Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 De Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch heeft het Hof drie prejudiciële vragen voorgelegd. Eén daarvan stemt overeen met een vraag in de zaak Steenhorst-Neerings(1), waarin ik vandaag eveneens conclusie neem.
2 De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af, welke invloed artikel 26 van het Internationaal Verdrag van 19 februari 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten(2) (hierna: "Internationaal Verdrag") kan hebben op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van het wettelijk nabestaandenpensioen. In de tweede plaats wenst hij te vernemen, of een nationale bepaling die voor vrouwen andere gevolgen heeft dan voor mannen, verenigbaar is met richtlijn 79/7/EEG van de Raad(3) (hierna: "de richtlijn") en wat de gevolgen zijn van eventuele onverenigbaarheid.
3 De feiten en de in geding zijnde nationale regeling kunnen worden samengevat als volgt.(4)
4 Verzoekster in het hoofdgeding, mevrouw Van Gemert-Derks (hierna: "verzoekster"), exploiteerde een wasserette, doch staakte deze werkzaamheid in februari 1982 wegens reumaklachten en ontving per 31 januari 1983 een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Nederlandse Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: "AAW"). In verband met het overlijden van haar echtgenoot op 23 oktober 1987 kende de Raad van Arbeid te Eindhoven, rechtsvoorganger van de Sociale Verzekeringsbank, haar per 1 oktober 1987 een weduwenpensioen toe krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet (hierna: "AWW"). Bij dezelfde beslissing werd haar arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken. In Nederland is cumulatie van deze twee uitkeringen namelijk onmogelijk, aangezien de AAW en de AWW, aldus de opmerkingen van de Nederlandse regering, "beide tot doel hebben bij het intreden van het risico van arbeidsongeschiktheid respectievelijk overlijden een uitkering te waarborgen op minimumniveau".
5 De toekennning van een AWW-pensioen en de gelijktijdige intrekking van het AAW-pensioen hadden, althans tijdelijk, voor verzoekster tot gevolg dat haar inkomen daalde. De verwijzende rechter heeft namelijk vastgesteld dat in geval van volledige arbeidsongeschiktheid, zoals in casu, het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering hoger is dan het weduwenpensioen.
6 De achteruitgang in inkomen die voor verzoekster uit de overgang van de ene naar de andere pensioenregeling voortvloeide, was voor haar aanleiding om de regelmatigheid van deze maatregel te betwisten. Zij maakte geen gewag van de invloed van het gemeenschapsrecht op haar situatie. De verwijzende rechter heeft echter ambtshalve overwogen, dat de zaak aan het Hof moest worden voorgelegd.
7 De arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarvoor aanvankelijk alleen mannen en ongehuwde vrouwen in aanmerking kwamen, komt ingevolge een wet van 20 december 1979 ook toe aan vrouwen die na 1 oktober 1975 arbeidsongeschikt zijn geworden; de Centrale Raad van Beroep heeft bovendien bij verschillende arresten van 5 januari 1988 beslist dat zij ook moet worden toegekend aan vrouwen wier arbeidsongeschiktheid reeds eerder is ingetreden. Deze rechtspraak is bevestigd in een wet van 3 mei 1989.
8 Ingevolge artikel 32, lid 1, aanhef en sub b, van de AAW verliest de vrouw, maar niet de man, het genot van deze uitkering wanneer zij recht verkrijgt op een weduwenpensioen. Deze anti-cumulatiebepaling kent geen nabestaandenpensioen toe aan weduwnaars. Bij twee arresten van 7 december 1988 heeft de Centrale Raad van Beroep weduwnaars een recht op nabestaandenpensioen toegekend, op de grondslag van artikel 26 van het Internationaal Verdrag.
9 Dit artikel luidt:
"Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status."
10 De Centrale Raad van Beroep heeft deze volkenrechtelijke bepaling aldus uitgelegd, dat zij een gelijke behandeling dient te verzekeren, ook op het gebied van nabestaandenuitkeringen. Nu het risico voor mannen en vrouwen identiek is, dient voor beide categorieën dezelfde regeling op het gebied van de sociale bescherming te gelden.
11 Dienaangaande herinner ik eraan, dat de richtlijn op bepaalde gebieden het gelijkheidsbeginsel voorschrijft, doch in talrijke afwijkingen voorziet, onder meer wat nabestaandenuitkeringen betreft. Zo bepaalt artikel 3, lid 2, dat de richtlijn niet van toepassing is
"op de bepalingen betreffende de prestaties aan nagelaten betrekkingen noch op die betreffende de gezinsbijslagen behalve wanneer het gaat om gezinsbijslagen die worden toegekend uit hoofde van verhogingen van de prestaties als gevolg van de in lid 1, sub a, genoemde eventualiteiten".
12 Volgens de beschikking van de verwijzende rechter kan de uitlegging van de Centrale Raad van Beroep "de totstandkoming van een communautair beleid op dit terrein bemoeilijken" en in strijd komen met artikel 5 EEG-Verdrag, voor zover nabestaandenuitkeringen van de richtlijn zijn uitgesloten. Nog steeds volgens de verwijzende rechter, staat de richtlijn in de weg aan de vaststelling van nieuwe nationale bepalingen in afwachting van gemeenschapsbepalingen betreffende het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van nabestaandenpensioenen. Deze "standstill"-verplichting zou met name uit de rechtspraak van het Hof voortvloeien.
13 Aldus geformuleerd, stelt deze vraag het delicate probleem aan de orde van de verdeling van bevoegdheden tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten. Hoewel sommige bevoegdheden aan de Lid-Staten zijn voorbehouden en andere aan de Gemeenschap, zijn de meeste aldus geregeld dat de Lid-Staten bevoegd zijn om op het betrokken gebied wettelijke regels vast te stellen totdat de Gemeenschap daadwerkelijk van haar bevoegdheid gebruikt maakt. Daarmee voorkomt men het "rechtsvacuüm" dat onder meer kan ontstaan wanneer het moeilijk is om tot een gemeenschappelijke regeling te komen.
14 In het kader van dergelijke bevoegdheden, kunnen de Lid-Staten evenwel niet de verdragsbepalingen of de algemene beginselen van gemeenschapsrecht onwerkzaam maken.(5)
15 G. Isaac(6) drukt dit uit als volgt:
"Seul donc l'exercice effectif des compétences communautaires exclut progressivement la compétence nationale. Cette solution est la seule compatible avec des attributions de compétence qui sont faites par catégories d'actions à mener, laissant le choix de la date, de l'opportunité et de l'ampleur des interventions (notamment au titre du rapprochement des législations: art. 100 C.E.E., ou des compétences subsidiaires: 235 C.E.E.)."(7)
16 De richtlijn is vastgesteld op de grondslag van laatstbedoelde bepaling en strekt, zoals bekend, tot de "geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid".(8) Artikel 119 daarentegen heeft enkel betrekking op de gelijkheid van behandeling op het gebied van de beloning.
17 Het Hof heeft in het arrest Defrenne III(9) verklaard,
"dat in tegenstelling tot de voornamelijk programmatische bepalingen van de artikelen 117 en 118, artikel 119 dat alleen betrekking heeft op het probleem van de salarisdiscriminaties tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers, een bijzondere regel vormt, waarvan de toepassing aan nauwkeurige gegevens is gebonden".(10)
18 Hoewel
"de eerbiediging van de fundamentele rechten van de mens deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht"(11),
valt wegens de programmatische aard van de artikelen 117 en 118 en bij gebreke van een harmonisatie op het betrokken gebied,
"de aan de beoordeling van de (...) rechter onderworpen situatie onder de bepalingen en beginselen van het nationaal recht en het in [de] Lid-Staat geldende internationale recht".(12)
19 Waar de richtlijn nabestaandenuitkeringen van haar werkingssfeer uitsluit, moet worden vastgesteld dat - althans tijdelijke - verschillen in behandeling kunnen blijven voortbestaan.
20 Het fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling heeft als noodzakelijk corollarium dat elke afwijking restrictief moet worden uitgelegd. Het Hof heeft dit in zijn arrest Roberts(13) als volgt geformuleerd:
"Gelet op het herhaaldelijk door het Hof beklemtoonde fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling, dient (...) de uitzondering op de werkingssfeer van richtlijn nr. 76/207, zoals in artikel 1, lid 2, daarvan voorzien op het gebied van de sociale zekerheid, strikt te worden uitgelegd. De in artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn nr. 79/7 neergelegde uitzondering op het verbod van discriminatie op grond van geslacht geldt derhalve slechts voor de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdomspensioenen (...)"(14)
21 Deze uitleggingsmethode heeft evenwel geen gevolgen voor de geldigheid van deze uitsluitingen. Het Hof heeft in het arrest Burton(15) namelijk verklaard:
"Richtlijn 79/7/EEG van de Raad (...) bepaalt in artikel 7, dat zij geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om van haar werkingssfeer uit te sluiten, de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen (...)"(16),
en daaraan de conclusie verbonden dat
"de vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen in het kader van de sociale zekerheid, geen door het gemeenschapsrecht verboden discriminatie vormt".(17)
22 Hieruit valt af te leiden, dat de opheffing van verschillen in behandeling tussen mannen en vrouwen één van de belangrijkste doelstellingen van het optreden van de Gemeenschappen op sociaal gebied is, en bovendien dat, nu het hier om een fundamenteel beginsel gaat, elke afwijking restrictief dient te worden uitgelegd.
23 Tot de vaststelling van een gemeenschappelijke regeling inzake nabestaandenuitkeringen kunnen de Lid-Staten hun bepalingen op dit gebied handhaven of nieuwe bepalingen vaststellen, mits deze althans geen afbreuk doen aan de regels van het Verdrag of van afgeleid recht.
24 Zo gezien, wenst de verwijzende rechter in werkelijkheid te vernemen, of de uitlegging die de Centrale Raad van Beroep aan artikel 26 van het Internationaal Verdrag geeft in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, voor zover die rechterlijke instantie de gevolgen van het in deze bepaling neergelegde gelijkheidsbeginsel doet ingaan op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn en op een gebied dat van de werkingssfeer van de richtlijn is uitgesloten.
25 Hoewel zij nauwkeurige bepalingen bevatten die de gelijkheid van beloning voor mannen en vrouwen en non-discriminatie van gemeenschapsonderdanen op grond van nationaliteit voorschrijven, bevatten de "oprichtingsverdragen" geen uitputtende lijst van de fundamentele rechten die de Gemeenschap bij haar optreden dient te eerbiedigen. In de rechtspraak van het Hof is evenwel bij herhaling, aanvankelijk stilzwijgend(18) en later uitdrukkelijk(19), gerefereerd aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
26 Ook heeft het Hof gerefereerd aan het Internationaal Verdrag, met name in het arrest Orkem(20), hoewel dit verdrag door Griekenland niet is ondertekend.
27 Dat het Hof bij de vervulling van de krachtens artikel 164 EEG-Verdrag op hem rustende taak hiernaar verwijst, kan gerechtvaardigd zijn wanneer de nationale regeling binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt. Anderzijds valt evenwel uit de vaste rechtspraak van het Hof af te leiden, dat het een nationale regeling niet aan de fundamentele rechten kan toetsen wanneer zij buiten deze werkingssfeer valt.
28 In het arrest Cinéthèque(21) verklaarde het Hof:
"Weliswaar heeft het Hof tot taak, de eerbiediging van de grondrechten op de door het gemeenschapsrecht geregelde gebieden te verzekeren, doch het is niet bevoegd om de verenigbaarheid met het Europees Verdrag te beoordelen van een nationale wet die, gelijk in casu, betrekking heeft op een gebied dat onder de bevoegdheid van de nationale wetgever valt."(22)
29 Dat het Hof niet bevoegd is, de verenigbaarheid met een volkenrechtelijke regel na te gaan van nationale bepalingen die buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen, is bevestigd in de arresten ERT(23) en Grogan(24).
30 De conclusie dringt zich dus op, dat het gemeenschapsrecht er zich niet tegen verzet dat een nationale rechterlijke instantie artikel 26 van het Internationaal Verdrag aldus uitlegt, dat dit artikel met ingang van 23 december 1984 de gelijke behandeling van mannen en vrouwen inzake nabestaandenpensioenen voorschrijft, voor zover deze materie buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt en mits de aldus gegeven uitlegging niet indruist tegen het Verdrag noch tegen het afgeleide recht.
31 De twee andere prejudiciële vragen hebben betrekking op de discriminatie die, althans voor de periode van 23 december 1984 tot 1 december 1987(25), voortvloeit uit de overgang voor arbeidsongeschikte weduwen van de AAW- naar de AWW-regeling, terwijl weduwnaars in dezelfde situatie hun AAW-uitkering blijven ontvangen zonder aanspraak te kunnen maken op toepassing van de AWW-regeling.
32 Blijkens de verwijzingsbeschikking hield artikel 32, lid 1, de AWW-regeling voor aan arbeidsongeschikte vrouwen die hun echtgenoot verloren, terwijl arbeidsongeschikte weduwnaars niet voor die regeling in aanmerking kwamen.
33 Zoals gezegd, oordeelde de Centrale Raad van Beroep evenwel bij uitspraak van 7 december 1988, dat deze bepaling met ingang van 23 december 1984 eveneens voor weduwnaars diende te gelden, zodat dezen voortaan ook een weduwnaarspensioen kunnen ontvangen. Artikel 25, lid 3, van de AWW bepaalt evenwel dat dit recht niet eerder dan één jaar voor de dag van indiening van de aanvraag kan ingaan, behoudens - aldus een andere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 januari 1991 - in geval van bijzondere hardheid.
34 Dit betekent dus dat het tijdvak waarin een verschillende regeling gold al naar gelang de verzekerde man of vrouw was, zich inderdaad uitstrekt van 23 december 1984 tot 1 december 1987.
35 Vooraf moet worden geantwoord op twee argumenten van de Nederlandse regering en verweerder in het hoofdgeding, betreffende respectievelijk de werkingssfeer ratione materiae van de richtlijn en de vrijwillige of automatische overgang van de ene naar de andere regeling.
36 Volgens de Nederlandse regering is de richtlijn in casu niet van toepassing, aangezien de gestelde vraag ook nabestaandenuitkeringen betreft, die ingevolge artikel 3, lid 2 van de richtlijn van de werkingssfeer ervan zijn uitgesloten. Deze uitsluiting zou dus gelden voor de bepalingen "die zijn opgenomen in wettelijke regelingen, zoals de AAW, die op zich betrekking hebben op eventualiteiten in de zin van artikel 3"; artikel 32, lid 1, zou in die omstandigheden buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
37 Een dergelijke uitlegging valt moeilijk te rijmen met de vaste rechtspraak van het Hof, dat in richtlijnen betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen neergelegde uitzonderingen strikt dienen te worden uitgelegd.(26)
38 Het Hof heeft overigens in het arrest Johnston(27) verklaard, dat
"bij de vaststelling van de draagwijdte van een afwijking van een individueel recht, zoals het in de richtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, het evenredigheidsbeginsel, een van de algemene rechtsbeginselen die ten grondslag liggen aan de communautaire rechtsorde, moet worden geëerbiedigd. Op grond van dit beginsel mogen afwijkingen niet verder gaan dan passend en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel."(28)
39 Dienaangaande kan worden volstaan met erop te wijzen, dat de litigieuze bepaling van de AAW vrouwen een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontzegt, terwijl mannen deze uitkering in dezelfde situatie blijven ontvangen, aangezien zij geen aanspraak hebben op een weduwnaarspensioen. Hoewel het hier stellig gaat om een anti-cumulatiebepaling, geldt zij alleen voor vrouwen en heeft zij in ieder geval tot gevolg dat mannen en vrouwen bij het intreden van hetzelfde risico een verschillende behandeling ondergaan.
40 Het gaat hier dus niet om een verschil in behandeling binnen het stelsel van nabestaandenuitkeringen, doch om de toekenning, bij hetzelfde risico, van verschillende uitkeringen. Volgens de rechtspraak hebben in geval van discriminatie
"de leden van de minder begunstigde groep recht (...) op dezelfde behandeling en op toepassing van dezelfde regeling als de leden van de begunstigde groep die in een gelijke situatie verkeren".(29)
41 Aangaande de vraag of van een verschil in behandeling geen sprake is omdat de overgang van de ene naar de andere regeling vrijwillig geschiedt, wijs ik erop dat naar het oordeel van de verwijzende rechter de wet vrouwen geen enkele keuze liet en dat zij, wanneer aan de gestelde voorwaarden was voldaan, automatisch een weduwenpensioen ontvingen.
42 Artikel 32, lid 1, sub b, bepaalt:
"De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken wanneer:
(...)
b) een vrouw, aan wie zij is toegekend, recht verkrijgt op een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet."
43 De Nederlandse regering en verweerder in het hoofdgeding betwisten de zienswijze van de verwijzende rechter, dat de intrekking van het AAW-pensioen automatisch geschiedt. Het betreft hier een kwestie die aan het uitsluitende oordeel van de nationale rechter is onderworpen. Ik zal hier achtereenvolgens het geval van automatische en van vrijwillige overgang van het AAW- naar het AWW-stelsel behandelen.
44 Ter zake van de automatische intrekking van een uitkering die alleen voor vrouwen geldt, heeft het Hof er in zijn arrest Mc Dermott en Cotter(30) op gewezen, dat:
"tot het tijdstip waarop de nationale regering de nodige uitvoeringsmaatregelen treft, vrouwen recht hebben op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan genoemde richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft".(31)
45 Ik verwijs eveneens naar het arrest Verholen(32), waarin het Hof heeft verklaard dat:
"richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten niet is toegestaan, na het verstrijken van de in artikel 8 vastgestelde omzettingstermijn de gevolgen te handhaven van een oudere nationale wettelijke regeling die onder bepaalde omstandigheden gehuwde vrouwen van het recht op ouderdomspensioen uitsloot".(33)
46 De automatische intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering is dus in strijd met de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, indien voor deze laatsten bij een gelijk risico niet dezelfde regeling geldt als voor mannen.
47 Indien de overgang van de ene naar de andere regeling evenwel door de uitkeringsgerechtigde gewild is, kan van discriminatie geen sprake zijn, mits de vrouw volledig op de hoogte is van de onmiddellijke en toekomstige gevolgen van de toekenning van een nabestaandenpensioen in de plaats van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
48 De vrijwillige afstand van de arbeidsongeschiktheidsuitkering mag eerst plaatsvinden nadat de betrokkene duidelijk en in bijzonderheden is voorgelicht over de eventuele financiële gevolgen in geval van verergering van het risico. Hoewel het weduwenpensioen op de datum van de toekenning ervan voordeliger kán zijn wegens het geringe arbeidsongeschiktheidspercentage, dient aan de betrokkene te worden meegedeeld dat bij verergering het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zal worden aangepast en eventueel hoger zal liggen dan dat van het weduwenpensioen.
49 Dit geldt te meer indien de uitkeringsgerechtigde die eenmaal een keuze heeft gemaakt, bij verergering van de arbeidsongeschiktheid geen overgang naar de vorige regeling kan vragen.
50 Onder bovenstaande voorwaarden onttrekt het bestaan van deze keuzemogelijkheid een maatregel als de onderhavige mijns inziens aan het discriminatieverbod van artikel 4, lid 1, van de richtlijn.
51 In de zaak Van den Broeck(34) werd verzoekster, ambtenares van de Gemeenschap, het genot van de ontheemdingstoelage ontzegd op grond dat zij door haar huwelijk de nationaliteit van de Lid-Staat van tewerkstelling had gekregen. Het Hof was van oordeel, dat
"waar verzoekster van deze mogelijkheid (tot afstand van nationaliteit) geen gebruik heeft willen maken, geen redenen verband houdend met gelijkheid van behandeling bestaan om bij de toepassing van de betrokken bepaling haar Belgische nationaliteit niet in aanmerking te nemen".(35)
52 Samenvattend verzet artikel 4, lid 1, van de richtlijn zich derhalve tegen een nationale bepaling die arbeidsongeschikte weduwen de arbeidsongeschiktheidsuitkering ontzegt en hun een weduwenpensioen toekent, wanneer deze intrekking automatisch geschiedt, niet geldt voor mannen en een inkomensteruggang tot gevolg heeft. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is evenwel geen sprake, wanneer de overgang van de ene naar de andere regeling op de keuze van de uitkeringsgerechtigde berust en deze door het verzekeringsorgaan nauwkeurig en in bijzonderheden is voorgelicht over de onmiddellijke en de toekomstige gevolgen van deze overgang, met name bij een eventuele verergering van de arbeidsongeschiktheid.
53 Wanneer de overgang van de ene naar de andere regeling automatisch geschiedt, is het de vraag of het gemeenschapsrecht voor de nationale rechter de mogelijkheid openlaat om de anti-cumulatiebepaling buiten toepassing te laten dan wel als een aftrekregel uit te leggen.
54 In dit verband herinner ik aan het arrest Simmenthal(36), waarin het Hof verklaarde dat
"de nationale rechter, belast met de toepassing, in het kader zijner bevoegdheid, van de bepalingen van het gemeenschapsrecht, verplicht is zorg te dragen voor de volle werking dezer normen, daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de - zelfs latere - nationale wetgeving buiten toepassing latende, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten".(37)
55 Zo heeft het Hof in het arrest Lück(38) verklaard, dat artikel 95 EEG-Verdrag de toepassing van elke met dit voorschrift strijdige binnenlandse maatregel uitsluit. Wat de gevolgen van een dergelijke onverenigbaarheid betreft, heeft het Hof als principe gesteld, dat
"de nationale rechter [bevoegd is] om, wanneer naar binnenlands recht verschillende wegen kunnen worden bewandeld, zijn keuze te bepalen op middelen welke geëigend zijn om door de bepalingen van het gemeenschapsrecht verleende individuele rechten te waarborgen"(39),
waaraan het de conclusie heeft verbonden
"dat wanneer een binnenlandse belasting alleen boven een bepaald bedrag met artikel 95, lid 1, in strijd is, de nationale rechter volgens de nationale rechtsregels zou hebben uit te maken, of bedoelde belasting geheel nietig moet worden geacht dan wel slechts voor zoveel zij bedoeld bedrag te boven gaat".(40)
56 De gevolgen welke in de nationale rechtsorde voortvloeien uit de verplichting om de volle werking van de regels van gemeenschapsrecht te verzekeren, behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter.
57 Het gemeenschapsrecht legt dus geen cumulatie van uitkeringen op en verzet er zich bijgevolg evenmin tegen, dat de nationale rechterlijke instanties, die hier, behoudens de interne beroepsmogelijkheden, zelfstandig over oordelen, een anti-cumulatiebepaling als artikel 32, lid 1, aanhef en sub b, uitleggen als een aftrekregel, wanneer het nationale recht zulks toelaat en deze uitlegging de gelijkheid van behandeling verzekert.
58 Dienaangaande wil ik erop wijzen, dat het in Nederland ingevoerde stelsel ertoe strekt door deze anti-cumulatiebepaling een vervangend sociaal minimuminkomen te verzekeren.
59 Zoals het Hof in de zaak Commissie/België(41) heeft verklaard,
"moet worden opgemerkt, dat de toekenning van zulk een inkomen een integrerend onderdeel vormt van het sociale beleid van de Lid-Staten".(42)
60 Evenzo heeft het Hof in het arrest Teuling(43) erkend, dat
"een dergelijke garantie (van een bestaansminimum) van de Lid-Staten aan uitkeringsgerechtigden die anders tot behoeftigheid zouden vervallen, een integrerend onderdeel uitmaakt van het sociale beleid van de Lid-Staten".(44)
61 Mitsdien geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
"1) Het gemeenschapsrecht verzet er zich niet tegen, dat een nationale rechterlijke instantie artikel 26 van het Internationaal Verdrag van 19 februari 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten aldus uitlegt, dat dit artikel met ingang van 23 december 1984 de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van nabestaandenpensioenen voorschrijft, voor zover deze materie buiten de werkingssfeer van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 valt en mits de aldus gegeven uitlegging niet indruist tegen het Verdrag noch tegen het afgeleide recht.
2) Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG verzet zich tegen een nationale bepaling die arbeidsongeschikte weduwen de arbeidsongeschiktheidsuitkering ontzegt en hun een weduwenpensioen toekent, wanneer deze intrekking automatisch geschiedt, niet geldt voor weduwnaars die in het genot zijn van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een inkomensteruggang tot gevolg heeft of kan hebben. Van discriminatie op grond van geslacht in de zin van deze bepaling is evenwel geen sprake, wanneer de overgang van de ene naar de andere regeling ter keuze van de uitkeringsgerechtigde staat en deze door het verzekeringsorgaan duidelijk en in bijzonderheden is voorgelicht over de onmiddellijke en toekomstige gevolgen van deze overgang, met name bij een eventuele verergering van de arbeidsongeschiktheid.
3) De nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van richtlijn 79/7/EEG, dient binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn zorg te dragen voor de volle werking van het beginsel van gelijke behandeling dat zij geleidelijk ten uitvoer legt. Daarbij dient hij zonodig een daarmee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten. Geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht verzet zich ertegen, dat een nationale regel de cumulatie verbiedt van twee uitkeringen die beide ertoe strekken, de betrokkene een vervangend sociaal minimuminkomen te verzekeren."
(1) - Zaak C-338/91, conclusie van 31 maart 1993, Jurispr. 1993, blz. I-5475, I-5488.
(2) - Recueil des traités, vol. 999, blz. 171.
(3) - Richtlijn van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).
(4) - Zie voor een meer uitgebreide uiteenzetting het rapport ter terechtzetting, I - De feiten en het procesverloop.
(5) - Arrest van 16 maart 1977, zaak 68/76, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1977, blz. 515.
(6) - G. Isaac: Droit communautaire général, 3de uitgave, Masson.
(7) - Blz. 39.
(8) - Deze geleidelijkheid is uitdrukkelijk voorzien in de tweede overweging van de considerans van de richtlijn, naar luid waarvan ervan "het beginsel van de gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid in de eerste plaats ten uitvoer dient te worden gelegd in de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen, beroepsziekten en werkloosheid, alsmede in de sociale-bijstandsregelingen voor zover deze een aanvulling vormen op of in de plaats komen van genoemde regelingen".
(9) - Arrest van 15 juni 1978, zaak 149/77, Jurispr. 1978, blz. 1365.
(10) - R.o. 19.
(11) - R.o. 26.
(12) - R.o. 32.
(13) - Arrest van 26 februari 1986, zaak 151/84, Jurispr. 1986, blz. 703.
(14) - R.o. 35.
(15) - Arrest van 16 februari 1982, zaak 19/81, Jurispr. 1982, blz. 555.
(16) - R.o. 13.
(17) - R.o. 14.
(18) - Arrest van 14 mei 1974, zaak 4/73, Nold, Jurispr. 1974, blz. 491.
(19) - Arrest van 28 oktober 1975, zaak 36/75, Rutili, Jurispr. 1975, blz. 1219.
(20) - Arrest van 18 oktober 1989, zaak 374/87, Jurispr. 1989, blz. 3283, r.o. 31.
(21) - Arrest van 11 juli 1985, gevoegde zaken 60/84 en 61/84, Jurispr. 1985, blz. 2605.
(22) - R.o. 26.
(23) - Arrest van 18 juni 1991, zaak C-260/89, Jurispr. 1991, blz. I-2925, r.o. 42.
(24) - Arrest van 4 oktober 1991, zaak C-159/90, Jurispr. 1991, blz. I-4685, r.o. 31.
(25) - Aldus de verwijzingsbeschikking.
(26) - Arrest van 26 februari 1986, zaak 151/84, reeds aangehaald, r.o. 35.
(27) - Arrest van 15 mei 1986, zaak 222/84, Jurispr. 1986, blz. 1651.
(28) - R.o. 38.
(29) - Arrest van 21 november 1990, zaak C-373/89, Integrity, Jurispr. 1990, blz. I-4243, r.o. 13.
(30) - Arrest van 24 maart 1987, zaak 286/85, Jurispr. 1987, blz. 1453.
(31) - R.o. 18.
(32) - Arrest van 11 juli 1991, gevoegde zaken C-87/90, C-88/90 en C-89/90, Jurispr. 1991, blz. I-3757.
(33) - R.o. 30.
(34) - Arrest van 20 februari 1975, zaak 37/74, Jurispr. 1975, blz. 235.
(35) - R.o. 14.
(36) - Arrest van 9 maart 1978, zaak 106/77, Jurispr. 1978, blz. 629.
(37) - R.o. 24.
(38) - Arrest van 4 april 1968, zaak 34/67, Jurispr. 1968, blz. 345.
(39) - Blz. 356.
(40) - Blz. 356.
(41) - Arrest van 7 mei 1991, zaak C-229/89, Jurispr. 1991, blz. I-2205.
(42) - R.o. 21.
(43) - Arrest van 11 juni 1987, zaak 30/85, Jurispr. 1987, blz. 2497.
(44) - R.o. 16.
Full & Egal Universal Law Academy