Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° EOGFL ° Goedkeuring van rekeningen ° Vaststelling door Hof van onregelmatige praktijken in Lid-Staat, die gedurende meerdere jaren zijn voortgezet ° Weigering van financiering van uitgaven in later jaar ° Verzoek van Commissie om verificaties ter plaatse toe te staan door Lid-Staat afgewezen ° Bewijslast rustend op die Lid-Staat
2. Landbouw ° EOGFL ° Goedkeuring van rekeningen ° Door Lid-Staat aan Fonds te betalen bedragen ter zake van medeverantwoordelijkheidsheffing in graansector ° Berekening op basis van door nationale autoriteiten meegedeelde gegevens ° Latere wijziging van meegedeelde gegevens ° Ontoelaatbaarheid bij ontbreken van behoorlijke motivering
3. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Financiering door EOGFL ° Beginselen ° Herberekening door nationale autoriteiten van verbeurd verklaard gedeelte van waarborg, overeenkomstig aanwijzingen van Commissie ° Ontoelaatbaarheid
Samenvatting
1. Wanneer het Hof in verscheidene arresten heeft vastgesteld, dat een Lid-Staat praktijken toepast die onverenigbaar zijn met de gemeenschapsregeling inzake de gemeenschappelijke marktordeningen, en die Lid-Staat zich steeds heeft verzet tegen verzoeken van de Commissie om ter plaatse verificaties te kunnen verrichten, mag de Commissie in het kader van de goedkeuringsprocedure van de EOGFL-rekeningen ervan uitgaan, dat die praktijken na het tijdvak waarop de vaststellingen van het Hof betrekking hebben, zijn voortgezet, en wanneer de betrokken Lid-Staat geen bewijs van het tegendeel levert, financiering door het EOGFL weigeren voor de uitgaven in de sector waarin de onregelmatige praktijken zich hebben voorgedaan.
2. Nationale autoriteiten die achteraf wijziging brengen in de cijfers die van doorslaggevend belang zijn voor de berekening van het bedrag dat de betrokken Lid-Staat aan het EOGFL moet afdragen ter zake van de medeverantwoordelijkheidsheffing in de graansector, zijn gehouden voldoende concrete informatie te verstrekken om die wijziging te rechtvaardigen.
3. Wanneer de Commissie, na een klacht over de volledige verbeurte van een door een koper van interventieprodukten gestelde waarborg, de betrokken nationale autoriteiten erop wijst, dat zij het als definitief verbeurd te beschouwen gedeelte van de waarborg opnieuw kunnen berekenen op de enkele voorwaarde dat de handelaar aan zijn hoofdverplichting heeft voldaan, kan bij de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen de nationale autoriteiten niet worden verweten, dat zij tot die herberekening zijn overgegaan volgens een methode die overeenkwam met wat de Commissie hun had meegedeeld, ook wanneer dit onjuist of onvolledig was.
Partijen
In zaak C-56/91,
Helleense Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Stavropoulos, juridisch medewerker bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, dienst diplomatieke geschillen, en M. Tsotsanis, jurist bij het Ministerie van Landbouw, vervolgens door V. Kontolaimos, afgevaardigde van de Raad van State, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. A. Yataganas, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 90/644/EEG van de Commissie van 30 november 1990 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1988 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1990, L 350, blz. 82),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, waarnemend voor de president, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 21 oktober 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 februari 1991, heeft de Helleense Republiek krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 90/644/EEG van de Commissie van 30 november 1990 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1988 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1990, L 350, blz. 82).
2 De Helleense Republiek verwijt de Commissie in de eerste plaats, op onjuiste wijze uitvoering te hebben gegeven aan de arresten van het Hof van 10 juli 1990 (zaak C-259/87 en zaak C-334/87, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-2845 en I-2873), waarbij de vorderingen van de verzoekende Lid-Staat zijn toegewezen en de beschikkingen tot goedkeuring van de rekeningen voor de begrotingsjaren 1983 en 1984, waarbij bepaalde bedragen in de sectoren respectievelijk zachte tarwe, respectievelijk olie uit afvallen van olijven niet ten laste van het EOGFL waren gebracht, gedeeltelijk nietig zijn verklaard. In de tweede plaats verwijt de Helleense Republiek de Commissie, dat zij de volgende bedragen niet ten laste van het EOGFL heeft gebracht:
° 869 296 279 DR uit hoofde van de uitvoerrestituties voor veevoeders;
° 215 156 000 DR uit hoofde van de medeverantwoordelijkheidsheffing op granen (seizoen 1987/1988);
° 245 233 DR uit hoofde van een onterechte vermindering van het verbeurde bedrag van de waarborg gesteld bij de verkoop van voor verwerking bestemd vlees uit interventievoorraden;
° 216 800 DR uit hoofde van niet-verbeurdverklaring van het bedrag van de waarborg (sector melk);
° 511 862 586 DR uit hoofde van de slechte kwaliteit van de tabak in interventieopslag;
° 528 931 426 DR uit hoofde van de gevolgen voor het begrotingsjaar 1988 van een tijdens het begrotingsjaar 1987 verrichte correctie in verband met de kwaliteit van de tabak in interventieopslag.
3 In de loop van de procedure heeft de Helleense Republiek afstand gedaan van het onderdeel inzake de niet-verbeurdverklaring van het waarborgbedrag (sector melk), daar partijen zijn overeengekomen dit punt in het kader van de goedkeuring van latere rekeningen opnieuw te onderzoeken. Zij heeft voorts afstand gedaan van de onderdelen inzake de slechte kwaliteit van de tabak in interventieopslag en de gevolgen van de hierboven vermelde financiële correctie, gelet op het akkoord dat hierover tussen partijen is gesloten.
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De onjuiste uitvoering van 's Hofs arrest van 10 juli 1990 (zaak C-259/87, Griekenland/Commissie)
5 De Helleense Republiek verwijt de Commissie, genoemd arrest niet juist te hebben uitgevoerd. Het Hof had daarbij de beschikking tot goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1983 gedeeltelijk nietig verklaard, voor zover de Commissie de som van de bij de verkoop van twee partijen van 30 000 ton zachte tarwe ontvangen en aan het EOGFL betaalde bedragen niet ten laste van het EOGFL had gebracht, hetgeen leidde tot een ongerechtvaardigde verrijking van de Gemeenschap.
6 Om zich aan het arrest van het Hof te conformeren, had de Commissie volgens de Helleense Republiek niet het in de litigieuze beschikking vermelde bedrag van 596 040 000 DR ten laste van het EOGFL moeten brengen, maar alle uitgaven in verband met de betrokken verkoop, dat wil zeggen een bedrag van 875 045 976 DR.
7 Dienaangaande valt op te merken, dat het Hof in het betrokken arrest heeft erkend, dat de verkoop van de twee partijen zachte tarwe niet overeenkomstig de toepasselijke regeling was verlopen en dat de Commissie gerechtigd was de desbetreffende uitgaven, dat wil zeggen een bedrag omvattende de theoretische prijs van de partijen en de kosten van hun terugtrekking uit het interventiestelsel, niet ten laste van het EOGFL te brengen.
8 Het Hof stelde niettemin vast, dat de bedragen die bij die verkopen waren geïnd, aan het EOGFL waren betaald. Zonder een ongerechtvaardigde verrijking van het EOGFL te bewerken, kon de Commissie derhalve niet weigeren de uitgaven inzake de twee verkopen in toto te erkennen, en tegelijkertijd de opbrengst daarvan behouden.
9 Om zich aan het arrest te conformeren, was de Commissie mitsdien verplicht, enkel de som van de bij de verkoop van de partijen zachte tarwe ontvangen bedragen, waarvoor het EOGFL overigens was gecrediteerd, ten laste van het EOGFL te brengen, dat wil zeggen een totaal bedrag van 596 040 000 DR.
10 Noch de juistheid van dit bedrag, noch het feit dat het daadwerkelijk ten laste van het EOGFL is gebracht, is bestreden. Mitsdien moet dit onderdeel van het beroep worden verworpen.
De onjuiste toepassing van 's Hofs arrest van 10 juli 1990 (zaak C-334/87, Griekenland/Commissie)
11 Bij dit arrest heeft het Hof de beschikking tot goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1984 nietig verklaard, voor zover de Commissie het bedrag overeenkomende met de opslagkosten van een partij olie uit afvallen van olijven voor het tijdvak van 14 maart tot 7 augustus 1984, niet ten laste van het EOGFL had gebracht. Op de eerste van die data hadden de Griekse autoriteiten de Commissie om inlichtingen over de uitlegging van de toepasselijke gemeenschapsregeling gevraagd, en op de tweede had de Commissie, met een ongerechtvaardigde vertraging van verscheidene maanden, antwoord gegeven.
12 Het daarmee door het Hof beslechte geschil was ontstaan door de verkoop bij inschrijving van bedoelde partij olie uit afvallen van olijven in juli 1983, terwijl de feitelijke levering pas in oktober 1984 had plaatsgevonden.
13 De toepasselijke gemeenschapsregeling bepaalde, dat de koper de olie binnen 60 dagen na mededeling van het resultaat van de inschrijving diende over te nemen. Gelet op het verzoek van de Griekse autoriteiten om nadere gegevens over bepaalde aspecten van de regeling, had de Commissie de termijn van 60 dagen berekend vanaf de datum van haar antwoord, te weten 8 november 1983. Daar de levering echter niet had plaatsgevonden, heeft de Commissie bij de goedkeuring van de rekeningen van het betrokken begrotingsjaar geweigerd, de opslagkosten ten laste van het EOGFL te brengen die ontstaan waren tussen 1 februari 1984, de eerste dag van de maand volgende op het verstrijken van de overnametermijn van 60 dagen, en de datum van de levering in oktober 1984, dus een tijdvak van 270 dagen, overeenkomend met 17 604 833 DR.
14 In voornoemd arrest stelde het Hof de juistheid van het standpunt van de Commissie vast, hoewel het van oordeel was, dat het in rechtsoverweging 11 vermelde tijdvak niet in aanmerking kon worden genomen. De Commissie heeft toen een bedrag van 9 389 270 DR ten laste van het EOGFL gebracht.
15 De Helleense Republiek stelt, dat de berekeningen van de Commissie onjuist zijn en dat het EOGFL voor de kosten van een groter aantal dagen zou moeten opkomen. In de eerste plaats zou de dies a quo voor de berekening van de leveringstermijn van zestig dagen niet 8 november 1983 moeten zijn, maar 20 december 1983, de datum van de telex waarin de Commissie bevestigde, dat het EOGFL de opslagkosten tot het verstrijken van de overnametermijn dekte, en in de tweede plaats zou het antwoord op het verzoek om inlichtingen van 14 maart 1984 op 9 augustus 1984 en niet op 7 augustus zijn ontvangen.
16 Dit betoog faalt. Wat het eerste punt betreft, volstaat de opmerking, dat het Hof in rechtsoverweging 48 van het arrest de stelling van verzoekster met betrekking tot het tijdvak voorafgaande aan 14 maart 1984, uitdrukkelijk heeft verworpen, en heeft verklaard dat de opslagkosten slechts vanaf die datum ten laste van het EOGFL konden worden gebracht. Wat het tweede punt betreft, is het duidelijk, dat verzoekster in feite niet de uitvoering van het arrest betwist, maar het arrest zelf.
17 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de berekeningen van de Commissie in overeenstemming zijn met de inhoud van het arrest van het Hof, zodat dit onderdeel van het beroep moet worden verworpen.
De niet-erkende uitgaven uit hoofde van de uitvoerrestituties voor veevoeders
18 De Commissie heeft bij de bestreden beschikking geweigerd, de uitgaven uit hoofde van de uitvoerrestituties voor veevoeders voor het begrotingsjaar 1988 ten laste van het EOGFL te brengen, wegens de marktinterventies van de staat via het Centraal beheerskantoor voor nationale produkten (hierna: "KYDEP"). Het KYDEP zou een parallel en tegen de gemeenschapsregeling indruisend nationaal landbouwbeleid hebben toegepast, door veevoeders op te kopen en beneden de kostprijs aan de veefokkers en verwerkers te verkopen, waarbij de ontstane tekorten door openbare middelen werden gedekt.
19 De Helleense Republiek stelt, dat de Commissie zich voor haar weigering van communautaire financiering baseert op rapporten en processen-verbaal die betrekking hebben op periodes vóór het begrotingsjaar 1988, waarop de bestreden beschikking betrekking heeft. Volgens verzoekster kunnen stukken betreffende eerdere jaren geen geldige grondslag opleveren voor de weigering om uitgaven uit hoofde van dat jaar te erkennen, omdat elk begrotingsjaar op zichzelf staat. In casu zou de staat voor het begrotingsjaar 1988 niets hebben betaald ter dekking van de activiteiten van het KYDEP in de sector veevoeders.
20 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 12 juli 1990 (zaak C-35/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-1325) op grond van door de Commissie overgelegde bewijsstukken heeft vastgesteld, dat het KYDEP tussen 1981 en 1984 voor rekening van de staat op de graanmarkt heeft geïntervenieerd en dat zijn tekorten door de staat werden gedekt. Evenzo heeft het Hof in zijn arrest van 19 maart 1991 (zaak C-32/89, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1321) geoordeeld, dat de Griekse autoriteiten de door het KYDEP uitgevoerde operaties hadden gecontroleerd en zijn tekorten ook voor het begrotingsjaar 1986 hadden gedekt. Overeenkomstige vaststellingen zijn geformuleerd in het arrest van 7 april 1992 (zaak C-61/90, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1992, blz. I-2407).
21 Voorts staat vast, dat de Griekse autoriteiten zich steeds, en ook nog voor 1988, hebben verzet tegen de herhaalde verzoeken van de Commissie om ter plaatse onderzoeken te verrichten, teneinde met name de werking van de markt van veevoeders in Griekenland en de financiële betrekkingen tussen het KYDEP en de staat te onderzoeken.
22 In deze omstandigheden en zonder bewijs van het tegendeel, kan de Commissie niet worden verweten, dat zij een vergissing heeft begaan door uit te gaan van het voortduren van de onregelmatige interventies van het KYDEP, met name op de markt van veevoeders.
23 Voor het overige bestrijdt de Helleense Republiek niet, dat het KYDEP na zijn interventies in de sector veevoeders in 1988 een tekort had, noch dat dit tekort in de rekeningen van het KYDEP was geboekt als "vorderingen op de staat". Zij verklaart enkel, dat de staat in dat jaar geen activiteiten van het KYDEP in deze sector heeft gesubsidieerd. Deze omstandigheid volstaat hoe dan ook niet als bewijs, dat het KYDEP niet in strijd met het gemeenschapsrecht op de markt van veevoeders heeft geïntervenieerd tijdens de door de litigieuze beschikking bestreken periode.
24 Gelet op het voorgaande moet dit onderdeel van het beroep worden verworpen.
De niet-erkende uitgaven uit hoofde van de medeverantwoordelijkheidsheffing op granen
25 Om tot een beter marktevenwicht en een beheersing van de groei te komen, is bij verordening (EEG) nr. 1579/86 van de Raad van 23 mei 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2727/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1986, L 139, blz. 29), met ingang van 1 juli 1986 een medeverantwoordelijkheidsheffing ingevoerd. Deze geldt voor in de Gemeenschap geproduceerde granen wanneer zij voor de eerste maal worden verwerkt, worden aangekocht voor interventie, of worden uitgevoerd in de vorm van korrels. De medeverantwoordelijkheidsheffing, die voor het seizoen 1987/1988 722 DR per ton bedroeg, wordt geïnd door de bevoegde nationale organen en als ontvangsten aan het EOGFL overgemaakt.
26 Bij de goedkeuring van de rekeningen verifieert de Commissie, of de medeverantwoordelijkheidsheffing juist en volledig is geïnd en vervolgens aan het EOGFL is overgemaakt. Daartoe maakt zij gebruik van een door haar ontwikkelde en aan de Lid-Staten meegedeelde berekeningsmethode, die gebaseerd is op een reeks statistische gegevens die door de Lid-Staten zelf worden geleverd aan het Bureau voor de Statistiek der Gemeenschappen (Eurostat), waardoor de doeltreffendheid van de inning van de heffing in iedere Lid-Staat betrouwbaar en volledig kan worden beoordeeld. De eventueel toegepaste financiële correctie is afhankelijk van de hoeveelheden granen waarover de heffing niet is geïnd.
27 In casu is de Commissie tot de bestreden financiële correctie overgegaan op basis van de door de Griekse autoriteiten meer dan een jaar na het einde van het verkoopseizoen verstrekte statistische gegevens, die door Eurostat op 6 december 1989 waren gepubliceerd. De Commissie heeft geweigerd rekening te houden met de herziene gegevens, die de Griekse autoriteiten op 6 februari 1990 hebben overgelegd.
28 De Helleense Republiek stelt, dat de eerste gegevens enkel voorlopig waren. De later overgelegde gegevens waren definitief en de Commissie had met deze rekening moeten houden, overeenkomstig de gevolgde praktijk op het gebied van de statistieken.
29 Volgens de Commissie konden gegevens die gebaseerd waren op cijfers die de Griekse autoriteiten meer dan een jaar na de oogst van de betrokken hoeveelheden hadden meegedeeld, niet als voorlopig worden beschouwd. Die autoriteiten hadden voor het overige niet de minste verklaring gegeven voor de wijzigingen. Rekening houden met de nieuwe cijfers zou bovendien geenszins gunstig zijn voor de Helleense Republiek; het zou immers betekenen dat de hoeveelheid waarover de heffing niet is geïnd, ongeveer 21 000 ton groter is dan oorspronkelijk berekend, en dat de financiële correctie groter moet zijn dan die welke thans wordt bestreden.
30 Vastgesteld moet worden, dat het onderhavige geval hetzelfde is als dat wat heeft geleid tot het arrest van 20 mei 1992 (zaak C-385/89, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-3225, r.o. 9-14). In die zaak heeft het Hof geoordeeld, dat nationale autoriteiten die achteraf wijziging brengen in de cijfers die van doorslaggevend belang zijn voor de berekening van de medeverantwoordelijkheidsheffing, voldoende concrete informatie moeten verstrekken ter rechtvaardiging van die wijziging.
31 Juist zoals in de genoemde zaak heeft de Helleense Republiek geen enkel concreet gegeven aangevoerd om haar stellingen te bewijzen, maar zich beperkt tot algemene beweringen. Bovendien heeft zij niet weten aan te tonen, dat de verklaring van de Commissie, dat het in aanmerking nemen van de nieuwe cijfers tot een veel omvangrijker financiële correctie zou leiden, onjuist is.
32 Mitsdien moet dit onderdeel van het beroep eveneens worden verworpen.
De ongegronde vermindering van het bedrag van de waarborg gesteld bij de verkoop van voor verwerking bestemd vlees uit interventievoorraden
33 Ingevolge de gemeenschapsregeling moet bij de verkoop van voor verwerking bestemd vlees uit interventievoorraden een waarborg worden gesteld, die pas wordt vrijgegeven wanneer de verwerking binnen de gestelde termijn heeft plaatsgehad en het bewijs daarvan eveneens binnen de gestelde termijn is geleverd. De regeling kan evenwel met een zekere soepelheid worden toegepast, voornamelijk doordat niet steeds de gehele waarborg verbeurd moet worden verklaard, met name in gevallen waarin daadwerkelijk is voldaan aan een hoofdvereiste, dat wil zeggen een vereiste dat van fundamenteel belang is voor de doelstellingen van de betrokken verordening, zoals dat betreffende de verwerking van het vlees, zij het ook met een geringe overschrijding van de vastgestelde uiterste datum ° die een secundair vereiste is °, of wanneer niet is voldaan aan een vereiste van ondergeschikt belang, dat wil zeggen elk ander vereiste dat in de verordening wordt gesteld [verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwprodukten, artikelen 20-28 (PB 1985, L 205, blz. 5), en verordening (EEG) nr. 2182/77 van de Commissie van 30 september 1977 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de verkoop van uit de interventievoorraden afkomstig bevroren rundvlees, dat bestemd is voor verwerking in de Gemeenschap, artikel 5, lid 3 (PB 1977, L 251, blz. 60), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1809/87 (PB 1987, L 170, blz. 23)].
34 De Helleense Republiek stelt, dat haar bevoegde autoriteiten een door de vennootschap Thraki A.E. gestelde waarborg verbeurd hadden verklaard, omdat die vennootschap de termijnen voor verwerking van bepaalde hoeveelheden vlees die zij 12 april 1986 van het Italiaanse interventiebureau had gekocht, niet in acht had genomen. Nadat de vennootschap een klacht bij de Commissie had ingediend, zond deze op 20 november 1987 een brief aan het Griekse interventiebureau, die luidde als volgt:
"(...) De diensten van de Commissie stellen vast, dat de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2182/87 door het Griekse interventiebureau correct lijken te zijn toegepast. De Commissie meent evenwel, dat men in dit geval toepassing zou kunnen geven aan het evenredigheidsbeginsel. Behoudens bevestiging van het feit, dat aan de eerste voorwaarde, namelijk de verwerking van het vlees, is voldaan, kan bijgevolg de sanctie opnieuw worden berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2182/77, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1809/87."
35 Op grond van de brief van de Commissie hebben de Helleense autoriteiten het verbeurde bedrag van de waarborg verlaagd van 868 909 DR tot 623 676 DR. De Commissie heeft bij de goedkeuring van de betrokken rekeningen niettemin geweigerd het verschil tussen die twee bedragen, namelijk 245 233 DR, ten laste van het EOGFL te brengen.
36 De Helleense Republiek meent, dat de Commissie het litigieuze bedrag in aanmerking had moeten nemen, daar de nationale autoriteiten de berekeningswijze hebben toegepast, die de Commissie zelf had aangegeven.
37 Volgens de Commissie betekende die brief echter, dat zij bereid was het niet-verbeurdverklaren van de waarborg te aanvaarden ° ook indien zij de bewijsstukken buiten de gestelde termijn ontving ° op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de verwerking en de controle daarop volgens de regels waren verlopen. De controle was echter pas op 26 januari 1988 verricht, dat wil zeggen twee jaar na de ondertekening van de contracten en derhalve duidelijk buiten de in de gemeenschapsbepalingen gestelde termijnen.
38 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het betoog van de Commissie niet overeenkomt met de inhoud van de betrokken brief, die de mogelijkheid om de waarborg te herberekenen, enkel doet afhangen van de bevestiging, dat de verwerking van het vlees heeft plaatsgehad. Het kan de Griekse autoriteiten derhalve niet worden verweten, dat zij een berekeningswijze hebben toegepast overeenkomend met de inhoud van de brief, ook al was deze onjuist of onvolledig.
39 In deze omstandigheden moet het beroep wat dit onderdeel betreft, worden toegewezen en moet beschikking 90/644 van de Commissie nietig worden verklaard voor zover daarbij het bedrag waarmee het Griekse interventiebureau de waarborg heeft verminderd die de vennootschap Thraki A.E. had gesteld bij de aankoop van voor verwerking bestemd vlees uit interventievoorraden, niet ten laste van het EOGFL is gebracht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Helleense Republiek op de meeste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verklaart nietig beschikking 90/644/EEG van de Commissie van 30 november 1990 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1988 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling "Garantie", gefinancierde uitgaven, voor zover de Commissie daarbij het bedrag waarmee het Griekse interventiebureau de waarborg heeft verminderd die de vennootschap Thraki A.E. had gesteld bij de aankoop van voor verwerking bestemd vlees uit interventievoorraden, niet ten laste van het EOGFL heeft gebracht.
2) Verwerpt het beroep voor het overige.
3) Verwijst de Helleense Republiek in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy