Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 Met de twee prejudiciële vragen van de Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch wordt het Hof verzocht, een nadere precisering te geven, enerzijds van zijn rechtspraak betreffende hetgeen gemeenlijk wordt aangeduid als de "procesautonomie" van de interne rechtsorden van de Lid-Staten, anderzijds van de consequenties van de eventuele onverenigbaarheid van een nationale regeling met een gemeenschapsnorm - in dit geval richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid(1) (hierna: "de richtlijn") -, wanneer de interne bestuurspraktijk en rechtspraak het effect van een dergelijke onverenigbaarheid contra legem ongedaan maken.
2 Ik zal een korte samenvatting geven van de feiten en van de Nederlandse wettelijke regeling ter zake, en verwijs voor een nadere uiteenzetting naar het rapport ter terechtzitting.(2)
3 Verzoekster in het hoofgeding, mevrouw Steenhorst-Neerings (hierna: "verzoekster") staakte in 1963 haar arbeid wegens een longaandoening en ontving op die grond een invaliditeitsrente. Zij kwam evenwel tot voor kort niet in aanmerking voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, aangezien de Nederlandse Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: "AAW"), in werking getreden in 1976, uitsluitend van toepassing was op mannen en ongehuwde vrouwen. Bij wet van 20 december 1979, in werking getreden op 1 januari 1980, werd het recht op deze uitkering uitgebreid tot gehuwde vrouwen, mits hun arbeidsongeschiktheid was ingetreden na 1 oktober 1975. Dit laatste betekende dat verzoekster in beginsel niet in aanmerking kwam.
4 Blijkens het verwijzingsbevel breidde de Centrale Raad van Beroep bij uitspraken van 5 januari 1988 dit recht evenwel uit tot alle gehuwde vrouwen, ongeacht de datum van aanvang van hun arbeidsongeschiktheid(3), op grond van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966.(4)
5 Verzoekster diende daarom op 17 mei 1988 een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering in. Deze werd haar eerst toegekend per 17 mei 1988, daar artikel 25, lid 2, AAW de terugwerkende kracht van de dekking van dit risico beperkte tot een jaar vóór de indiening van de aanvraag, behoudens bijzondere omstandigheden.
6 Om dit artikel gaat het in het onderhavige geval.
7 Na het overlijden van haar echtgenoot kende het Nederlandse sociale-zekerheidsorgaan, het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (hierna: "Detam"), verzoekster vanaf 1 juli 1989 een weduwenpensioen toe, en trok het tegelijkertijd op de grondslag van artikel 32, lid 1, Algemene Weduwen- en Wezenwet (hierna: "AWW") haar AAW-uitkering in.
8 Verzoekster vecht voor de verwijzende rechter niet alleen de aanvangsdatum van de AAW-uitkering aan, maar ook de vervanging van deze uitkering door een AWW-pensioen.
9 Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of het gemeenschapsrecht vanaf 23 december 1984 de gelijke behandeling van mannen en vrouwen verlangt, zodat het in de weg staat aan een nationale bepaling die de terugwerkende kracht van het uit de richtlijn voortvloeiende recht beperkt, welke richtlijn niet in Nederlands recht was omgezet ten tijde van de indiening van verzoeksters aanvraag. Dit laatste wordt overigens door de Nederlandse regering geenszins betwist.
10 Laat ik allereerst vaststellen, dat sedert 23 december 1984, de uiterste datum voor de omzetting van de richtlijn, geen enkele Lid-Staat binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende ongelijke behandelingen mag laten voortduren.
11 In het arrest Federatie Nederlandse Vakbeweging(5) heeft het Hof immers vastgesteld, dat artikel 4, lid 1, van de richtlijn voldoende nauwkeurig was, zodat deze bepaling sinds bovengenoemde datum, bij gebreke van omzettingsmaatregelen, door elke particulier voor de nationale rechter kan worden ingeroepen teneinde de toepassing van een daarmee strijdige nationale bepaling te beletten.
12 Het Hof verklaarde namelijk, dat
"artikel 4, lid 1, van de richtlijn de Lid-Staten geenszins de bevoegdheid geeft om de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling binnen zijn eigen werkingssfeer aan voorwaarden of beperkingen te binden, en dat deze bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om, ook zonder uitvoeringsmaatregelen, vanaf 23 december 1984 door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen ten einde de toepassing van iedere met dat artikel strijdige bepaling te beletten".(6)
13 Deze uitlegging is sindsdien in vaste rechtspraak bevestigd.(7) Indien het recht van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, overigens een onder meer in het arrest Defrenne III(8) erkend grondbeginsel van gemeenschapsrecht, voor particulieren bestaat sinds 23 december 1984, kan dit dan worden beperkt door een nationale bepaling van procedurele aard?
14 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het, bij gebreke van communautaire harmonisatie op dit gebied, een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van de Lid-Staten om de procedureregels te geven voor de rechtsvorderingen die worden ingesteld ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen.
15 In het arrest Rewe(9) heeft het Hof evenwel uitdrukkelijk verklaard, dat
"de artikelen 100-102 en 235 van het Verdrag de mogelijkheid bieden in voorkomend geval de nodige maatregelen te nemen om dispariteiten tussen de desbetreffende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten te verhelpen, wanneer deze van zodanige aard blijken dat zij distorsies veroorzaken of de werking van de gemeenschappelijke markt schaden".(10)
16 In de formulering van het arrest Lück(11) behoort het tot
"de bevoegdheid van de nationale rechter om, wanneer naar binnenlands recht verschillende wegen kunnen worden bewandeld, zijn keuze te bepalen op middelen welke geëigend zijn om door de bepalingen van het gemeenschapsrecht verleende individuele rechten te waarborgen".(12)
17 Deze nationale bevoegdheid is evenwel niet onbeperkt, wil het nuttig effect van het gemeenschapsrecht niet worden gefrustreerd. Een beperking van de prerogatieven van de Lid-Staten inzake het procesrecht spreekt dan ook vanzelf, teneinde te vermijden, dat
"deze vereisten en termijnen het in de praktijk onmogelijk zouden maken rechten uit te oefenen die de nationale rechter verplicht is te handhaven".(13)
18 Voorts mogen
"de justitiabelen die zich op aan het gemeenschapsrecht ontleende rechten beroepen, niet minder gunstig (...) worden behandeld dan degenen die soortgelijke, op het nationale recht gebaseerde aanspraken doen gelden".(14)
19 In het arrest Emmott(15) heeft het Hof de draagwijdte van de zojuist aangehaalde rechtspraak afgebakend voor het geval waarin een Lid-Staat een richtlijn niet binnen de gestelde termijn naar behoren in nationaal recht omzet. De "procesautonomie" van de nationale beroepswegen is daarmee aanzienlijk beperkt, teneinde rekening te houden met de bijzondere bescherming die voortaan aan de richtlijn is verbonden.
20 Ik breng in het kort de aan dat arrest ten grondslag liggende feiten in herinnering. Emmott voelde zich gediscrimineerd en stelde bij de nationale rechter beroep in ter verkrijging van dezelfde uitkeringen als een man die in dezelfde rechtspositie verkeerde als zij. Er werd haar tegengeworpen, dat de wettelijke termijn voor de verkrijging van "judicial review" was verstreken, ofschoon de richtlijn nog niet naar behoren in Iers recht was omgezet, hetgeen bovendien reeds door het Hof was vastgesteld in het arrest McDermott en Cotter.(16)
21 Na te hebben herinnerd aan het beginsel en de grenzen van de "procesautonomie" verklaarde het Hof, dat "rekening [moest] worden gehouden met het bijzondere karakter van richtlijnen"(17), en het leidde uit dat bijzondere karakter het volgende af:
"Zolang een richtlijn niet naar behoren in nationaal recht is omgezet, zijn particulieren niet in staat, de precieze omvang van hun rechten te kennen."(18)
Het Hof vervolgde:
"Alleen een juiste omzetting van de richtlijn kan aan deze onzekerheid een einde maken en eerst wanneer deze omzetting een feit is, is de rechtszekerheid geschapen die nodig is om van particulieren te kunnen verlangen, dat zij hun rechten doen gelden."(19)
Daaruit trok het Hof de conclusie, dat
"tot het moment waarop een richtlijn naar behoren is omgezet, een gebrekige Lid-Staat zich niet kan beroepen op termijnoverschrijding door een particulier die een procedure tegen hem instelt (...), en dat een in het nationale recht vastgelegde beroepstermijn niet vóór dat tijdstip kan gaan lopen".(20)
22 De bewoordingen van dit arrest zijn uitermate duidelijk en kunnen niet worden beperkt tot een bepaalde categorie procestermijnen. Een Lid-Staat kan zich derhalve tot het moment waarop een richtlijn "naar behoren is omgezet", niet beroepen op zijn interne procedureregels om aan een particulier een recht te weigeren dat deze aan een richtlijn ontleent.
23 E. Scyszczak formuleert het aldus:
"In Emmott, by allowing the suspension of national procedural rules until a directive has been correctly transposed, the Court of Justice has added another sanction to compel Member States into speedy compliance with the obligations contained in directives and in any subsequent infringement proceedings or preliminary rulings delivered by the Court (...). A Member State in default of its obligations may not rely on national law to deny individual rights in the national Courts."(21)
24 In een dergelijk geval worden de termijnen van intern recht dus opgeschort, ongeacht hun aard.
25 Nu het Hof het beginsel van gelijke behandeling vanaf 23 december 1984 heeft erkend, zou het nogal kras zijn indien een Lid-Staat de volle werking van de richtlijn zou kunnen aantasten door procedureregels, te meer nu de nationale rechter, indien aan de voorwaarden voor inroepbaarheid is voldaan, de materiële bepalingen die in strijd zijn met dit beginsel buiten toepassing moet laten.(22)
26 Verweerder in het hoofdgeding en de interveniërende Lid-Staten beroepen zich evenwel op de rechtspraak van het Hof vóór het arrest Emmott en wijzen erop, dat de in artikel 25, lid 2, AAW genoemde termijn de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van de richtlijn ontlenen onverlet laat en dat deze bepaling ook op soortgelijke vorderingen van nationaal recht van toepassing is.
27 Deze bepaling zou geenszins discriminerend zijn, maar dienen om de rechtsonzekerheid die door het ontbreken van een termijn zou ontstaan, te voorkomen, daar de belanghebbende anders verscheidene jaren na het ontstaan van zijn recht nog een pensioen zou kunnen vorderen. Bovendien zou het onmogelijk zijn te toetsen, of de belanghebbende buiten deze termijn van een jaar voldeed aan de voorwaarden om voor een dergelijk pensioen in aanmerking te komen. De Nederlandse regering is voorts van mening, dat de in artikel 25, lid 2, gestelde termijn geen beroepstermijn is, maar een termijn van overigens niet nader aangeduide andere aard, bedoeld om in het verleden ontstane aanspraken redelijkerwijs te beperken. Deze overwegingen zouden derhalve de onderhavige situatie onderscheiden van de feiten die aan het arrest Emmott(23) ten grondslag lagen.
28 Ik ben niet onder de indruk van de argumenten die het Hof ervan moeten overtuigen dat de onderhavige feiten verschillen van die in de zaak Emmott. In laatstgenoemd geval werd aan verzoekster in het hoofdgeding het verval van haar rechtsvordering tegengeworpen. Haar recht tot het instellen van een vordering was verjaard en zij kon dan ook geen enkel recht meer doen gelden. In casu gaat het niet om het recht tot het instellen van een vordering, maar om de gevolgen daarvan in de tijd: verzoekster kan slechts een gedeelte van de rechten die zij aan het gemeenschapsrecht ontleent, verwezenlijken.
29 In de eerste plaats spreek ik mijn twijfel uit over het met name ter terechtzitting naar voren gebrachte argument, dat een particulier bij gebreke van een procedurele termijn, verscheidene jaren na het ontstaan van zijn recht nog aanspraak zou kunnen maken op een pensioen. Afgezien van het feit dat dit middel in de zaak Emmott reeds is opgeworpen en door het Hof verworpen, kan dit geval zich slechts voordoen indien de Lid-Staat gedurende lange tijd nalaat de richtlijn om te zetten in nationaal recht, en het zou onrechtvaardig zijn, deze nalatigheid door het verstrijken van de interne procedurele termijnen af te wentelen op degene die rechten ontleent aan een gemeenschapsnorm.
30 In de tweede plaats is de kwalificatie van een dergelijke termijn in de rechtsorde van een Lid-Staat van weinig belang, aangezien uitsluitend moet worden gelet op de gevolgen van de toepassing van die termijn, in het licht van het beginsel van gelijke behandeling. Ik merk in dit verband op, dat de vraag die de Ierse rechter het Hof in de zaak Emmott had gesteld, verder ging dan de verjaringstermijn. Die vraag had immers betrekking op de mogelijkheid van een beroep op bepalingen van nationaal procesrecht, "in het bijzonder bepalingen inzake termijnen, ten einde een dergelijke vergoeding te beperken of te weigeren".(24)
31 Het dictum van het arrest is trouwens in algemene bewoordingen gesteld:
"Het gemeenschapsrecht verzet zich ertegen, dat de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat de nationale procedurevoorschriften inzake beroepstermijnen inroepen (...)"
32 Wanneer derhalve een richtlijn een recht in het leven roept voor een particulier, mag men die particulier de toegang tot dit recht niet ontzeggen en mag men dit recht niet beperken door hem de beroepstermijnen van nationaal recht tegen te werpen, wanneer de richtlijn bij de indiening van zijn verzoek nog niet in nationaal recht is omgezet.
33 Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 4, lid 1, van de richtlijn zich verzet tegen een nationale bepaling die zowel door de bestuursautoriteiten als door de nationale rechterlijke instanties zonder onderscheid op mannen en vrouwen wordt toegepast, maar waarvan de bewoordingen uitdrukkelijk discriminerend zijn voor vrouwen.
34 De bepaling waar het in casu om gaat, artikel 32, lid 1, aanhef en sub b, van de AAW, luidt als volgt:
"De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken wanneer:
(...)
b) een vrouw, aan wie zij is toegekend, recht verkrijgt op een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet."
35 Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie naar voren gebracht, dat de vraag niet relevant was en dat de zaak daarom moest worden afgedaan zonder beslissing, waarvoor hij zich beriep op het arrest Lourenço Dias.(25)
36 Ik deel deze opvatting niet. In de eerste plaats buigt het Hof zich in het algemeen niet graag over de vraag, of de vragen van de verwijzende rechter wel relevant zijn. In de tweede plaats laat de "verruimde" toepassing van de nationale bepaling volgens de verwijzende rechter niettemin een ongelijke behandeling van vrouwen bestaan voor de periode van 23 februari 1984 tot 1 december 1987. Indien men ten slotte aanneemt, dat de rechtspraak en de bestuurspraktijk een volledige omzetting van de richtlijn in nationaal recht garanderen, bestaat toch het risico, dat de verwijzende rechter zijn nationale voorschriften inzake de beroepstermijnen moet toepassen en aldus de aanspraken van verzoekster in het hoofdgeding moet beperken. Het betreft hier dus niet een situatie die vergelijkbaar is met die welke aanleiding gaf tot de vragen die het Hof door de belastingrechtbank Aduaneiro do Porto werden gesteld.
37 Deze verzocht het Hof om uitlegging van bepalingen van gemeenschapsrecht die geen verband hielden met de realiteit en het voorwerp van het hoofdgeding. In die omstandigheden oordeelde het Hof, dat indien blijkt dat de gestelde vraag kennelijk niet relevant is voor de beslechting van het geschil, het moet overgaan tot afdoening zonder beslissing.(26)
38 Een dergelijke oplossing kan niet worden uitgebreid tot elk geschil dat aan het Hof wordt voorgelegd door een nationale rechter, wanneer, zoals in casu, het belang van de uitlegging weliswaar niet direct uit de motivering van de verwijzingsbeschikking blijkt, maar kan worden afgeleid uit de in de verwijzing vermelde juridische en feitelijke context.
39 In hun schriftelijke opmerkingen stellen de Nederlandse regering en de Detam, evenals in de zaak Van Gemert-Derks, dat een bepaling als artikel 32, lid 1, sub b, buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt, daar het gaat om een bepaling betreffende nagelaten betrekkingen in de zin van artikel 3, lid 2, van de richtlijn, luidend als volgt:
"Deze richtlijn is niet van toepassing op de bepalingen betreffende de prestaties aan nagelaten betrekkingen."
40 Wanneer een maatregel evenwel uitsluitend voor vrouwen de intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering voorschrijft, valt zij ratione materiae wel degelijk onder de werkingssfeer van de richtlijn.(27)
41 Zoals uit de verwijzingsbeschikking blijkt, wordt de betrokken bepaling sinds een uitspraak van 23 mei 1991 van de Centrale Raad van Beroep aldus uitgelegd, dat zij zonder onderscheid op mannen en vrouwen van toepassing is, zodat voortaan mannen een weduwnaarspensioen kunnen genieten en hun arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken wanneer aan de voorwaarden van artikel 32, lid 1, sub b, is voldaan. De administratie heeft ook in deze zin circulaires vastgesteld.
42 Moet men evenwel, zoals de Commissie, van mening zijn dat omzetting van de richtlijn in nationaal recht niet nodig is, indien een algemene juridische context de volledige effectiviteit van de afgeleide normen garandeert?
43 Het Hof heeft in zijn rechtspraak zeer nauwkeurig gepreciseerd onder welke voorwaarden een dergelijke omzetting in de nationale rechtsorde van de Lid-Staten overbodig zo niet zinloos is. Deze rechtspraak betrof door de Commissie tegen Lid-Staten ingestelde niet-nakomingsberoepen, en in het kader van deze beroepen heeft het Hof precies de maatstaven vastgesteld waarmee kan worden bepaald in welke gevallen een omzetting achterwege kan blijven.
44 Zo heeft het Hof in een arrest Commissie/België(28) verklaard, dat het erom ging, dat
"elke Lid-Staat aan de (...) richtlijnen uitvoering geeft op een wijze (...) die ten volle voldoet aan de eisen van duidelijkheid en zekerheid in de door de richtlijnen gewenste rechtssituatie. In die omstandigheden zijn eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, niet te beschouwen als een geldige uitvoering van de verplichting die krachtens artikel 189 EEG-Verdrag rust op de Lid-Staten tot wie de richtlijnen zijn gericht."(29)
45 In een arrest Commissie/Duitsland(30) heeft het Hof naar het mij voorkomt de criteria vastgesteld voor de gevallen waarin een stelselmatige omzetting van richtlijnen achterwege kan blijven. Het stelde duidelijk:
"Zo kunnen met name algemene beginselen van constitutioneel of administratief recht de omzetting door middel van wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen overbodig maken. Dit stelt evenwel voorop, dat deze beginselen daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn door de nationale autoriteiten verzekeren, dat de uit deze beginselen voortvloeiende rechtssituatie, in geval de richtlijn rechten voor de particulieren in het leven beoogt te roepen, voldoende bepaald en duidelijk is en dat de begunstigden in staat zijn, kennis te krijgen van al hun rechten en deze zo nodig geldend te maken voor de nationale rechterlijke instanties."(31)
46 Het staat derhalve aan de verwijzende rechter na te gaan, of algemene beginselen van constitutioneel of administratief recht de volle effectiviteit van de communautaire normen garanderen, en met name zich ervan te vergewissen dat geen nationale bepaling, van welke aard dan ook, inbreuk maakt op de rechten die particulieren aan het gemeenschapsrecht ontlenen, al was het maar doordat zij hun belet er daadwerkelijk kennis van te nemen.
47 De rechtszekerheid wordt niet gewaarborgd doordat zowel de rechtspraak als de administratie aan het beginsel van gelijke behandeling een correcte toepassing geven, zolang een nog van kracht zijnde wet in strijd is met dit beginsel doordat zij enkel aan vrouwen een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontneemt wanneer zij weduwe worden. Kortom, de toepassing contra legem, en zo nodig het buiten toepassing laten van een bepaling die in strijd is met het gemeenschapsrecht, zijn niet voldoende om deze bepaling van een label van goedkeuring te voorzien.
48 De situatie van particulieren moet immers volkomen duidelijk zijn, zowel voor het verleden als voor de toekomst, zodat kennis van de wet hun in staat moet stellen kennis te nemen van de rechten die zij aan de gelijke behandeling ontlenen. Voor conformiteit is een administratieve praktijk onvoldoende; hetzelfde geldt voor de rechtspraak. Niet zelden doen zich immers wijzigingen voor in de praktijk en/of een ommekeer in de rechtspraak, zodat de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en het beginsel van rechtszekerheid in de Gemeenschap niet langer normaal gegarandeerd zouden zijn.
49 De tekst van de in geding zijnde bepaling kan, zoals in casu, de rechten die particulieren aan de richtlijn ontlenen als het ware "afdekken" en aldus de rechtszekerheid in gevaar brengen, doordat de belanghebbenden noch op de hoogte zijn van deze rechtspraak en administratieve praktijk, noch van de richtlijn.
50 Advocaat-generaal Reischl formuleerde het in de zaak Commissie/België(32) als volgt:
"De handhaving van deze nationale bepalingen leidt (...) tot rechtsonzekerheid voor de particulieren, daar deze niet kunnen weten of de betrokken richtlijnen geschikt zijn om rechtstreekse gevolgen teweeg te brengen."(33)
51 Om al deze redenen ben ik van mening, dat een nationale bepaling die niettegenstaande een daarvan afwijkende rechtspraak en administratieve praktijk, enkel aan vrouwen de arbeidsongeschiktheidsuitkering ontneemt, onverenigbaar is met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7.
52 Ik geef het Hof dan ook in overweging, voor recht te verklaren:
"1) Wanneer een richtlijn voor een particulier een recht in het leven roept, staat het gemeenschapsrecht niet toe, dat hem de toegang tot dit recht wordt ontzegd of dit recht wordt beperkt door hem een procestermijn van nationaal recht, van welke aard ook, tegen te werpen, indien de richtlijn op de dag waarop de particulier zijn verzoek strekkende tot verwezenlijking van zijn recht indient, nog niet in nationaal recht is omgezet.
2) Een nationale bepaling die onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, verliest haar onverenigbaarheid niet door het enkele feit dat de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat haar buiten toepassing laten, aangezien die niet-toepassing niet als volledig en definitief verworven kan worden beschouwd."
(1) - PB 1979, L 6, blz. 24.
(2) - I - De feiten en het procesverloop.
(3) - Bij wet van 3 mei 1989 werd deze rechtspraak overigens bevestigd.
(4) - Recueil des traités, vol. 999, blz. 171.
(5) - Arrest van 4 december 1986, zaak 71/85, Jurispr. 1986, blz. 3855.
(6) - R.o. 21.
(7) - Arrest van 15 juni 1978, zaak 149/77, Defrenne III, Jurispr. 1978, blz. 1365. Zie in dit verband ook de arresten van 4 maart 1987, zaak 286/85, McDermott en Cotter, Jurispr. 1987, blz. 1453; 13 december 1989, zaak C-102/88, Ruzius-Wilbrink, Jurispr. 1989, blz. 4311, en 11 juli 1991, gevoegde zaken C-87/90, C-88/90 en C-89/90, Jurispr. 1991, Verholen e.a., Jurispr. 1991, blz. I-3757.
(8) - Zaak 149/77, reeds aangehaald, r.o. 27.
(9) - Arrest van 16 december 1976, zaak 33/76, Jurispr. 1976, blz. 1989.
(10) - R.o. 5.
(11) - Arrest van 4 april 1968, zaak 34/67, Jurispr. 1968, blz. 345.
(12) - Blz. 356.
(13) - Arrest Rewe, reeds aangehaald, r.o. 5.
(14) - Arrest van 9 november 1983, zaak 199/82, San Giorgio, Jurispr. 1983, blz. 3595, r.o. 16.
(15) - Arrest van 25 juli 1991, zaak C-208/90, Jurispr. 1991, blz. I-4269.
(16) - Arrest van 24 maart 1987, zaak 286/85, Jurispr. 1987, blz. 1453.
(17) - Zaak C-208/90, reeds aangehaald, r.o. 17.
(18) - R.o. 21.
(19) - R.o. 22.
(20) - R.o. 23.
(21) - Common Market Law Review, 1992, blz. 604.
(22) - Arrest van 13 maart 1991, zaak C-377/89, Cotter en McDermott, Jurispr. 1991, blz. I-1155.
(23) - Arrest van 25 juli 1991, reeds aangehaald.
(24) - R.o. 14, cursivering van mij.
(25) - Arrest van 16 juli 1992, zaak C-343/90, Jurispr. 1992, blz. I-4673.
(26) - R.o. 20.
(27) - Zie de punten 36-40 van mijn conclusie in zaak C-337/91, Jurispr. 1993, blz. I-5435, I-5453.
(28) - Arrest van 6 mei 1980, zaak 102/79, Jurispr. 1980, blz. 1473.
(29) - R.o. 11.
(30) - Arrest van 23 mei 1985, zaak 29/84, Jurispr. 1985, blz. 1661.
(31) - R.o. 23.
(32) - Zaak 102/79, reeds aangehaald.
(33) - Conclusie, Jurispr. 1980, blz. 1493.
Full & Egal Universal Law Academy