Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Uitkeringen ° Nationale anti-cumulatievoorschriften ° Recht op grond van nationale wettelijke regeling alleen ° Toepasselijkheid ° Grenzen ° Gemeenschapsregeling, met inbegrip van anti-cumulatiebepalingen ervan, gunstiger voor werknemer
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 12, lid 2, en art. 46)
Samenvatting
Op grond van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 moet het bevoegde orgaan van een Lid-Staat bij de berekening van het ouderdomspensioen van een migrerend werknemer de uitkeringen die verschuldigd zouden zijn krachtens het nationale recht alleen, vergelijken met de uitkeringen die verschuldigd zouden zijn krachtens het gemeenschapsrecht, en de migrerend werknemer de uitkering toekennen waarvan het bedrag het hoogst is.
Daartoe dient het bevoegde orgaan bij de vaststelling van de uitkering die verschuldigd is krachtens zijn nationale wettelijke regeling alleen, enkel de nationale anti-cumulatiebepalingen toe te passen, terwijl het bij de vaststelling van de uitkering die verschuldigd is krachtens het gemeenschapsrecht, overeenkomstig artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 geen rekening dient te houden met de nationale anti-cumulatiebepalingen, doch, indien dat noodzakelijk blijkt, het bedrag van de verschuldigde uitkering moet corrigeren overeenkomstig artikel 46, lid 3.
Partijen
In de gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Arbeidshof te Luik (België), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Rijksdienst voor pensioenen (RVP)
en
E. Di Crescenzo,
en tussen
Rijksdienst voor pensioenen (RVP)
en
A. Casagrande, weduwe R. Barel,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 12, lid 2, en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. Joliet, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en D. A. O. Edwards, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Rijksdienst voor pensioenen, vertegenwoordigd door R. Masyn, administrateur-generaal,
° Di Crescendo en Casagrande, vertegenwoordigd door J. Raskin, advocaat te Luik,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis en M. Patakia, lid van de juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Rijksdienst voor pensioenen, vertegenwoordigd door J. P. Lheureux, bestuurssecretaris, Di Crescenzo en Casagrande, alsmede de Commissie ter terechtzitting van 19 maart 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 april 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij twee arresten van 22 februari 1991, ingekomen bij het Hof op 12 maart daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Luik krachtens artikel 177 EEG-Verdrag prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 12, lid 2, en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Deze vragen zijn gerezen in twee geschillen tussen de Rijksdienst voor pensioenen (hierna: "RVP") enerzijds en E. Di Crescenzo, respectievelijk A. Casagrande anderzijds, over de berekening door de RVP van het aan Di Crescenzo verschuldigde rustpensioen en van het aan Casagrande verschuldigde overlevingspensioen.
3 Uit de door de verwijzende rechter aan het Hof overgelegde stukken blijkt dat Di Crescenzo, die de Italiaanse nationaliteit bezit, gedurende 27 jaar als mijnwerker in België heeft gewerkt. Daarvoor was hij gedurende 256 weken in Italië daadwerkelijk werkzaam geweest als werknemer of had hij daarmee gelijkgestelde werkzaamheden uitgeoefend.
4 Op 1 april 1975 kende de Rijksdienst voor werknemerspensioenen (hierna: "RWP"), het bevoegde Belgische orgaan, hem een volledig Belgisch rustpensioen van mijnwerker toe. Dit pensioen was gebaseerd op de 27 daadwerkelijke arbeidsjaren van de betrokkene in België, vermeerderd met drie fictieve jaren die hem waren toegekend krachtens de Belgische bepalingen inzake de pensioenen van mijnwerkers.
5 Met ingang van 1 juli 1980 had Di Crescenzo eveneens recht op een Italiaans rustpensioen. Op grond van de Belgische anti-cumulatiebepalingen en rekening houdend met de jaren waarvoor de betrokkene een Italiaans pensioen genoot, verminderde de RWP bij op 17 mei 1985 betekende rectificatiebeschikking het aantal aan Di Crescenzo toegekende fictieve jaren en verlaagde het derhalve het bedrag van zijn pensioen met ingang van 1 juli 1980.
6 Casagrande is de weduwe van Barel, die op 16 januari 1983 is overleden. Overeenkomstig de Belgische wetgeving berekende de RWP het overlevingspensioen van Casagrande op basis van het rustpensioen waarop haar echtgenoot recht zou hebben gehad. Barel, die de Italiaanse nationaliteit bezat, heeft gedurende 21 jaar in België als mijnwerker gewerkt. Daarvoor had hij gedurende 14 jaar in Italië als werknemer gewerkt of daarmee gelijkgestelde werkzaamheden uitgeoefend.
7 Op 30 september 1983 verkreeg Casagrande voorlopig recht op een volledig overlevingspensioen van een werknemer. Dit recht was gebaseerd op de 21 door haar echtgenoot daadwerkelijk vervulde jaren van arbeid als mijnwerker in België, vermeerderd met de 14 jaar van vermoedelijke tewerkstelling als werknemer die hem krachtens de Belgische bepalingen inzake de werknemerspensioenen waren toegekend.
8 Op grond van de Belgische anti-cumulatiebepalingen en rekening houdend met de jaren waarvoor de betrokkene recht had op een Italiaans overlevingspensioen, verminderde de RWP bij definitieve beschikking van 12 oktober 1984 het aantal jaren van vermoedelijke tewerkstelling dat aanvankelijk aan Barel was toegekend en derhalve ook het bedrag van het aan Casagrande toegekende pensioen.
9 Di Crescenzo en Casagrande stelden tegen deze beschikkingen van 17 mei 1985 respectievelijk 12 oktober 1984 beroep in bij de Arbeidsrechtbank te Luik; zij betoogden dat de nationale anti-cumulatiebepalingen op grond van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet op EG-onderdanen mochten worden toegepast. De rechtbank stelde hen in het gelijk en verklaarde, dat zij recht hadden op een volledig pensioen.
10 De RVP, opvolger in de rechten en verplichtingen van RWP, ging akkoord met de toekenning van een volledig pensioen aan Di Crescenzo tot 31 december 1980, omdat de Belgische wetgeving op dat moment geen enkele anti-cumulatieregel bevatte, doch stelde bij het Arbeidshof te Luik beroep in tegen het vonnis van de rechtbank voor wat de berekening van het pensioen van Di Crescenzo met ingang van 1 januari 1981 betreft, en tegen het vonnis waarbij werd verklaard dat Casagrande recht had op een volledig overlevingspensioen.
11 Van oordeel, dat de geschillen problemen van uitlegging van het gemeenschapsrecht opwierpen, heeft het Arbeidshof te Luik de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende, in beide zaken gelijkluidende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Wanneer een pensioenuitkering (in casu een volledig pensioen) krachtens de Belgische wettelijke regeling alleen is toegekend, moet dan, met het oog op een eventuele cumulatie van die uitkering met een pensioen van een andere Lid-Staat, in casu Italië, artikel 46 van verordening nr. 1408/71 in zijn geheel worden toegepast, met inbegrip van lid 3? Heeft de rechtspraak, neergelegd in het arrest Petroni en in de latere arresten van dezelfde strekking, nog reden van bestaan?
2) Geldt dezelfde regel wanneer het niet gaat om een op basis van verzekeringstijdvakken en daarmee gelijkgestelde tijdvakken berekend rustpensioen, doch om een door het Nationaal pensioenfonds voor mijnwerkers uitbetaald invaliditeitspensioen, dat, behoudens verschillen in verband met de gezinssituatie, voor iedereen hetzelfde is?
3) Kan de neutralisering door artikel 12, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 1408/71 van een nationale anti-cumulatiebepaling die, het recht op uitkeringen, dat uitsluitend krachtens in de betrokken staat vervulde verzekeringstijdvakken is verworven, beperkt, rekening houdend met het recht op gelijksoortige uitkeringen dat in een andere Lid-Staat is verworven, tot gevolg hebben dat de nationale uitkering krachtens artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71 wordt verminderd, wanneer voor het recht op die uitkering in de eerste staat geen verzekeringstijdvakken behoefden te worden samengeteld en artikel 12, lid 2, tweede volzin, van de verordening geen ander effect had dan een krachtens de nationale wettelijke regeling alleen verworven recht te handhaven?"
12 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de hoofdgedingen, het procesverloop alsmede de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste en de derde vraag
13 Blijkens de motiveringen van de verwijzingsarresten wil de verwijzende rechter met deze vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, in hoofdzaak vernemen, of het bevoegde orgaan van een Lid-Staat artikel 46 van verordening nr. 1408/71 in zijn geheel dient toe te passen, met inbegrip van lid 3, wanneer een migrerend werknemer recht heeft op een volledig rustpensioen krachtens de nationale wetgeving alleen, en of artikel 12, lid 2, van diezelfde verordening in dergelijke omstandigheden een nationale anti-cumulatiebepaling die het recht op uitkeringen verlaagt, op grond van het feit dat de migrerend werknemer eveneens een pensioen ontvangt in een andere Lid-Staat, neutraliseert.
14 In het arrest van 21 oktober 1975 (zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149) heeft het Hof voor recht verklaard, dat het doel van de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag niet zou worden bereikt, indien de werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen, welke hun in ieder geval door de wettelijke regeling van een Lid-Staat alleen zijn gewaarborgd. Hieruit volgt, dat de toepassing van de gemeenschapsregeling niet mag leiden tot een vermindering van de krachtens de nationale wetgeving van een Lid-Staat toegekende uitkeringen (zie arrest van 9 juli 1980, zaak 807/79, Gravina, Jurispr. 1980, blz. 2205).
15 Wanneer een migrerend werknemer een pensioen ontvangt krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat alleen, verzetten de bepalingen van verordening nr. 1408/71 volgens vaste rechtspraak (zie laatstelijk het arrest van 18 februari 1992, zaak C-5/91, Di Prinzio, Jurispr. 1992, blz. I-897) zich er evenwel niet tegen, dat die nationale wettelijke regeling integraal op hem wordt toegepast, met inbegrip van de anti-cumulatieregels.
16 Uit diezelfde rechtspraak blijkt, dat indien de toepassing van de nationale wettelijke regeling van de betrokken Lid-Staat voor de werknemer minder gunstig blijkt uit te vallen dan toepassing van de in artikel 46 van verordening nr. 1408/71 voorziene communautaire regeling, dit artikel in zijn geheel moet worden toegepast.
17 Derhalve dient het bevoegde orgaan de uitkeringen die verschuldigd zouden zijn krachtens het nationale recht alleen, met inbegrip van de anti-cumulatieregels ervan, te vergelijken met de uitkeringen die verschuldigd zouden zijn krachtens het gemeenschapsrecht, met inbegrip van de anti-cumulatieregel van artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71, en de migrerend werknemer de uitkering toe te kennen waarvan het bedrag het hoogst is.
18 Op grond van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 zijn de bepalingen inzake vermindering waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet ingeval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen, niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij ouderdom geniet, welke overeenkomstig artikel 46 van deze verordening worden vastgesteld.
19 De berekening van het bedrag van de uitkeringen overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 dient in drie etappen te geschieden. In de eerste plaats berekent het bevoegde orgaan de zogenoemde "autonome" uitkering overeenkomstig artikel 46, lid 1, eerste alinea, van deze verordening. In de tweede plaats berekent het op grond van artikel 46, lid 1, tweede alinea, het bedrag van de zogenoemde "geproratiseerde" uitkering overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van dit artikel. In de derde plaats vergelijkt het bevoegde orgaan, overeenkomstig artikel 46, lid 1, tweede alinea, tweede volzin, de autonome uitkering met de geproratiseerde en houdt het het hoogste van deze beide bedragen aan. Ten slotte past het de communautaire anti-cumulatieregel van artikel 46, lid 3, toe.
20 Tijdens de eerste etappe ° de berekening van de autonome uitkering ° bepaalt het bevoegde orgaan volgens zijn eigen wettelijke regeling het uitkeringsbedrag in overeenstemming met de totale duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke in aanmerking moeten worden genomen krachtens deze wettelijke regeling alleen. Ingevolge artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 zijn de nationale bepalingen inzake vermindering niet van toepassing.
21 Overigens is een nationale bepaling op grond waarvan de bijkomende fictieve jaren die de werknemer zouden kunnen worden toegekend, worden verminderd met het aantal jaren waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een andere Lid-Staat, aan te merken als een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 (zie het arrest van 18 februari 1992, Di Prinzio, reeds aangehaald).
22 Wanneer de wettelijke regeling van een Lid-Staat na optelling van een bepaald aantal fictieve of vermoede jaren bij het tijdvak van daadwerkelijke of gelijkgestelde tewerkstelling en zonder toepassing van enige nationale bepaling inzake vermindering recht op een volledig pensioen geeft, is de uit hoofde van artikel 46, lid 1, eerste alinea, verschuldigde autonome uitkering dus gelijk aan het volledige pensioen.
23 De tweede etappe ° de berekening van de geproratiseerde uitkering ° valt uiteen in twee onderdelen. Eerst bepaalt het bevoegde orgaan krachtens artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 het theoretische bedrag van de uitkering. Vervolgens berekent het overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub b, het werkelijke uitkeringsbedrag.
24 Volgens artikel 46, lid 2, sub a, is het theoretische bedrag van de uitkering, het bedrag waarop de werknemer aanspraak zou kunnen maken, indien alle tijdvakken van verzekering die hij in verschillende Lid-Staten heeft vervuld, in de betrokken Lid-Staat waren vervuld krachtens de wettelijk regeling die op de datum van vaststelling van de uitkering door het orgaan wordt toegepast.
25 Ingevolge artikel 46, lid 2, sub c, kan de totale duur van de verzekeringstijdvakken overigens niet langer zijn dan de maximumduur welke de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het orgaan dat de berekening uitvoert, voor het recht op een volledige uitkering vereist. Hieruit volgt, dat wanneer de werknemer recht heeft op een volledig pensioen krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat alleen, zonder samentelling van krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken, met deze laatste tijdvakken geen rekening behoeft te worden gehouden om de krachtens de wettelijke regeling van de eerste Lid-Staat vervulde tijdvakken aan te vullen met het oog op de verkrijging van het recht op uitkeringen. In dergelijke omstandigheden wordt het theoretische bedrag van de uitkering door het bevoegde orgaan bepaald zonder rekening te houden met de tijdvakken van verzekering die de werknemer in een andere Lid-Staat heeft vervuld.
26 Verder blijkt uit de bewoordingen van artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71, dat het bevoegde orgaan de nationale wettelijke regeling integraal toepast. Indien de nationale wettelijke regeling bepaalt, dat de uitkering niet alleen op basis van daadwerkelijke of gelijkgestelde tijdvakken moet worden berekend, maar ook op basis van een bepaald aantal fictieve of vermoede jaren, moeten deze jaren derhalve ook in aanmerking worden genomen bij de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering.
27 Ten slotte dient het bevoegde orgaan ingevolge artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 bij de vaststelling van het theoretische bedrag elke nationale bepaling inzake vermindering buiten beschouwing te laten. Hieruit volgt, dat in gevallen als die welke bij de nationale rechter aanhangig zijn, het theoretische bedrag van het pensioen gelijk is aan het bedrag van het in de betrokken Lid-Staat verschuldigde volledige pensioen.
28 De berekening van het werkelijke uitkeringsbedrag geschiedt overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71 op basis van het voordien berekende theoretische bedrag en naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door het orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld.
29 Uit het arrest van 18 februari 1992 (Di Prinzio, reeds aangehaald) volgt, dat in gevallen als bedoeld in de hoofdgedingen, waarin de nationale wettelijke regeling fictieve of vermoedelijke periodes voor het intreden van de verzekerde gebeurtenis toekent, het geproratiseerde werkelijke bedrag dient te worden berekend met inachtneming van deze fictieve of vermoedelijke periodes.
30 In de derde etappe wordt de autonome uitkering vergeleken met de geproratiseerde uitkering teneinde te bepalen welke van deze beide bedragen het hoogste is. Het is duidelijk, dat in gevallen als aan de verwijzende rechter zijn voorgelegd, waarin het theoretische bedrag gelijk is aan het bedrag van de autonome uitkering, het bedrag van de geproratiseerde uitkering wel onder dat van de autonome uitkering moet liggen. De toepassing van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 kan voor de werknemer derhalve geen gunstiger resultaat opleveren.
31 De vierde etappe is de toepassing van de communautaire anti-cumulatieregel. Het bevoegde orgaan dient derhalve na te gaan, of de som van alle ° autonome en geproratiseerde ° uitkeringen waarop de werknemer aanspraak kan maken, niet het in artikel 46, lid 3, genoemde maximum, te weten het hoogste theoretische bedrag, overschrijdt. Deze regel blijft van toepassing in gevallen als bedoeld in de hoofdgedingen, waarin het theoretische bedrag gelijk is aan het bedrag van een volledige uitkering die verschuldigd is krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat alleen (zie arrest van 21 maart 1990, zaak C-199/88, Cabras, Jurispr. 1990, blz. I-1023).
32 Indien dit maximum wordt overschreden, dient het bevoegde orgaan over te gaan tot de in artikel 46, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1408/71 bedoelde vermindering, welke met uitsluiting van elke nationale regel inzake vermindering toepassing vindt (zie arrest van 18 februari 1992, Di Prinzio, reeds aangehaald).
33 Wanneer er slechts één orgaan is dat een autonome uitkering toekent, dient dit orgaan die uitkering te corrigeren, door deze overeenkomstig artikel 46, lid 3, tweede alinea, te verminderen met het gehele bedrag waarmee de som van de autonome uitkering en de geproratiseerde uitkeringen het hoogste theoretische bedrag overschrijdt (zie het arrest van 17 december 1987, zaak 323/86, Collini, Jurispr. 1987, blz. 5489).
34 Na de in artikel 46 van verordening nr. 1408/71 bedoelde berekening te hebben uitgevoerd, dient het bevoegde orgaan, zoals aangegeven in rechtsoverweging 17 van dit arrest, het bedrag van de uitkering dat verschuldigd zou zijn krachtens de nationale wettelijke regeling alleen, met inbegrip van de anti-cumulatieregels ervan, te vergelijken met dat van de uitkering die verschuldigd zou zijn krachtens het integraal toegepaste gemeenschapsrecht, met inbegrip van zijn anti-cumulatiebepalingen. Volgens de rechtspraak kan artikel 46 van verordening nr. 1408/71 slechts toepassing vinden, wanneer daarbij de migrerend werknemer een uitkering kan worden toegekend die ten minste even hoog is als die welke verschuldigd is krachtens de toepasselijke nationale wetgeving alleen (zie arrest van 21 maart 1990, Cabras, reeds aangehaald).
35 Uit een en ander volgt, dat op de eerste en de derde vraag van de verwijzende rechter moet worden geantwoord, dat de artikelen 46 en 12, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, aldus moeten worden uitgelegd, dat het bevoegde orgaan bij de vaststelling van een uitkering die verschuldigd is krachtens zijn nationale wettelijke regeling alleen, enkel de nationale anti-cumulatiebepalingen moet toepassen. Bij de vaststelling van de uitkering die verschuldigd is krachtens het gemeenschapsrecht, dient het bevoegde orgaan daarentegen overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de verordening geen rekening te houden met de nationale anti-cumulatiebepalingen, doch moet het, indien dat noodzakelijk blijkt, het bedrag van de verschuldigde uitkering corrigeren overeenkomstig artikel 46, lid 3. De werknemer heeft recht op de hoogste van de aldus berekende uitkeringen.
De tweede vraag
36 Uit de stukken en de door de vertegenwoordigers van de partijen in het hoofdgeding ter terechtzitting gemaakte opmerkingen blijkt, dat de tweede vraag, die betrekking heeft op de regeling die bij de toekenning van een invaliditeitspensioen door het Nationaal pensioenfonds voor mijnwerkers wordt toegepast, geen verband houdt met de geschillen die de aanleiding vormden voor de prejudiciële verwijzing. Waar de nationale rechter deze vraag ook niet nader heeft gepreciseerd, behoeft deze derhalve niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Luik bij arresten van 22 februari 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De artikelen 46 en 12, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moeten aldus worden uitgelegd, dat het bevoegde orgaan bij de vaststelling van een uitkering die verschuldigd is krachtens zijn nationale wetgeving alleen, enkel de nationale anti-cumulatieregels moet toepassen. Bij de vaststelling van de uitkering die verschuldigd is krachtens het gemeenschapsrecht, dient het bevoegde orgaan daarentegen overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de verordening geen rekening te houden met de nationale anti-cumulatiebepalingen, doch moet het, indien dat noodzakelijk blijkt, het bedrag van de verschuldigde uitkering corrigeren overeenkomstig artikel 46, lid 3. De werknemer heeft recht op de hoogste van de aldus berekende uitkeringen.
Full & Egal Universal Law Academy