Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen ° Handelsverkeer met derde landen ° Regeling passieve veredeling ° Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten voor veredelingsprodukten ° Berekeningsmethoden ° Bepaling van theoretisch verschuldigde rechten ° Transactiewaarde van veredelingsprodukten ° Bepaling van werkelijk verschuldigde rechten ° Bepaling van waarde van tijdelijk uitgevoerde goederen
(Verordeningen van de Raad nr. 1224/80, art. 3 en 8, lid 1, sub b-i, en nr. 2473/86, art. 13)
Samenvatting
Verordening nr. 2473/86 betreffende de regeling passieve veredeling en het systeem uitwisselingsverkeer moet aldus worden uitgelegd, dat voor de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten voor veredelingsprodukten de berekening van de theoretisch verschuldigde invoerrechten op die produkten in beginsel moet worden gebaseerd op de transactiewaarde, terwijl de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen ° die moet worden berekend ter bepaling van de werkelijk verschuldigde rechten ° aan de hand van een van de twee in artikel 13, lid 2, tweede alinea, van deze verordening genoemde methodes moet worden bepaald. Indien de waarde van de veredelingsprodukten is bepaald zonder aanpassing in de zin van artikel 8, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 1224/80 inzake de douanewaarde van de goederen, is de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen gelijk aan het verschil tussen de douanewaarde van de veredelingsprodukten en de met redelijke middelen vastgestelde kosten van veredeling. De inaanmerkingneming van de transactiewaarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen kan een dergelijk middel vormen.
Partijen
In zaak C-16/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Muenchen, in het aldaar aanhangig geding tussen
Wacker Werke GmbH & Co. KG
en
Hauptzollamt Muenchen-West,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 13, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 2473/86 van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de regeling passieve veredeling en het systeem uitwisselingsverkeer (PB 1986, L 212, blz. 1), en van de artikelen 3 en 8 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1055/85 van de Raad van 23 april 1985 (PB 1985, L 112, blz. 50),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, R. Joliet en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat, en J. Karl, Regierungsdirektor, beiden van het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigden,
° de Commissie, vertegenwoordigd door B. Rodriguez, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door R. Hayder, ambtenaar van het Bondsministerie van Economische zaken van de Bondsrepubliek Duitsland, gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie in het kader van de uitwisseling met nationale ambtenaren,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie ter terechtzitting van 26 maart 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 mei 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 20 december 1990, ingekomen ten Hove op 18 januari 1991, heeft het Finanzgericht Muenchen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2473/86 van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de regeling passieve veredeling en het systeem uitwisselingsverkeer (PB 1986, L 212, blz. 1; hierna: "verordening passieve veredeling"), en van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, blz. 1; hierna: "douanewaardeverordening").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Wacker Werke GmbH & Co. KG (hierna: "Wacker Werke") en het Hauptzollamt Muenchen-West (hierna: het "Hauptzollamt") over de douanewaarde van bepaalde produkten die Wacker Werke tussen 1986 en 1988 invoerde, na ze te hebben gekocht van Wacker Corporation, een vennootschap met zetel in de Verenigde Staten, waarmee zij financiële banden heeft.
3 Wacker Werke vervaardigt benzinemotoren en koopt dieselmotoren van andere ondernemingen in de Bondsrepubliek Duitsland. Zij verkoopt beide soorten motoren aan Wacker Corporation. De motoren worden krachtens een overeenkomstig de verordening passieve veredeling verleende vergunning als "tijdelijk uitgevoerde goederen" geëxporteerd.
4 Wacker Werke berekent Wacker Corporation bij de verkoop een toeslag voor algemene kosten en winst, die voor de benzinemotoren 25 % van de voortbrengingskosten bedraagt en voor de dieselmotoren die zij van andere Duitse ondernemingen betrekt, 5 % van de inkoopprijs.
5 Wacker Corporation bouwt de van Wacker Werke gekochte motoren in in vibratieplaten, vibratiestampers en hydraulische pompen. Zij verkoopt die produkten voor een deel rechtstreeks op de Amerikaanse en op de Europese markt en voor een deel aan Wacker Werke, die ze onder de regeling passieve veredeling als veredelingsprodukten in de Gemeenschap wederinvoert. Wacker Werke koopt deze veredelingsprodukten van Wacker Corporation tegen de door laatstgenoemde op de Amerikaanse markt toegepaste catalogusprijs minus 45 %.
6 Er zijn geen aanwijzingen, aldus de verwijzende rechter, dat de prijzen van Wacker Werke voor de tijdelijk uitgevoerde goederen of de prijzen van Wacker Corporation voor de veredelingsprodukten zijn beïnvloed door de tussen beide bestaande banden.
7 Het geschil tussen Wacker Werke en het Hauptzollamt betreft de waarde van de tijdelijk uitgevoerde produkten en van de veredelingsprodukten, die werd aangenomen voor de berekening van de invoerrechten die Wacker Werke diende te betalen op de tussen februari 1986 en december 1988 onder de regeling passieve veredeling in Duitsland ingevoerde veredelingsprodukten.
8 Bij de inklaring van de voormelde door Wacker Werke ingevoerde veredelingsprodukten ging het Hauptzollamt eerst uit van de transactiewaarde om de douanewaarde van deze produkten en die van de tijdelijk uitgevoerde produkten te berekenen. Later stelde het zich op het standpunt, dat voor de veredelingsprodukten weliswaar van de transactiewaarde kon worden uitgegaan, maar dat voor de tijdelijk uitgevoerde produkten ingevolge artikel 8, lid 1, sub b, i, van de douanewaardeverordening diende te worden uitgegaan van de voortbrengingskosten dan wel van de door Wacker Werke voor de motoren betaalde prijs, zonder de door haar berekende toeslag van 25 % of van 5 %. Derhalve vorderde het Hauptzollamt over de invoer tussen februari 1986 en december 1988 een bedrag aan invoerrechten van DM 36 057,20 na.
9 Daartegen stelde Wacker Werke bij de verwijzende rechter beroep in. Zij betoogde in hoofdzaak, dat men ter verkrijging van de veredelingskosten de verkoopprijs van de tijdelijk uitgevoerde produkten had moeten aftrekken van de koopprijs van de veredelingsprodukten en dat het Hauptzollamt artikel 8, lid 1, sub b, i, van de douanewaardeverordening niet mocht toepassen, omdat de betrokken motoren onbetwistbaar onder bezwarende titel waren geleverd. Het Finanzgericht Muenchen heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Moet artikel 13, lid 1, van verordening nr. 2473/86 van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de regeling passieve veredeling en het systeem uitwisselingsverkeer (PB 1986, L 212, blz. 1), aldus worden uitgelegd, dat voor de vaststelling van de rechten bij invoer de douanewaarde van de veredelingsprodukten en van de tijdelijk uitgevoerde goederen in beginsel moet worden bepaald op basis van hun transactiewaarde in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij verordening nr. 1055/85 van de Raad van 23 april 1985 (PB 1985, L 112, blz. 50)?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
Moet artikel 13, lid 2, tweede alinea, eerste variant, van verordening nr. 2473/86 dan aldus worden uitgelegd, dat de douanewaarde van de veredelingsprodukten ook dan volgens deze bepaling moet worden vastgesteld, wanneer door de houder van de veredelingsvergunning noch gratis noch tegen verminderde prijs goederen in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, i, van verordening nr. 1224/80 tijdelijk zijn uitgevoerd?
3) Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord:
Moet artikel 8, lid 1, sub b, i, van verordening nr. 1224/80 dan aldus worden uitgelegd, dat voor de vaststelling van de waarde van de in deze bepaling genoemde, door de houder van de veredelingsvergunning zelf voortgebrachte goederen enkel de voortbrengingskosten in aanmerking moeten worden genomen en dat de in de verkoopprijs van deze goederen opgenomen algemene kosten en winstmarge van de transactiewaarde moeten worden afgetrokken?
Zo ja, moeten dan bij de vaststelling van de waarde van de veredelingsprodukten de genoemde kostenelementen van de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen ook van de transactiewaarde van de veredelingsprodukten worden afgetrokken, voor zover die elementen in deze transactiewaarde zijn opgenomen?"
10 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen en de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
11 Voor een beter begrip van de aan het Hof in het hoofdgeding gestelde vragen dienen eerst de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht te worden uiteengezet.
12 Volgens artikel 1, lid 2, van de verordening passieve veredeling kunnen onder deze regeling communautaire goederen tijdelijk uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd teneinde deze aan veredelingshandelingen te onderwerpen, en kunnen de uit die handelingen voortkomende veredelingsprodukten met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten in het douanegebied van de Gemeenschap in het vrije verkeer worden gebracht.
13 Volgens artikel 13, lid 1, van deze verordening vindt "gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer krachtens artikel 1, lid 2, (...) plaats door het bedrag van de rechten bij invoer die van toepassing zijn op in het vrije verkeer gebrachte veredelingsprodukten, te verminderen met het bedrag van de rechten bij invoer die van toepassing zouden zijn op de tijdelijk uitgevoerde goederen, indien deze in het douanegebied van de Gemeenschap werden ingevoerd uit het land waar de veredelingshandeling of de laatste veredelingshandeling heeft plaatsgevonden".
14 Artikel 13, lid 2, tweede alinea, voorziet in twee methoden om de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen te bepalen.
15 Volgens de eerste methode is de waarde die welke voor deze goederen in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de douanewaarde van de veredelingsprodukten overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub b, i, van de douanewaardeverordening, dat naar artikel 3 van deze verordening verwijst.
16 Volgens artikel 3, lid 1, van laatstgenoemde verordening is "de douanewaarde van ingevoerde goederen (...) de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, aangepast overeenkomstig artikel 8", waarbij een van de voorwaarden is, dat "de koper en de verkoper niet verbonden zijn of, indien de koper en de verkoper zijn verbonden, dat de transactiewaarde voor douanedoeleinden aanvaardbaar is ingevolge lid 2" (artikel 3, lid 1, sub d).
17 Artikel 3, lid 2, van deze verordening geeft vervolgens een aantal criteria om vast te stellen, of de transactiewaarde aanvaardbaar is wanneer de koper en de verkoper verbonden zijn, en bepaalt verder, dat bij de toepassing van die criteria terdege rekening wordt gehouden met aangetoonde verschillen in, onder meer, de in artikel 8 genoemde elementen en de "kosten die de verkoper draagt bij verkopen aan niet met hem verbonden kopers en die hij niet draagt bij verkopen aan kopers die wel met hem zijn verbonden."
18 Ten slotte noemt artikel 8, lid 1, van deze verordening een aantal elementen waarmee, bij de vaststelling van de douanewaarde met toepassing van artikel 3, de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs moet worden verhoogd. Daartoe behoort volgens artikel 8, lid 1, sub b, de waarde, naar verhouding toegedeeld, van bepaalde produkten en diensten, indien deze gratis of tegen verminderde prijs rechtstreeks of zijdelings door de koper worden geleverd voor gebruik in verband met de voortbrenging en verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover deze waarde niet is begrepen in de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Bij de bedoelde produkten gaat het volgens het bepaalde sub i onder meer om de "materialen, delen, onderdelen en dergelijke goederen, verwerkt in de ingevoerde goederen".
19 Aldus moet bij de toepassing van de douanewaardeverordening op veredelingsprodukten in het geval bedoeld in artikel 8, lid 1, sub b, i, de waarde van de materialen, delen, onderdelen en dergelijke, die in de ingevoerde goederen zijn verwerkt, worden bepaald. Alleen in dit geval kan de eerste methode, die ervan uitgaat dat deze waarde is bepaald, toepassing vinden.
20 Volgens de tweede methode, die van toepassing is wanneer de waarde niet volgens de eerste kan worden bepaald, is de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen gelijk aan "het verschil tussen de douanewaarde van de veredelingsprodukten en de met redelijke middelen vastgestelde kosten van veredeling".
De eerste vraag
21 De eerste vraag houdt in, of bij de berekening van de invoerrechten de douanewaarde van de veredelingsprodukten en van de tijdelijk uitgevoerde produkten in beginsel op de transactiewaarde moet worden gebaseerd.
22 In beginsel moet de waarde van de veredelingsprodukten worden bepaald op basis van de transactiewaarde, berekend volgens de methode voorzien in de artikelen 3 en volgende van de douanewaardeverordening. Derhalve moet worden nagegaan of, zoals de verwijzende rechter overweegt, voor de berekening van de waarde van de tijdelijk uitgevoerde produkten ook van de transactiewaarde moet worden uitgegaan.
23 Uit de analyse van voormelde bepalingen van de twee verordeningen blijkt, dat voor de berekening van de invoerrechten niet zonder meer van de transactiewaarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen mag worden uitgegaan, maar dat de in artikel 13 van de verordening passieve veredeling omschreven werkwijze moet worden gevolgd.
24 Deze werkwijze is evenwel niet los te koppelen van de bepaling van de waarde van de veredelingsprodukten, die in een eerdere fase plaatsvindt. Al bij de bepaling van die waarde moet namelijk worden beslist, of moet worden overgegaan tot een aanpassing volgens artikel 8 van de douanewaardeverordening, en van die beslissing hangt af, welke methode bij de waardebepaling van de tijdelijk uitgevoerde goederen moet worden gevolgd overeenkomstig artikel 13, lid 2, tweede alinea, van de verordening passieve veredeling.
25 Heeft de bevoegde instantie, zoals in casu, beslist dat de transactiewaarde van de veredelingsprodukten als douanewaarde kan worden aangenomen, heeft geen aanpassing volgens artikel 8, lid 1, sub b, i, plaatsgevonden. In die situatie moet niet de eerste in artikel 13, lid 2, tweede alinea, voorziene methode voor de waardebepaling van de tijdelijk uitgevoerde goederen, maar de tweede worden toegepast.
26 In het kader van deze methode kan de inaanmerkingneming van de transactiewaarde van de tijdelijk uitgevoerde produkten in een situatie zoals die in het hoofdgeding een redelijk middel zijn om de kosten van veredeling vast te stellen.
27 Op de eerste vraag van de verwijzende rechter moet derhalve worden geantwoord, dat de verordening passieve veredeling moet aldus worden uitgelegd, dat voor de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten de berekening van de invoerrechten op de veredelingsprodukten in beginsel moet worden gebaseerd op de transactiewaarde van die produkten, terwijl de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen aan de hand van een van de twee in artikel 13, lid 2, tweede alinea, van deze verordening genoemde methodes moet worden bepaald. Indien de waarde van de veredelingsprodukten is bepaald zonder aanpassing in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, i, van de douanewaardeverordening, is de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen gelijk aan het verschil tussen de douanewaarde van de veredelingsprodukten en de met redelijke middelen vastgestelde kosten van veredeling. De inaanmerkingneming van de transactiewaarde van de betrokken goederen kan een dergelijk middel vormen.
De tweede en de derde vraag
28 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
29 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Muenchen bij beschikking van 20 december 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Verordening (EEG) nr. 2473/86 van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de regeling passieve veredeling en het systeem uitwisselingsverkeer, moet aldus worden uitgelegd, dat voor de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten de berekening van de invoerrechten op de veredelingsprodukten in beginsel moet worden gebaseerd op de transactiewaarde van die produkten, terwijl de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen aan de hand van een van de twee in artikel 13, lid 2, tweede alinea, van deze verordening genoemde methodes moet worden bepaald. Indien de waarde van de veredelingsprodukten is bepaald zonder aanpassing in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, i, van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, is de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen gelijk aan het verschil tussen de douanewaarde van de veredelingsprodukten en de met redelijke middelen vastgestelde kosten van veredeling. De inaanmerkingneming van de transactiewaarde van de betrokken goederen kan een dergelijk middel vormen.
Full & Egal Universal Law Academy