Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschappen ° Portugal ° Nationale monopolies van commerciële aard ° Artikel 208, lid 1, van Toetredingsakte van 1985 ° Verplichting tot geleidelijke aanpassing gedurende overgangsperiode ° Rechtstreekse werking vóór einde van overgangsperiode ° Afwezigheid
(Toetredingsakte van 1985, art. 208, lid 1)
2. Toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschappen ° Portugal ° Nationale monopolies van commerciële aard ° Verplichting tot geleidelijke aanpassing gedurende overgangsperiode ° Modaliteiten ° Beoordelingsvrijheid van nationale autoriteiten ° Verplichting tot opening van contingenten voor vrije invoer ° Afwezigheid
(EEG-Verdrag, art. 37, lid 1; Toetredingsakte van 1985, art. 208, lid 1)
Samenvatting
1. Artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte van 1985 inzake de geleidelijke aanpassing van de Portugese nationale monopolies van commerciële aard, schept voor Portugal tijdens de daarin voorziene overgangsperiode geen onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige verplichting die door een justitiabele voor een nationale rechterlijke instantie kan worden ingeroepen. Pas bij het verstrijken van de overgangsperiode is de uitsluiting van elke discriminatie niet langer aan enige voorwaarde verbonden en kan zij ten aanzien van haar uitvoering of gevolgen van generlei handeling van de Gemeenschap dan wel van de Lid-Staten afhankelijk worden gesteld.
2. Artikel 37, lid 1, van het Verdrag en artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte van 1985 moeten aldus worden uitgelegd, dat de op de Portugese Republiek rustende verplichting het monopolie voor ethylalcohol geleidelijk aan te passen, niet inhoudt, dat tijdens de overgangsperiode contingenten moeten worden geopend voor de vrije invoer van produkten uit andere Lid-Staten, die onder dat monopolie vallen. Ingevolge deze bepalingen heeft Portugal een ruime beoordelingsvrijheid bij de keuze van de middelen die geschikt zijn voor bedoelde aanpassing, en kan het ook andere maatregelen treffen dan het openen van contingenten, om tijdens de overgangsperiode aan zijn verplichtingen te voldoen.
Partijen
In zaak C-76/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Supremo Tribunal Administrativo de Portugal, in het aldaar aanhangig geding tussen
Caves Neto Costa SA
en
Ministro du Comércio e Turismo en Secretário de Estado do Comércio Externo,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag en artikel 208, lid 1, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Caves Neto Costa SA, vertegenwoordigd door I. Jalles, advocaat te Lissabon,
° de Portugese regering, vertegenwoordigd door J. Mota de Campos en door L. Inez Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Rodríguez Galindo, lid van de juridische dienst, en H. Varandas, bij de juridische dienst gedetacheerd Portugees ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Caves Neto Costa SA, de Portugese regering en de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Caeiro, bijgestaan door A. C. Jessen, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, ter terechtzitting van 24 juni 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 september 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 14 februari 1991, ingekomen bij het Hof op 25 februari daaraanvolgend, heeft het Supremo Tribunal Administrativo krachtens artikel 177 van het Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 37 EEG-Verdrag en artikel 208, lid 1, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23; hierna: "Toetredingsakte").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de onderneming Caves Neto Costa (hierna: "verzoekster") en de minister van Handel en Toerisme en de staatssecretaris van Buitenlandse handel.
3 Verzoekster betoogt dat de Portugese Staat, doordat zij op de datum van de stilzwijgend genomen besluiten tot afwijzing van haar verzoek om uit Frankrijk 28 ton zuivere alcohol te mogen invoeren, geen invoercontingenten voor ethylalcohol had geopend, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 5 van het Verdrag, artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte, punt 2 van de gemeenschappelijke verklaring betreffende de opheffing van de monopolies die in de nieuwe Lid-Staten op landbouwgebied bestaan (PB 1985, L 302, blz. 480) alsmede aanbeveling 87/525/EEG van de Commissie van 8 oktober 1987 aan de Portugese Republiek inzake de wijziging van het nationale alcoholmonopolie van commerciële aard jegens de overige Lid-Staten (PB 1987, L 306, blz. 32; hierna: "aanbeveling").
4 Van oordeel, dat het beroep vragen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht opwierp, heeft het Supremo Tribunal Administrativo het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Impliceert de geleidelijke aanpassing door de Portugese Republiek, vanaf 1 januari 1986, van de monopolies van commerciële aard, in dier voege dat vóór 1 januari 1993 elke discriminatie tussen onderdanen van de Lid-Staten, wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, is uitgesloten, dat Portugal, voor wat betreft het monopolie voor de invoer van zuivere alcohol door een openbaar bedrijf, de Administração Geral do Açúcar e do Álcool, voor alle onder de overgangsperiode vallende jaren contingenten voor de vrije invoer uit andere Lid-Staten moet openen, of mag het zulks voor de eerste jaren van de overgangsperiode achterwege laten?
2) Indien de eerste vraag in laatstbedoelde zin moet worden beantwoord: vanaf welke datum, binnen de overgangsperiode, moet de Portugese Republiek redelijkerwijs het uitsluitende recht voor de invoer van zuivere alcohol afschaffen en contingenten voor vrije invoer vaststellen?
3) Zijn voor wat ethylalcohol betreft de in de aanbeveling van de Commissie van 8 oktober 1987 vastgestelde contingenten, zoals uitdrukkelijk voorzien in artikel 208, lid 1, Toetredingsakte, juist te achten?"
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6 Ingevolge artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte rust op de Portugese Republiek de verplichting, de nationale monopolies van commerciële aard, bedoeld in artikel 37, lid 1, van het Verdrag, in de periode tussen 1 januari 1986 en 1 januari 1993 (hierna: "overgangsperiode") geleidelijk in dier voege aan te passen, dat vóór 1 januari 1993 elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten, wat de voorwaarden van de voorziening en de afzet betreft, is uitgesloten.
7 Alvorens de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden, en teneinde hem alle elementen voor de uitlegging te verschaffen die voor hem van nut zouden kunnen zijn, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een bepaling van gemeenschapsrecht slechts rechtstreekse werking heeft in de betrekkingen tussen de Lid-Staten en hun justitiabelen, indien zij duidelijk en onvoorwaardelijk is.
8 Evenwel behelst noch artikel 37 van het Verdrag, noch het dienovereenkomstige artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte voor de betrokken Lid-Staten tijdens de in deze bepalingen voorziene overgangsperiode een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige verplichting die door een justitiabele voor een nationale rechterlijke instantie kan worden ingeroepen.
9 Zoals het Hof met betrekking tot artikel 37 van het Verdrag oordeelde in een arrest van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181, r.o. 24), is de aan het einde van de overgangsperiode voorziene uitsluiting van elke discriminatie pas bij het verstrijken van die periode niet langer aan enige voorwaarde verbonden, en kan zij pas dan ten aanzien van haar uitvoering of gevolgen van generlei handeling van de Gemeenschap dan wel van de Lid-Staten afhankelijk worden gesteld.
De eerste en de tweede vraag
10 Met de eerste en de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 37, lid 1, van het Verdrag en artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte aldus moeten worden uitgelegd, dat de op de Portugese Republiek rustende verplichting, het monopolie voor ethylalcohol aan te passen, noodzakelijkerwijs inhoudt dat tijdens de overgangsperiode contingenten moeten worden geopend voor de vrije invoer van onder dit monopolie vallende produkten die uit andere Lid-Staten afkomstig zijn, en zo ja, vanaf welke datum deze contingenten moeten worden vastgesteld.
11 Al aanstonds zij vastgesteld, dat een monopolie als het onderhavige een nationaal monopolie van commerciële aard is als bedoeld in artikel 37, lid 1, van het Verdrag en bijgevolg onder de werkingssfeer van artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte valt.
12 Alvorens de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden, moet derhalve de omvang worden bepaald van de verplichting die artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte de Portugese Republiek oplegt met betrekking tot de geleidelijke aanpassing van deze monopolies tijdens de overgangsperiode.
13 In dit verband zij opgemerkt, dat de uitsluiting, aan het einde van de overgangsperiode, van elke discriminatie, een nauwkeurige verplichting vormt waarvan de nakoming door het geleidelijk verloop van de voorziene aanpassing dient te worden vergemakkelijkt, zonder daarvan evenwel afhankelijk te worden gesteld. In het arrest Rewe (reeds aangehaald, r.o. 24) overwoog het Hof zulks met betrekking tot artikel 37, lid 1, van het Verdrag, dat verplichtingen van gelijke omvang behelst als die van artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte.
14 Volgens voornoemd arrest is de termijn welke aldus aan de Lid-Staten is gelaten om de betrokken nationale monopolies geleidelijk aan te passen, bedoeld om gemakkelijker te kunnen komen tot nieuwe situaties die verenigbaar zijn met de uitsluiting, aan het einde van de overgangsperiode, van elke discriminatie.
15 De aan de Commissie bij artikel 208, lid 1, derde alinea, van de Toetredingsakte opgedragen taak om tot de betrokken Lid-Staten niet-bindende handelingen in de vorm van aanbevelingen te richten met betrekking tot de wijze waarop en het ritme waarin de in dit artikel voorgeschreven aanpassing moet worden verwezenlijkt, moet in het licht van die doelstelling worden gezien.
16 Vervolgens zij opgemerkt dat, anders dan het geval is met betrekking tot het monopolie voor aardolieprodukten, waarvoor uitvoerige voorschriften betreffende de vrijmaking van de markten zijn vervat in artikel 208, lid 2, van de Toetredingsakte, artikel 208, lid 1, niets naders bepaalt omtrent de middelen waarmee de geleidelijke aanpassing van een monopolie, zoals het onderhavige, moet geschieden.
17 Blijkens bovenstaande overwegingen heeft de Portugese Republiek ingevolge artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte een ruime beoordelingsvrijheid bij de keuze van de middelen die geschikt zijn om de betrokken monopolies geleidelijk aan te passen in dier voege, dat uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode elke discriminatie als bedoeld in die bepaling is uitgesloten. Om tijdens de overgangsperiode aan haar verplichtingen te voldoen, kan zij derhalve ook andere maatregelen treffen dan het openen van contingenten voor de vrije invoer uit andere Lid-Staten.
18 Mitsdien moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 37, lid 1, van het Verdrag en artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte aldus moeten worden uitgelegd, dat de op de Portugese Republiek rustende verplichting het monopolie voor ethylalcohol geleidelijk aan te passen, niet noodzakelijkerwijs inhoudt dat tijdens de overgangsperiode contingenten moeten worden geopend voor de vrije invoer van onder dat monopolie vallende produkten die afkomstig zijn uit andere Lid-Staten.
19 Gelet op bovenstaand antwoord behoeft de derde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de Portugese regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Supremo Tribunal Administrativo bij beschikking van 14 februari 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 37, lid 1, van het Verdrag en artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte moeten aldus worden uitgelegd, dat de op de Portugese Republiek rustende verplichting het monopolie voor ethylalcohol geleidelijk aan te passen, niet noodzakelijkerwijs inhoudt dat tijdens de overgangsperiode contingenten moeten worden geopend voor de vrije invoer van onder dat monopolie vallende produkten die afkomstig zijn uit andere Lid-Staten.
Full & Egal Universal Law Academy