Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Regels betreffende overgang van referentiehoeveelheden na overdracht van gedeelte van bedrijf ° "Voor melkproduktie gebruikte oppervlakten" ° Begrip
(Verordeningen van de Commissie nr. 1371/84, art. 5, eerste alinea, punt 2, en nr. 1546/88, art. 7, eerste alinea, punt 2)
Samenvatting
Het begrip "voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten" in artikel 5, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 1371/84 en artikel 7, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 1546/88 betreffende, in het kader van het stelsel van de heffing op melk, de overgang van referentiehoeveelheden die bij overdracht van een of meer gedeelten van een bedrijf van de heffing zijn vrijgesteld, moet aldus worden opgevat, dat het ook de door het erf, de gebouwen en de wegen ingenomen oppervlakten van het bedrijf omvat, voor zover zij direct of indirect tot de melkproduktie ervan bijdragen.
Partijen
In zaak C-79/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesverwaltungsgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
W. Knuefer en Direktor der Landwirtschaftskammer Rheinland
en
W. Buchmann
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, eerste alinea, punt 2, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11), en artikel 7, eerste alinea, punt 2, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 12),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Zuleeg, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° W. Buchmann, vertegenwoordigd door Lukanow en Toennesmann, advocaten te Euskirchen,
° de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Booss, als gemachtigde, bijgestaan door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juli 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 15 november 1990, ingekomen bij het Hof op 26 februari 1991, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, eerste alinea, punt 2, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11), en artikel 7, eerste alinea, punt 2, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 12).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen W. Knuefer en de directeur van de Landwirtschaftskammer Rheinland enerzijds en W. Buchmann anderzijds over een referentiehoeveelheid uit hoofde van de regeling inzake de extra heffing op melk.
3 Knuefer produceerde melk op een boerderij die sedert de vorige eeuw aan zijn familie was verpacht. De pachtovereenkomst werd per 1 november 1986 opgezegd. Het bedrijf werd op 5 november daaraanvolgend teruggegeven. Bij overeenkomst van 14 oktober 1986 had de eigenaar van het bedrijf, de vader van Buchmann, aan laatstgenoemde het volledige landbouwareaal overgedragen. Deze overdracht werd van kracht met de goedkeuring van de overeenkomst door het Landwirtschaftsgericht op 17 december 1986.
4 Buchmann verzocht vervolgens de Landwirtschaftskammer Rheinland schriftelijk te verklaren, dat de aan Knuefer voor het betrokken bedrijf toegekende referentiehoeveelheid op hem was overgegaan, omdat de pachtovereenkomst was beëindigd en hij het bedrijf had overgenomen. Aangezien dat verzoek slechts ten dele werd ingewilligd, stelde Buchmann tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek beroep in.
5 Van oordeel dat de beslechting van het geding afhing van de uitlegging van bepalingen van gemeenschapsrecht, heeft het Bundesverwaltungsgericht, waar het geding in "Revision" aanhangig is, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Omvat het begrip 'voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten' in artikel 5, eerste alinea, punt 2, van verordening (EEG) nr. 1371/84 de door het erf, de gebouwen en de wegen ingenomen oppervlakten van het bedrijf in de zin van bedoelde bepaling?"
6 Voor het geval dat niet verordening nr. 1371/84, maar verordening nr. 1546/88 op de feiten van het hoofdgeding moet worden toegepast, verzoekt het Bundesverwaltungsgericht het Hof in de motivering van de verwijzingsbeschikking, de voorgelegde vraag voor het gelijkluidende begrip in artikel 7, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 1546/88 te beantwoorden.
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke gemeenschapsbepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Vooraf zij eraan herinnerd, dat artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), bepaalt dat "in geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf (...) de overeenkomstige referentiehoeveelheid volgens nog vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam (wordt) overgedragen".
9 De nadere voorschriften voor de toepassing van deze bepaling werden neergelegd in artikel 5, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 1371/84, bepalende dat "in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van een of meer gedeelten van het bedrijf (...) de betrokken referentiehoeveelheid over de producenten die het bedrijf overnemen, (wordt) verdeeld op basis van de respectieve voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten of andere door de Lid-Staten vastgestelde objectieve criteria. De Lid-Staten kunnen bepalen dat geen rekening wordt gehouden met overgedragen gedeelten, waarvan de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakte kleiner is dan een door hen vast te stellen minimum." Volgens artikel 5, eerste alinea, punt 3, zijn deze bepalingen "van toepassing voor andere gevallen van overgang die, op grond van de nationale regelingen, voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties hebben".
10 Zoals het Hof heeft verklaard in zijn arrest van 13 juli 1989 (zaak 5/88, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609, r.o. 15), zijn de juridische consequenties van de teruggave van een gepacht bedrijf aan het einde van de pacht vergelijkbaar, in de zin van artikel 5, eerste alinea, punt 3, van verordening nr. 1371/84, met die van de overdracht van het bedrijf bij het aangaan van de pacht; in beide gevallen gaat het bezit van de betrokken produktie-eenheden over in het kader van de door de pacht ontstane contractuele betrekkingen.
11 De bepalingen van artikel 5, eerste alinea, punten 2 en 3, van verordening nr. 1371/84 zijn letterlijk overgenomen in artikel 7, eerste alinea, punten 2 en 3, van verordening nr. 1546/88, die met ingang van 4 juni 1988 in de plaats is getreden van verordening nr. 1371/84. Derhalve geldt de door het Hof in het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing gegeven uitlegging voor de genoemde bepalingen van deze beide opeenvolgende verordeningen.
12 Blijkens de tekst van de betrokken bepalingen staat het de Lid-Staten vrij om voor de verdeling van de referentiehoeveelheden van bedrijven waarvan enkel een gedeelte is overgedragen, eigen criteria vast te stellen, mits deze objectief zijn, en kunnen zij bepalen dat geen rekening wordt gehouden met overgedragen gedeelten waarvan de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakte kleiner is dan een vast te stellen minimum. Wanneer zij echter geen gebruik van die mogelijkheden hebben gemaakt, moeten de betrokken bepalingen worden toegepast in overeenstemming met de reeds in het arrest van 6 december 1991 (zaak C-121/90, Posthumus, Jurispr. 1991, blz. I-5833, r.o. 9) ontwikkelde beginselen, dat wil zeggen dat de verdeling van de referentiehoeveelheden strikt proportioneel geschiedt volgens de omvang van de respectieve oppervlakten van het bedrijf die voor de melkproduktie worden gebruikt, zonder dat onderscheid kan worden gemaakt naar de aard van het gebruik van die oppervlakten.
13 Voor de verdeling van de referentiehoeveelheden moet rekening worden gehouden met alle oppervlakten van het bedrijf die rechtstreeks of indirect tot de melkproduktie ervan bijdragen, daaronder begrepen de door het erf, de gebouwen en de wegen ingenomen oppervlakten, voor zover zij direct of indirect bijdragen tot de melkproduktie van het bedrijf.
14 Deze uitlegging vindt steun in de tekst van de regeling en is in overeenstemming met het doel ervan. De betrokken bepalingen willen immers verzekeren, dat ter waarborging van de rechtszekerheid en de doeltreffendheid van de regeling, en behoudens door de Lid-Staten uitdrukkelijk te bepalen uitzonderingen, duidelijke en nauwkeurige regels worden gesteld, bij de toepassing waarvan de nationale autoriteiten geen eigen beoordelingsvrijheid hebben (zie hiervoor arrest van 6 december 1991, reeds aangehaald, r.o. 10).
15 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat het begrip "voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten" in artikel 5, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 1371/84 en artikel 7, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 1546/88 aldus moet worden opgevat, dat het ook de door het erf, de gebouwen en de wegen ingenomen oppervlakten van het bedrijf omvat, voor zover zij direct of indirect tot de melkproduktie ervan bijdragen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
16 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 15 november 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het begrip "voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten" in artikel 5, eerste alinea, punt 2, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 en artikel 7, eerste alinea, punt 2, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 moet aldus worden opgevat, dat het ook de door het erf, de gebouwen en de wegen ingenomen oppervlakten van het bedrijf omvat, voor zover zij direct of indirect tot de melkproduktie ervan bijdragen.
Full & Egal Universal Law Academy