Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Invaliditeit ° Invaliditeitscommissie ° Beraadslagingen ° Opstellen van notulen ° Geen essentiële voorwaarde
(Ambtenarenstatuut, bijlage II, art. 7 en 9)
2. Ambtenaren ° Beroep ° Bezwarend besluit ° Begrip ° Brief houdende mededeling van conclusies van invaliditeitscommissie ° Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; bijlage II, art. 9, tweede alinea)
3. Ambtenaren ° Ziekteverlof ° Rechtvaardiging van ziekte ° Overlegging van niet-gemotiveerd medisch attest ° Weigering ° Ontoelaatbaarheid ° Medische controlevisite ° Conclusies in tegenspraak met medisch attest ° Afwezigheid onregelmatig vanaf tijdstip van controlevisite
(Ambtenarenstatuut, art. 59)
4. Ambtenaren ° Tijdelijk functionaris ° Ontslag ° Opzegging van contract voor onbepaalde duur van functionaris ten aanzien van wie invaliditeitsprocedure aanhangig is ° Toelaatbaarheid
(Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, art. 47)
Samenvatting
1. Het ontbreken van notulen van de werkzaamheden van een invaliditeitscommissie dient weliswaar te worden betreurd, doch het opstellen ervan vormt geen essentiële voorwaarde voor de geldigheid van de beraadslagingen van die commissie. Het Gerecht heeft derhalve terecht geoordeeld, dat het ontbreken van dergelijke notulen niet tot onregelmatigheid van de procedure tot vaststelling van de invaliditeit leidde.
2. Het staat aan de invaliditeitscommissie om de mate van invaliditeit van een tijdelijk functionaris te bepalen. Aangezien het tot aanstelling bevoegd gezag ter zake over geen enkele beoordelingsvrijheid beschikt, kan de in artikel 9, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut voorziene mededeling van de conclusies van de invaliditeitscommissie aan de betrokkene, derhalve niet worden aangemerkt als een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld. Voor het geval deze commissie niet tot de conclusie komt, dat er sprake is van invaliditeit, kan de mededeling van haar conclusies aan de belanghebbende overigens redelijkerwijs zo worden opgevat, dat daarmee de invaliditeitsprocedure wordt beëindigd.
3. Artikel 59 van het Statuut biedt de administratie weliswaar de mogelijkheid de ambtenaar die als bewijs van zijn arbeidsongeschiktheid een medisch attest overlegt, aan een medische controle te onderwerpen, maar bepaalt niet dat de administratie dat medisch attest terzijde kan leggen, ook al maakt dit geen melding van de gronden voor de arbeidsongeschiktheid. De weigering van de administratie om een niet-gemotiveerd medisch attest als geldig te aanvaarden, zonder gebruik te hebben gemaakt van de mogelijkheid de betrokken functionaris aan een medische controle te onderwerpen, is derhalve in strijd met artikel 59 van het Statuut.
Wanneer de conclusies van de medische controle in tegenspraak zijn met die van het door de betrokkene overgelegde medisch attest, beginnen de administratieve gevolgen van deze controle pas te werken vanaf het moment waarop deze werd verricht, aangezien elke daaraan toegekende terugwerkende kracht afbreuk zou doen aan het geloofwaardigheidsbeginsel en aan het vermoeden van regelmatigheid van het medisch attest.
Door te oordelen dat de administratie gerechtigd was een niet-gemotiveerd medisch attest terzijde te leggen en daarnaast terugwerkende kracht te verlenen aan de conclusies van de medische controlevisite, volgens welke de betrokkene op geen enkel moment van haar afwezigheid heeft kunnen aantonen, dat zij recht had op ziekteverlof, heeft het Gerecht derhalve gedwaald ten aanzien van het recht, welke dwaling het Hof dient te corrigeren door nietigverklaring van het besluit van de administratie waarbij deze het medisch attest heeft geweigerd en heeft vastgesteld dat het ziekteverlof van de betrokkene vóór de datum van de medische controlevisite niet gerechtvaardigd was.
4. De in artikel 47 RAP uitdrukkelijk vastgelegde eenzijdige opzegging van een overeenkomst voor onbepaalde duur van een tijdelijk functionaris, vindt haar rechtvaardiging in die arbeidsovereenkomst en behoeft derhalve niet te worden gemotiveerd, aangezien de arbeidsovereenkomst immers de grondslag van de betrekkingen van deze functionaris met de betrokken instelling vormt.
Geen enkele bepaling verzet zich ertegen, dat de betrokken instelling de arbeidsovereenkomst van een tijdelijk functionaris ten aanzien van wie een invaliditeitsprocedure aanhangig is, opzegt, met dien verstande dat deze opzegging geen belemmering mag vormen voor de uitvoering van de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie en voor de eventuele erkenning, door deze commissie, dat de invaliditeit vóór de opzegging is ontstaan, noch de rechten van de betrokkene aan het einde van de betrokken procedure mag aantasten.
Partijen
In zaak C-18/91 P,
V., voormalig tijdelijk functionaris van het Europees Parlement, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door A. Guarino, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Lorang, advocaat aldaar, Rue Albert Ier 51,
requirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest, op 22 november 1990 in zaak T-54/89 tussen haar en het Europees Parlement gewezen door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer), en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, en M. Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, en A. May, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, C. N. Kakouris en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 18 januari 1991 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft V. krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van het 's Hofs Statuten EGKS en EGA, hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 22 november 1990 (zaak T-54/89, V., Jurispr. 1990, blz. II-659), voor zover daarbij haar beroep is verworpen strekkende tot nietigverklaring van het rapport van de met het onderzoek van haar geval belaste invaliditeitscommissie alsmede van een aantal besluiten van het Europees Parlement houdende, respectievelijk, weigering om haar in het genot van een invaliditeitspensioen te stellen, weigering om het door haar overgelegde medisch attest inzake werkonderbreking te erkennen, opzegging van haar overeenkomst als tijdelijk functionaris en afwijzing van de diverse door haar ingediende klachten en, in de tweede plaats, tot erkenning van haar recht om aan een regelmatige invaliditeitsprocedure te worden onderworpen.
2 Uit het bestreden arrest blijkt, dat requirante in 1981 in dienst was genomen als tijdelijk functionaris bij de fractie van de Europese Volkspartij (hierna: "EVP") in het Europees Parlement. Omdat in de daaropvolgende jaren haar totale ziekteverlof over een periode van drie jaar meer dan twaalf maanden bedroeg, werd zij, overeenkomstig artikel 59, lid 1, vierde alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut"), aan een eerste procedure tot vaststelling van een eventuele invaliditeit onderworpen. De invaliditeitscommissie kwam op 20 november 1986 tot de conclusie, dat betrokkene niet invalide was.
3 Nadat V. wederom herhaaldelijk afwezig was geweest, legde het Parlement haar geval aan een nieuwe invaliditeitscommissie voor. Ook deze commissie kwam tot de conclusie, dat er geen sprake was van invaliditeit.
4 Bij brief nr. 05169 van 24 februari 1988 zond de directeur-generaal Personeel van het Parlement betrokkene, zonder enig commentaar, de conclusies van de invaliditeitscommissie toe.
5 Bij brief van dezelfde dag deelde de voorzitter van de EVP-fractie, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, requirante de opzegging van haar arbeidsovereenkomst mee, waarbij hij preciseerde, dat de ingevolge artikel 47, lid 2, sub a, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: "RAP") vereiste opzegtermijn van drie maanden inging op 1 maart 1988.
6 De dag daarvoor had V. de administratie een door haar arts ondertekend, op 23 februari 1988 gedateerd attest voor een werkonderbreking van twee maanden doen toekomen, dat evenwel geen melding maakte van de medische gronden. Bij brief van de directeur-generaal Personeel van 26 februari 1988 werd dit attest geweigerd.
7 Betrokkene legde een tweede medisch attest over, dat op 1 maart 1988 was gedateerd en voorzag in een werkonderbreking van 1 maart tot 1 juni 1988. Op 7 maart 1988 verrichtte de raadgevend arts van het Parlement een controlevisite ten huize van requirante en stelde hij vast, dat zij arbeidsgeschikt was.
8 De door requirante tegen de hierboven genoemde besluiten en standpunten van het Parlement ingediende klachten werden afgewezen.
9 In haar bij het Gerecht van eerste aanleg ingestelde beroep vorderde requirante:
a) nietigverklaring van het op 24 februari 1988 aan haar toegezonden "rapport van de invaliditeitscommissie";
b) nietigverklaring van het "besluit" van de directeur-generaal Personeel waarbij haar dit rapport werd toegezonden en waarbij werd geweigerd "verzoekster in het genot van een invaliditeitspensioen te stellen";
c) nietigverklaring van het besluit van de directeur-generaal van 26 februari 1988 waarbij het eerste medisch attest werd geweigerd;
d) nietigverklaring van het besluit van de voorzitter van de EVP-fractie om haar arbeidsovereenkomst te beëindigen;
e) nietigverklaring van het besluit van de voorzitter van de EVP-fractie om de door haar tegen de hierboven onder b) en d) genoemde besluiten ingediende klachten af te wijzen;
f) te verstaan dat zij het recht heeft op een regelmatige invaliditeitsprocedure.
10 De door V. ingestelde hogere voorziening strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, waarbij het Gerecht van eerste aanleg haar beroep heeft verworpen.
11 Voor een nadere uiteenzetting van het procesverloop en de middelen en argumenten van de partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De middelen ontleend aan de onregelmatigheid van de voor de invaliditeitscommissie gevolgde procedure
12 Blijkens het bestreden arrest had de door V. aangewezen arts met het oog op de benoeming van het derde lid van de invaliditeitscommissie bij brief van 17 oktober 1987 verklaard, "geen enkel bezwaar te hebben" om de door het Parlement voorgestelde arts "als derde lid van de invaliditeitscommissie te aanvaarden", waaraan hij toevoegde: "Ik wil echter de aandacht vestigen op enkele voorwaarden die ik vóór het definitieve akkoord (...) aanvaard zou willen zien." Van mening dat deze voorwaarden onaanvaardbaar waren, verzocht het Parlement de president van het Hof van Justitie om overeenkomstig artikel 7, derde alinea, van bijlage II bij het Statuut, ambtshalve het derde lid van de invaliditeitscommissie te benoemen.
13 In het bestreden arrest (r.o. 33) oordeelt het Gerecht, dat de bewoordingen van de brief van de door V. aangewezen arts van 17 oktober 1987, bezien in het licht van de brief van de door het Parlement aangewezen arts van 6 oktober 1987, geen twijfel lieten omtrent de aard van de voorwaarden die waren verbonden aan de instemming van de eerste arts met de aanwijzing van professor Alexandre als derde lid van de invaliditeitscommissie. Deze voorwaarden waren niet van louter formele aard en waren uitdrukkelijk aangemerkt als voorafgaand aan een "definitief akkoord", dat zij dus opschortten. Requirante kon dus niet beweren, dat tussen de door haar aangewezen arts en de door het Parlement aangewezen arts een akkoord tot stand was gekomen. Het middel ontleend aan een vermeend proceduregebrek bij de samenstelling van de invaliditeitscommissie moest derhalve worden afgewezen.
14 Requirante voert tegen dit arrest aan, dat de door haar aangewezen arts en de door het Parlement aangewezen arts tijdens een telefoongesprek reeds overeenstemming hadden bereikt over het derde lid van de invaliditeitscommissie. De in de hierboven genoemde brief van 17 oktober 1987 gestelde voorwaarden zouden derhalve zuiver formeel zijn geweest en konden in geen geval de reeds gegeven instemming wijzigen. Het Gerecht had overigens niet stil moeten blijven staan bij de eenvoudige formulering van deze, overigens door een arts en niet door een jurist geschreven brief, maar had de inhoud ervan moeten onderzoeken.
15 In dit verband moet worden opgemerkt dat, volgens artikel 168 A EEG-Verdrag en de overeenkomstige bepalingen van het EGKS-Verdrag en het EGA-Verdrag alsmede volgens artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten EGKS en EGA, hogere voorziening alleen rechtsvragen kan betreffen. Hieruit volgt, dat de hogere voorziening slechts gebaseerd kan zijn op middelen ontleend aan schending van rechtsregels, met uitsluiting van elke feitelijke vaststelling van het Gerecht.
16 De beoordeling van het Gerecht aangaande de betekenis van de inhoud van een brief die de door requirante aangewezen arts na een telefonisch onderhoud met de door het Parlement aangewezen arts aan deze laatste stuurde, vormt een zuiver feitelijke vaststelling.
17 Het middel waarmee deze vaststelling wordt betwist, moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
18 In antwoord op het middel ontleend aan de onregelmatigheid van de procedure op grond dat geen notulen van de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie zijn opgesteld, heeft het Gerecht, in navolging van het arrest van het Hof van 10 december 1987 (zaak 277/84, Jaensch, Jurispr. 1987, blz. 4923), geoordeeld dat "het opstellen van notulen geen essentiële voorwaarde is voor de geldigheid van de beraadslaging van een commissie. In casu had het ontbreken van notulen geen weerslag op de voortzetting van de werkzaamheden van de commissie noch op de uitoefening van het rechterlijk toezicht waaraan deze thans zijn onderworpen."
19 Requirante betoogt dienaangaande, dat notulen van de werkzaamheden en de conclusies van de invaliditeitscommissie onontbeerlijk zijn, te meer daar in het onderhavige geval het rapport van deze commissie, dat requirante ontving in de vorm van een voorgedrukt formulier waarop de niet-relevante passages waren doorgestreept, hoe dan ook niet geschikt was om te kunnen nagaan of er een logisch verband bestond tussen de gedane vaststellingen en de conclusies waartoe de bedoelde commissie was gekomen.
20 Dit middel moet worden afgewezen. Zoals het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 10 december 1987 (Jaensch, reeds aangehaald), dient het ontbreken van notulen van de werkzaamheden van een invaliditeitscommissie weliswaar te worden betreurd, doch vormt het opstellen ervan geen essentiële voorwaarde voor de geldigheid van de beraadslaging van een dergelijke commissie. Eventuele onvolkomenheden in het naar aanleiding van die beraadslaging opgestelde rapport van de invaliditeitscommissie, kunnen overigens geen invloed hebben op het ontbreken van notulen.
21 Zo de vermeende onvolkomenheden van het aan requirante toegezonden rapport van de invaliditeitscommissie als een autonoom middel konden worden beschouwd, moet worden opgemerkt dat het bestreden arrest van het Gerecht geen betrekking heeft op dergelijke onvolkomenheden en dat nieuwe middelen, die niet in eerste aanleg zijn aangevoerd, ingevolge de artikelen 113, lid 2, en 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering niet in hogere voorziening kunnen worden voorgedragen.
Het middel ontleend aan de onjuiste kwalificatie van de brief van 24 februari 1988 van de directeur-generaal van het Parlement aan requirante
22 Het Gerecht stelt in het bestreden arrest vast, dat brief nr. 05169 van 24 februari 1988, waarbij de directeur-generaal Personeel van het Parlement requirante de conclusies van de invaliditeitscommissie deed toekomen, geen besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag is waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld, aangezien deze brief moet worden gezien als een kennisgeving van de conclusies van de invaliditeitscommissie, bedoeld in artikel 9, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut.
23 Het Gerecht stelt voorts vast, dat deze brief geen besluit tot beëindiging van de invaliditeitsprocedure vormt. In dat verband verwijst het naar artikel 33, lid 2, RAP om te concluderen dat, wanneer de invaliditeitscommissie tot de conclusie is gekomen dat een personeelslid niet invalide is, het tot aanstelling bevoegde gezag geen besluit in tegenovergestelde zin kan nemen en het derhalve niet aan het tot aanstelling bevoegde gezag staat, een besluit tot beëindiging van de procedure te nemen.
24 Requirante betwist deze laatste beoordeling. Haars inziens behoren alle besluiten die rechtsgevolgen hebben voor de arbeidsverhouding tussen de instelling en haar personeel, tot de uitsluitende bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegde gezag, tenzij een ander orgaan uitdrukkelijk bevoegd is verklaard. Dit zou het geval zijn bij de beëindiging van de invaliditeitsprocedure, die rechtsgevolgen kan hebben voor de betrokkene. Aangezien de toekenning van een invaliditeitspensioen tot de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegde gezag behoort, zou de niet-toekenning eveneens tot zijn bevoegdheid behoren. Volgens requirante schrijven de door het Gerecht genoemde bepalingen niet op ondubbelzinnige wijze voor, dat het besluit tot weigering van een invaliditeitspensioen buiten de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegde gezag valt.
25 Zij stelt derhalve, dat de brief van 24 februari 1988 een dergelijk tot de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegde gezag behorend afwijzend besluit vormt, dat echter is genomen door de directeur-generaal, die niet bevoegd was.
26 Dienaangaande zij opgemerkt dat, overeenkomstig artikel 33, lid 2, RAP, "de mate van invaliditeit wordt vastgesteld door de invaliditeitscommissie, genoemd in artikel 9 van het statuut". Aangezien het tot aanstelling bevoegde gezag ter zake over geen enkele beoordelingsvrijheid beschikt, kan de in artikel 9, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut voorziene mededeling van de conclusies van de invaliditeitscommissie aan de betrokkene, derhalve niet worden aangemerkt als een besluit. Voor het geval deze commissie, zoals in het onderhavige geval, niet tot de conclusie komt, dat er sprake is van invaliditeit, kan de mededeling van haar conclusies aan de belanghebbende overigens redelijkerwijs zo worden opgevat, dat daarmee de invaliditeitsprocedure wordt beëindigd.
27 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat dit middel ongegrond is.
Het middel ontleend aan de onregelmatigheid van de weigering van de door requirante overgelegde medische attesten
28 Blijkens rechtsoverwegingen 46 en 47 van het bestreden arrest is het Gerecht van oordeel, dat de juiste uitlegging van artikel 59 van het Statuut meebrengt dat de administratie, rekening houdend met alle omstandigheden, met name het rapport van de invaliditeitscommissie en het feit dat het betrokken medisch attest niet de medische gronden voor de werkonderbreking vermeldt, een dergelijk attest mag weigeren zonder de in die bepaling genoemde medische controles te laten verrichten.
29 Volgens requirante volgt uit het arrest van het Hof van 27 april 1989 (zaak 271/87, Fedeli, Jurispr. 1989, blz. 993) het beginsel, dat de overlegging van een medisch attest een vermoeden doet ontstaan dat de afwezigheid van de ambtenaar gerechtvaardigd is en dat, in geval van twijfel, het medisch controleonderzoek het enige middel is waarop de betrokken instelling zich kan beroepen. De eenvoudige weigering van een medisch attest is derhalve niet voorzien in het communautaire ambtenarenrecht. Requirante voegt hieraan toe, dat zelfs indien de instelling gebruik maakt van haar bevoegdheid om een medische controle te doen verrichten ten huize van de betrokken ambtenaar en de resultaten hiervan niet overeenstemmen met die van het door de betrokkene overgelegde medisch attest, de instelling op grond daarvan nog niet mag aannemen dat de afwezigheid van de ambtenaar vanaf het begin ongerechtvaardigd was, aangezien de rechtsgevolgen van de controlevisite intreden ex nunc.
30 Ten aanzien van de "motivering" van een medisch attest stelt verzoekster, dat elke instelling een volgens de beroepsregels van het land van de geraadpleegde arts opgesteld attest als geldig moet aanvaarden. Zo zou in België zijn bepaald, dat een medisch attest niet noodzakelijkerwijs de ziekte van de patiënt vermeldt.
31 Subsidiair betoogt requirante, dat de "weigering" van het eerste medisch attest hoe dan ook afkomstig had moeten zijn van het tot aanstelling bevoegde gezag, en niet van de directeur-generaal Personeel.
32 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof op het gebied van de sociale zekerheid van werknemers heeft vastgesteld, dat het bevoegde sociale-zekerheidsorgaan en de werkgever feitelijk en rechtens gebonden zijn aan hetgeen het orgaan van de woonplaats of het verblijf van de werknemer met betrekking tot het begin en de duur van de arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld, wanneer zij de betrokkene niet door een arts van hun eigen keuze laten onderzoeken, hetgeen zij op grond van de communautaire regeling kunnen doen (arresten van het Hof van 12 maart 1987, zaak 22/86, Rindone, Jurispr. 1987, blz. 1339, en van 3 juni 1992, zaak C-45/90, Paletta, Jurispr. 1992, blz. I-3423).
33 Het aldus uitgesproken beginsel moet ook worden toegepast bij de uitlegging van het Ambtenarenstatuut, zoals ook blijkt uit het arrest van 27 april 1989 (Fedeli, reeds aangehaald). Artikel 59 Ambtenarenstatuut immers biedt de administratie niet de mogelijkheid een medisch attest terzijde te leggen, ook al maakt dit geen melding van de medische gronden voor de arbeidsongeschiktheid van de betrokken ambtenaar, maar het bepaalt wel dat de administratie bevoegd is het betrokken personeelslid door een arts van haar keuze te laten onderzoeken. Derhalve moet worden vastgesteld, dat de weigering van de administratie van het Parlement om het medisch attest van 23 februari 1988 te aanvaarden, zonder gebruik te hebben gemaakt van haar bevoegdheid om V. aan een medische controle te onderwerpen, in strijd is met artikel 59 van het Statuut.
34 Voorts moet het bepaalde in artikel 59 van het Statuut, volgens hetwelk het betrokken personeelslid "door de instelling aan iedere medische controle kan worden onderworpen", aldus worden uitgelegd, dat de administratieve gevolgen van de conclusies van het medisch controleonderzoek beginnen te werken vanaf het moment waarop de controle is verricht. Door aan de conclusies van een dergelijke controlevisite terugwerkende kracht toe te kennen, zou immers afbreuk worden gedaan aan het geloofwaardigheidsbeginsel en aan het vermoeden van regelmatigheid van een medisch attest.
35 Door in rechtsoverweging 47 van het bestreden arrest te oordelen dat het Parlement, gezien de bijzondere omstandigheden van de zaak, gerechtigd was het medisch attest van 23 februari 1988 terzijde te leggen, en door met de vaststelling dat "verzoekster op geen enkel moment van de kritieke periode heeft aangetoond, dat zij recht had op ziekteverlof", terugwerkende kracht te verlenen aan de conclusies van de controlevisite van 7 maart 1988 betreffende het medisch attest van 1 maart 1988, heeft het Gerecht derhalve gedwaald ten aanzien van het recht.
36 Bijgevolg moet dit onderdeel van het bestreden arrest worden vernietigd.
De middelen ontleend aan de onregelmatigheid van het besluit om requirante te ontslaan
37 Het Gerecht heeft in het bestreden arrest geoordeeld, dat de artikelen 47 en 48 RAP niet in de weg staan aan de eenzijdige opzegging, zonder motivering, van de overeenkomst voor onbepaalde duur van een tijdelijk functionaris, en dat geen bepaling voorschrijft dat de inleiding van een invaliditeitsprocedure het recht van het tot aanstelling bevoegde gezag om de overeenkomst van een personeelslid te beëindigen, schorst zolang de conclusies van de invaliditeitscommissie hem niet zijn meegedeeld.
38 Requirante betoogt dat, ook al bevat het Statuut dienaangaande nog geen uitdrukkelijke bepaling, men als een fundamenteel beginsel van het communautaire ambtenarenrecht moet aanvaarden dat het recht van het tot aanstelling bevoegde gezag om de arbeidsovereenkomst van een tijdelijk functionaris te beëindigen, gedurende de invaliditeitsprocedure wordt geschorst.
39 Gelijk het Hof heeft beslist in het arrest van 18 oktober 1977 (zaak 25/68, Schertzer, Jurispr. 1977, blz. 1729), wordt de grondslag van de betrekkingen van een tijdelijk functionaris met de betrokken instelling gevormd door een "arbeidsovereenkomst als tijdelijk functionaris". De in artikel 47 RAP uitdrukkelijk vastgelegde eenzijdige opzegging van een dergelijke arbeidsovereenkomst, vindt haar rechtvaardiging in die arbeidsovereenkomst en behoeft derhalve niet te worden gemotiveerd. Het is juist op dit punt dat de positie van een tijdelijk functionaris essentieel verschilt van die van een statutair ambtenaar.
40 Vastgesteld moet worden, dat geen statutaire bepaling zich ertegen verzet dat de betrokken instelling de arbeidsovereenkomst van een tijdelijk functionaris die aan een invaliditeitsprocedure is onderworpen, opzegt, met dien verstande dat de opzegging van de overeenkomst geen belemmering mag vormen voor de uitvoering van de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie en voor de eventuele erkenning, voor deze commissie, dat de invaliditeit vóór de opzegging is ontstaan, noch de rechten van de functionaris aan het einde van de betrokken procedure mag aantasten.
41 Dit middel moet derhalve worden afgewezen.
42 Requirante betoogt vervolgens, dat het besluit om haar arbeidsovereenkomst als tijdelijk functionaris te beëindigen, op misbruik van bevoegdheid berust, omdat het in werkelijkheid is gebaseerd op de wens, een werknemer wegens zijn slechte gezondheid te ontslaan.
43 Dienaangaande overweegt het Gerecht in rechtsoverweging 48 van het bestreden arrest, dat het "uit het enkele feit dat het ontslagbesluit werd genomen alvorens verzoekster van de conclusie van de invaliditeitscommissie kennis had gekregen, (...) niet kan concluderen, dat dit besluit op misbruik van bevoegdheid berust".
44 Met dit middel bestrijdt requirante de in het bestreden arrest vervatte feitelijke vaststelling, dat geen bewijs is geleverd van misbruik van bevoegdheid. Dit middel is derhalve niet-ontvankelijk.
Het verzoek om een nieuwe invaliditeitsprocedure
45 In haar inleidend verzoekschrift had requirante eveneens geconcludeerd "dat het het Gerecht behage, vast te stellen dat zij aan een nieuw medisch onderzoek moet worden onderworpen, teneinde na te gaan of de voorwaarden voor invaliditeit zijn vervuld". Dit verzoek, dat was geformuleerd voor het geval de invaliditeitsprocedure nietig zou worden verklaard, is door het Gerecht niet onderzocht.
46 Requirante stelt, dat de niet-inwilliging van dit verzoek door het Gerecht een schending vormt van een van de fundamentele waarborgen waarin het recht ten gunste van werknemers voorziet.
47 Zo geformuleerd moet dit middel aldus worden opgevat, dat het Gerecht requirante het recht heeft ontzegd om aan een nieuwe invaliditeitsprocedure te worden onderworpen, zelfs al was de eerder ingeleide procedure niet nietig verklaard. Dit middel berust op een verkeerd uitgangspunt, omdat een dergelijk verzoek niet kenbaar was gemaakt voor het Gerecht.
48 Indien dit middel aldus moet worden opgevat, dat het Gerecht heeft nagelaten een standpunt in te nemen over het verzoek volgens hetwelk in geval van nietigverklaring van de betwiste invaliditeitsprocedure een nieuwe, regelmatige procedure zou moeten worden ingeleid, volstaat het op te merken, dat dit het normale gevolg van een nietigverklaring is en dat de procedure in het onderhavige geval hoe dan ook niet nietig is verklaard.
49 Bijgevolg kan niet worden gesteld, dat een dergelijk verzoek in het bestreden arrest ten onrechte niet is ingewilligd, en kan dit middel derhalve niet worden aanvaard.
50 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat het bestreden arrest van het Gerecht van 22 november 1990 moet worden vernietigd, voor zover daarin is vastgesteld dat het Parlement gerechtigd was het medisch attest van 23 februari 1988 terzijde te leggen en terugwerkende kracht te verlenen aan de conclusies van het medisch controleonderzoek van 7 maart 1988.
51 Voor het overige moet de hogere voorziening worden verworpen.
52 Wat het vernietigde deel van het arrest van het Gerecht betreft, is de zaak in staat van wijzen. Gelet op het voorgaande (rechtsoverwegingen 27-35) dient het Hof, definitief uitspraak doende over het geschil overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, het in de brief van de directeur-generaal van het Parlement van 26 februari 1988 vervatte besluit houdende weigering van het medisch attest van 23 februari 1988 alsmede de vaststelling dat requirantes ziekteverlof vóór 7 maart 1988 niet gerechtvaardigd was, nietig te verklaren.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
53 Omdat beide partijen in hun middelen in het ongelijk zijn gesteld, dient elk van hen, overeenkomstig artikel 69, lid 3, juncto artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering, haar eigen kosten te dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Vernietigt het door het Gerecht op 22 november 1990 in zaak T-54/89 gewezen arrest, voor zover daarin is vastgesteld dat het Parlement gerechtigd was het medisch attest van 23 februari 1988 te weigeren en terugwerkende kracht te verlenen aan de conclusies van het medisch controleonderzoek van 7 maart 1988.
2) Verwerpt de hogere voorziening voor het overige.
3) Uitspraak doende ten gronde, vernietigt
a) het besluit vervat in de brief van de directeur-generaal van het Parlement van 26 februari 1988 houdende weigering van het medisch attest van 23 februari 1988,
en
b) het besluit tot verlening van terugwerkende kracht aan de conclusies van het medisch controleonderzoek van 7 maart 1988.
4) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy