terugbetaalt of zijn zekerheid verbeurt voor een overeenkomstig bedrag, in de omstandigheden van deze zaak, waarin
—
hij voor de uitvoer van de betrokken produkten krachtens genoemde verordeningen voorschotten heeft ontvangen, die werden berekend aan de hand van de restitutievoet die van toepassing was voor de opgegeven bestemming, namelijk Egypte;
—
hij naar behoren de in bedoelde verordeningen voorgeschreven zekerheid heeft gesteld;
—
de betrokken produkten het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, maar onderweg als gevolg van overmacht verloren zijn gegaan?”
5.
De eerste verordening waarnaar de High Court verwijst, is verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees. ( 2 ) Artikel 18 van die verordening bevat de grondbeginselen van de restitutieregeling bij uitvoer. Het bepaalt onder meer, dat de uitvoerrestitutie is bedoeld om het verschil tussen de prijzen in de Gemeenschap en de wereldmarktprijzen te overbruggen teneinde de uitvoer van de betrokken produkten mogelijk te maken, en dat de restitutie „kan verschillen naar gelang van de bestemming”.
De tweede verordening is verordening nr. 885/68 van de Raad van 28 juni 1968 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van restituties bij de uitvoer in de sector rundvlees. ( 3 ) Artikel 6 van deze verordening stelt de voornaamste voorwaarden vast voor de verlening van:
—
niet-gedifferentieerde restituties waarvoor het bewijs moet worden geleverd, dat „de produkten uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd” en
—
gedifferentieerde restituties waarvoor het bewijs moet worden geleverd, dat „het produkt de bestemming heeft bereikt, waarvoor de restitutie werd vastgesteld”.
De derde verordening is verordening nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten (hierna: „verordening betreffende vooruitbetaling”). ( 4 ) Onder meer krachtens deze verordening ontving TMP een restitutievoorschot, en haar stelling omtrent het begrip „overmacht” is onder meer op een bepaling van deze verordening gebaseerd.
De vierde verordening is verordening nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (hierna: „de uitvoeringsverordening van de Commissie”). ( 5 )
Probleemstelling en voornaamste juridische argumenten
6.
Het is niet betwist, dat de goederen niet in Egypte zijn ingevoerd en dat aan de voorwaarde voor betaling van de gedifferentieerde restitutie derhalve in beginsel niet was voldaan. Het is evenmin betwist, dat de goederen onderweg tussen het land van uitvoer en het land van bestemming als gevolg van overmacht verloren zijn gegaan.
7.
TMP's voornaamste stelling is, dat zij in deze omstandigheden recht op restitutie heeft, aangezien er geen grond is om de betaling van de restitutie te onderwerpen aan nog andere dan de algemeen toepasselijke voorwaarde, namelijk de uitvoer uit de Gemeenschap. TMP steunt haar standpunt onder meer op een bepaling van de verordening betreffende de vooruitbetaling, volgens welke de waarborg die is gesteld om voor de betaling van voorschotten in aanmerking te komen, „onverminderd gevallen van overmacht” zal worden verbeurd, wanneer niet aan de voorwaarden voor restitutie is voldaan. TMP voert meer in het algemeen aan,
—
dat het niet in strijd is met het doel van de differentiatie van restituties om in de gegeven omstandigheden aan TMP recht op restitutie toe te kennen;
—
dat de weigering de restitutie te betalen een ongerechtvaardigde discriminatie betekent tussen exporteurs die recht hebben op niet-gcdifferentieerde restituties en exporteurs die recht hebben op gedifferentieerde restituties en
—
dat de weigering de restitutie te betalen bovendien een schending van het evenredigheidsbeginsel vormt.
TMP wijst er ten slotte op, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof er reden toe kan zijn om in individuele gevallen de regel inzake overmacht naar analogie of op andere wijze toe te passen.
8.
De regering van het Verenigd Koninkrijk en de Ierse regering alsmede de Commissie zijn het erover eens, dat TMP geen recht op de gehele restitutie heeft, ook al was de invoer niet mogelijk door het onderweg als gevolg van overmacht verlorcngaan van de goederen. Ook zijn zij het erover eens, dat dit standpunt beantwoordt aan de bedoeling van het stelsel van uitvoerrestituties, inzonderheid aan de gedachte waarop het vereiste van invoer in het land van invoer ten aanzien van gedifferentieerde restituties berust, en dat deze rechtspositie geen ongerechtvaardigde discriminatie vormt en evenmin strijdig is met het evenredigheidsbeginsel.
Bovendien zijn zij het erover eens,
—
dat de bepaling die de rechtspositie van TMP in een situatie als in casu regelt, artikel 20 van de uitvoeringsverordening van de Commissie is;
—
dat uit artikel 20, lid 2, volgt dat wanneer het bewijs is geleverd dat het produkt het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, de exporteur steeds recht heeft op een restitutie
„berekend aan de hand van de laagste restitutievoet die van toepassing was op de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, op voorwaarde dat die restitutie voor de betrokken produkten voor alle derde landen geldt”;
—
dat artikel 20, lid 2, aldus moet worden uitgelegd, dat TMP krachtens die bepaling geen recht op restitutie heeft, aangezien toentertijd geen restituties waren vastgesteld voor de uitvoer van rundvlees naar bepaalde derde landen. ( 6 )
9.
Zowel beide regeringen als de Commissie zijn het daarentegen niet eens over de vraag, op basis van welke bepaling van de uitvoeringsverordening moet worden vastgesteld, dat de rechtspositie van TMP uiteindelijk door artikel 20, lid 2, wordt geregeld. Beide regeringen zijn van mening, dat artikel 5, lid 3, van die verordening in casu van toepassing is. Het luidt als volgt:
„Wanneer het produkt na het douanegebied van de Gemeenschap te hebben verlaten onderweg als gevolg van overmacht verloren gaat, wordt in geval van:
—
een gedifferentieerde restitutie, het overeenkomstig artikel 20 bepaalde gedeelte van de restitutie betaald,
—
een niet-gedifferentieerde restitutie, het totale restitutiebedrag betaald.”
De regeringen betogen, dat dit artikel de enige bepaling van de verordening is, die het onderhavige geval van overmacht uitdrukkelijk regelt.
10.
De Commissie is echter van mening, dat de algemene bepalingen van de verordening, die op gedifferentieerde restituties betrekking hebben, in casu van toepassing zijn. Artikel 4 van de verordening bepaalt:
„1.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 16, mag de restitutie slechts worden uitbetaald als het bewijs is geleverd dat de produkten waarvoor de uitvoeraangifte is aanvaard, (...) het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.”
Artikel 16, lid 1, de eerste bepaling van een aparte afdeling inzake gedifferentieerde restitutie, bepaalt:
„In geval van toepassing van een gedifferentieerde restitutievoet naar gelang van de bestemming, wordt de restitutie slechts betaald als de in de artikelen 17 en 18 vastgestelde bijkomende voorwaarden zijn vervuld.”
Blijkens de artikelen 17 en 18 moeten de goederen in ongewijzigde staat in het derde land waarvoor de restitutie is vastgesteld, zijn ingevoerd en moet het produkt als ingevoerd worden beschouwd, als de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld. De regels van het gemeenschapsrecht voorzien niet in de gevallen dat de goederen na uitvoer uit de Gemeenschap als gevolg van overmacht verloren gaan.
Volgens de Commissie preciseert artikel 20 het algemeen toepasselijke invoerverciste, in die zin dat de exporteur onmiddellijk na uitvoer recht heeft op betaling van de restitutie, berekend aan de hand van de laagste restitutievoet die van toepassing is voor alle derde landen, ongeacht of het bewijs van invoer later wordt geleverd. Artikel 5, lid 1, van de verordening preciseert nog in andere zin de algemene regeling van de verordening voor gedifferentieerde restituties. Deze bepaling die door de Commissie als „antimisbruikbepaling” wordt aangeduid, stelt de autoriteiten in staat in gevallen waarin er een bepaalde kans op misbruik bestaat, om aan exporteurs bijkomende voorwaarden te stellen naast die welke reeds uit de algemene bepalingen van de verordening voortvloeien. Naar de mening van de Commissie zijn deze bepalingen, evenals de bijzondere bepalingen van artikel 5, lid 3, inzake overmacht, in casu niet van toepassing, daar hiertoe geen aanleiding was.
Onderzoek van de aangevoerde bepalingen
11.
Laat ik dadelijk zeggen, dat de betrokken verordeningen mijns inziens op het eerste gezicht geen bepalingen bevatten, die TMP recht geven op het totale gedifferentieerde restitutiebedrag bij uitvoer op grond dat invoer onmogelijk was door het als gevolg van overmacht verlorengaan van de goederen op weg naar het land van bestemming.
12.
Zoals reeds gezegd, verwijst TMP naar artikel 6 van de verordening betreffende vooruitbetaling, De eerste alinea van dit artikel schrijft voor, dat een waarborg moet worden gesteld teneinde de terugbetaling te garanderen van een bedrag dat gelijk is aan het uitbetaalde bedrag, verhoogd met een extra bedrag. De tweede alinea bepaalt:
„Onverminderd gevallen van overmacht wordt deze waarborg geheel of gedeeltelijk verbeurd:
—
(...)
—
(...) indien blijkt dat er geen enkel recht op restitutie bestaat (...)”
Naar mijn mening kan TMP aan die bepaling geen rechten ontlenen. De bepaling wil in de eerste plaats aangeven dat de waarborg geheel of gedeeltelijk wordt verbeurd, wanneer niet aan de voorwaarden voor betaling van de uitvoerrestitutie is voldaan. ( 7 ) Voor de gevallen van overmacht is een voorbehoud gemaakt. Het is evenwel geen algemeen voorbehoud voor zover de waarborg in alle gevallen wordt vrijgegeven, waarin de exporteur als gevolg van overmacht niet aan de restitutievoorwaarden heeft kunnen voldoen. Het voorbehoud kan alleen maar worden gezien als een verwijzing naar de bijzondere voorschriften van de restitutieverordeningen die exporteurs in geval van overmacht vrijstelling verlenen van de algemene verplichtingen uit hoofde van de verordeningen. Een andere uitlegging zou het bijzondere voorbehoud inzake overmacht in gevallen waarin voorschotten zijn betaald, zinloos maken en zou bovendien tot het merkwaardige resultaat leiden, dat exporteurs die een vooruitbetaling op de restitutie hebben ontvangen, in een gunstiger positie zouden verkeren dan exporteurs die een dergelijke vooruitbetaling niet hebben ontvangen.
13.
De onderhavige zaak moet worden bezien in het licht van artikel 6 van verordening nr. 885/68 van de Raad tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van restituties bij de uitvoer in de sector rundvlees, dat reeds een belangrijk onderscheid tussen gedifferentieerde en met-gedifferentieerde restituties had aangebracht. Zoals gezegd, is in beginsel de enige voorwaarde voor de verkrijging van eerstgenoemde restituties, dat de goederen uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd, terwijl de bijkomende voorwaarde voor gedifferentieerde restituties is, dat de goederen zijn ingevoerd in het land van bestemming, waarvoor de restitutie was vastgesteld. Dit essentiële onderscheid wordt vanzelfsprekend weer overgenomen in de uitvoeringsverordening van de Commissie (zie boven). De algemene voorschriften betreffende het recht op gedifferentieerde restitutie bevatten geen enkel voorbehoud in gevallen van overmacht en naar mijn mening dient het standpunt van de Commissie te worden gevolgd, volgens hetwelk de voorschriften aldus moeten worden uitgelegd, dat het bewijs van invoer ook is vereist wanneer invoer onmogelijk is, omdat de goederen onderweg als gevolg van overmacht verloren zijn gegaan, hetgeen betekent, dat de exporteur slechts recht heeft op de restitutie krachtens artikel 20.
14.
Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Ierse regering terecht hebben opgemerkt, lijkt artikel 5, lid 3, gezien de tekst ervan, op een geval als het onderhavige van toepassing te zijn. Het is eveneens juist, dat die bepaling tot gevolg zou hebben, dat artikel 20 hier zou gelden en dat de rechtspositie van TMP derhalve niet gunstiger zou zijn dan wanneer deze uitsluitend zou worden beoordeeld naar het bepaalde in de artikelen 16 tot 20 van de verordening betreffende de gedifferentieerde restituties.
15.
Ik ben onmiddellijk geneigd om het standpunt van de Commissie en TMP te volgen, dat de rechtspositie in casu niet door artikel 5, lid 3, wordt bepaald. Deze bepaling kan niet los worden gezien van de andere bepalingen van artikel 5, die het de autoriteiten mogelijk maken om bij een grote kans op misbruik zowel van de algemene voorschriften betreffende de niet-gedifferentieerde restituties als van die betreffende de gedifferentieerde restituties af te wijken. Artikel 5, lid 3, is waarschijnlijk slechts van toepassing, wanneer het in een bepaald geval nodig is krachtens artikel 5, lid 1, van de bevoegdheid tot het verlangen van bijkomende bewijzen gebruik te maken.
Naar mijn mening behoeft u in casu echter niet uit te maken of deze situatie onder artikel 5, lid 3, of onder de artikelen 16 tot 18 van de verordening valt, aangezien het zeker is, dat de rechtspositie van TMP dezelfde zal zijn, of nu het eerst- of het laatstbedoelde geheel van regels toepasselijk is (met het laatstbedoelde geheel van regels worden de regels bedoeld, die aan artikel 20 zijn ontleend).
16.
Naar mijn mening mag worden aangenomen, dat de communautaire wetgever het niet nodig heeft geacht in de artikelen 16 tot 20 een voorbehoud te maken voor gevallen van overmacht. ( 8 )
De eventuele herziening van deze uitlegging, voor zover zij in tegenspraak zou zijn met de opzet van het restitutiestelsel en met algemeen geldende rechtsbeginselen
17.
Afgezien van artikel 6 van de verordening betreffende de vooruitbetaling, dat, zoals gezegd in casu niet ter zake dienend is, berust de rechtsopvatting van TMP niet op enige specifieke bepalingen van de bedoelde verordeningen. Deze opvatting berust integendeel op meer algemene argumenten, volgens welke het met de opzet van het restitutiestelsel en met algemeen geldende rechtsbeginselen in tegenspraak zou zijn om de regels niet aldus uit te leggen, dat men recht heeft op de gehele gedifferentieerde restitutie, indien de invoer van de goederen die onderweg als gevolg van overmacht verloren zijn gegaan, onmogelijk is geworden.
18.
Volgens vaste rechtspraak van het Plof dient aan een communautaire regeling de uitlegging te worden gegeven, die het best aan haar doel beantwoordt en, aangezien zij zoveel mogelijk aan de hand van de algemeen geldende rechtsbeginselen van het gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd ( 9 ), zou kunnen worden onderzocht of de desbetreffende regeling op de door TMP bedoelde wijze behoort te worden uitgelegd.
19.
TMP betoogt met name, dat als hoofdregel het recht op uitvoerrestitutie ontstaat, wanneer de goederen uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd en dat toepassing van de afwijkende regel (namelijk dat voor het recht op het volle restitutiebedrag de goederen in het land van bestemming moeten zijn ingevoerd) slechts dan geoorloofd is, wanneer het doel van het invoervereiste zulks rechtvaardigt, TMP geeft daaromtrent toe, dat met het invoervereistc een tweeledig doel wordt nagestreefd: enerzijds misbruik te voorkomen en anderzijds te garanderen dat de goederen werkelijk op de betrokken markt zijn gebracht (zie in dit verband het arrest Dimex). ( 10 ) TMP voert echter aan, dat de gedachte aan misbruik niet opkomt in een situatie als de onderhavige, waarin zich eenvoudig geen enkel gevaar van misbruik voordoet en dat, gezien de bedoeling dat de goederen op de betrokken markt komen, geen onderscheid mag worden gemaakt tussen goederen die recht geven op een gedifferentieerde restitutie en die welke recht geven op een met-gedifferentieerde restitutie, aangezien het de communautaire wetgever er uiteindelijk om ging, dat beide soorten goederen op de markten van derde landen werden gebracht. Volgens TMP kan hieruit worden afgeleid, dat exporteurs, ongeacht of zij nu het recht op gedifferentieerde of niet-gedifferentieerde restituties hebben, gelijke behandeling verdienen ingeval hun goederen onderweg als gevolg van overmacht verloren zijn gegaan. TMP betoogt bovendien, dat er sprake is van ongerechtvaardigde discriminatie tussen beide groepen exporteurs en dat de rechtsgevolgen, nu in casu niet aan het invoervereiste is voldaan, onevenredig ernstig zijn ten opzichte van het doel dat met dit vereiste wordt gediend.
20.
TMP's argumenten kunnen niet voorshands worden verworpen. Beide groepen exporteurs worden hier verschillend behandeld en het is op het eerste gezicht niet duidelijk of een dergelijke discriminatie op grond van objectieve verschillen gerechtvaardigd is. ( 11 )
21.
Dit is echter geen beslissende factor. De argumenten die de Commissie en beide regeringen ter rechtvaardiging van de ongelijke behandeling van de twee groepen exporteurs hebben aangevoerd en die grotendeels berusten op het doel dat door het invoervereiste wordt gediend (inzonderheid de noodzaak ervoor te zorgen dat de goederen de markt in het land van bestemming bereiken), kunnen niet als irrelevant of ongegrond worden verworpen.
Er zijn derhalve onvoldoende redenen om voor een andere uitlegging van de gemeenschapsregels te kiezen dan die welke het dichtst bij de letter en samenhang van de bepalingen aansluit en met het oog op de achterliggende bedoeling van de speciale regels betreffende gedifferentieerde restituties gerechtvaardigd is.
Deze uitlegging kan niet worden verworpen om de eenvoudige reden dat de communautaire wetgever ook regels had kunnen vaststellen, die zonder in tegenspraak te zijn met het door het restitutiestclsel beoogde doel, zo hadden kunnen luiden, dat TMP tot restitutie zou zijn gerechtigd.
Het rechtsstelsel dat uit deze uitlegging voortvloeit, valt duidelijk binnen de discretionaire bevoegdheden waarover de communautaire wetgever bij het opzetten van het rcstitutiestelsel beschikt en geeft geen aanleiding tot ongerechtvaardigde of onevenredige discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers.
De vraag of in casu aan een bepaling inzake overmacht bij analogie of op andere wijze toepassing kan worden gegeven.
22.
TMP betoogt, dat in casu aan het bepaalde omtrent overmacht van artikel 6, lid 2, van de verordening betreffende vooruitbetaling naar analogie toepassing kan worden gegeven. Zij verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof in de zaak 6/78 (Union française de Céréales). ( 12 )
Zij verwijst eveneens naar het arrest van het Hof in de zaak 71/87 (SA Inter-Kom) ( 13 ), waaruit haars inziens blijkt dat het mogelijk is in een geval als het onderhavige in deze bepaling impliciet een overmachtsclausule te lezen, zelfs al is die in de betrokken gemeenschapsregeling niet uitdrukkelijk opgenomen.
23.
Naar mijn mening kan de opvatting van TMP geen stand houden.
Deze opvatting is in ieder geval onjuist, omdat de betrokken gemeenschapsregels aldus moeten worden begrepen, dat de communautaire wetgever duidelijk heeft gemaakt, dat een bepaling voor overmacht juist in verband met het bepaalde in de artikelen 16 tot 20 van de uitvoeringsverordening niet van toepassing was.
24.
Het arrest in de Inter-Kom zaak was gebaseerd op specifieke gronden en de specifieke omstandigheden van die zaak doen zich hier niet voor.
25.
Voor zover beroep wordt gedaan op analogie met artikel 6, lid 2, van de verordening betreffende vooruitbetaling, dient, zoals hierboven reeds opgemerkt, de overmachtsclausule in deze bepaling te worden gezien als een algemene verwijzing naar specifieke bepalingen inzake overmacht, die elders in deze verordening worden vermeld.
26.
Er is nog een reden waarom de opvatting van TMP geen steun in het arrest in de zaak Union française des Céréales kan vinden. Het Hof heeft weliswaar in dat arrest beslist, dat er aanleiding was om per analogiam toepassing te geven aan een expliciete bepaling inzake overmacht in een situatie die in vele opzichten op de onderhavige lijkt. Nationale autoriteiten hadden geweigerd compenserende bedragen „toetreding” te betalen aan een Franse onderneming die een lading graan had geëxpedieerd, die als gevolg van het vergaan van het schip niet op zijn plaats van bestemming in het Verenigd Koninkrijk was aangekomen. De compenserende bedragen zouden slechts worden betaald, wanneer het bewijs werd geleverd dat de goederen in het Verenigd Koninkrijk waren ingevoerd. De toepasselijke regeling — een verordening van de Commissie van 1973 — bevatte geen bepaling inzake overmacht. Een latere regeling bevatte echter wel een dergelijke voorziening. Het betrof een verordening van de Commissie van 1975 betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties voor landbouwprodukten (dat wil zeggen, één van de regelingen die aan de in casu toepasselijke verordening van de Commissie zijn voorafgegaan) en het ging daarbij om een aan artikel 5 van de in casu toepasselijke verordening voorafgaande bepaling.
Het Hof verklaarde in rechtsoverweging 4 van zijn arrest:
„Overwegende dat vaststaat dat een exporteur die zich in omstandigheden als in casu, na het verlorengaan van de waar onderweg als gevolg van overmacht, de toekenning van compenserende bedragen ‚toetreding’ ziet ontzegd, een reëel verlies lijdt, daar de overeenkomstig de cif-clausule ten behoeve van de koper gesloten verzekering slechts de waarde van het goed naar de prijzen in het land van invoer en niet naar de hogere gemeenschappelijke prijzen in het land van uitvoer dekt; dat, zo de exporteur dit verlies zelf zou moeten dragen of zich tegen dit risico moeten verzekeren, hij in een nadelige concurrentiepositie ten opzichte van verkopers uit derde landen zou komen te verkeren.
dat zulks onverenigbaar zou zijn met het beginsel van de gemeenschapspreferentie
dat de Toetredingsakte heeft willen doen prevaleren;
dat derhalve verordening nr. 269/73, door niet te voorzien in de toekenning van compenserende bedragen ‚toetreding’ in geval van overmacht, een leemte bevat welke moet worden opgevuld door een analogische toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 [de uitvoeringsverordening van 1975].”
De situaties in beide zaken lopen dus parallel en de argumenten van het Hof voor analogische toepassing zijn in casu niet zonder betekenis, ook al kunnen zij daarop niet volledig worden toegepast.
Er is evenwel een belangrijk verschil: het desbetreffende artikel van de uitvoeringsverordening van de Commissie van 1975 bevat geen met artikel 5, lid 3, van de uitvoeringsverordening van 1987 overeenkomende bepaling, dat wil zeggen dat de verordening van 1975 zwijgt over de rechtspositie van de exporteur in geval van het verloren gaan als gevolg van overmacht.
De uitvoeringsverordening van 1987 bevat derhalve bepalingen die het huidige probleem wel uitdrukkelijk regelen in die zin dat in geval van gedifferentieerde restitutie de exporteur een gelijke behandeling ten deel valt als voorzien in artikel 20, lid 2, van de verordening.
De uitlegging van artikel 20 van de uitvoeringsverordering
27.
Artikel 20, leden 1 en 2, bepaalt:
„1.
In afwijking van de bepalingen van artikel 16 wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 5, een deel van de restitutie betaald zodra het bewijs is geleverd dat het produkt het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten.
(...)
2.
Het in lid 1 bedoelde deel van de restitutie wordt berekend:
a)
bij uitvoer zonder vaststelling vooraf van de restitutie:
aan de hand van de laagste restituticvoct die van toepassing was op de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, op voorwaarde dat die restitutievoet voor de betrokken produkten voor alle derde landen geldt;
b)
(...)”
TMP betoogt dat die bepaling moet worden uitgelegd overeenkomstig liet doel van het stelsel en dat in een geval als het onderhavige waarin niets op misbruik duidt, de „laagste restitutievoet” wil zeggen de „laagste positieve restituticvoct”.
Die uitlegging kan niet juist zijn, ook al had de bewoording van de bepaling duidelijker kunnen zijn. Indien in gevallen als in casu geen uitvoerrestituties voor één of meer derde landen zijn vastgesteld, moet de „laagste restitutievoet” gelijk nul zijn en heeft de exporteur dus geen recht op restitutie.
Artikel 20 wijkt af van het vereiste dat in gevallen van gedifferentieerde restituties de goederen in het land van bestemming moeten zijn ingevoerd. Het artikel eist geen zekerheidstelling als garantie voor de terugbetaling van het restitutiebedrag dat krachtens de bepaling wordt betaald zodra de goederen uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd. De bepaling kan derhalve niet worden uitgelegd, als zou zij aan exporteurs recht op een hogere restitutie toekennen dan die waarop zij uit hoofde van de gestelde waarborg recht zouden hebben, ongeacht het derde land waarin de goederen moesten worden ingevoerd. Bijgevolg moet artikel 20 aldus worden uitgelegd, dat de verplichting tot uitbetaling van een restitutie slechts bestaat, wanneer een positieve restituticvoct voor alle derde landen is vastgesteld.
Conclusie
28.
Derhalve geef ik het Hof in overweging de vraag als volgt te beantwoorden:
„Verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968, verordening nr. 885/68 van de Raad van 28 juni 1968, verordening nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 en verordening nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 moeten aldus worden uitgelegd, dat in gevallen waarin goederen niet in het land van bestemming zijn ingevoerd, de exporteur geen recht heeft op een restitutie — uitgezonderd die waarop hij eventueel recht heeft krachtens artikel 20 van verordening nr. 3665/87 van de Commissie — en derhalve de vooruitbetaling moet terugbetalen of zijn waarborg verbeurt, ook al zijn de goederen onderweg tussen het land van uitvoer en het land van bestemming als gevolg van overmacht verlorengegaan.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) TMP, die tegen verlies van tic restitutie was verzekerd, heeft een bedrag gelijk aan de gehele restitutie ontvangen en de verzekeraars hebben hun rechten als gesubrogccrdc in de aanhangige vordering uitgeoefend. In haar in de onderhavige zaak ingediende opmerkingen heeft de Ierse regering erop gewezen, dat de Ierse firma Tara Meats (KilbcgganG) Ltd rundvlees had vervoerd op hetzelfde schip als dc Engelse firma en dat voor de Ierse High Court een zaak aanhangig was, welke feitelijk en rechtens in wezen overeenkwam met die in casu. De High Court heeft de door de Ierse firma aanhangig gemaakte zaak geschorst in afwachting van de beslissing van het Hof in de onderhavige zaak.
( 2 ) PB 1968, L 148, blz. 24.
( 3 ) PB 1968, L 156, blz. 2.
( 4 ) PB 1980, L 62, blz. 5.
( 5 ) PB 1987, L 351, blz. 1.
( 6 ) Zie verordening (EEG) nr. 2978/88 tot vaststelling van de uitvoerrestituties voor rundvlees (PB 1988, L 289, bíz. 37).
( 7 ) Deze mening wordt gesteund door de vierentwintigste overweging van de uitvoeringsverordening van de Commissie, die luidt als volgt:
„Overwegende dat het vóór de uitvoer betaalde bedrag moet worden terugbetaald, wanneer er geen recht op de uitvoerrestitutie blijkt te bestaan of wanneer dit recht voor een lagere restitutie blijkt te gelden; dat, om misbruiken te voorkomen, bij terugbetaling een bijkomend bedrag moet worden betaald; dat, in gevallen van overmacht, geen bijkomend bedrag moet worden terugbetaald.”
( 8 ) Deze opvatting wordt bevestigd door artikel 21, lid 3, van de verordening juncto artikel 21, lid 4, dat een uitdrukkelijke regeling voor gevallen van overmacht bevat. Het voorbehoud vindt toepassing in gevallen waarin een produkt als gevolg van overmacht een andere bestemming heeft gekregen dan die welke was voorzien, en bepaalt dat de exporteur recht heeft op de gedifferentieerde restituties, die voor de nieuwe bestemming geldt.
( 9 ) Zie onder meer het arrest van 10 juli 1991 (gevoegde zaken C-90/90 en C-91/90, Neu, Jurispr. 1991, blz.3617) en het arrest van 21 maart 1991 (zaak C-314/89, Rauh, Jurispr. 1991, blz. 1647, r. o. 17).
( 10 ) Arrest van het Hof van 11 juli 1984 (zaak 89/83, Dimex, Turispr. 1984, blz. 2815), r. o. 8:
„heeft het stelsel van gedifferentieerde uitvoerrestituties tot doel de markten van de betrokken derde landen voor de uitvoer van goederen uit de Gemeenschap toegankelijk te maken of te nouden, waarbij de differentiatie van de restitutie berust op de wens rekening te houden met de particulariteiten van iedere invoermarkt waarop de Gemeenschap zich wil doen gelden”.
( 11 ) Er bestaat derhalve een zekere overeenkomst met de door advocaat-generaal Capotori aangevoerde argumenten in zijn conclusie in de zaait Union française des Céréales (hierna geciteerd in punt 22), waarin hij concludeert, dat er in een vergelijkbare situatie geen reden was te verlangen, dat aan het invoervereiste moest zijn voldaan. De advocaat-generaal betoogde onder meer dat:
„het bewijs van inklaring van een waar in het land van bestemming ertoe dient om te zorgen dat deze waar niet wordt omgeleid naar landen waarvoor lagere restitutiebedragen of compenserende bedragen ‚toetreding’ zijn vastgesteld (en dat de waar dus eventueel wordt heringevoerd in het land van herkomst). De mogelijkheid van een dergelijk misbruik kan zich echter niet voordoen, wanneer de waar onderweg verloren gaat. Zo derhalve de exporteur in een uitzonderingsgeval zoals het vergaan van het vervoermiddel kan bewijzen dat hij de waar heeft verkocht aan een afnemer in het aangegeven land van bestemming en dat de waar deugdelijk is geëxpedieerd, lijkt het mij niet redelijk ten nadele van de exporteur toepassing te geven aan een bepaling ter voorkoming van misbruik dat zich wegens de bijzondere omstandigheden niet kon voordoen. Het is duidelijk dat buitengewone gebeurtenissen moeilijk zijn te regelen volgens criteria die voor normale gevallen zijn gegeven, en dat omgekeerd de toepassing van uitzonderingsbepalingen (zoals voor overmacht) in bijzondere gevallen de normale werking van het stelsel niet belemmert en stoort.”
Opgemerkt zij echter, dat advocaat-generaal Capotorti in zijn bespreking van het vereiste van invoer ervan uitging dat het alleen van belang was als middel tot bescherming tegen misbruik.
( 12 ) Arrest van 11 juli 1978, Jurispr. 1978, blz. 1675.
( 13 ) Arrest van 19 april 1988, Jurispr. 1988, blz. 1979.
Full & Egal Universal Law Academy