Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Sociale politiek ° Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid ° Materiële werkingssfeer van richtlijn 79/7 ° Uitkering aan personen die over onvoldoende middelen beschikken om in hun behoeften te voorzien ° Daarvan uitgesloten ° Uitkeringsgerechtigde, getroffen door een van in artikel 3 van richtlijn opgesomde eventualiteiten ° Geen invloed
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 3, lid 1)
2. Sociale politiek ° Mannelijke en vrouwelijke werknemers ° Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden ° Gelijke behandeling ° Richtlijn 76/207 ° Werkingssfeer ° Nationaal stelsel van sociale-zekerheidsuitkeringen om aanvullend inkomen te verzekeren aan personen die over onvoldoende middelen beschikken om in hun behoeften te voorzien ° Daarvan uitgesloten ° Uitkeringsvoorwaarden die toegang tot arbeidsproces of tot beroepsopleiding ongunstig kunnen beïnvloeden ° Geen invloed
(Richtlijn 76/207 van de Raad)
Samenvatting
1. Artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, waarin de materiële werkingssfeer van de richtlijn wordt omschreven, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een wettelijk stelsel dat onder bepaalde voorwaarden aan personen wier middelen beneden een wettelijk vastgesteld bedrag liggen, een bijzondere uitkering verzekert om hen in staat te stellen in hun behoeften te voorzien. De omstandigheid dat de uitkeringsgerechtigde door een van de in artikel 3 van de richtlijn opgesomde eventualiteiten is getroffen, heeft geen invloed op deze uitlegging.
2. Richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, moet aldus worden uitgelegd, dat om een sociale-zekerheidsregeling die onder bepaalde voorwaarden aan personen wier middelen beneden een wettelijk vastgesteld bedrag liggen, een bijzondere uitkering verzekert om hen in staat te stellen in hun behoeften te voorzien, binnen de werkingssfeer ervan te brengen, het niet voldoende is dat de voorwaarden voor het recht op die uitkering de mogelijkheid van een alleenstaand ouder om een beroepsopleiding te volgen of deeltijdwerk te aanvaarden, ongunstig kunnen beïnvloeden.
Partijen
In de gevoegde zaken C-63/91 en C-64/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Court of Appeal of England and Wales, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
S. Jackson (zaak C-63/91) en
P. Cresswell (zaak C-64/91)
en
Chief Adjudication Officer,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24), en van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, R. Joliet en F. A. Schockweiler, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Diez de Velasco, J. L. Murray en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: D. Triantafyllou, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° S. Jackson en P. Cresswell, vertegenwoordigd door P. Wood, Solicitor;
° het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. E. Collins van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde;
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van S. Jackson en P. Cresswell, vertegenwoordigd door R. Drabble, Barrister-at-Law, het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Plender, QC, en D. Pannick, Barrister-at-Law, als gemachtigden, en de Commissie ter terechtzitting van 13 maart 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 mei 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 21 december 1990, ingekomen ten Hove op 14 februari 1991, heeft de Court of Appeal of England and Wales krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24), en van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40).
2 Deze vragen zijn gerezen in gedingen tussen S. Jackson (zaak C-63/91) en P. Cresswell (zaak C-64/91) enerzijds en de Chief Adjudication Officer anderzijds, over het recht van Jackson en Cresswell om de kosten van kinderopvang in mindering te brengen op hun inkomen, zulks met het oog op de vaststelling van het bedrag van de uitkering waarop zij in het Verenigd Koninkrijk ter aanvulling van hun ontoereikend inkomen aanspraak kunnen maken.
3 Blijkens het dossier werd in het Verenigd Koninkrijk bij de Supplementary Benefits Act 1976 een uitkering ingevoerd ten gunste van personen die over onvoldoende middelen beschikken om in hun behoeften te voorzien. Deze uitkering werd aangeduid als aanvullende uitkering ("supplementary allowance") voor personen tussen 16 jaar en de pensioenleeftijd, en als aanvullend pensioen ("supplementary pension") voor personen boven de pensioenleeftijd.
4 Terwijl krachtens de uitvoeringsregeling van de Supplementary Benefits Act 1976 kosten voor kinderopvang in beginsel van het inkomen uit arbeid konden worden afgetrokken, waren zij niet aftrekbaar van de toelagen die betaald werden tijdens beroepsopleidingen georganiseerd door de Manpower Services Commission, een in het Verenigd Koninkrijk bij wet ingesteld orgaan voor de beroepsopleiding.
5 Bij de Social Security Act 1986, die in april 1988 in de plaats kwam van de Supplementary Benefits Act 1976, is een uitkering genaamd "inkomenssteun" ("income support") ingevoerd, die wordt toegekend aan personen van ten minste 18 jaar oud, wier inkomen een bepaald bedrag niet overschrijdt en die geen bezoldigde betrekking hebben.
6 Evenals in de uitvoeringsregeling van 1976 wordt in die ter uitvoering van de wet van 1986 de alleenstaande ouder die de zorg heeft voor een tot zijn gezin behorend kind, vrijgesteld van de verplichting beschikbaar te zijn voor werk, aan welk vereiste uitkeringsgerechtigden normaal moeten voldoen.
7 Voorts worden volgens de uitvoeringsregeling van 1986 personen die minder dan 24 uur per week werken, niet geacht een bezoldigde betrekking te hebben, en zijn kosten voor kinderopvang niet van het inkomen uit deeltijdarbeid aftrekbaar.
8 Ten tijde van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het hoofdgeding, was Jackson, een ongehuwde moeder met een klein kind, werkloos en ontving zij een aanvullende uitkering. Zij begon in 1986 met een door de Manpower Services Commission georganiseerde beroepsopleiding, in verband waarmee zij een weektoelage kreeg. Wegens dat inkomen trok de Adjudication Officer haar aanvullende uitkering in, terwijl hij haar ook het recht ontzegde de kosten voor kinderopvang tijdens het volgen van haar beroepsopleiding in mindering te brengen op haar inkomen.
9 Ten tijde van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het hoofdgeding, was Cresswell, een uit de echt gescheiden moeder met de zorg voor twee kleine kinderen, werkloos en ontving zij een inkomenssteun. Toen zij deeltijdarbeid van minder dan 24 uur per week aanvaardde, verminderde de Adjudication Officer, rekening houdend met haar inkomen uit deeltijdarbeid, de haar toegekende inkomenssteun, maar hij weigerde de kosten voor opvang van haar twee kinderen in mindering op haar inkomen te brengen.
10 In het geding dat Jacobs en Cresswell hebben ingesteld tegen de weigering van de Britse autoriteiten om bij de vaststelling van hun werkelijk inkomen rekening te houden met hun kosten voor kinderopvang, heeft de Court of Appeal of England and Wales de behandeling van de zaak geschorst totdat het Hof de volgende prejudiciële vragen zal hebben beantwoord:
"1. Valt de aanvullende uitkering (zaak C-63/91) of de inkomenssteun (zaak C-64/91) ° een uitkering die in een aantal persoonlijke situaties kan (of, in geval van de aanvullende uitkering, kon) worden toegekend aan personen die over onvoldoende middelen beschikken om in hun behoeften zoals omschreven in de wet te voorzien, en die getroffen zijn door een van de in artikel 3 van richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten ° binnen de werkingssfeer van artikel 3 van richtlijn 79/7?
2. Is het antwoord op de eerste vraag in alle gevallen hetzelfde of verschilt het naargelang de betrokkene door een van de in artikel 3 van richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten is getroffen?
3. Kunnen de voorwaarden voor het recht op de aanvullende uitkering (zaak C-63/91) of op de inkomenssteun (zaak C-64/91) onder richtlijn 76/207 vallen, waar deze voorwaarden enkel de toegang tot de aanvullende uitkering of de inkomenssteun regelen, maar de toepassing van die voorwaarden tot gevolg kan hebben dat de mogelijkheid van een alleenstaand ouder om deeltijdarbeid te aanvaarden of een beroepsopleiding te volgen, ongunstig wordt beïnvloed?"
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in de hoofdgedingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
Richtlijn 79/7
12 Met haar eerste twee vragen wenst de Court of Appeal in wezen te vernemen, of artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd, dat het van toepassing is op een uitkering als de aanvullende uitkering of de inkomenssteun, die in een aantal persoonlijke situaties kan worden toegekend aan personen die over onvoldoende middelen beschikken om in hun behoeften zoals omschreven in de wet te voorzien, en of het voor het antwoord verschil maakt of de belanghebbende is getroffen door een van de in artikel 3 van de richtlijn opgesomde eventualiteiten.
13 Om de vragen over de werkingssfeer van richtlijn 79/7 te kunnen beantwoorden, moet om te beginnen worden opgemerkt, dat het oogmerk van de richtlijn, volgens de eerste en tweede overweging van de considerans, de geleidelijke tenuitvoerlegging is van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.
14 Volgens de bewoordingen van artikel 3, lid 1, is de richtlijn toepasselijk op wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de eventualiteit van ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten of werkloosheid, en op sociale-bijstandsregelingen voor zover deze een aanvulling vormen op of in de plaats komen van die regelingen.
15 Zoals het Hof reeds overwoog, moet een uitkering, om binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 te vallen, geheel of gedeeltelijk worden toegekend krachtens een wettelijke regeling die bescherming biedt tegen een van de genoemde eventualiteiten, dan wel een vorm van sociale bijstand zijn met hetzelfde doel (arresten van 24 juni 1986, zaak 150/85, Drake, Jurispr. 1986, blz. 1995, r.o. 21, en 4 februari 1992, zaak C-243/90, Smithson, Jurispr. 1992, blz. I-467, r.o. 12).
16 Het Hof wees erop, dat hoewel de toekenningsvoorwaarden niet doorslaggevend zijn om te bepalen of een uitkering binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt, deze uitkering, om binnen de werkingssfeer van de richtlijn te vallen, toch rechtstreeks en daadwerkelijk verband moet houden met de bescherming tegen een van de in artikel 3, lid 1, opgesomde eventualiteiten (arrest Smithson, reeds aangehaald, r.o. 14).
17 Artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 verwijst evenwel niet naar een wettelijke regeling die onder bepaalde voorwaarden aan personen met een inkomen onder een wettelijk bepaald minimum een bijzondere uitkering toekent, om hen in staat te stellen in hun levensonderhoud te voorzien.
18 De omstandigheid dat de uitkeringsgerechtigde zich in feite in een van de in artikel 3, lid 1, bedoelde situaties bevindt, doet aan deze vaststelling niet af.
19 Zo overwoog het Hof in de zaak Smithson (reeds aangehaald), dat het feit dat bij het vaststellen van een huisvestingstoelage rekening wordt gehouden met sommige van de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten teneinde een hogere toelage toe te kennen, niet volstaat om die toelage binnen de werkingssfeer van de richtlijn te brengen.
20 Uitsluiting uit de werkingssfeer van richtlijn 79/7 is dan ook zeker gerechtvaardigd wanneer, zoals in de onderhavige zaken het geval is, de wet bij de vaststelling van de uitkering het bedrag van de theoretische behoeften van de betrokkenen bepaalt zonder er rekening mee te houden, of een van de in artikel 3, lid 1, van de richtlijn opgesomde eventualiteiten zich heeft voorgedaan.
21 Bovendien zijn in sommige situaties, in het bijzonder die waarin verzoeksters in de hoofdgedingen zich bevinden, de uitkeringsgerechtigden krachtens de betrokken nationale regelingen vrijgesteld van de verplichting beschikbaar te zijn voor het verrichten van arbeid. Hieruit blijkt, dat bedoelde uitkeringen niet kunnen worden geacht rechtstreeks en daadwerkelijk verband te houden met de bescherming tegen de eventualiteit van werkloosheid.
22 Mitsdien moet op de eerste en de tweede vraag van de Court of Appeal of England and Wales worden geantwoord, dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een uitkering als de aanvullende uitkering ("supplementary allowance") of de inkomenssteun ("income support"), die in een aantal persoonlijke situaties kan worden toegekend aan personen die over onvoldoende middelen beschikken om in hun behoeften zoals omschreven in de wet te voorzien, en dat het voor het antwoord geen verschil maakt, of de uitkeringsgerechtigde door een van de in artikel 3 van de richtlijn opgesomde eventualiteiten is getroffen.
Richtlijn 76/207
23 Met haar derde vraag wenst de Court of Appeal of England and Wales in wezen te vernemen, of richtlijn 76/207 aldus moet worden uitgelegd, dat zij op een sociale-zekerheidsregeling als de aanvullende uitkering of de inkomenssteun van toepassing is enkel omdat de voorwaarden voor het recht op die de uitkeringen tot gevolg kunnen hebben, dat de mogelijkheid van een alleenstaand ouder om een beroepsopleiding te volgen of deeltijdarbeid te aanvaarden, ongunstig wordt beïnvloed.
24 Om deze vraag over de werkingssfeer van richtlijn 76/207 te kunnen beantwoorden, moet worden opgemerkt, dat de richtlijn volgens de bewoordingen van artikel 1, lid 1, ervan, de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten beoogt van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van de promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en, onder de voorwaarden bedoeld in lid 2, de sociale zekerheid. Artikel 1, lid 2, bepaalt dat, teneinde de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te waarborgen, de Raad op voorstel van de Commissie bepalingen vaststelt waarbij met name de inhoud, de draagwijdte en de wijze van toepassing van dat beginsel nader worden omschreven.
25 Het Hof heeft deze bepaling aldus uitgelegd, dat richtlijn 76/207 niet bestemd was om op het gebied van de sociale zekerheid te worden toegepast (zie arrest van 3 december 1987, zaak 192/85, Newstead, Jurispr. 1987, blz. 4753, r.o. 24).
26 Gelet op het fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling, heeft het Hof evenwel gepreciseerd, dat die uitzondering op de werkingssfeer van de richtlijn restrictief moest worden uitgelegd (zie arrest van 26 februari 1986, zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723, r.o. 36).
27 Hieruit volgt, dat men afbreuk zou doen aan de doelstelling van richtlijn 76/207, wanneer men een uitkeringsregeling enkel omdat zij formeel een onderdeel vormt van een nationaal stelsel van sociale zekerheid, uitsloot van de werkingssfeer van die richtlijn.
28 Dit neemt niet weg, dat een dergelijke regeling alleen binnen de werkingssfeer van de richtlijn zal vallen, indien zij verband houdt met de toegang tot het arbeidsproces, daaronder begrepen de beroepsopleiding en de promotiekansen, of met de arbeidsvoorwaarden.
29 Nationale uitkeringsregelingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, zijn evenwel, zoals al gezegd bij het beantwoorden van de eerste vraag, bestemd ter aanvulling van het inkomen van personen die over onvoldoende middelen beschikken om in hun behoeften te voorzien.
30 De bewering dat de wijze waarop het werkelijke inkomen van de uitkeringsgerechtigden wordt berekend ° welk inkomen als grondslag dient voor de vaststelling van het uitkeringsbedrag °, invloed kan hebben op de mogelijkheden van een alleenstaande moeder om een beroepsopleiding te volgen of deeltijdarbeid te aanvaarden, volstaat dus niet om aan te nemen, dat dergelijke regelingen onder richtlijn 76/207 kunnen vallen.
31 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat richtlijn 76/207 aldus moet worden uitgelegd, dat zij niet van toepassing is op een sociale-zekerheidsregeling als de aanvullende uitkering ("supplementary allowance") of de inkomenssteun ("income support") enkel omdat de voorwaarden voor het recht op die uitkeringen de mogelijkheid van een alleenstaand ouder om een beroepsopleiding te volgen of deeltijdarbeid te aanvaarden, ongunstig kunnen beïnvloeden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Court of Appeal of England and Wales bij beschikkingen van 21 december 1990 gestelde prejudiciële vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een uitkering als de aanvullende uitkering ("supplementary allowance") of de inkomenssteun ("income support"), die in een aantal persoonlijke situaties kan worden toegekend aan personen die over onvoldoende middelen beschikken om in hun behoeften zoals omschreven in de wet te voorzien; voor het antwoord maakt het geen verschil, of de uitkeringsgerechtigde door een van de in artikel 3 van de richtlijn opgesomde eventualiteiten is getroffen.
2) Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, moet aldus worden uitgelegd, dat zij niet van toepassing is op een sociale-zekerheidsregeling als de aanvullende uitkering ("supplementary allowance") en de inkomenssteun ("income support"), enkel omdat de voorwaarden voor het recht op die uitkeringen de mogelijkheid van een alleenstaand ouder om een beroepsopleiding te volgen of deeltijdarbeid te aanvaarden, ongunstig kunnen beïnvloeden.
Full & Egal Universal Law Academy