Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Verdragsbepalingen - Niet toepasselijk op zuiver interne situatie van Lid-Staat
(EEG-Verdrag, art. 52 en 59)
2. Mededinging - Gemeenschapsregels - Verplichtingen van Lid-Staten - Verbod om mededingingsbeperkende gedragingen te begunstigen die handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloeden - Wettelijke regeling die activiteiten van rijscholen beperkt tot grondgebied van district waar zij zijn gevestigd - Verenigbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 5, tweede alinea, en 85, lid 1)
3. Vervoer - Europees rijbewijs - Examen - Bepaling van plaats van rijexamen - Beoordelingsvrijheid van Lid-Staat - Verplichting, rijles op autowegen te waarborgen - Afwezigheid
(Richtlijn 80/1263 van de Raad)
Samenvatting
1. De regels van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van personen en diensten gelden niet voor belemmeringen waaraan onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van deze staat zijn onderworpen, wanneer de situatie waarin zij zich bevinden, geen enkele aanknoping heeft met enigerlei onder het gemeenschapsrecht vallende situatie.
2. De Lid-Staten zijn krachtens artikel 5, tweede alinea, EEG-Verdrag gehouden, geen wettelijke maatregelen te nemen of te handhaven die de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels van hun nuttig effect kunnen beroven. Een nationale wettelijke regeling staat evenwel slechts aan de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag in de weg, wanneer de mededingingsbeperkende gedragingen die zij begunstigt, de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden, hetgeen veronderstelt dat die regeling ten gevolge heeft dat nieuwe binnenlandse en buitenlandse concurrenten de toegang tot de markt wordt belet. Dat is niet het geval bij een wettelijke regeling die de activiteiten van een autorijschool beperkt tot het grondgebied van het district waar zij gevestigd is.
3. Richtlijn 80/1263 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs kent de Lid-Staten aangaande de bepaling van de plaats van het autorijexamen een beoordelingsvrijheid toe, op grond waarvan zij niet alleen rekening kunnen houden met de toegankelijkheid van een bepaald soort wegen, maar ook met overwegingen die verband houden met de noodzaak een eenvormig examen op het gehele grondgebied van de staat te verzekeren, of met de handhaving van de verkeersveiligheid. Zij verplicht de Lid-Staten dus niet, het rijexamen te doen plaatsvinden op autowegen wanneer deze vanaf een examencentrum toegankelijk zijn. De Lid-Staten behoeven derhalve evenmin te waarborgen dat autorijles kan worden gegeven op autowegen.
Partijen
In zaak C-60/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal de Relação de Lisboa, in de aldaar dienende strafzaak tegen
J. A. Batista Morais,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de verdragsregels inzake het vrije verkeer van personen en diensten en inzake de mededinging, alsmede van richtlijn 80/1263/EEG van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs (PB 1980, L 375, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- J. A. Batista Morais, vertegenwoordigd door J. Casinha, advocaat te Lissabon;
- het Openbaar ministerie bij het Tribunal de Relação de Lisboa, vertegenwoordigd door M. H. Delgado António, procuradora da República;
- de regering van de Portugese Republiek, vertegenwoordigd door L. Inêz Fernandez, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en P. Coelho, lid van de juridische dienst van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van genoemd ministerie, als gemachtigden;
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Caeiro, juridisch adviseur, en X. Lewis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Portugese regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins en A. Macnab, Barrister, en de Commissie ter terechtzitting van 14 januari 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 februari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 10 december 1990, ingekomen ten Hove op 13 februari 1991, heeft het Tribunal de Relação de Lisboa krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen en diensten en inzake de mededinging, alsmede van richtlijn 80/1263/EEG van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs (PB 1980, L 375, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een door het Openbaar ministerie ingestelde strafvervolging tegen J. A. Batista Morais, instructeur bij een te Lissabon gevestigde rijschool, die ervan wordt verdacht autorijlessen te hebben gegeven op een autoweg gelegen op het grondgebied van een aan Lissabon grenzend district. Ingevolge de Portugese wetgeving is het geven van rijlessen op het grondgebied van een ander district dan dat waar de autorijschool is gevestigd, een overtreding.
3 Tegen het vonnis in eerste aanleg, waarbij hij tot een geldboete was veroordeeld, heeft Batista Morais hoger beroep ingesteld met het betoog, dat de nationale wettelijke regeling in strijd is met voornoemde richtlijn 80/1263 daar zij het geven van rijles op autowegen onmogelijk maakt.
4 Daarop heeft het Tribunal de Relação de Lisboa besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof van Justitie zich zal hebben uitgesproken over de volgende prejudiciële vragen:
"1) Is artikel 7, lid 1, van wetsdecreet nr. 6/86 in strijd met de bepalingen inzake het vrije verkeer van personen en diensten, met name de artikelen 52, 53, 54, leden 2 en 3, sub c, 56 en 57 EEG-Verdrag (betreffende het recht van vestiging), 60, sub a, 63, lid 2, en 65 EEG-Verdrag (betreffende het vrije verkeer van diensten), 85, lid 1, sub c (betreffende de mededinging), en derhalve in de nationale rechtsordes niet van toepassing?
2) Moeten de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen, diensten en goederen, die gelden voor onderdanen en goederen van een land in situaties die zich voordoen in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap, ook worden toegepast in gevallen waarin de mogelijke belemmeringen van het vrije verkeer zich voordoen ten aanzien van de onderdanen van slechts een Lid-Staat en binnen het grondgebied van die Lid-Staat?
3) Kan of moet richtlijn 80/1263/EEG aldus worden uitgelegd dat, ofschoon deze richtlijn betrekking heeft op het rijexamen, het geven van rijlessen moet voldoen aan overeenkomstige voorwaarden, waaronder het vereiste dat het - voor zover mogelijk - plaatsvindt op autowegen en in de verschillende voor het rijexamen aanbevolen verkeerssituaties?
4) Gaat het bij de onderhavige richtlijn om een eenvoudige richtlijn in de zin van artikel 189 EEG-Verdrag, waarbij aan de nationale instanties de bevoegdheid is gelaten om vorm en middelen voor de tenuitvoerlegging te kiezen (met andere woorden, heeft zij een receptief karakter), of moet zij, ook al wordt zij aangeduid als een richtlijn, worden beschouwd als een generieke, bindende richtlijn, zoals die vastgesteld uit hoofde van de artikelen 56, 63 en 87 EEG-Verdrag?"
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de hoofdzaak, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6 Ter wille van de logica van de redenering moet allereerst worden ingegaan op de tweede vraag, die er in wezen toe strekt te vernemen of de verdragsregels inzake het vrije verkeer van personen en diensten ook gelden voor belemmeringen waaraan onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van deze staat zijn onderworpen.
7 Ter beantwoording van deze vraag moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen en diensten geen toepassing kunnen vinden op activiteiten die zich in al hun relevante aspecten in een enkele Lid-Staat afspelen (zie laatstelijk het arrest van 28 januari 1992, gevoegde zaken C-330/90 en C-331/90, López Brea, Jurispr. 1992, blz. I-323).
8 Uit de feiten zoals deze door de nationale rechterlijke instantie in haar verwijzingsbeschikking zijn vastgesteld, blijkt dat de hoofdzaak betrekking heeft op een Portugees onderdaan die in Portugal werkzaam is als instructeur bij een autorijschool en dat de situatie waarin hij zich bevindt, geen enkel aanknopingspunt vertoont met enigerlei onder het gemeenschapsrecht vallende situatie.
9 Mitsdien moet op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de verdragsregels inzake het vrije verkeer van personen en diensten niet gelden voor belemmeringen waaraan onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van deze staat zijn onderworpen, wanneer de situatie waarin zij zich bevinden geen enkel aanknopingspunt vertoont met enigerlei onder het gemeenschapsrecht vallende situatie.
10 Gelet op het antwoord op de tweede vraag moet de eerste vraag aldus worden begrepen, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag zich verzet tegen een nationale regeling die de activiteiten van een autorijschool beperkt tot het grondgebied van het district waar zij gevestigd is.
11 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de Lid-Staten krachtens artikel 5, tweede alinea, EEG-Verdrag gehouden zijn, door hun nationale wetgeving geen afbreuk te doen aan de volledige en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht, en geen maatregelen dienen te nemen of te handhaven die de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels van hun nuttig effect kunnen beroven (zie met name het arrest van 29 januari 1985, zaak 231/83, Cullet, Jurispr. 1985, blz. 305, r.o. 16).
12 Zonder dat behoeft te worden nagegaan of en in hoeverre een wettelijke regeling als in de hoofdzaak aan de orde enigerlei gedraging van ondernemingen in de zin van artikel 85 EEG-Verdrag in de hand werkt dan wel noodzakelijk of onvermijdelijk maakt, kan worden volstaan met de opmerking dat deze bepaling slechts kan worden toegepast, voor zover de beweerdelijk met de mededinging strijdige gedragingen de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden.
13 Aan deze voorwaarde zou slechts voldaan zijn indien vaststond dat de nationale wettelijke regeling, net als een bundel van op de relevante markt gesloten soortgelijke overeenkomsten, ten gevolge zou hebben dat nieuwe binnenlandse en buitenlandse concurrenten de toegang tot de markt wordt belet (zie het arrest van 28 februari 1991, zaak C-234/89, Delimitis, Jurispr. 1991, blz. I-935). In casu moet echter worden vastgesteld, dat een nationale wettelijke regeling als in de hoofdzaak aan de orde niet tot een dergelijk gevolg kan leiden.
14 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 85 EEG-Verdrag zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die de activiteiten van een autorijschool beperkt tot het grondgebied van het district waar deze gevestigd is.
15 Met de derde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen of richtlijn 80/1263 de Lid-Staten verplicht om, wanneer deze vanaf een examencentrum toegankelijk zijn, het rijexamen te doen plaatsvinden op autowegen, en of de Lid-Staten derhalve ook moeten waarborgen dat autorijles kan worden gegeven op autowegen.
16 Ter beantwoording van deze vraag moet om te beginnen worden opgemerkt, dat richtlijn 80/1263 past in het kader van een proces van geleidelijke harmonisatie van de nationale stelsels voor autorijexamens; zij beperkt zich ertoe in bijlage II een bepaald aantal minimumeisen te stellen, maar beoogt niet een volledige harmonisatie van de regelingen betreffende de rijexamens tot stand te brengen.
17 Voorts moet eraan worden herinnerd dat bijlage II, getiteld "Miniumeisen voor rijexamens", in punt 9, betreffende de plaats van het rijexamen, bepaalt dat het examenonderdeel betreffende het rijgedrag van de kandidaat zo mogelijk wordt afgenomen op buiten de agglomeraties gelegen wegen, op autowegen en in het stadsverkeer.
18 Zowel uit het doel van de richtlijn als uit de bewoordingen van punt 9 van bijlage II blijkt, dat de Lid-Staten aangaande de bepaling van de plaats van het autorijexamen over een beoordelingsvrijheid beschikken op grond waarvan zij niet alleen rekening kunnen houden met de toegankelijkheid van een bepaald soort wegen, maar ook met overwegingen die verband houden met de noodzaak om een eenvormig examen op het gehele grondgebied van de staat te verzekeren of met de handhaving van de verkeersveiligheid.
19 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat richtlijn 80/1263 de Lid-Staten niet verplicht om, wanneer deze vanaf een examencentrum toegankelijk zijn, het rijexamen te doen plaatsvinden op autowegen, en dat zij derhalve evenmin behoeven te waarborgen dat autorijles kan worden gegeven op autowegen.
20 Gelet op het antwoord op de derde vraag behoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 De kosten door de regering van de Portugese Republiek, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal de Relação de Lisboa bij beschikking van 10 december 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De regels van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van personen en diensten gelden niet voor belemmeringen waaraan onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van deze staat zijn onderworpen, wanneer de situatie waarin zij zich bevinden geen enkel aanknopingspunt vertoont met enigerlei onder het gemeenschapsrecht vallende situatie.
2) Artikel 85 EEG-Verdrag verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die de activiteiten van een autorijschool beperkt tot het grondgebied van het district waar deze gevestigd is.
3) Richtlijn 80/1263/EEG van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs verplicht de Lid-Staten niet om, wanneer deze vanaf een examencentrum toegankelijk zijn, het rijexamen te doen plaatsvinden op autowegen. De Lid-Staten behoeven derhalve evenmin te waarborgen dat autorijles kan worden gegeven op autowegen.
Full & Egal Universal Law Academy