Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen - Werknemers - Gelijke behandeling - Nationale regeling die door werkgever van stagiair-werknemer verschuldigde werkgeversbijdragen verzwaart ingeval stage niet valt binnen nationaal onderwijsstelsel - Verkapte discriminatie van stagiair-werknemers die onderdaan van andere Lid-Staat zijn - Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 48; verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 7, lid 2)
Samenvatting
Het verbod van elke discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van beloning en sociale voordelen, zoals neergelegd in artikel 48 EEG-Verdrag respectievelijk artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, richt zich niet alleen tegen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit, maar ook tegen alle vormen van verkapte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden, en het verzet zich daarom tegen toepassing van een wettelijke regeling in een Lid-Staat die een met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen belast lichaam verplicht in het geval van een stagiair die niet onder het nationale onderwijsstelsel valt, een berekeningsgrondslag voor de werkgeversbijdragen te hanteren die ongunstiger is dan die waarvan wordt uitgegaan in het geval van een stagiair die wel onder het nationale stelsel valt. Voornamelijk de stagiairs die afkomstig zijn uit andere Lid-Staten zullen immers onder de minder gunstige regeling vallen, hetgeen werkgevers ervan kan afhouden hun een stageplaats aan te bieden.
Partijen
In zaak C-27/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Cour d' appel de Chambéry (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
Union de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et d' allocations familiales de la Savoie (URSSAF)
en
Hostellerie Le Manoir,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 48 EEG-Verdrag en artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- URSSAF, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door haar directeur C. Gendey,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, en Th. Margellos, als Grieks ambtenaar in het kader van de uitwisseling van nationale ambtenaren gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie ter terechtzitting van 24 oktober 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting op diezelfde dag,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 7 januari 1991, ingekomen bij het Hof op 28 januari daaraanvolgende, heeft de Cour d' appel de Chambéry krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 48 EEG-Verdrag en artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2).
2 Die vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen de Union de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et d' allocations familiales de la Savoie (hierna: "URSSAF") en de vennootschap Hostellerie Le Manoir (hierna: "Le Manoir") over de door Le Manoir te betalen werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid in verband met een stage die N. Haugh, een Iers onderdaan die aan een technische school in Ierland een beroepsopleiding volgt, in de periode van 2 april tot 30 september 1985 in die onderneming had vervuld.
3 De Franse wetgeving bepaalt dat alleen werkgevers die de beroepsopleiding van stagiairs in het kader van het Franse nationale onderwijsstelsel verzorgen, sociale-zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn over de daadwerkelijk aan de stagiairs uitbetaalde toelagen, ook wanneer die toelagen lager zijn dan het wettelijk minimumloon.
4 Van oordeel dat Le Manoir van deze faciliteit in de wetgeving geen gebruik kon maken voor een stagiair die niet onder het Franse nationale onderwijsstelsel viel, en in aanmerking nemende dat Frankrijk en Ierland ter zake geen verdrag hadden gesloten, vorderde de URSSAF betaling van bijdragen op basis van het wettelijk minimumloon en niet op basis van het - lagere - bedrag dat daadwerkelijk aan toelagen was uitbetaald.
5 De Cour d' appel de Chambéry, die de zaak in hoger beroep behandelt, heeft de behandeling geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Laten het beginsel van het vrije verkeer van werknemers en het verbod van elke discriminatie op het gebied van beloning en sociale voordelen, neergelegd in artikel 48 EEG-Verdrag en artikel 7, lid 2, van de verordening van 15 oktober 1968, het toe dat een in Frankrijk met het innen van sociale bijdragen belast orgaan, voor een door haar onderwijsinstelling op stage gezonden Ierse stagiaire een andere berekeningsgrondslag voor de sociale lasten van de werkgever hanteert dan voor Franse stagiairs, op de enkele grond dat die stagiaire wegens haar nationaliteit niet onder de beroepsopleiding van het Franse nationale onderwijsstelsel valt en er op dit gebied tussen Frankrijk en Ierland geen verdrag bestaat?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 Alvorens de vraag van de Cour d' appel de Chambéry te beantwoorden, zij beklemtoond dat het begrip werknemer in de zin van artikel 48 EEG-Verdrag en verordening nr. 1612/68 een communautaire betekenis heeft. Zoals het Hof reeds voor recht heeft verklaard, is als werknemer te beschouwen degene die reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst verricht, die niet van zo geringe omvang is dat hij louter marginaal en bijkomstig blijkt. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning ontvangt (zie bij voorbeeld het arrest van 21 juni 1988, zaak 197/86, Brown, Jurispr. 1988, blz. 3205).
8 Zoals het Hof reeds te verstaan heeft gegeven, is het feit dat de betrokken persoon prestaties levert in het kader van een stagecontract, geen reden om hem niet als werknemer te beschouwen, mits hij reële en daadwerkelijk werkzaamheden verricht en aan het hoofdkenmerk van een arbeidsverhouding is voldaan (zie bij voorbeeld het arrest van 3 juli 1986, zaak 66/85, Lawrie Blum, Jurispr. 1986, blz. 2121).
9 Naar voorts moet worden vastgesteld raakt een nationale regeling zoals in het hoofdgeding aan de orde is, hoewel formeel gericht tot de werkgevers, in werkelijkheid werknemers die een stage volgen. Het feit dat de door de werkgevers te betalen sociale lasten in hoogte verschillen al naar gelang de betrokken categorie van stagiairs-werknemers, beperkt immers de mogelijkheden voor sommigen van die werknemers om een stageplaats te vinden.
10 Ten slotte is het vaste rechtspraak, dat het in artikel 48 EEG-Verdrag en artikel 7 van verordening nr. 1612/68 neergelegde beginsel van gelijke behandeling niet alleen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit verbiedt, maar ook alle vormen van verkapte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden (zie het arrest van 30 mei 1989, zaak 33/88, Allué en Coonan, Jurispr. 1989, blz. 1591).
11 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de thans aan de orde zijnde nationale regeling weliswaar niet openlijk de nationaliteit als criterium hanteert, maar wel in hoofdzaak stagiairs-werknemers uit andere Lid-Staten treft. Degenen die in het kader van een aan een onderwijsinstelling gevolgde beroepsopleiding een stage volgen in de hoedanigheid van werknemer, vallen immers in overgrote meerderheid onder het nationale onderwijsstelsel van de staat van herkomst.
12 Wanneer derhalve verlichting van de door de werkgever te betalen sociale lasten alleen mogelijk is, wanneer de werkgever stagiairs-werknemers aanstelt die onder het nationale onderwijsstelsel van een Lid-Staat vallen, komt dat in werkelijkheid neer op een discriminatie tussen nationale stagiairs-werknemers en stagiairs-werknemers die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat.
13 Onder die omstandigheden moet op de vraag van de Cour d' appel de Chambéry worden geantwoord, dat het verbod van elke discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van beloning en sociale voordelen, zoals neergelegd in artikel 48 EEG-Verdrag respectievelijk artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68, zich verzet tegen een nationale regeling ingevolge welke een met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen belast lichaam verplicht is, in het geval van een stagiair die niet onder het nationale onderwijsstelsel valt, een berekeningsgrondslag voor de werkgeversbijdragen te hanteren die ongunstiger is dan die waarvan wordt uitgegaan in het geval van een stagiair die wel onder het nationale stelsel valt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Cour d' appel de Chambéry bij arrest van 7 januari 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het verbod van elke discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van beloning en sociale voordelen, zoals neergelegd in artikel 48 EEG-Verdrag respectievelijk artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, verzet zich tegen een nationale regeling ingevolge welke een met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen belast lichaam verplicht is, in het geval van een stagiair die niet onder het nationale onderwijsstelsel valt, een berekeningsgrondslag voor de werkgeversbijdragen te hanteren die ongunstiger is dan die waarvan wordt uitgegaan in het geval van een stagiair die wel onder het nationale stelsel valt.
Full & Egal Universal Law Academy