Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Visserij ° Instandhouding van rijkdommen van de zee ° Stelsel van vangstquota ° Vaststelling door Lid-Staten van voorschriften voor gebruik van quota ° Grenzen ° Overeenstemming met gemeenschapsrecht ° Controleverplichtingen van Lid-Staten ° Voorlopige sluiting van visserij op juiste moment om quotaoverschrijdingen te voorkomen
(Verordeningen van de Raad nr. 2057/82, art. 10, lid 2, en nr. 170/83, art. 5, lid 2)
Samenvatting
Weliswaar kunnen de Lid-Staten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden, voorschriften voor het gebruik van de hun toegekende quota vaststellen, maar deze bepaling verlangt ook dat de vaststelling van de nationale voorschriften plaatsvindt in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen. Hieruit volgt, dat de Lid-Staten deze voorschriften niet kunnen vaststellen zonder te voldoen aan de op hen rustende verplichtingen, met name wat betreft de voorlopige sluiting van de visserij, zoals die ter voorkoming van quotaoverschrijdingen is voorgeschreven door artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2057/82 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten.
De Lid-Staten, waaraan de communautaire regeling de middelen verschaft om snel over de werkelijke stand van de vangsten te worden ingelicht, dienen te zorgen voor een snelle inzameling van gegevens, waardoor zij in staat zijn tijdig tot voorlopige sluiting van de visserij te besluiten om quotaoverschrijdingen te voorkomen. Een Lid-Staat kan zich, ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van zijn verplichtingen ter zake, niet ten exceptieve beroepen op bepalingen, praktijken of situaties van zijn nationale rechtsorde.
Partijen
In zaak C-52/91,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. C. Fischer als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan en T. Heukels, beiden assistent-juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade, Rue C. M. Spoo 5,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door de voor 1986 aan Nederland toegekende vangstquota te overschrijden, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 10, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten (PB 1982, L 220, blz. 1), in samenhang met verordening (EEG) nr. 2374/86 van de Raad van 24 juli 1986 houdende vierde wijziging van verordening (EEG) nr. 3721/85 inzake de vaststelling van de voor 1986 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden en bepaalde bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften (PB 1986, L 206, blz. 4),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, waarnemend voor de president, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Zuleeg, kamerpresidenten, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 2 februari 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 maart 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 februari 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk der Nederlanden, door de voor 1986 aan Nederland toegekende vangstquota te overschrijden, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 10, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten (PB 1982, L 220, blz. 1; hierna: "de controleverordening"), in samenhang met verordening (EEG) nr. 2374/86 van de Raad van 24 juli 1986 houdende vierde wijziging van verordening (EEG) nr. 3721/85 inzake de vaststelling van de voor 1986 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden en bepaalde bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften (PB 1986, L 206, blz. 4; hierna: de "vierde verordening tot wijziging van de quotaverordening voor 1986").
2 Bij verordening (EEG) nr. 170/83 van 25 januari 1983 heeft de Raad een communautaire regeling ingesteld voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 1; hierna: de "instandhoudingsverordening"). Op grond van de artikelen 2, 3, en 4 van deze verordening kunnen vangstbeperkingen worden vastgesteld. De beschikbare vangsthoeveelheden wordt jaarlijks in de vorm van quota onder de Lid-Staten verdeeld. Artikel 5, lid 2, van de verordening bepaalt dat de Lid-Staten, in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen, de voorschriften vaststellen voor het gebruik van de hun toegewezen quota.
3 Voor 1986 waren de quota vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3721/85 van de Raad van 20 december 1985 (PB 1985, L 361, blz. 5; hierna: de "quotaverordening voor 1986", die vervolgens viermaal is gewijzigd, het laatst bij verordening nr. 2374/86 (reeds aangehaald).
4 De controleverordening schrijft bepaalde maatregelen voor ten aanzien van de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten. Volgens artikel 1, lid 1, van deze verordening inspecteert elke Lid-Staat in zijn wateren de vissersvaartuigen van alle Lid-Staten teneinde te waarborgen, dat alle geldende regelingen met betrekking tot de instandhoudings- en controlemaatregelen worden nageleefd. Ingevolge artikel 1, lid 2, zijn de bevoegde autoriteiten gehouden, in geval van overtreding de nodige strafrechtelijke of administratieve stappen tegen de kapitein van het betrokken vaartuig te nemen. Voorts bepaalt artikel 9 van de verordening, dat iedere Lid-Staat de Commissie maandelijks mededeling doet van de in de voorafgaande maand aangelande hoeveelheden van elk bestand of elke groep bestanden, waarvoor een quotum geldt, met vermelding van de plaats van de vangsten en de nationaliteit van de betrokken vissersvaartuigen.
5 Volgens artikel 10, lid 1, van de controleverordening worden alle vangsten door vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of in een Lid-Staat zijn geregistreerd, uit bestanden waarvoor quota gelden, ongeacht de plaats van aanlanding, in mindering gebracht op het quotum van die Lid-Staat. Ingevolge artikel 10, lid 2, dient iedere Lid-Staat de datum vast te stellen waarop, ten gevolge van de vangsten uit aan een quota onderworpen bestand of groep bestanden, verricht door vissersvaartuigen die de vlag van de betrokken Lid-Staat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt. Met ingang van die datum dient de Lid-Staat een voorlopig verbod uit te vaardigen op het vangen van vis uit dat bestand of die groep bestanden, alsmede op het aan boord houden, overladen en lossen voor zover de vangsten na die datum zijn gedaan. Deze maatregel moet onverwijld worden medegedeeld aan de Commissie, die de overige Lid-Staten hiervan in kennis stelt.
6 Aangezien de grieven die de Commissie tegen het Koninkrijk der Nederlanden heeft aangevoerd met betrekking tot de naleving van deze bepalingen, in de loop van de procedure steeds zijn gewijzigd, dient de betrokken gang van zaken te worden nagegaan teneinde het voorwerp van het beroep wegens niet-nakoming waarover het Hof zich uiteindelijk moet uitspreken, af te bakenen.
7 Op 2 oktober 1986 zond de Commissie de Nederlandse regering een aanmaningsbrief ter zake van de overschrijding van drie quota die Nederland voor het jaar 1986 waren toegekend, alsmede ter zake van zes gevallen waarin was gevist op bepaalde soorten vis in diverse gebieden, waarvoor Nederland geen quota waren toegekend. De Commissie behield zich het recht voor, deze cijfers te wijzigen indien zij nadere gegevens zou ontvangen. In elk geval meende zij dat deze overschrijdingen het gevolg waren van schending van artikel 5, lid 2, van de instandhoudingsverordening, van verscheidene bepalingen van de quotaverordening voor 1986 en van de artikelen 1 en 10 van de controleverordening. Zij verzocht te worden ingelicht over de strafrechtelijke of administratieve stappen tegen de kapiteins van de vaartuigen die voor deze vangsten verantwoordelijk waren.
8 De Nederlandse regering antwoordde hierop bij brief van 17 februari 1987. Zij erkende de overschrijdingen, maar stelde dat deze niet het gevolg waren van de niet-inachtneming door Nederland van de communautaire vangstbeperkende maatregelen. Zij zouden te wijten zijn aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de Nederlandse regering, zoals illegale vangsten of onjuiste opgaven door vissers of het feit dat gegevens betreffende de aanlandingen pas na de officiële sluiting van de visserij ter kennis van de nationale autoriteiten waren gebracht. De Nederlandse regering zette vervolgens nader uiteen, welke maatregelen zij ten uitvoer had gelegd ter controle van de visserij.
9 Op 13 mei 1987 zond de Commissie de Nederlandse regering een brief waarin zij, na vermelding van dezelfde verordeningen als die genoemd in de aanmaningsbrief, deze keer melding maakte van veertien gevallen van quota-overschrijding door Nederland, dat wil zeggen elf gevallen meer dan die genoemd in de aanmaningsbrief, en van twaalf gevallen van visvangst op bestanden waarvoor Nederland geen enkel quotum was toegekend, dat wil zeggen zes gevallen meer dan aanvankelijk genoemd. In haar antwoord van 7 juli 1987 zette de Nederlandse regering nogmaals uiteen welke maatregelen zij had genomen om de naleving van de communautaire voorschriften te verzekeren.
10 Op 21 november 1988 zond de Commissie de Nederlandse autoriteiten een met redenen omkleed advies. Dit had betrekking op de overschrijding van twaalf quota, te weten die vermeld in haar brief van 13 mei 1987, behalve de overschrijdingen van de kabeljauw- en schelvisquota in bepaalde gebieden, die als te gering werden beschouwd. De Commissie meende dat deze overschrijdingen aan twee oorzaken te wijten waren. In de eerste plaats had de Nederlandse regering zich niet gehouden aan de ingevolge artikel 1 van de controleverordening op haar rustende verplichting om inspecties uit te voeren en overtredingen te bestraffen. Voorts moest de Nederlandse regering ervoor verantwoordelijk worden gehouden, dat zij niet tijdig een vangstverbod had uitgevaardigd. Het advies concludeerde, dat het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet was nagekomen die op hem rustten krachtens artikel 5, lid 2, van de instandhoudingsverordening en de artikelen 1 en 6 tot en met 10 van de controleverordening, in samenhang met de quotaverordening voor 1986.
11 Bij brieven van 9 januari 1989 en 13 juni 1990 antwoordde de Nederlandse regering op deze grieven.
12 De Commissie kon met deze antwoorden geen genoegen nemen, waarop zij het onderhavige beroep heeft ingesteld.
13 In haar verzoekschrift verklaart de Commissie, af te zien van de grief betreffende het vissen op bestanden waarvoor Nederland geen quota waren toegekend, en spitst zij haar bezwaren toe op de twaalf gevallen van quota-overschrijding. Dienaangaande verwijt zij Nederland, in tien gevallen de visserij niet te hebben gesloten en daartoe in twee andere gevallen te laat te zijn overgegaan. Zij ziet hierin een niet-nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 10, lid 2, van de controleverordening en de quotaverordeningen voor 1986. Zij ziet er voorts van af, eventuele nalatigheden ter zake van de vervolging en de bestraffing van overtredingen aan te voeren.
14 Na van de verweermiddelen van de Nederlandse regering kennis te hebben genomen, erkent de Commissie in repliek zich in haar verzoekschrift te hebben vergist, aangezien voor negen van de tien quota ten aanzien waarvan zij de Nederlandse regering verweet de visserij niet te hebben gesloten, een voorlopig vangstverbod was uitgevaardigd. Zij merkt echter op dat de Nederlandse autoriteiten hebben nagelaten, haar zeven van deze vangstverboden mee te delen, zoals artikel 10, lid 2, van de controleverordening verlangt. Wat de quota betreft waarvoor geen enkel verbod was uitgevaardigd, te weten voor haring in de sectoren IVc (het zuidelijke gedeelte van de Noordzee) en VIId (het oostelijke gedeelte van het Kanaal), laat zij haar grieven vallen. Zij is hoe dan ook van oordeel dat in de elf in geding blijvende gevallen de voorlopige vangstverboden overschrijding van de quota niet hebben kunnen beletten en derhalve hun doel hebben gemist.
15 Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie afstand gedaan van de grief ontleend aan het verzuim, mededeling te doen van de voorlopige vangstverboden, en verklaard dat alleen de grief ter zake van de te late sluiting van de visserij, en derhalve de niet-naleving van artikel 10, lid 2, van de controleverordening, ten aanzien van de elf quota werd gehandhaafd. Van die elf quota werden er twee genoemd in de aanmaningsbrief en negen in de rectificatiebrief van 13 mei 1987.
16 Uit een en ander moet worden afgeleid, dat het beroep van de Commissie thans beperkt is tot een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door de overschrijdingen van elf vangstquota die Nederland voor 1986 waren toegekend, de krachtens artikel 10, lid 2, van de controleverordening op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
17 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De ontvankelijkheid van het beroep
18 Ter terechtzitting heeft de Nederlandse regering betoogd, dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het petitum van het verzoekschrift betrekking heeft op schending van de verordening houdende vierde wijziging van de quotaverordening voor 1986, welke wijzigingsverordening betrekking heeft op het quotum voor haring in sector IIIa (Skagerrak en Kattegat), dat aan Nederland niet was toegekend en waarop Nederlandse onderdanen niet hadden gevist.
19 Deze exceptie is zonder voorwerp. Ter terechtzitting heeft de Commissie haar grieven immers beperkt tot de niet-nakoming van een bepaling van de controleverordening.
De grief ontleend aan de te late sluiting van de visserij
20 Vooraf moet het argument van de Nederlandse regering worden onderzocht volgens hetwelk, bij gebreke van communautaire bepalingen, de vaststelling van voorschriften voor het gebruik van de quota, en dus de organisatie van de controle en de registratie van de vangsten, volledig onder de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten vallen. De Nederlandse regering baseert zich hiervoor op artikel 5, lid 2, van de instandhoudingsverordening.
21 Dit argument faalt. Weliswaar kunnen de Lid-Staten krachtens voornoemde bepaling voorschriften voor het gebruik van de quota vaststellen, maar deze bepaling verlangt ook dat de vaststelling van de nationale voorschriften plaatsvindt in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen. Hieruit volgt dat de Lid-Staten deze voorschriften niet kunnen vaststellen zonder te voldoen aan de op hen rustende verplichtingen, met name wat betreft de door artikel 10, lid 2, van de controleverordening voorgeschreven voorlopige sluiting van de visserij.
22 De Nederlandse regering betoogt voorts dat bij de beoordeling van het gedrag van de nationale autoriteiten ter zake van de voorlopige sluiting van de visserij, alleen rekening kan worden gehouden met de cijfers waarmee die autoriteiten bekend waren op het moment waarop zij hun beslissingen namen, en niet met de gegevens die later zijn meegedeeld en waaruit blijkt dat op het moment waarop de beslissingen werden genomen, de quota reeds waren overschreden. Zij stelt dienaangaande dat zij, toen zij besloot de visserij te sluiten, niet beschikte over de definitieve cijfers betreffende de overschrijdingen zoals de Commissie deze in haar brieven van 2 oktober 1986 en 13 mei 1987 heeft vermeld. Volgens de Nederlandse regering kunnen deze cijfers derhalve niet tegen haar worden gebruikt.
23 Om de gegrondheid van dit argument te beoordelen moeten de elf litigieuze quota worden verdeeld in drie groepen, uitgaande van de gegevens die de Nederlandse regering stelt te hebben gekend op het moment waarop zij besloot de visserij te sluiten, en de werkelijke situatie van de vangsten op dat moment volgens de door de Commissie overgelegde cijfers.
De eerste groep quota
24 De eerste groep omvat de quota waarvoor de cijfers van de Commissie niet behoeven te worden geraadpleegd, omdat uit de door de Nederlandse regering verstrekte gegevens blijkt dat zij de visserij voorlopig heeft gesloten op een tijdstip waarop zij wist dat de quota reeds waren uitgeput.
25 Het gaat hierbij in de eerste plaats om de vangsten van tong in sector VIII (EG-zone) (meestal Golf van Biskaje genoemd), waarvoor aan Nederland in 1986 een quotum van 105 ton was toegekend en op 2 april 1986 een voorlopig vangstverbod werd uitgevaardigd, ofschoon de Nederlandse autoriteiten op 18 maart reeds vangsten ten belope van 161 ton hadden geregistreerd. Hetzelfde geldt voor de vangsten van wijting in sector VII, behalve sector VIIa (dat wil zeggen het westen van Ierland en Porcupine Bank, de zuidkust van Ierland, het Bristolkanaal en het Kanaal), waarvoor een quotum van 100 ton was toegekend en waarvoor een besluit tot voorlopige sluiting werd vastgesteld op 29 april 1986, ofschoon de Nederlandse autoriteiten op 15 april reeds 117 ton vangsten hadden geregistreerd. Hetzelfde geldt ook voor de vangsten van schelvis in sector IIIa, b, c en d (EG-zone) (Skagerrak, Kattegat, Sont, Belten en Baltische Zee), waarvoor het quotum 10 ton bedroeg en waarvoor een besluit tot voorlopige sluiting werd vastgesteld op 3 juli 1986, ofschoon de Nederlands autoriteiten al sedert 15 juni wisten dat dit quotum was overschreden. Hetzelfde geldt tenslotte ook voor de vangsten van wijting in de sectoren IIa (EG-zone) (Noorse zee) en IV (Noordzee), waarvoor een quotum van 12 422 ton was toegekend en waarvoor de voorlopige sluiting werd uitgevaardigd op 10 december 1986, ofschoon de Nederlandse autoriteiten op dat moment wisten dat dit quotum reeds was uitgeput.
26 Blijkens de arresten van 20 maart 1990 (zaak C-62/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1990, blz. I-925, r.o. 17 en 18) en 31 januari 1991 (zaak C-244/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1991, blz. I-163, r.o. 17) volgt uit artikel 10, lid 2, van de controleverordening, dat de Lid-Staten tijdig alle maatregelen moeten nemen die nodig zijn om overschrijding van de betrokken quota te voorkomen, teneinde met het oog op de instandhouding van de visbestanden de inachtneming van de aan de Lid-Staten toegewezen quota te verzekeren. Derhalve zijn de Lid-Staten gehouden om, nog voordat de quota zijn uitgeput, dwingende maatregelen te treffen om alle visserijactiviteiten voorlopig te verbieden.
27 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Nederlandse regering, door voor de vier betrokken quota de visserij te sluiten op een moment waarop de overschrijding haar bekend was, klaarblijkelijk te laat de door artikel 10, lid 2, van de controleverordening voorgeschreven maatregelen heeft getroffen.
De tweede groep quota
28 De tweede groep omvat zes quota waarvoor de vangstcijfers op basis waarvan de Nederlandse regering tot voorlopige sluiting van de visserij heeft besloten, niet blijk geven van een overschrijding. De Commissie heeft de cijfers overgelegd van de werkelijke vangsten op de datum waarop de voorlopige vangstverboden werden uitgevaardigd, die een overschrijding zouden aantonen. Het Koninkrijk der Nederlanden heeft hierop geantwoord dat die gegevens pas bekend waren nadat tot sluiting van de visserij was besloten.
29 Zo besloot de Nederlandse regering voor makreel in de sectoren II (met uitzondering van de EG-zone, te weten de Noorse zee, Spitsbergen en Bereneiland), Vb (EG-zone, Faeroeer), VI (Rockall en het westen van Schotland), VII, VIII (EG-zone) en XII (Noord-Azoren), waarvoor het quotum 31 170 ton bedroeg, op 2 juni 1986 tot sluiting van de visserij, op basis van gegevens die melding maakten van vangsten ten belope van 22 271 ton, terwijl volgens de gegevens van de Commissie in mei 51 312 ton van deze vis was gevangen. Voor schol in de sector IIIa (Skagerrak en Kattegat), waarvoor het quotum 2 170 ton bedroeg, werd op 13 augustus 1986 de sluiting uitgevaardigd op basis van gegevens volgens welke op dat moment een hoeveelheid van 2 160 ton was gevangen, terwijl volgens de Commissie de vangsten in juni reeds 2 752 ton bedroegen. Wat betreft makreel in de sectoren IIa (EG-zone), IIIa, IIIb, c en d (EG-zone) (Sont, Belten en Baltische Zee) en IV, waarvoor het quotum 1 200 ton bedroeg, besloot Nederland op 10 oktober 1986 tot sluiting van de visserij, ofschoon het op dat moment vangsten ten belope van 919 ton had geregistreerd; evenwel waren op dat zelfde moment reeds 1 746 ton opgevist. Wat betreft haring in de sectoren VIa (Rockall) en VIIb en c (het westen van Ierland en Porcupine Bank), waarvoor het quotum 1 550 ton bedroeg, besloot de Nederlandse regering op 31 oktober 1986 de visserij te sluiten, uitgaande van een vangst van slechts 1 391 ton, terwijl volgens de gegevens van de Commissie op dat moment de vangsten reeds 2 109 ton bedroegen. Voor haring in de sectoren Vb (EG-zone), VIa (westen van Ierland) en VIb (Rockall), waarvoor het quotum op 5 160 ton was vastgesteld, verklaart de Nederlandse regering dat zij op het moment waarop zij op 21 november 1986 tot de voorlopige sluiting van de visserij besloot, op de hoogte was van vangsten ten belope van 4 763 ton, terwijl volgens de gegevens van de Commissie op dat moment reeds 8 314 ton was opgevist. Wat betreft kabeljauw in de sectoren IIa (EG-zone) en IV, waarvoor het quotum 18 670 ton bedroeg, heeft de Nederlandse regering op 21 november 1986 tot sluiting van de visserij besloten omdat zij op de hoogte was van vangsten ten belope van 16 264 ton, terwijl op dat moment de vangsten 22 276 ton bedroegen.
30 Ter rechtvaardiging van de verschillen tussen haar cijfers en die van de Commissie voert de Nederlandse regering drie argumenten aan.
31 In de eerste plaats zet zij uiteen, dat zij bij de beslissing tot sluiting van de visserij rekening houdt met drie factoren: in de eerste plaats de gegevens die beschikbaar zijn over de reeds gedane en geregistreerde vangsten, voorts de ramingen van reeds gedane maar nog niet geregistreerde vangsten, en ten slotte de verwachtingen ten aanzien van de vóór de datum van inwerkingtreding van de sluiting nog te vangen hoeveelheden. De besluitvorming zou dus voor een belangrijk deel op basis van schattingen plaatsvinden, hetgeen zou verklaren dat de definitieve vangstcijfers soms hoger liggen dan de cijfers die bij de sluiting bekend zijn.
32 In de tweede plaats betoogt de Nederlandse regering, dat er een zekere tijd verstrijkt tussen de aanlanding en de registratie van de vangsten. Zij zet uiteen dat in haar systeem de aanlandingen in beginsel eens per maand, in de regel rond de vijftiende, aan het Ministerie van Landbouw en Visserij worden meegedeeld. Aldus verkrijgen de nationale autoriteiten inzicht in de stand van de visvangst tot aan het einde van de vorige maand. Dat bij de maandelijkse meldingen een zeker tijdsverloop optreedt, zou niet abnormaal zijn. Dienaangaande wijst de Nederlandse regering erop dat artikel 9 van de controleverordening in een soortgelijk systeem voorziet voor de mededeling van de aanlandingen aan de Commissie.
33 In de derde plaats merkt de Nederlandse regering op, dat er soms grote aanlandingen in andere Lid-Staten plaatsvinden en dat het informatiestelsel van de Commissie in 1986 met vertraging heeft gewerkt: zo duurde het in de regel een maand voordat de gegevens over de aanlandingen van Nederlandse vissersvaartuigen in andere Lid-Staten ter kennis van de nationale autoriteiten kwamen, waardoor met deze informatie onmogelijk rekening kon worden gehouden bij de beslissingen over de voorlopige sluiting van de visserij.
34 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de verschillen tussen de cijfers die de Nederlandse regering verklaart te hebben gekend op het moment waarop zij haar besluiten tot sluiting van de visserij nam en de door de Commissie verstrekte en door Nederland niet betwiste definitieve vangstcijfers op dat moment, aanzienlijk zijn.
35 Voor deze grote verschillen zijn slechts twee verklaringen mogelijk: of de vangsten werden te laat geregistreerd, of de Nederlandse regering heeft de omvang van de vangsten die nog niet waren geregistreerd of in de loop van de procedure tot voorlopige sluiting zouden worden geregistreerd, niet goed geschat.
36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een Lid-Staat zich, ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit communautaire voorschriften voortvloeiende verplichtingen en termijnen, niet ten exceptieve beroepen op bepalingen, praktijken of situaties van zijn nationale rechtsorde.
37 In ieder geval verschafte de communautaire regeling de Nederlandse autoriteiten de middelen om snel over de werkelijke stand van de vangsten te worden ingelicht.
38 Zo volgt uit punt 4.2.1 van bijlage IV bij verordening (EEG) nr. 2807/83 van de Commissie van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de Lid-Staten (PB 1983, L 276, blz. 1), dat bij aanvoer in een haven van de Lid-Staat waarvan het vaartuig de vlag voert of waar het is geregistreerd, het originele formulier, onderscheidenlijk de originele formulieren van het logboek, waarin de hoeveelheden gevangen en aan boord bewaarde vis zijn vermeld, en de aangifte van aanvoer binnen 48 uur na afloop van de lossing door de kapitein van het vaartuig moeten worden afgegeven of toegezonden aan de bevoegde instanties van zijn Lid-Staat. Door dit systeem kunnen de vangsten derhalve nagenoeg op het moment van aanvoer worden geregistreerd. Bovendien bepaalt bijlage VIII bij deze verordening, dat wanneer de produkten meer dan 15 dagen na de vangst worden aangevoerd of overgeladen, de hoeveelheden die van elke soort zijn gevangen en aan boord gehouden of overgeladen, dan wel aangevoerd buiten de visserijzone van de Gemeenschap, alsmede het gebied waar de vangsten zijn gedaan, moeten worden doorgeseind via de radiostations waarmee het vaartuig normaal in verbinding staat. Vervolgens moet de kapitein van het vaartuig de nodige maatregelen treffen opdat de aan de radiostations doorgeseinde gegevens schriftelijk aan de bevoegde instantie worden doorgegeven. Door dit systeem kunnen de nationale autoriteiten derhalve kennis nemen van vangsten op grote afstand, nog voordat deze zijn aangevoerd.
39 Bijgevolg moeten de tegenwerpingen van de Nederlandse regering worden verworpen en moet worden vastgesteld dat de Nederlandse regering, indien zij voor een snelle inzameling van de vangstgegevens had gezorgd, voor de betrokken zes quota eerder de door artikel 10, lid 2, van de controleverordening voorgeschreven maatregelen had kunnen nemen.
De derde groep
40 De derde groep heeft slechts betrekking op één quotum, namelijk dat voor tong in de sectoren IIIa en IIIb, c en d (EG-zone), ter grootte van 50 ton.
41 Voor dit quotum heeft de Commissie niet de cijfers overgelegd van de vangsten tot 17 april 1986, de datum waarop Nederland besloot de visserij te sluiten, maar de totale cijfers voor alle vangsten in dat jaar, te weten 111 ton.
42 Zoals werd overwogen in het arrest van 5 augustus 1989 (zaak 290/87, Commissie/Nederland, Jurispr. 1989, blz. 3083, r.o. 13), kan het Hof in dat geval niet uitmaken of de geconstateerde overschrijdingen zijn veroorzaakt door een te late sluiting van de visserij of door illegale vangsten na het besluit van de nationale autoriteiten.
43 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Commissie voor dit quotum de door haar gestelde niet-nakoming niet heeft aangetoond.
44 Blijkens het voorgaande moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 10, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten, door in 1986 niet tijdig de visserij te sluiten voor tong in de sector VIII (EG-zone), wijting in de sector VII, behalve VIIa, schelvis in de sector IIIa, b, c, d (EG-zone), wijting in de sectoren IIa (EG-zone) en IV, makreel in de sectoren II, Vb (EG-zone), VI, VII, VIII (EG-zone) en XII, schol in sector IIIa, makreel in de sectoren IIa (EG-zone), IIIa, IIIb, c, d (EG-zone) en IV, haring in de sectoren VIa (Rockall) en VIIb, c, haring in de sectoren Vb (EG-zone), VIa en VIb, en kabeljauw in de sector IIa (EG-zone) en IV.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
45 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 69, lid 3, kan het Hof evenwel de kosten over de partijen verdelen wegens bijzondere redenen.
46 In de onderhavige zaak moet van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt. Het is immers duidelijk dat de Commissie het onderhavige beroep zonder voldoende vooronderzoek heeft ingesteld, waardoor zij haar grieven voortdurend moest wijzigen en de verdediging van de Nederlandse regering werd bemoeilijkt. Derhalve moeten de kosten worden verdeeld.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
rechtdoende, verstaat:
1) Het Koninkrijk der Nederlanden is de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 10, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten, door in 1986 niet tijdig de visserij te sluiten voor tong in de sector VIII (EG-zone), wijting in de sector VII, behalve VIIa, schelvis in de sector IIIa, b, c, d (EG-zone), wijting in de sectoren IIa (EG-zone) en IV, makreel in de sectoren II, Vb (EG-zone), VI, VII, VIII (EG-zone) en XII, schol in sector IIIa, makreel in de sectoren IIa (EG-zone), IIIa, IIIb, c, d (EG-zone) en IV, haring in de sectoren VIa (Rockall) en VIIb, c, haring in de sectoren Vb (EG-zone), VIa en VIb, en kabeljauw in de sector IIa (EG-zone) en IV.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) Elk der partijen zal haar eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy