Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Prejudiciële vragen ° Bevoegdheid van Hof ° Grenzen ° Uitlegging gevraagd wegens toepasselijkheid van bepaling van gemeenschapsrecht als gevolg van verwijzing in contractuele bepaling ° Bevoegdheid om uitlegging te verstrekken, maar niet om consequenties uit verwijzing te trekken
(EEG-Verdrag, art. 177)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Financiering door EOGFL ° Interventiemaatregelen ° Opstelling van jaarlijkse rekeningen ° Opslag van bij eerste persing verkregen olijfolie voor verlichting ° Als gevolg van diefstal ontbrekende hoeveelheid ° Bepaling van waarde ° Toepassing van op moment van diefstal geldende aankoopprijs bij interventie, vermeerderd met maandelijkse verhogingen ° Inaanmerkingneming van zuurheidsgraad van gestolen olie ° Onmogelijkheid om zuurheidsgraad van gestolen olie te bepalen ° Toepassing van prijs van op plaats van diefstal opgeslagen olie met laagste zuurheidsgraad
(Verordening nr. 3247/81 van de Raad, art. 3, lid 2, vierde alinea, en bijlage II, punt VIII, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2632/85)
Samenvatting
1. Aangezien het voor de communautaire rechtsorde van evident belang is, dat ter vermijding van toekomstige uitleggingsgeschillen iedere bepaling van gemeenschapsrecht, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moet vinden, op eenvormige wijze wordt uitgelegd, moet het Hof zich bevoegd verklaren om uitspraak te doen op een prejudiciële vraag die is gesteld in een context waarin een contractuele bepaling naar de inhoud van communautaire bepalingen verwijst ter vaststelling van de mate waarin een van de partijen financieel aansprakelijk kan worden gesteld.
Het Hof is evenwel enkel bevoegd bepalingen van gemeenschapsrecht te onderzoeken. Het kan in zijn antwoord aan de nationale rechter geen rekening houden met de opzet van de overeenkomst noch met nationale bepalingen die de draagwijdte van de contractuele verbintenissen kunnen bepalen. Het staat aan de nationale rechter om in voorkomend geval rekening te houden met de grenzen die het nationale recht en de overeenkomst aan de toepassing van het gemeenschapsrecht kunnen stellen.
2. Artikel 3, lid 2, vierde alinea, van verordening nr. 3247/81 en bijlage II, punt VIII, bij die verordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2632/85, moeten aldus worden uitgelegd, dat voor de opstelling van de jaarlijkse rekeningen betreffende de financiering door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, van interventiemaatregelen in de vorm van opslag, de waarde van wegens diefstal ontbrekende hoeveelheden bij eerste persing verkregen olijfolie voor verlichting moet worden bepaald door de ontvreemde hoeveelheden te vermenigvuldigen met de aankoopprijs die gold gedurende het verkoopseizoen waarin de diefstal werd gepleegd of werd geconstateerd, vermeerderd met alle maandelijkse verhogingen geldend voor een soort olie met dezelfde zuurheidsgraad als de ontvreemde olie, dan wel, bij gebreke van enig bewijselement aan de hand waarvan de zuurheidsgraad van de gestolen olijfolie kan worden bepaald, door toepassing van de aankoopprijs van in het betrokken verkoopseizoen in de opslagplaats waar de diefstal werd gepleegd, opgeslagen olijfolie met de laagste zuurheidsgraad.
Partijen
In zaak C-88/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Corte d' appello di Roma, in het aldaar aanhangig geding tussen
Federazione italiana dei consorzi agrari (Federconsorzi)
en
Azienda di Stato per gli interventi sul mercato agricolo (AIMA),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de communautaire bepalingen neergelegd in artikel 3, lid 2, vierde alinea, en in bijlage II, punt VIII, van verordening (EEG) nr. 3247/81 van de Raad van 9 november 1981 inzake de financiering door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, van bepaalde interventiemaatregelen, met name aankoop, opslag en verkoop van landbouwprodukten door de interventiebureaus (PB 1981, L 327, blz. 1), zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2632/85 van de Raad van 16 september 1985, in samenhang met het bepaalde in verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, alsmede in verordening (EEG) nr. 3472/85 van de Commissie van 10 december 1985 betreffende de aankoop en opslag van olijfolie door de interventiebureaus,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, C. N. Kakouris en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: D. Triantafyllou, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Federconsorzi, vertegenwoordigd door E. Cappelli en P. de Caterini, advocaten te Rome,
° de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
° de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March als gemachtigde, bijgestaan door G. Marchesini, advocaat bij de Corte di cassazione van de Italiaanse Republiek,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Federconsorzi, de Italiaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 12 maart 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 april 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 11 december 1990, ingekomen bij het Hof op 8 maart 1991, heeft de Corte d' appello di Roma krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de communautaire bepalingen neergelegd in artikel 3, lid 2, vierde alinea, en in bijlage II, punt VIII, van verordening (EEG) nr. 3247/81 van de Raad van 9 november 1981 inzake de financiering door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, van bepaalde interventiemaatregelen, met name aankoop, opslag en verkoop van landbouwprodukten door de interventiebureaus (PB 1981, L 327, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2632/85 van de Raad van 16 september 1985 (PB 1985, L 251, blz. 1), in samenhang met het bepaalde in verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, blz. 3025), alsmede in verordening (EEG) nr. 3472/85 van de Commissie van 10 december 1985 betreffende de aankoop en opslag van olijfolie door de interventiebureaus (PB 1985, L 333, blz. 5).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de Federazione italiana dei consorzi agrari (hierna: "Federconsorzi"), opslaghouder voor interventieverrichtingen in de sector olijfolie voor het verkoopseizoen 1985/1986, en de Azienda di Stato per gli interventi sul mercato agricolo (hierna: "AIMA") over de bepaling van het bedrag dat is verschuldigd wegens een in de magazijnen van de opslaghouder te Gioia Tauro vastgestelde diefstal van 6 127,33 kwintaal bij eerste persing verkregen olijfolie voor verlichting, die in het seizoen 1983/1984 ter interventie was aangekocht.
3 Blijkens de stukken is in artikel 3 van de tussen Federconsorzi en AIMA gesloten overeenkomst bepaald:
"De opslaghouder is gehouden tot vergoeding van verliezen ten gevolge van voor zijn risico komende omstandigheden, en wel tegen de waarde als geregeld in de op het desbetreffende tijdstip geldende gemeenschapswetgeving."
4 Van oordeel, dat het hem voorgelegde geschil een vraag van uitlegging van gemeenschapsrecht deed rijzen, heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst totdat het Hof uitspraak zou hebben gedaan over de volgende prejudiciële vraag:
"Moeten het bepaalde in artikel 3, lid 2, vierde alinea, en in bijlage II, punt VIII, van verordening (EEG) nr. 3247/81 van de Raad, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2632/85 van de Raad, in samenhang met de bepalingen van verordening nr. 136/66/EEG van de Raad alsmede van verordening (EEG) nr. 3472/85 van de Commissie, aldus worden uitgelegd, dat met het oog op de boekhouding van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds de waarde van olijfolie verkregen bij eerste persing voor verlichting, die uit een interventieopslagplaats is ontvreemd, moet worden bepaald ° naar verhouding tot de weggehaalde hoeveelheden ° aan de hand van de prijs ° met de voorgeschreven maandelijkse verhogingen ° die in het verkoopseizoen waarin de diefstal werd geconstateerd, gold voor bij eerste persing verkregen olijfolie voor verlichting met zuurheidsgraad 1 dan wel met de laagste zuurheidsgraad die gemeten is in de betrokken opslagplaats gedurende het verkoopseizoen waaruit de ontvreemde olie afkomstig is, of is voor die waarde strikt en alleen de prijs bepalend die op het moment van de overdracht is betaald voor dezelfde kwaliteit en hoeveelheid als is ontvreemd, of moet een andere dan de hier genoemde normen worden aangelegd?"
5 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke regelingen, de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De bevoegdheid van het Hof
6 Aangezien de nationale rechter zijn prejudiciële vraag heeft gesteld in een context waarin de communautaire regeling enkel via een tussen partijen in het hoofdgeding overeengekomen contractuele bepaling van toepassing is, rijst de vraag, of het Hof rechtsgeldig is aangezocht.
7 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in een arrest van 18 oktober 1990 (gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89, Dzodzi, Jurispr. 1990, blz. I-3763), waarin het ging om de vraag, of artikel 177 EEG-Verdrag de bevoegdheid van het Hof om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een bepaling van gemeenschapsrecht uitsluit in het bijzondere geval dat het nationale recht van een Lid-Staat naar de inhoud van die bepaling verwijst ter vaststelling van de voorschriften die in een zuiver interne situatie van die Lid-Staat van toepassing zijn, heeft overwogen, dat het voor de communautaire rechtsorde van evident belang is, dat ter vermijding van toekomstige uitleggingsgeschillen iedere bepaling van gemeenschapsrecht, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moet vinden, op eenvormige wijze wordt uitgelegd.
8 Aangezien de in geding zijnde contractuele bepaling naar de inhoud van communautaire bepalingen verwijst ter vaststelling van de mate waarin een van de partijen financieel aansprakelijk kan worden gesteld, staat niets eraan in de weg, dat het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak doet over de uitlegging van deze bepalingen.
9 Derhalve moet worden geconcludeerd, dat het Hof bevoegd is om de onderhavige prejudiciële vraag te beantwoorden.
10 Hierbij moet worden aangetekend, dat het Hof enkel bevoegd is bepalingen van gemeenschapsrecht te onderzoeken. Het kan in zijn antwoord aan de nationale rechter geen rekening houden met de opzet van de overeenkomst noch met nationale bepalingen die de draagwijdte van de contractuele verbintenissen kunnen bepalen. Het staat aan de nationale rechter om in voorkomend geval rekening te houden met de grenzen die het nationale recht en de overeenkomst aan de toepassing van het gemeenschapsrecht kunnen stellen.
Ten gronde
11 Allereerst zij eraan herinnerd, dat artikel 35 van verordening nr. 136/66 bepaalt:
"Onverminderd de harmonisatie van de wetgevingen betreffende olijfoliën bestemd voor menselijke voeding, voeren de Lid-Staten voor het intracommunautair handelsverkeer en het handelsverkeer met derde landen, de uitvoer naar derde landen uitgezonderd, de benamingen en definities van olijfoliën in, die zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening."
12 In deze bijlage worden op basis van organoleptische criteria en van de verschillende zuurheidsgraad, vier categorieën olijfolie verkregen bij eerste persing genoemd: extra, fijn, courant en voor verlichting. Deze laatste categorie wordt gedefinieerd als volgt:
"olijfolie met een onaangename smaak, of waarvan het gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, meer bedraagt dan 3,3 gram per 100 gram".
13 Artikel 3, lid 1 en lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 3472/85 bepaalt, dat de aankoopprijs bij interventie
"de prijs is die geldt op de dag van levering (...), met inachtneming van de in deze verordening vastgestelde toeslagen en kortingen.
De aanpassing van de aankoopprijs geschiedt door toepassing op de interventieprijs van de in de bijlage vermelde toeslagen en kortingen."
14 Voor bij eerste persing verkregen olijfolie voor verlichting wordt in deze bijlage een korting van 8,14 ECU vastgesteld voor olie met zuurheidsgraad 1 en wordt deze korting verhoogd met 0,32 of 0,35 ECU per 1/10 zuurheidsgraad meer, naar gelang de zuurheidsgraad van de betrokken olie minder of meer dan 8 bedraagt.
15 Tegen de achtergrond van deze bepalingen dient punt VIII van bijlage II bij verordening nr. 3247/81, zoals gewijzigd, te worden uitgelegd. Punt VIII luidt als volgt:
"Voor de toepassing van de bepalingen inzake de hoeveelheden die ontbreken wegens diefstal of ander verlies waarvan de oorzaak kan worden vastgesteld, moet de interventieprijs voor de betrokken kwaliteit, verhoogd met alle maandelijkse verhogingen, in aanmerking worden genomen."
16 Volgens de Italiaanse regering en de Commissie verwijst de term "kwaliteit" in deze bepaling naar de vier soorten olie (extra, fijn, courant en voor verlichting) die worden genoemd in de bijlage bij verordening nr. 136/66, zonder dat binnen elk van deze soorten onderscheid moet worden gemaakt naar gelang de zuurheidsgraad van de betrokken olie.
17 Deze uitlegging kan niet worden aanvaard. Zelfs al vormen die vier soorten kwaliteitsklassen, dit betekent niet dat de kwaliteit van de olie in de zin van punt VIII van bijlage II bij verordening nr. 3247/81 uitsluitend onder verwijzing naar deze klassen kan worden beoordeeld.
18 Dit vindt steun in het feit, dat volgens artikel 12, lid 1, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1562/78 van de Raad van 29 juni 1978 de aankoopprijs van voor interventie aangeboden olijfolie
"(...) aan de hand van een schaal van toeslagen en kortingen wordt aangepast, wanneer olijfolie die voor interventie wordt aangeboden, qua benaming of kwaliteit niet overeenstemt met die waarvoor de interventieprijs is vastgesteld",
en dat de reeds genoemde verhogingen van de toepasselijke korting in de bijlage bij verordening nr. 3472/85 zijn opgenomen onder het kopje "Benaming en kwaliteit in de zin van de bijlage bij verordening nr. 136/66".
19 Hieruit volgt, dat voor de toepassing van punt VIII van bijlage II bij verordening nr. 3247/81 de zuurheidsgraad bepalend is voor de "betrokken kwaliteit" van de olijfolie voor verlichting.
20 Bijgevolg moet de waarde van wegens diefstal ontbrekende hoeveelheden olijfolie voor verlichting worden bepaald door de ontvreemde hoeveelheden te vermenigvuldigen met de aankoopprijs die gedurende het verkoopseizoen waarin de diefstal werd gepleegd of werd geconstateerd, gold voor het betrokken soort olie met dezelfde zuurheidsgraad als de ontvreemde olie, vermeerderd met alle maandelijkse verhogingen.
21 Hieraan moet worden toegevoegd, dat de exacte vaststelling van de zuurheidsgraad van de gestolen partijen in het onderhavige geval een feitenkwestie is waarover de nationale rechter zich dient uit te spreken.
22 Het beginsel, dat ter zake van de goedkeuring van EOGFL-rekeningen de bewijslast ligt bij degene die stelt recht op financiering te hebben (zie laatstelijk het arrest van 10 juli 1990, zaak C-335/87, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-2875), brengt evenwel mee, dat bij gebreke van enig bewijselement aan de hand waarvan de zuurheidsgraad van de gestolen olie kan worden bepaald, de waarde van die olie moet worden berekend door toepassing van de aankoopprijs van in het betrokken verkoopseizoen in de opslagplaats waar de diefstal werd gepleegd, opgeslagen olijfolie met de laagste zuurheidsgraad.
23 Mitsdien moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat artikel 3, lid 2, vierde alinea, van verordening (EEG) nr. 3247/81 van de Raad van 9 november 1981, en bijlage II, punt VIII, van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2632/85 van de Raad van 16 september 1985, aldus moeten worden uitgelegd, dat voor de opstelling van de jaarlijkse rekeningen betreffende de financiering door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, van interventiemaatregelen in de vorm van opslag, de waarde van wegens diefstal ontbrekende hoeveelheden bij eerste persing verkregen olijfolie voor verlichting moet worden bepaald door de ontvreemde hoeveelheden te vermenigvuldigen met de aankoopprijs die gold gedurende het verkoopseizoen waarin de diefstal werd gepleegd of werd geconstateerd, vermeerderd met alle maandelijkse verhogingen geldend voor een soort olie met dezelfde zuurheidsgraad als de ontvreemde olie, dan wel, bij gebreke van enig bewijselement aan de hand waarvan de zuurheidsgraad van de gestolen olijfolie kan worden bepaald, door toepassing van de aankoopprijs van in het betrokken verkoopseizoen in de opslagplaats waar de diefstal werd gepleegd, opgeslagen olijfolie met de laagste zuurheidsgraad.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door de Corte d' appello di Roma bij beschikking van 11 december 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 2, vierde alinea, van verordening (EEG) nr. 3247/81 van de Raad van 9 november 1981 inzake de financiering door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Garantie, van bepaalde interventiemaatregelen, met name aankoop, opslag en verkoop van landbouwprodukten door de interventiebureaus, en bijlage II, punt VIII, van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2632/85 van de Raad van 16 september 1985, moeten aldus worden uitgelegd, dat voor de opstelling van de jaarlijkse rekeningen betreffende de financiering door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, van interventiemaatregelen in de vorm van opslag, de waarde van wegens diefstal ontbrekende hoeveelheden bij eerste persing verkregen olijfolie voor verlichting moet worden bepaald door de ontvreemde hoeveelheden te vermenigvuldigen met de aankoopprijs die gold gedurende het verkoopseizoen waarin de diefstal werd gepleegd of werd geconstateerd, vermeerderd met alle maandelijkse verhogingen geldend voor een soort olie met dezelfde zuurheidsgraad als de ontvreemde olie, dan wel, bij gebreke van enig bewijselement aan de hand waarvan de zuurheidsgraad van de gestolen olijfolie kan worden bepaald, door toepassing van de aankoopprijs van in het betrokken verkoopseizoen in de opslagplaats waar de diefstal werd gepleegd, opgeslagen olijfolie met de laagste zuurheidsgraad.
Full & Egal Universal Law Academy