Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Bijzondere maatregelen voor erwten, tuin- en veldbonen ° Steun voor produkten gebruikt bij vervaardiging van diervoeder ° Niet-betaling door eerste koper van volledig bedrag van minimumprijs ° Voorwaarden voor toekenning van steun
(Verordening nr. 3540/85 van de Commissie)
Samenvatting
Verordening nr. 3540/85 houdende bepalingen ter uitvoering van de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin- en veldbonen en niet-bittere lupinen, moet aldus worden uitgelegd, dat de eerste koper in beginsel geen recht op uitbetaling van de steun heeft wanneer hij de producent niet de volledige minimumprijs heeft betaald. Deze steun kan echter wel worden uitbetaald wanneer de eerste koper de producent eerst nog het verschil tussen het betaalde bedrag en de minimumprijs betaalt.
Partijen
In zaak C-28/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main, in het aldaar aanhangig geding tussen
Helmut Haneberg GmbH & Co. KG
en
Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 6, lid 5, van verordening (EEG) nr. 3540/85 van de Commissie van 5 december 1985 houdende bepalingen ter uitvoering van de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin- en veldbonen en niet-bittere lupinen (PB 1985, L 342, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, C. N. Kakouris en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Helmut Haneberg GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door B. Festge, advocaat te Hamburg,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Helmut Haneberg GmbH & Co. KG en de Commissie ter terechtzitting van 14 januari 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 februari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 2 januari 1991, ingekomen ten Hove op 28 januari daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 6, lid 5, van verordening (EEG) nr. 3540/85 van de Commissie van 5 december 1985 houdende bepalingen ter uitvoering van de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin- en veldbonen en niet-bittere lupinen (PB 1985, L 342, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Helmut Haneberg GmbH & Co. KG (hierna: "Haneberg") en Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung (hierna: "BALM") over de in de steunregeling voor de verwerking van erwten bedoelde certificaten van aankoop tegen de minimumprijs.
De gemeenschapsregels
3 Ter bescherming van de communautaire produktie is bij verordening (EEG) nr. 1431/82 van de Raad van 18 mei 1982 houdende bijzondere maatregelen voor erwten, tuin- en veldbonen (PB 1982, L 162, blz. 28), een steunregeling ingevoerd voor deze produkten die in de Gemeenschap zijn geoogst en bij de vervaardiging van diervoeding of voor menselijke consumptie worden gebruikt. Volgens die regeling wordt de steun niet rechtstreeks aan de producenten uitbetaald maar, aldus artikel 3, lid 3, "aan de gebruikers van de voornoemde voor menselijke consumptie of voor diervoeding bestemde produkten, die voldoen aan de voorwaarden om aanspraak op steun te kunnen maken, en garanderen dat de producent ten minste de minimumprijs heeft ontvangen", die krachtens genoemde verordening is vastgesteld.
4 Artikel 2 bis van verordening nr. 1431/82, in de versie van verordening (EEG) nr. 1485/85 van de Raad van 23 mei 1985 (PB 1985, L 151, blz. 7), voorziet in maandelijkse verhogingen van de minimumprijs.
5 De algemene modaliteiten voor de toekenning van de steun en de modaliteiten voor de controle zijn neergelegd in verordening (EEG) nr. 2036/82 van de Raad van 19 juli 1982 tot vaststelling van de algemene voorschriften inzake de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin- en veldbonen (PB 1982, L 219, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordeningen (EEG) van de Raad nrs. 1734/84 van 18 juni 1984 (PB 1984, L 164, blz. 3) en 1832/85 van 27 juni 1985 (PB 1985, L 173, blz. 3).
6 Volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2036/82, zoals gewijzigd, deponeert de eerste koper een leverantieverklaring bij de instantie die daartoe is aangewezen door de Lid-Staat waar het produkt is geoogst. Deze verklaring vermeldt onder meer de hoeveelheid door de producent geleverde produkten en de in het contract vermelde prijsvoorwaarden, waaronder met name een prijs die ten minste gelijk is aan de eventueel met de maandelijkse verhogingen vermeerderde minimumprijs (artikel 3, punt 2). Nadat de door de Lid-Staat aangewezen instantie de verklaring heeft geverifieerd, geeft zij aan de eerste koper een certificaat af waarin wordt bevestigd dat aan de producent voor de door hem geleverde hoeveelheid ten minste de minimumprijs is betaald, eventueel aangepast aan de hand van de maandelijkse verhogingen (artikel 4, lid 2).
7 Volgens artikel 5 van die verordening wordt de steun verleend aan elke natuurlijke of rechtspersoon die de betrokken produkten gebruikt, op voorwaarde dat:
° hij bij de door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het produkt is gebruikt aangewezen instantie een aanvraag en het in artikel 4, lid 2, bedoelde certificaat indient,
° de in genoemd certificaat vermelde hoeveelheid werkelijk is gebruikt, na onder controle te zijn gesteld in het bedrijf waar het gebruik heeft plaatsgevonden.
8 De bepalingen ter uitvoering van die regeling zijn met name neergelegd in de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 3540/85. Artikel 6, lid 5, van deze verordening bepaalt:
"Wanneer de Lid-Staten vaststellen dat zij voor een grotere hoeveelheid dan daarvoor in aanmerking kwam certificaten van aankoop tegen de minimumprijs hebben afgegeven, vorderen zij de certificaten voor de hoeveelheden waarvoor deze niet mochten worden afgegeven, terug of, wanneer de certificaten zijn gecedeerd, eisen zij van de eerste koper de betaling van een bedrag dat gelijk is aan het hoogste, op de datum van afgifte van het certificaat geldende steunbedrag, vermenigvuldigd met de hoeveelheid waarvoor geen recht op het certificaat bestond."
Het hoofdgeding
9 Blijkens de verwijzingsbeschikking kocht Haneberg in 1986 erwten, waarna de BALM haar op 22 oktober en 3 november 1986 certificaten van aankoop tegen de minimumprijs afgaf voor 40 329 kg respectievelijk 27 441 kg en na verwerking van de erwten de steun uitbetaalde.
10 Bij een bedrijfscontrole van de BALM bij Haneberg in november 1987 bleek, dat voor de betrokken hoeveelheden enkel de eigenlijke minimumprijs van 68,29 DM per 100 kg was betaald, zonder de maandelijkse verhoging van 0,43 DM per 100 kg.
11 Bij beschikking van 18 april 1988 gelastte de BALM Haneberg, onder verwijzing naar artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3540/85, de certificaten van aankoop tegen de minimumprijs over te leggen of anders een bedrag van 25 570,37 DM te betalen.
12 Haneberg stelde tegen deze beschikking beroep in bij het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen heeft voorgelegd:
"1) Moet artikel 6, lid 5, van verordening (EEG) nr. 3540/85 van de Commissie van 5 december 1985 (PB 1985, L 342, blz. 1) aldus worden uitgelegd, dat het certificaat van aankoop tegen de minimumprijs ook dan kan worden teruggevorderd, wanneer de minimumprijs niet werd betaald?
13 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke gemeenschapsbepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De prejudiciële vragen
14 Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of basisverordening nr. 1431/85 en uitvoeringsverordening nr. 3540/85 aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer aan de producent minder dan de minimumprijs is betaald, de eerste koper geen recht heeft op het voorziene steunbedrag, dan wel de met de geleverde hoeveelheid overeenkomende steun kan ontvangen, mits hij althans aan de producent het verschil tussen het betaalde bedrag en de minimumprijs betaalt.
15 Artikel 8, lid 2, van verordening nr. 3540/85 bepaalt:
"In geval van twijfel over de juistheid van de vermeldingen die op het certificaat van aankoop tegen de minimumprijs voorkomen, wordt het certificaat, op initiatief van de belanghebbende of op dat van de bevoegde dienst van de betrokken Lid-Staat, naar de instantie van afgifte teruggezonden.
Indien de instantie van afgifte meent dat er genoegzame aanleiding bestaat voor verbetering, trekt zij het certificaat in en geeft zij onverwijld een verbeterd certificaat af. Dit nieuwe document draagt op elk exemplaar de vermelding 'op [datum] verbeterd certificaat' .
Indien de instantie van afgifte de verbetering van het certificaat van aankoop tegen de minimumprijs niet noodzakelijk acht, wordt door haar daarop de vermelding 'geverifieerd op [datum]' alsmede haar stempel aangebracht."
16 Dit artikel voorziet dus in de mogelijkheid van een verbetering indien twijfel bestaat over de juistheid van de vermeldingen op het certificaat van aankoop tegen de minimumprijs.
17 De Commissie is van mening dat, wanneer minder dan de minimumprijs is betaald, artikel 8, lid 2, van verordening nr. 3540/85 niet van toepassing is, omdat op het certificaat van aankoop tegen minimumprijs niet de prijs in cijfers wordt vermeld, zodat aan de "juistheid" van een dergelijke vermelding niet kan worden getwijfeld. In een geval als bedoeld in het hoofdgeding, zou een verbetering van het certificaat dus niet mogelijk zijn.
18 Op het certificaat, waarvan het model in bijlage II bij verordening nr. 3540/85 is opgenomen, wordt de betaalde prijs inderdaad niet vermeld. In vak 7 van dat certificaat wordt echter bevestigd, "dat aan de producent voor de in vak 5 aangegeven hoeveelheid ten minste de minimumprijs is betaald". Is die vermelding onjuist, dan dient het aankoopcertificaat tegen minimumprijs overeenkomstig artikel 8, lid 2, van verordening nr. 3540/85 te worden verbeterd.
19 Artikel 8, lid 2, van verordening nr. 3540/85 volstaat evenwel niet voor een nuttig antwoord op de prejudiciële vraag; die bepaling voorziet namelijk alleen in de verbetering van het certificaat om het met de werkelijkheid in overeenstemming te brengen, en niet in de betaling van het verschil met de minimumprijs, die het logisch gevolg is van de verbetering van het certificaat.
20 Uit die bepaling volgt echter, dat het aankoopcertificaat tegen minimumprijs na afgifte door de bevoegde instantie niet onaantastbaar is en dat in geval van twijfel over de juistheid van de vermeldingen op het certificaat, verbeteringen mogelijk zijn, zodat de bevoegde instantie het juiste steunbedrag kan uitbetalen.
21 Artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3540/85 verhoudt zich volgens de Commissie tot artikel 8, lid 2, als een lex specialis. In de eerste plaats zou artikel 6, lid 5, van die verordening enkel gelden wanneer de producent een andere hoeveelheid heeft geleverd dan die welke in het certificaat van aankoop tegen de minimumprijs is vermeld, en niet wanneer minder is betaald dan de eventueel met een maandelijkse verhoging vermeerderde minimumprijs. In dit laatste geval zou deze bepaling dus noch rechtstreeks, noch op overeenkomstige wijze kunnen worden toegepast.
22 Artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3540/85 ziet op het geval waarin de op het certificaat van aankoop tegen de minimumprijs aangegeven hoeveelheid peulvruchten groter is dan de werkelijk geleverde hoeveelheid, en niet op dat waarin weliswaar geen twijfel over de geleverde hoeveelheid bestaat, maar de producent niet de daarmee overeenkomende, eventueel met de maandelijkse verhogingen vermeerderde minimumprijs heeft ontvangen.
23 Artikel 6, lid 5, voorziet voor het bijzondere geval van een verschil tussen de op het certificaat van aankoop tegen minimumprijs aangegeven hoeveelheid en de geleverde hoeveelheid in een correctiemechanisme, waarbij de steun niet volledig moet worden teruggegeven, doch de instantie van afgifte het certificaat van aankoop tegen de minimumprijs enkel terugvordert voor de hoeveelheden waarvoor het niet mocht worden afgegeven, of de eerste koper, ingeval die instantie meer dan de verschuldigde steun heeft uitbetaald, het teveel betaalde teruggeeft.
24 Hierbij moet worden aangetekend, dat in het in artikel 6, lid 5, bedoelde geval de producent steeds de met de geleverde hoeveelheden overeenkomende minimumprijs heeft ontvangen.
25 Daaruit volgt, dat artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3540/85 een beperkte draagwijdte heeft, en dat verbetering uitsluitend mogelijk is wanneer er een verschil is tussen de geleverde hoeveelheid en de in het certificaat van aankoop tegen minimumprijs vermelde hoeveelheid, aan welk geval specifieke rechtsgevolgen zijn verbonden. Die bepaling kan dus niet op overeenkomstige wijze worden toegepast wanneer aan de producent niet de minimumprijs werd betaald.
26 In de tweede plaats stelt de Commissie, dat wanneer de producent minder heeft ontvangen dan de met de maandelijkse verhogingen vermeerderde minimumprijs, het certificaat van aankoop tegen minimumprijs in zijn geheel ten onrechte is afgegeven, zodat het ten onrechte toegekende steunbedrag volledig moet worden teruggevorderd.
27 Deze uitlegging heeft met name het grote nadeel, dat zij niet beantwoordt aan het doel van de gemeenschapsregeling, dat volgens de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 1431/82 erin bestaat, de steun de landbouwers ten goede te laten komen, zodat hij alleen mag worden toegekend wanneer vaststaat dat de landbouwers ten minste de minimumprijs hebben ontvangen.
28 Voorts zou die uitlegging ertoe leiden, dat de eerste koper de steun, waarvan het bedrag in de aan de producent betaalde prijs is vervat, voor zijn rekening zou moeten nemen, terwijl hij onder de betrokken regeling in feite slechts een tussenpersoon is tussen de bevoegde nationale instantie en de producent, voor wie de steun uiteindelijk is bestemd. Dat gevolg zou volstrekt onaanvaardbaar zijn wanneer de tussenpersoon geen bedrog heeft gepleegd.
29 In dergelijke gevallen moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met het doel van de regeling, dat, zoals gezegd, erin bestaat, de door de bevoegde instantie toegekende steun de producent ten goede te laten komen.
30 Gelet op deze doelstelling zij erop gewezen, dat uit artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3540/85, ofschoon daarin alleen het bijzondere geval van een onjuistheid in de aangegeven hoeveelheid wordt genoemd, de bedoeling van de wetgever blijkt om te voorzien in een correctiemechanisme voor het geval dat de certificaten van aankoop tegen minimumprijs onjuistheden bevatten.
31 Op deze kerngedachte van de regeling is hierboven reeds gewezen in verband met artikel 8, lid 2, van de verordening, dat in de verbetering voorziet van andere onjuiste vermeldingen in het certificaat, bij voorbeeld de omschrijving van het produkt, het verkoopseizoen of de bevestiging door de instantie van afgifte, "dat aan de producent (...) ten minste de minimumprijs is betaald".
32 In een niet uitdrukkelijk geregeld geval, zoals dat van het hoofdgeding, moet voor de uitlegging van de gemeenschapsregeling worden uitgegaan van de grondgedachte en het systeem van de regeling, die tot doel heeft te verzekeren, dat de producent ten minste de minimumprijs ontvangt.
33 Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat verordening (EEG) nr. 3540/85 van de Commissie van 5 december 1985 houdende bepalingen ter uitvoering van de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin- en veldbonen en niet-bittere lupinen, aldus moet worden uitgelegd, dat de eerste koper in beginsel geen recht op uitbetaling van de steun heeft wanneer hij de producent niet de volledige minimumprijs heeft betaald. Deze steun kan echter wel worden uitbetaald wanneer de eerste koper de producent eerst nog het verschil tussen het betaalde bedrag en de minimumprijs betaalt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
34 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main bij beschikking van 2 januari 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Verordening (EEG) nr. 3540/85 van de Commissie van 5 december 1985 houdende bepalingen ter uitvoering van de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin- en veldbonen en niet-bittere lupinen, moet aldus worden uitgelegd, dat de eerste koper in beginsel geen recht op uitbetaling van de steun heeft wanneer hij de producent niet de volledige minimumprijs heeft betaald. Deze steun kan echter wel worden uitbetaald wanneer de eerste koper de producent eerst nog het verschil tussen het betaalde bedrag en de minimumprijs betaalt.
Full & Egal Universal Law Academy