CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 27 januari 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Het House of Lords heeft het Hof vier prejudiciële vragen voorgelegd aangaande de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid ( 1 ) (hierna: „richtlijn”).
De nationale rechter wenst met name te vernemen, of Britse wettelijke bepalingen die een ongelijke behandeling van mannen en vrouwen met het oog op de toekenning van bepaalde invaliditeitsuitkeringcn inhouden, verenigbaar zijn met artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn. Deze bepaling verleent de Lid-Staten de mogelijkheid, van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten „de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties”. ( 2 ) De onderhavige zaak betreft de werkingssfeer van de in deze bepaling neergelegde afwijkingsmogelijkheid voor „andere prestaties” van sociale zekerheid dan ouderdoms- en rustpensioenen.
2.
De „andere prestaties” in geding zijn de „severe disablement allowance” (uitkering wegens ernstige arbeidsongeschiktheid; hierna: „SDA”) en de invalid care allowance (toelage voor gehandicaptenzorg; hierna: „ICA”). Dit zijn „non-contributory” (niet op bijdragen berustende) uitkeringen, die uit hoofde van de Social Security Act 1975, zoals gewijzigd bij de Health and Social Security Act 1984, worden toegekend respectievelijk aan arbeidsongeschikt verklaarde personen (Section 36) en aan personen die een ernstig arbeidsongeschikte hebben te verzorgen (Section 37).
Ingevolge de Sections 36(4)(d) en 37(5) van de Act bestaat er geen recht op deze uitkeringen wanneer de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, behalve indien hij onmiddellijk voorafgaand aan het bereiken van die leeftijd ervoor in aanmerking kwam. Section 27 stelt de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen op 60 jaar vast en voor mannen op 65 jaar.
3.
Op grond van deze bepalingen heeft de Adjudication Officer bij een nadien door het Social Security Appeal Tribunal bevestigde beschikking de aanvragen van Thomas, Morley, Beard, Cooze en Murphy om toekenning van SDA en ICA afgewezen. Ofschoon de aanvraagsters wegens arbeidsongeschiktheid (Thomas en Morley) of met het oog op de verzorging van een ernstig arbeidsongeschikte (Beard, Cooze en Murphy) waren opgehouden met werken, hebben zij hun aanvragen pas na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ingediend, en kwamen zij hoe dan ook onmiddellijk voorafgaande aan het bereiken van die leeftijd niet in aanmerking voor bedoelde uitkeringen. Sommigen onder hen zijn namelijk na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd blijven werken, doch hebben hun werkzaamheden opgegeven, daar zij zelf (Thomas en Morley) of een andere persoon (in het geval van Beard) arbeidsongeschikt werden verklaard. Cooze en Murphy hadden hun werkzaamheden in loondienst reeds voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd gestaakt teneinde een gehandicapte te verzorgen die, nadat beide belanghebbenden de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt, alsnog recht op een invaliditeitsuitkering verkreeg.
Belanghebbenden zijn van de afwijzing van hun aanvragen om SDA of ICA in beroep gekomen. Met uitzondering van het beroep van Morley, dat is verworpen, zijn deze beroepen door de bevoegde Social Security Commissioners toegewezen. De Court of Appeal heeft de door de Secretary of State for Social Security ingestelde beroepen betreffende de zaken Thomas, Cooze, Beard en Murphy verworpen en het door Morley ingestelde beroep toegewezen.
4.
De Secretary of State heeft daarop tegen de beschikking van de Court of Appeal beroep ingesteld bij het House of Lords, dat het Hof vier prejudiciële vragen heeft voorgelegd. Deze kunnen worden samengevat als volgt:
a)
Wat voor soort band moet er bestaan tussen een sociale-zekerheidsuitkering en de pensioengerechtigde leeftijd, wil een discriminerende regeling binnen de werkingssfeer van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn vallen?
b)
Moet het evenredigheidsbeginsel worden toegepast en, zo ja, volgens welke criteria, teneinde vast te stellen of (discriminerende) toekenningsvoorwaarden voor een sociale-zekerheidsuitkering het gevolg zijn van de vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen?
c)
Is het een Lid-Staat toegestaan, zich ter rechtvaardiging van het verschil in behandeling van mannen en vrouwen te baseren op statistische gegevens, of de in geding zijnde afwijkingsbepaling toe te passen op het geval van een vrouw die kan aantonen dat zij, ofschoon de pensioengerechtigde leeftijd reeds gepasseerd, geen pensioenuitkering ontvangt?
d)
Is een Lid-Staat die een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen handhaaft, ingevolge richtlijn 79/7 verplicht, voor mannen en vrouwen dezelfde eindleeftijd voor de toekenning van invaliditeitsuitkeringen toe te passen?
5.
Met de eerste vraag verzoekt de nationale rechter het Hof, zich uit te spreken over de draagwijdte van de afwijkingsmogelijkheid vervat in de zinsnede „en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties” in artikel 7, lid 1, sub a. De verwijzende rechter wenst met name te vernemen, of binnen de werkingssfeer van deze zinsnede vallen: a) bepalingen in regelingen die, zonder onlogisch, oneerlijk of ongelijmd te zijn, noodzakelijk zijn voor de samenhang tussen regelingen betreffende „andere prestaties” en de ouderdoms- en rustpensioenstelsels; b) bepalingen die de Lid-Staat ingevolge zijn cliscretionaire bevoegdheid en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel heeft gekoppeld aan regelingen betreffende ouderdoms- en rustpensioenen; c) mogelijke andere bepalingen.
Vooraf zij opgemerkt, dat partijen niet betwisten, dat de aanvraagsters binnen de werkingssfeer ratione personae van de richtlijn vallen, dat de betrokken wettelijke regelingen binnen de werkingssfeer ratione matériáé ervan vallen, en dat de bepalingen die vrouwen van meer dan 60 jaar het recht op de uitkeringen ontzeggen, discriminerend zijn. In geding is dus, of de omstandigheid dat vrouwen van meer dan 60 jaar niet in aanmerking komen voor SDA en ICA, terwijl mannen tot de leeftijd van 65 jaar wel recht op deze uitkeringen hebben, een gevolg is van de vaststelling van de verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet in de eerste plaats worden onderzocht of er een causaal verband bestaat tussen een sociale-zekerheidsuitkering en de pensioengerechtigde leeftijd, met andere woorden de band op grond waarvan de betwiste discriminerende bepalingen kunnen worden aangemerkt als een gevolg van de pensioengerechtigde leeftijd in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn en voor de toepassing ervan.
6.
Tussen partijen staat vast, dat er een verband moet zijn tussen de pensioengerechtigde leeftijd en de andere (discriminerende) sociale-zekerhcidsregelingen die daarvan een gevolg zijn, doch in geding is de draagwijdte van dat causale verband.
Belanghebbenden en de Commissie stellen, dat de omstreden afwijkingsbepaling niet ruim en subjectief mag worden uitgelegd. Zij omvat enkel die gevolgen voor andere prestaties, die een objectieve en noodzakelijke band hebben met de pensioengerechtigde leeftijd. Iedere andere interpretatie zou inhouden, dat de Lid-Staten eenzijdig de toekenningsvoorwaarden voor socialezekerheidsuitkeringen aan de pensioengerechtigde leeftijd zouden kunnen koppelen, en dus de mogelijkheid zouden krijgen, de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen uit te breiden naar andere regelingen.
De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt daarentegen, dat een Lid-Staat bevoegd is, sociale-zekerheidsuitkcringen aan de (verschillende) pensioengerechtigde leeftijd te koppelen, op voorwaarde dat dit op redelijke wijze en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel geschiedt. Zolang voor mannen en vrouwen een verschillende pensioengerechtigde leeftijd geldt, is het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen met betrekking tot andere prestaties van sociale zekerheid niet volledig te verwezenlijken. Bepaalde vormen van ongelijke behandeling of anomalieën zullen hoc dan ook altijd blijven bestaan. Derhalve staat het een Lid-Staat vrij, de oplossing te kiezen die naar zijn oordeel het meest passend en geschikt is met het oog op de verwezenlijking van de doeleinden van het stelsel van sociale zekerheid. De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft aan de hand van een aantal voorbeelden aangetoond, dat zelfs indien voor mannen en vrouwen dezelfde leeftijdsgrens voor toekenning van de betwiste uitkeringen gold, bepaalde vormen van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen zouden blijven bestaan. ( 3 ) Daarenboven is het begrip „noodzakelijk gevolg” voor velerlei uitleg vatbaar. Uit deze overwegingen concludeert de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat de band tussen de pensioengerechtigde leeftijd en de omstreden uitkeringen bestaat in de onmogelijkheid, een oplossing te vinden die iedere vorm van ongelijke behandeling uitsluit.
7.
Gelet op deze argumenten wil ik in de eerste plaats erop wijzen, dat het Hof bij herhaling heeft bevestigd, dat de opheffing van discriminaties naar geslacht deel uitmaakt van de fundamentele rechten welker eerbiediging het Hof dient te verzekeren. ( 4 ) Verder heeft het Hof verklaard, dat „bij de vaststelling van de draagwijdte van een afwijking van een individueel recht, zoals het (...) beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, het evenredigheidsbeginsel, een van de algemene rechtsbeginselen die ten grondslag liggen aan de communautaire rechtsorde, moet worden geëerbiedigd. Op grond van dit beginsel mogen afwijkingen niet verder gaan dan passend en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel.” ( 5 ) Hieruit volgt, dat volgens de rechtspraak van het Hof de in artikel 7, lid 1, sub a, vastgelegde afwijkingsmogelijkheid strikt moet worden uitgelegd. ( 6 )
8.
Het Hof heeft zich onlangs over dit punt uitgelaten in het arrest Equal Opportunities Commission ( 7 ). Deze zaak betrof een vorm van ongelijke behandeling van mannen ten opzichte van vrouwen, die haar oorsprong had in het feit, dat mannen voor dezelfde pensioenuitkering gedurende een langere periode premie betalen dan vrouwen, hetgeen een gevolg is van de verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen. Het Hof overwoog, dat vormen van ongelijke behandeling met betrekking tot de duur van de premieplicht slechts binnen de werkingssfeer van de in artikel 7, lid 1, sub a, neergelegde afwijkingsmogelijkheid vallen „indien zij noodzakelijk blijken voor de verwezenlijking van de doelstellingen die de richtlijn nastreeft door de Lid-Staten toe te staan voor mannen en vrouwen een verschillende pensioengerechtigde leeftijd te handhaven” (r. o. 13).
In dat verband verwees het Hof naar artikel 7, lid 2, dat de Lid-Staten verplicht, periodiek de uitgezonderde gebieden te onderzoeken, en naar artikel 8, lid 2, ingevolge hetwelk zij de Commissie in kennis moeten stellen van de redenen voor het behoud van bestaande afwijkingen. Vervolgens onderzocht het Hof het doel dat de richtlijn met de in geding zijnde afwijkingsmogelijkheid beoogt. Dienaangaande merkte het op, dat ofschoon de considerans van de richtlijn de redenen voor de daarin neergelegde afwijkingen niet vermeldt, uit de aard van de in artikel 7, lid 1, sub a, voorkomende afwijkingen kan worden afgeleid, dat de communautaire regeling de Lid-Staten in staat heeft willen stellen, hun pensioenstelsels op dit punt geleidelijk aan te passen zonder het ingewikkelde financiële evenwicht van die stelsels — een aspect dat niet kon worden genegeerd — te verstoren (r. o. 15).
9.
Het moge duidelijk zijn, dat de zojuist weergegeven redenering van het Hof niet de gevolgen betreft die uit het verschil in pensioengerechtigde leeftijd kunnen voortvloeien voor andere prestaties. Het arrest heeft betrekking op vormen van ongelijke behandeling inzake de draagwijdte van de premieplicht en de berekening van de hoogte van de bijdragen. Evenzeer blijkt echter, dat bet doel van de in artikel 7, lid 1, sub a, neergelegde afwijkingsmogelijkbeid is, de aan vrouwen inzake pensioenen toegekende voordelen tijdelijk te handhaven met het oog op een geleidelijke wijziging van de nationale wetgeving op dit punt (d. w. z. de vaststelling van een zelfde pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen). Mitsdien is, analoog aan de redenering van het Hof aangaande ongelijke behandeling inzake de duur van de premieplicht, verschil in behandeling bij andere sociale-zekerheidsuitkeringcn slechts een onder de genoemde uitzonderingsbepaling vallend gevolg van het verschil in pensioengerechtigde leeftijd, indien zij noodzakelijk is om de Lid-Staten in staat te stellen, tijdelijk verschillende pensioengerechtigde leeftijden te handhaven, zonder de algemene samenhang en het ingewikkelde evenwicht van het socialc-zekerheidsstelsel op financieel gebied (men denke aan de pensioenbijdragen) te verstoren.
10.
Dit brengt mij terug bij de uitkeringen waarom het in deze zaak gaat. Ik heb erop gewezen, dat de SDA en de ICA uitkeringen zijn waarvoor geen bijdragen worden betaald. Bijgevolg staan zij los van bestaande financiële structuren. Ik ben derhalve van oordeel, dat de stelling, dat de band tussen het verschil in pensioengerechtigde leeftijd en de in geding zijnde uitkeringen noodzakelijk is om het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel als geheel te bewaren, niet houdbaar is.
Het betoog van de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat de financiële gevolgen van de vaststelling van één leeftijdsgrens voor mannen en vrouwen op bij voorbeeld 65 jaar aanzienlijk zijn, is dan ook in strijd met het feit, dat ingevolge de Social Security (Overlapping Benefits) Regulations 1979 een inkomensvervangende invaliditeitsuitkering in mindering van het ouderdomspensioen wordt gebracht. Ofschoon invaliditeitsuitkeringen, in tegenstelling tot ouderdomspensioenen, niet belastbaar zijn, zou dit slechts beperkte gevolgen voor het financiële evenwicht van het pensioenstelsel hebben. De belangrijkste verandering zou hierin zijn gelegen, dat de betwiste uitkeringen voor vrouwen tussen 60 en 65 jaar, anders dan voor mannen in dezelfde leeftijdsgroep, gedeeltelijk belastbaar zijn.
Voorts heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk erop gewezen, dat een enkele leeftijdsgrens tot een stijging van de overheidsuitgaven zou leiden, daar personen die niet in aanmerking voor een pensioen komen, wel recht op een van de omstreden uitkeringen zouden kunnen hebben. Dienaangaande meen ik te kunnen volstaan met het volgende. In de eerste plaats moet worden beklemtoond, dat de in casu belanghebbenden binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 vallen. In de tweede plaats is het enerzijds zeer wel mogelijk, dat personen die niet in aanmerking komen voor een pensioen omdat ze onvoldoende bijdragen hebben betaald, wel recht op een SDA of een ICA hebben. Anderzijds, zo stelt de Commissie, die hierin niet wordt tegengesproken door het Verenigd Koninkrijk, zouden deze personen in dat geval niet meer in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering, die krachtens een nationale regeling wordt toegekend aan personen wier inkomsten beneden het bestaansminimum liggen.
11.
Evenmin kan naar mijn oordeel in redelijkheid worden gesteld, dat de toekenning van de uitkeringen aan vrouwen boven de pensioengerechtigde leeftijd de samenhang van het pensioenstelsel verstoort. Met name het argument van het Verenigd Koninkrijk, dat de uitkeringen ten gevolge van het intreden van bepaalde gebeurtenissen gederfde inkomsten vervangen, is niet doorslaggevend, te meer daar volgens het gemeenschapsrecht vrouwen niet kunnen worden verplicht op te houden met werken op grond dat zij eerder in aanmerking voor pensioen komen dan mannen. Met andere woorden, een verschil in pensioengerechtigde leeftijd kan niet eraan in de weg staan, dat vrouwen even lang werken als mannen. ( 8 ) Bovendien staat ditzelfde Britse stelsel vrouwen boven de 60 jaar toe, te blijven werken en hun pensioen tot ten hoogste vijf jaar na het bereiken van deze leeftijd uit te stellen (Section 27(5) van de Social Security Act bepaalt, dat men vijf jaar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zonder meer als gepensioneerde wordt aangemerkt). Ten slotte blijkt uit het dossier, dat bijna 20 % van de vrouwen na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd blijft werken.
Dit is precies het geval van de belanghebbenden: zij zijn na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar blijven werken en pas na het bereiken van deze leeftijd is de arbeidsongeschiktheid of de noodzaak een gehandicapte te verzorgen, ingetreden. Ofschoon het aantal van dergelijke gevallen beperkt is, daar vrouwen in het algemeen na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ophouden met werken, kan het toch niet worden genegeerd. Het Verenigd Koninkrijk behandelt alle vrouwen alsof zij na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ophouden met werken, hetgeen onjuist is en nadelig voor vrouwen die na het bereiken van die leeftijd blijven werken.
12.
In het licht van deze overwegingen ben ik van oordeel, dat de ongelijke behandeling in de Britse wetgeving inzake invaliditeitsuitkeringen slechts kan worden aangemerkt als een uit de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd voortvloeiend gevolg in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, indien zij noodzakelijk is voor de samenhang en het financiële evenwicht van het pensioenstelsel. Aan deze voorwaarde is mijns inziens in casu niet voldaan, maar het staat aan de nationale rechter om, gelet op de door het Hof gegeven aanwijzingen, vast te stellen of dit inderdaad al dan niet het geval is.
13.
Gezien mijn antwoord op de eerste vraag, acht ik het onnodig de overige drie vragen in detail te beantwoorden. Ik zal ze derhalve slechts kort bespreken.
14.
Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of, en zo ja volgens welke criteria, het evenredigheidsbeginsel moet worden toegepast in het onderhavige geval. Dienaangaande merk ik op, dat het Hof weliswaar in het arrest Johnston (reeds aangehaald) heeft verklaard, dat „bij de vaststelling van de draagwijdte van een afwijking van een individueel recht, zoals het (...) beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, het evenredigheidsbeginsel (...) moet worden geëerbiedigd”, maar dit beginsel is, zoals blijkt uit het voorgaande, niet per se van belang om vast te stellen, wat moet worden verstaan onder gevolgen die een objectieve band met de pensioengerechtigde leeftijd vertonen. ( 9 ) Derhalve behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
15.
Met betrekking tot de derde vraag, over het gebruik van statistische gegevens, volstaat het op te merken, dat het recht op gelijke behandeling een individucel recht is, en dat het onjuist is, uit te gaan van veralgemeningen die voorbij gaan aan het feit dat veel vrouwen na de pensioengerechtigde leeftijd blijven werken. Bovendien kan meer in het algemeen uit de rechtspraak van het Hof ( 10 ) worden afgeleid, dat discriminatie naar geslacht niet op grond van statistische gegevens kan worden gerechtvaardigd. Hieruit volgt, dat de in artikel 7, lid 1, sub a, neergelegde afwijkingsmogelijkheid niet kan worden ingeroepen enkel op grond van het gedrag van de meerderheid van een bepaalde groep.
16.
Met de vierde vraag tenslotte wenst het House of Lords te vernemen, of, indien het nationale recht voorziet in een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen, richtlijn 79/7 een Lid-Staat ertoe verplicht, dezelfde leeftijdsgrens (in casu 65 jaar) toe te passen met het oog op de toekenning van de betrokken uitkeringen. Dienaangaande volstaat het op te merken, dat gezien het door de richtlijn nagestreefde doel en gelet op artikel 4 ervan, van belang is, dat vrouwen in gelijke omstandigheden op gelijke voet met mannen worden behandeld. ( 11 )
De toekenningsvoorwaarden voor de betwiste uitkeringen zouden in die zin kunnen worden gewijzigd, dat zij enkel worden toegekend aan mannen en vrouwen van minder dan 65 jaar die geen ouderdomspensioen ontvangen of hebben aangevraagd. Volgens de Britse regering zouden de toekenningsvoorwaarden in dat geval op een fictieve veronderstelling berusten, aangezien niet aantoonbaar is, dat een vrouw zou zijn blijven werken bij uitblijven van de verzekerde gebeurtenis. Dit argument is niet overtuigend. Integendeel, fictief is juist, dat vrouwen van meer dan 60 jaar als gepensioneerden worden aangemerkt, wanneer zij in werkelijkheid blijven werken en nadien wegens arbeidsongeschiktheid, of om een arbeidsongeschikte te verzorgen, ophouden met werken.
17.
In het licht van deze argumenten geef ik het Hof in overweging, de door het House of Lords gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG dient aldus te worden uitgelegd, dat indien een Lid-Staat een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen handhaaft, deze bepaling met het oog op andere prestaties van sociale zekerheid enkel die vormen van ongelijke behandeling toestaat, die een noodzakelijke en objectieve band hebben met het verschil in pensioengerechtigde leeftijd.
2)
Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG staat niet toe, dat een Lid-Staat zich voor de rechtvaardiging van het verschil in behandeling van mannen en vrouwen inzake andere prestaties dan ouderdoms- en rustpensioenen enkel baseert op statistische gegevens betreffende de actieve bevolking.
3)
Richtlijn 79/7/EEG verplicht de Lid-Staten ertoe, leden van het andere geslacht die zich in gelijke omstandigheden bevinden, gelijk te behandelen, en derhalve, in voorkomend geval, dezelfde leeftijdsgrens voor invaliditeitsuitkeringen toe te passen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1979, L 6, blz. 21.
( 2 ) Cursivering van mij.
( 3 ) De regering van het Verenigd Koninkrijk wijsi op de discriminatie inzake de tegemoetkoming voor pensioenpremies ten gunste van ontvangers van de in geding zijnde uitkeringen die hiervan een gevolg zon zijn. Bovendien zou een gemeenschappelijke leeftijdsgrens in die zin tot anomalieën leiden, dat niet op bijdragen berustende uitkeringen, zoals tie in geding zijnde, tegen gunstiger voorwaarden zouden worden verleend dan op bijdragen berustende uitkeringen.
( 4 ) Zie arrest van 15 juni 1978 (zaak 149/77, Defrenne III, Jurispr. 1978, blz. 1365, r. o. 26 en 27).
( 5 ) Arrest van 15 mei 1986 (zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r. o. 38).
( 6 ) Zie arresten van 26 februari 1986 (zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723, r. o. 36, en zaak 262/84, Beets-Proper, ibid., blz. 773, r. o. 38).
( 7 ) Arrest van 7 juli 1992 (zaak C-9/91, Equal Opportunities Commission, Jurispr. 1992, blz. I-4297).
( 8 ) Zie dienaangaande 's Hofs arrest van 26 oktober 1983 (zaak 163/82, Commissie/Italië, Jurispr. 1983, blz. 3273, r. o. 9). Daarin heeft het Hof verklaard, dat een nationale bepaling volgens welke vrouwelijke werknemers die in aanmerking komen voor een ouderdomspensioen, tot dezelfde leeftijd als mannen kunnen blijven werken, als één van „de belangrijkste arbeidsvoorwaarden” dient te worden aangemerkt. Zie ook conclusie van advocaatgeneraal Sir Gordon Slynn bij het arrest Marshall (reeds aangehaald in voetnoot 6, Jurispr. 1986, blz. 723, 725).
( 9 ) Zie in clil verband conclusie van advocaatgeneraal Van Gervcn bij het arrest Equal Opportunities Commission (reeds aangehaald in voetnoot 7, Junspr. 1992, blz. I-4297, I-4318).
( 10 ) Zie arresten van 7 februari 1991 (zaak C-184/89, Nimz, Jurispr. 1991, blz. I-297, r. o. 14) en 7 mei 1991 (zaak C-229/89, Commissie/België, Jurispr. 1991, blz. I-2205).
( 11 ) Dienaangaande wijs ik erop, dat volgens vaste rechtspraak bij ontbreken van uitvoeringsmaatregelen de gediscrimineerde groep recht heeft op gelijke behandeling en op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren (zie onder meer arrest v.nn 13 maart 1991, zaak C-377/89, Cotter en McDcrniotl, Jurispr. 1991, blz. I-1155, r. o. 18).
Full & Egal Universal Law Academy