Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Werkloosheid - Werkloze die zich naar andere Lid-Staat begeeft - Behoud van recht op uitkeringen - Door gemeenschapswetgever opgelegde voorwaarden en beperkingen - Verenigbaarheid met artikel 51 EEG-Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 51; verordening van de Raad nr. 1408/71, art. 67, lid 3, en 68, lid 1)
Samenvatting
Waar verordening nr. 1408/71 bepaalt, dat ten behoeve van gemeenschapsonderdanen die zich naar een Lid-Staat begeven, in die Lid-Staat voor de verkrijging, het behoud of het herstel van werkloosheidsuitkering rekening wordt gehouden met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of arbeid, en waar zij voor werkloze werknemers die zich naar een andere Lid-Staat begeven om werk te zoeken, gedurende een beperkte periode voorziet in het behoud van het recht op werkloosheidsuitkering krachtens de wettelijke regeling van de staat waar zij hun laatste werkzaamheden hebben verricht, hoewel zij niet ter beschikking staan van de diensten voor arbeidsbemiddeling van die staat, verleent zij aan die werknemers rechten waarvan zij anders verstoken zouden blijven en die dus ertoe bijdragen, dat het vrije verkeer van werknemers wordt verzekerd, gelijk artikel 51 EEG-Verdrag verlangt.
Toen de gemeenschapswetgever in de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van vorenbedoelde verordening aan de aan werkzoekende werkloze werknemers toegekende faciliteiten voorwaarden verbond, heeft hij op juiste wijze gebruik gemaakt van de beoordelingsvrijheid waarover hij beschikt bij de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers.
Partijen
In zaak C-62/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Social Security Appeal Tribunal te Bognor Regis (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
G. S. Gray
en
Adjudication Officer,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Grévisse, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Regierungsdirektor bij het Bondsministerie van Economische zaken, en door J. Karl, Oberregierungsrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door H. A. Kaya van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door E. Sharpston, Barrister,
- de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Aussant en Ch. Zilioli, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Raad en de Commissie ter terechtzitting van 29 november 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 25 januari 1991, ingekomen bij het Hof op 13 februari daaraanvolgend, heeft het Social Security Appeal Tribunal te Bognor Regis (Verenigd Koninkrijk) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Gray, een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk, en de Adjudication Officer.
3 Na in het Verenigd Koninkrijk te hebben gewerkt, vestigde Gray zich in 1971 met zijn vrouw in Gran Canaria (Spanje), waar hij tot 11 januari 1990 werkzaam was als bedrijfsleider van het restaurant waarvan zijn vrouw eigenaar was. Voordat Gray op 26 februari 1990 naar het Verenigd Koninkrijk terugkeerde, liet hij zich in Spanje niet als werkzoekende inschrijven.
4 Terug in het Verenigd Koninkrijk, vroeg hij aldaar met ingang van 28 februari 1990 werkloosheidsuitkering aan. De Adjudication Officer wees dit verzoek af met de overweging, dat Gray geen beroep kon doen op artikel 67 of op artikel 69 van verordening nr. 1408/71, nu hij zijn laatste tijdvak van verzekering niet in het Verenigd Koninkrijk had vervuld en zich ook niet, voor zijn terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk, in Spanje als werkzoekende had laten inschrijven.
5 Gray vocht de beslissing van de Adjudication Officer aan voor het Social Security Appeal Tribunal, dat vaststelde dat Gray zich evenmin op artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening nr. 1408/71 kon beroepen, daar hij tijdens zijn laatste werkzaamheden niet in het Verenigd Koninkrijk had gewoond, en zich vervolgens afvroeg, of de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening nr. 1408/71 wel verenigbaar waren met artikel 51 EEG-Verdrag. In verband hiermee heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"Zijn de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening nr. 1408/71 ongeldig in die zin, dat zij afwijken van het bepaalde in artikel 51 EEG-Verdrag, dat 'de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie de maatregelen vaststelt welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers' ?
Zo ja, welke gevolgen heeft een dergelijke ongeldigheid voor Gray' s aanvraag?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voorzover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
7 Bij de verwijzende rechter is twijfel gerezen, omdat een aantal bepalingen van verordening nr. 1408/71 een belemmering zouden kunnen vormen voor het vrije verkeer van werknemers.
8 Volgens de meerderheid van de leden van het Social Security Appeal Tribunal vormen zowel de voorwaarde van artikel 67, lid 3, dat de werkloze, om aanspraak te hebben op samentelling van de tijdvakken van verzekering of arbeid, zijn laatste tijdvak van verzekering of van arbeid moet hebben vervuld in de Lid-Staat waar de werkloosheidsuitkering wordt aangevraagd, als de voorwaarden van artikel 69, lid 1, dat een werkloze werknemer die in een andere Lid-Staat werk zoekt, voor het behoud van zijn werkloosheidsuitkering gedurende vier weken als werkzoekende ingeschreven moet zijn geweest en ter beschikking moet zijn gebleven van de diensten voor arbeidsbemiddeling in de Lid-Staat waar hij het laatst heeft gewerkt, een belemmering voor het vrije verkeer van werknemers. Deze bepalingen kunnen financiële nadelen opleveren voor werknemers die in een Lid-Staat ophouden met werken en vervolgens direct werk gaan zoeken in een andere Lid-Staat.
9 De twijfel van de meerderheid van de leden van het Tribunal wordt dus ingegeven door de gedachte, dat de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening nr. 1408/71, in strijd met het bepaalde in artikel 51 EEG-Verdrag, niet de maatregelen bevatten die op het gebied van de sociale zekerheid, en in het bijzonder met betrekking tot werkloosheid, noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers.
10 Verordening nr. 1408/71 bepaalt, dat ten behoeve van gemeenschapsonderdanen die zich naar een Lid-Staat begeven, in die Lid-Staat voor de verkrijging, het behoud of het herstel van het recht op werkloosheidsuitkering rekening wordt gehouden met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of arbeid, en voorziet voorts voor werkloze werknemers die zich naar een andere Lid-Staat begeven om werk te zoeken, gedurende een beperkte periode in het behoud van het recht op werkloosheidsuitkering krachtens de wettelijke regeling van de staat waar zij hun laatste werkzaamheden hebben verricht, hoewel zij niet ter beschikking staan van de diensten voor arbeidsbemiddeling van die staat. Aldus verleent de verordening die werknemers rechten die zij anders niet zouden bezitten en die dus ertoe bijdragen, dat het vrije verkeer van werknemers wordt verzekerd, gelijk artikel 51 EEG-Verdrag verlangt.
11 Zoals het Hof overwoog in zijn arrest van 19 juni 1980 (gevoegde zaken 41/79, 121/79 en 796/79, Testa, Jurispr. 1980, blz. 1979) verbiedt artikel 51 EEG-Verdrag de gemeenschapswetgever niet, aan de door hem ter verzekering van het vrije verkeer van werknemers verleende voordelen voorwaarden en beperkingen te verbinden (r.o. 14).
12 Ten aanzien van het recht op werkloosheidsuitkering van werknemers die werk zoeken in een andere Lid-Staat dan die waar zij laatstelijk hebben gewerkt of premies hebben betaald, heeft de Raad het noodzakelijk geacht aan dit recht voorwaarden te verbinden die moeten bewerkstelligen dat met name in de staat van de laatste tewerkstelling naar werk wordt gezocht, dat die staat de lasten van de werkloosheidsuitkering draagt en dat die uitkeringen enkel worden toegekend aan degenen die daadwerkelijk werk zoeken. Met de vaststelling van die voorwaarden in de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening nr. 1408/71 heeft de Raad op juiste wijze van zijn beoordelingsvrijheid gebruik gemaakt.
13 Bij onderzoek van de door de nationale rechter gestelde vraag is mitsdien niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening nr. 1408/71 kunnen aantasten.
De tweede vraag
14 Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 De kosten door de Britse en de Duitse regering alsmede door de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Social Security Appeal Tribunal te Bognor Regis bij beschikking van 25 januari 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Bij onderzoek van de door de nationale rechter gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983.
Full & Egal Universal Law Academy