Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Gemeenschapsrecht - Uitlegging - Methodes
2. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid - Voorwaarde - Voortzetting van exploitatie van hetzelfde bedrijf als bij toekenning van premie - Mogelijkheid van Lid-Staten uitzondering te voorzien voor producenten die bedrijf hebben geëxploiteerd waarvan pacht is beëindigd - Uitzondering die schending van beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen uitsluit
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 3 bis, lid 1, sub a, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, en art. 7, lid 4, ingevoegd bij verordening nr. 590/85; verordening nr. 1546/88 van de Commissie, art. 3 bis, lid 1, ingevoegd bij verordening nr. 1033/89, en 7, eerste alinea, sub 4)
3. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid - Overname van pacht van bedrijf door samenwerkingsverband of groep personen, onder wie oorspronkelijke pachter - Hoedanigheid van producent - Samenwerkingsverband of groep personen
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 3 bis en 12, sub c)
4. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid - Producenten die bij indiening van hun aanvraag niet meer aan voorwaarden voor toekenning voldoen - Uitgesloten van kwijtschelding met terugwerkende kracht van heffing - Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen - Non-discriminatiebeginsel - Schending - Afwezigheid
(EEG-Verdrag, art. 40, lid 3; verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89)
Samenvatting
1. Een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht moet voor zover mogelijk worden uitgelegd in overeenstemming met de verdragsbepalingen en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht.
2. Krachtens artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88, ingevoegd bij verordening nr. 1033/89, onderstelt de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid op grond van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, aan een producent die uit hoofde van verordening nr. 1078/77 een verbintenis is aangegaan om gedurende het referentiejaar geen melk te leveren, dat hij kan aantonen dat hij nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als op het moment van toekenning van de premie waarop hij op grond van die verbintenis recht had. Door deze voorwaarde te stellen, heeft artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88 ter zake van de toekenning van specifieke referentiehoeveelheden het algemene beginsel willen bekrachtigen, dat elke referentiehoeveelheid gebonden blijft aan de grond ten aanzien waarvan zij is toegekend. Dit beginsel is eveneens in artikel 3 bis, lid 1, sub a, van verordening nr. 857/84 neergelegd.
Toepassing van dit beginsel sluit evenwel niet de toepassing uit van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 en van artikel 7, eerste alinea, sub 4, van verordening nr. 1546/88, krachtens welke de Lid-Staten, bij wijze van uitzondering op dit beginsel, een referentiehoeveelheid ter beschikking kunnen stellen van de pachter die voornemens is de melkproduktie na ommekomst van de niet verlengbare pacht voort te zetten, zodat hierin geen schending mag worden gezien van het gewettigd vertrouwen van producenten die als pachter een niet-leveringsverbintenis zijn aangegaan.
3. Artikel 3 bis van verordening nr. 857/84, betreffende de toekenning van specifieke referentiehoeveelheden aan producenten die uit hoofde van verordening nr. 1078/77 een verbintenis zijn aangegaan om gedurende het referentiejaar geen melk te leveren, moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen de toekenning van een dergelijke hoeveelheid nadat de oude producent, de oorspronkelijke pachter, in samenwerking met anderen opnieuw een bedrijf heeft gepacht, en dat dit samenwerkingsverband of deze groep van personen als producent in de zin van de artikelen 3 bis en 12, sub c, van verordening nr. 857/84 en dus als rechthebbende op de specifieke referentiehoeveelheid moet worden beschouwd.
4. Ondanks het feit dat verordening nr. 857/84, in de versie van verordening nr. 764/89, niet voorziet in kwijtschelding met terugwerkende kracht van de extra heffing op melk voor producenten die uit hoofde van verordening nr. 1078/77 een verbintenis zijn aangegaan om gedurende het referentiejaar geen melk te leveren, en die op het tijdstip van de indiening van hun aanvraag niet aan de voorwaarden voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid voldeden, schendt zij het vertrouwensbeginsel niet en evenmin het in artikel 40, lid 3, van het Verdrag neergelegde discriminatieverbod.
In de eerste plaats verzet het vertrouwensbeginsel zich er niet tegen, dat in de gemeenschapsregeling voorwaarden worden gesteld die eigen zijn aan elke regeling die door de invoering van een quotastelsel de landbouwproduktie beoogt te beperken, voor zover deze regeling die categorie van producenten niet in het bijzonder treft wegens hun niet-leveringsverbintenis. Een producent mocht dan ook niet verwachten, dat hij zijn produktie na ommekomst van zijn niet-leveringsperiode zou kunnen hervatten zonder een extra heffing verschuldigd te zijn uit hoofde van de regeling betreffende de extra heffing op melk, die voordien was ingevoerd bij verordening nr. 856/84, zolang hem niet een van deze heffing vrijgestelde referentiehoeveelheid was toegekend. Een producent die op het tijdstip van de hervatting van zijn produktie uiteindelijk niet voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van een referentiehoeveelheid, mocht derhalve niet verwachten, met terugwerkende kracht van de extra heffing te worden vrijgesteld.
In de tweede plaats is de ongelijke behandeling van de betrokken producenten die niet voor kwijtschelding met terugwerkende kracht in aanmerking kunnen komen, gerechtvaardigd, want verordening nr. 764/89 beoogt door de belasting uit het verleden - de verschuldigde of reeds geïnde heffingen - ongedaan te maken, de hervatting van de produktie door producenten die daadwerkelijk aanspraak op de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid kunnen maken, te vergemakkelijken. Voor producenten die van de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid zijn uitgesloten, is deze doelstelling niet relevant.
Partijen
In zaak C-98/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in het aldaar aanhangig geding tussen
A. A. Herbrink
en
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 12), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 (PB 1989, L 110, blz. 27), en over de uitlegging van de artikelen 3 bis en 12, sub c, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, F. Grévisse en M. Zuleeg (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- A. A. Herbrink, vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, advocaat te Amsterdam,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door B. R. Bot, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. C. Fischer als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoeker, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door T. Heukels, assistent juridisch adviseur van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur A. Brautigam als gemachtigde, en de Commissie ter terechtzitting van 22 oktober 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 december 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 7 maart en 26 juni 1991, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 21 maart en 1 juli daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 12), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 (PB 1989, L 110, blz. 27), en over de uitlegging van de artikelen 3 bis en 12, sub c, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Herbrink, pachter van een landbouwbedrijf in samenwerking met zijn schoonzoon, en de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, over de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid uit hoofde van de extra-heffingregeling.
3 Herbrink, verzoeker in het hoofdgeding (hierna: "verzoeker"), was pachter van een landbouwbedrijf te Laag Zuthem. In 1979 ging hij een verbintenis tot niet-levering aan uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1977, L 131, blz. 1). Tegen toekenning van een premie verbond hij zich ertoe, gedurende de periode van 17 mei 1979 tot 17 mei 1984 geen van zijn bedrijf afkomstige melk of zuivelprodukten in de handel te brengen.
4 In 1986 hervatte verzoeker de melkproduktie op het gepachte bedrijf, totdat in februari 1987 de pachtovereenkomst eindigde. Een voordien bij het bevoegde Nederlandse gerecht ingediend verzoek om verlenging van de pachtovereenkomst was in laatste instantie in februari 1986 door het Gerechtshof te Arnhem (pachtkamer) afgewezen.
5 In 1988 hervatte verzoeker in samenwerking met zijn schoonzoon de melkproduktie op een ander bedrijf, dat werd gepacht door een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid, die verzoeker in datzelfde jaar onder meer met zijn schoonzoon had gevormd. Deze maatschap heeft in het melkprijsjaar 1988/1989 melk geproduceerd.
6 In juni 1989 diende verzoeker bij de bevoegde nationale instantie een aanvraag in om toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid op grond van artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 van de Raad en artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 van de Commissie, alsmede op grond van de Beschikking superheffing SLOM-deelnemers van 13 juni 1989. Deze aanvraag werd afgewezen. Nadat het door verzoeker tegen deze afwijzing ingediende bezwaarschrift ongegrond was verklaard, stelde verzoeker beroep in bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
7 Van oordeel dat de beslissing in het geschil afhing van de uitlegging en de geldigheid van de betrokken gemeenschapsregeling, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Is artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, zoals toegevoegd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989, gelet op de considerans, in strijd met voorrang genietend gemeenschapsrecht waaronder met name artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, zoals toegevoegd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad?
2) Dient artikel 3 bis juncto artikel 12, sub c, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad zo te worden uitgelegd dat aan het kunnen beschouwen van een persoon of groep van personen als producent op wie én het bepaalde in artikel 3 bis, eerste lid, eerste en tweede gedachtenstreepje, én het bepaalde vanaf a. van toepassing is, niet in de weg staat dat de SLOM-overeenkomst is aangegaan door één persoon terwijl deze ten tijde van de aanvraag voor een referentiehoeveelheid op grond van artikel 3 bis, een bedrijf uitoefende in een samenwerkingsverband met één of meer anderen?
3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet dan degene die de SLOM-overeenkomst is aangegaan of de groep van personen die ten tijde van de in de tweede vraag bedoelde aanvraag het bedrijf exploiteert, worden beschouwd als de rechthebbende op een referentiehoeveelheid ingevolge artikel 3 bis?
4) Indien de eerste of de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: is verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad geldig, voor zover zij niet voorziet in kwijtschelding c.q. terugbetaling van heffing, dan wel voor zover artikel 3 bis, lid 5, van die verordening daaraan in de weg staat, over de periode na ommekomst van de SLOM-overeenkomst tot het tijdstip waarop zich een wijziging in de situatie heeft voorgedaan op grond waarvan de desbetreffende producent niet in aanmerking komt voor een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid en voor zover de in die periode geproduceerde hoeveelheid melk de referentiehoeveelheid die zou zijn toegewezen wanneer die wijziging zich niet zou hebben voorgedaan, niet overschrijdt?"
De eerste vraag
8 Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 van de Commissie, dat is ingevoegd bij wijzigingsverordening nr. 1033/89, niet onverenigbaar is met voorrang genietend gemeenschapsrecht.
9 Alvorens uitspraak te doen over de onverenigbaarheid en de ongeldigheid van deze bepaling wegens bevoegdheidsoverschrijding, moet worden nagegaan of, zoals de Nederlandse regering heeft voorgesteld, deze bepaling in casu niet kan worden uitgelegd in overeenstemming met de betrokken verordeningen van de Raad en met het vertrouwensbeginsel. Het is immers vaste rechtspraak (zie arrest van 25 november 1986, gevoegde zaken 201/85 en 202/85, Klensch e.a., Jurispr. 1986, blz. 3477, r.o. 21, en laatstelijk arrest van 21 maart 1991, zaak C-314/89, Rauh, Jurispr. 1991, blz. I-1647, r.o. 17), dat een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht, voor zover mogelijk, moet worden uitgelegd in overeenstemming met de verdragsbepalingen en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, en in het bijzonder, wat artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 betreft, in overeenstemming met het vertrouwensbeginsel (arrest van 19 mei 1993, zaak C-81/91, Twijnstra, Jurispr. 1993, blz. I-2455, r.o. 24).
10 Volgens artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88, ingevoegd bij verordening nr. 1033/89, wordt de aanvraag van een specifieke referentiehoeveelheid, bedoeld in artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, "door de betrokken producent bij de door de Lid-Staat aangewezen bevoegde instantie ingediend (...). Ook moet de producent kunnen aantonen dat hij nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de (...) goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie."
11 Het bij verordening nr. 764/89 ingevoegde artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 bepaalt in het eerste lid, dat de producenten waarvan de periode van niet-levering of omschakeling krachtens de uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis eindigt na 31 december 1983 of, naar gelang het geval, na 30 september 1983, onder bepaalde voorwaarden een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid krijgen. Een van deze voorwaarden is genoemd sub a van dit artikel: een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend, op voorwaarde dat de betrokkenen "hun melkveebedrijf niet in zijn geheel hebben overgedragen vóór het verstrijken van de periode van niet-levering of omschakeling".
12 De in artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 vervatte regeling van de specifieke referentiehoeveelheden is naar aanleiding van de arresten van 28 april 1988 (zaak 120/86, Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321, en zaak 170/86, von Deetzen, Jurispr. 1988, blz. 2355), bij verordening nr. 764/89 ingevoerd ten einde te garanderen dat een specifieke referentiehoeveelheid kon worden toegekend aan producenten die ter nakoming van een uit hoofde van verordening nr. 1078/77 van 17 mei 1977 aangegane verbintenis in het referentiejaar geen melk hadden geleverd. Deze regeling bekrachtigt het algemene beginsel, dat elke referentiehoeveelheid gebonden blijft aan de grond ten aanzien waarvan zij is toegekend.
13 In het bijzonder in zijn arresten van 13 juli 1989 (zaak 5/88, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609, r.o. 15) en 19 mei 1993 (Twijnstra, reeds aangehaald, r.o. 25) heeft het Hof met betrekking tot de overgang van het bedrijf door middel van cessie of teruggave na het einde van de pacht vastgesteld, dat de gehele regeling van de referentiehoeveelheden berust op het beginsel dat de referentiehoeveelheid wordt overgedragen met de grond ten aanzien waarvan zij is toegekend. Dit beginsel is neergelegd in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 en in artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11), dat inmiddels is vervangen door artikel 7 van verordening nr. 1546/88 van de Commissie. Met het doel dit beginsel eveneens te bekrachtigen voor de specifieke referentiehoeveelheden, wordt in het bij verordening nr. 1033/89 ingevoegde artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88 dan ook de in artikel 3 bis, lid 1, sub a, van verordening nr. 857/84 gestelde voorwaarde aangescherpt door het vereiste dat de producent nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert.
14 Op dit algemene beginsel wordt evenwel een uitzondering gemaakt door artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 van de Raad, dat is ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1985, L 68, blz. 1). De wijze van toepassing van dit artikel is vastgesteld in artikel 7, eerste alinea, sub 4, van verordening nr. 1546/88. Artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 machtigt de Lid-Staten, de krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 toegekende referentiehoeveelheid ter beschikking te stellen van de pachter die voornemens is de melkproduktie voort te zetten na het einde van de niet verlengbare pacht. Er moet worden vastgesteld, dat verzoeker zich in een situatie bevindt, die vergelijkbaar is met dit geval.
15 Waar een pachter, als producent en op grond van het vertrouwensbeginsel, mocht verwachten zijn beroepsactiviteit te kunnen uitoefenen zonder ten opzichte van andere producenten te worden gediscrimineerd, zoals volgt uit het arrest van 22 oktober 1991 (zaak C-44/89, von Deetzen II, Jurispr. 1991, blz. I-5119, r.o. 21), mocht hij er na het verstrijken van zijn niet-leveringsperiode op rekenen dat hij bij het einde van zijn pacht eveneens voor een specifieke referentiehoeveelheid in aanmerking zou komen, voor zover de betrokken Lid-Staat gebruik had gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, en artikel 7, eerste alinea, sub 4, van verordening nr. 1546/88.
16 Noch uit de bepalingen, noch uit de considerans van verordening nr. 1033/89 blijkt, dat deze verordening de in artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 bedoelde personen aan de werkingssfeer van de in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 voorziene regeling heeft willen onttrekken. Overigens zou de Commissie de strekking van een verordening van de Raad niet wettig hebben kunnen wijzigen.
17 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord, dat na onderzoek van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88 niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten, daar deze bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat zij zich er niet tegen verzet, dat een pachter van een bedrijf, die zich in de in artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 bedoelde situatie bevindt, ook na het einde van zijn pacht in aanmerking kan komen voor een specifieke referentiehoeveelheid, die hem in voorkomend geval door de betrokken Lid-Staat ter beschikking wordt gesteld onder de voorwaarden die zijn voorzien in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 en artikel 7, eerste alinea, sub 4, van verordening nr. 1546/88.
De tweede en de derde vraag
18 Met deze beide vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of met het oog op de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid nadat de oorspronkelijke pachter in samenwerking met anderen opnieuw een bedrijf heeft gepacht, het samenwerkingsverband of de groep van personen, dan wel alleen de oorspronkelijke pachter als producent in de zin van de artikelen 3 bis en 12, sub c, van verordening nr. 857/84 en dus als rechthebbende op de specifieke referentiehoeveelheid moet worden beschouwd.
19 Volgens de bewoordingen van de artikelen 3 bis en 12, sub c, van verordening nr. 857/84 verzet niets zich ertegen, dat de oorspronkelijke pachter die aanspraak kan maken op een specifieke referentiehoeveelheid, zijn melkproduktie voortzet in het kader van een samenwerkingsverband of een groep van personen, door hem te zamen met anderen opgericht of samengebracht om een gepacht bedrijf te exploiteren. Overeenkomstig 's Hofs rechtspraak (zie het arrest von Deetzen II, reeds aangehaald, r.o. 38) kan een specifieke referentiehoeveelheid evenwel slechts worden toegekend, indien het samenwerkingsverband of de groep van personen niet enkel is opgericht of samengebracht met het doel de marktwaarde van deze specifieke referentiehoeveelheid ten voordele van de oorspronkelijke pachter te gelde te maken.
20 De hoedanigheid van rechthebbende op een specifieke referentiehoeveelheid komt toe aan de producent in de zin van de artikelen 3 bis en 12, sub c, van verordening nr. 857/84. Het begrip producent, dat identiek is aan het in artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 gebruikte begrip, heeft betrekking op een landbouwexploitant die met het oog op de melkproduktie op eigen verantwoordelijkheid een geheel van produktie-eenheden exploiteert; bij verpachting van het bedrijf wordt aan deze voorwaarden alleen voldaan door de pachter zelf die het recht van gebruik van het bedrijf heeft (arrest van 9 juli 1992, zaak C-236/90, Maier, Jurispr. 1992, blz. I-4483, r.o. 11). Wanneer de pacht onder de hiervoor genoemde voorwaarden is overgenomen door een samenwerkingsverband of een groep, komt de hoedanigheid van producent toe aan alle personen die het samenwerkingsverband of de groep vormen.
21 Om deze redenen moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 857/84 aldus moet worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid nadat de oude producent, de oorspronkelijke pachter, in samenwerking met anderen opnieuw een bedrijf heeft gepacht, en dat dit samenwerkingsverband of deze groep van personen als producent in de zin van de artikelen 3 bis en 12, sub c, van verordening nr. 857/84 en dus als rechthebbende op de specifieke referentiehoeveelheid moet worden beschouwd.
De vierde vraag
22 Ingeval de betrokken producent geen specifieke referentiehoeveelheid zou kunnen krijgen, trekt de verwijzende rechter in zijn vierde vraag de geldigheid van verordening nr. 857/84 in twijfel, omdat hierin voor de categorie van producenten die op het tijdstip van hun aanvraag niet meer aan de voorwaarden voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid voldoen, niet is voorzien in kwijtschelding met terugwerkende kracht van de extra heffing.
23 De verwijzende rechter verklaart, dat in de onderhavige zaak de situatie van de pachter tot het einde van zijn pacht in februari 1987 niet is gewijzigd. Evenals iedere andere producent die een niet-leveringsverbintenis was aangegaan, mocht hij dus verwachten, met betrekking tot die periode op dezelfde wijze te worden behandeld als de in artikel 3 bis, lid 5, van verordening nr. 857/84 bedoelde producenten.
24 Volgens dit artikel behoeft de producent "aan wie een specifieke referentiehoeveelheid wordt toegewezen (...) geen extra heffing te betalen over de hoeveelheden die vóór de zesde periode van toepassing van de regeling (...) zijn geproduceerd", dat wil zeggen vóór het melkprijsjaar dat eind maart 1989 eindigt. De producent die na ommekomst van zijn niet-leveringsperiode melk heeft geproduceerd en niet voor toepassing van deze bepaling in aanmerking komt, blijft de extra heffing dus verschuldigd.
25 Anders dan verzoeker stelt, wordt het vertrouwensbeginsel door de regeling niet geschonden.
26 Het vertrouwensbeginsel verzet zich er namelijk niet tegen, dat in de gemeenschapsregeling voorwaarden worden gesteld die eigen zijn aan elke regeling die door de invoering van een quotastelsel de landbouwproduktie beoogt te beperken, voor zover deze regeling die categorie van producenten niet in het bijzonder treft wegens hun niet-leveringsverbintenis. Een producent mocht dan ook niet verwachten, dat hij zijn produktie na ommekomst van zijn niet-leveringsperiode zou kunnen hervatten zonder een extra heffing verschuldigd te zijn uit hoofde van de regeling betreffende de extra heffing op melk, die voordien was ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 10), zolang hem niet een van deze heffing vrijgestelde referentiehoeveelheid was toegekend. Een producent die op het tijdstip van de hervatting van zijn produktie uiteindelijk niet voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van een referentiehoeveelheid, mocht derhalve niet verwachten, met terugwerkende kracht van de extra heffing te worden vrijgesteld.
27 Ten slotte maakt de uitgelegde regeling, anders dan verzoeker beweert, evenmin inbreuk op het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod, dat een bijzondere uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel vormt (zie arresten van 21 februari 1990, gevoegde zaken C-267/88-C-285/88, Wuidart e.a., Jurispr. 1990, blz. I-435, r.o. 13, en 10 januari 1992, zaak C-177/90, Kuehn, Jurispr. 1992, blz. I-35, r.o. 18).
28 Inderdaad kan verzoeker, anders dan producenten die tot het tijdstip van de indiening van hun respectieve aanvragen aan de voorwaarden voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid voldeden, niet voor kwijtschelding met terugwerkende kracht in aanmerking komen. Aangezien beide categorieën van producenten zich niet in dezelfde situatie bevinden, is een ongelijke behandeling evenwel gerechtvaardigd. Op grond van verordening nr. 764/89, waarin de regeling betreffende de specifieke referentiehoeveelheden is vastgesteld, kan, zoals in de tweede overweging van de considerans wordt bevestigd, een specifieke referentiehoeveelheid worden toegekend met het oog op de hervatting van de produktie. Ter vergemakkelijking van deze hervatting beoogt deze verordening de belasting uit het verleden - de verschuldigde of reeds geïnde heffingen - ongedaan te maken. Voor producenten die op het tijdstip van hun aanvraag niet meer voldoen aan de voorwaarde voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid, is die doelstelling niet relevant.
29 Om deze redenen moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat na onderzoek van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten, in weerwil van het feit dat hierin ten behoeve van producenten die op het tijdstip van de indiening van hun aanvraag niet meer aan de voorwaarden voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid voldoen, niet in kwijtschelding met terugwerkende kracht van de extra heffing is voorzien.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 De kosten door de Nederlandse regering, de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij beschikkingen van 7 maart 1991 en 26 juni 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Na onderzoek van artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten, daar deze bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat zij zich er niet tegen verzet, dat een pachter van een bedrijf, die zich bevindt in de situatie bedoeld in artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, ook na het einde van zijn pacht in aanmerking kan komen voor een specifieke referentiehoeveelheid, die hem in voorkomend geval door de betrokken Lid-Staat ter beschikking wordt gesteld onder de voorwaarden die zijn voorzien in artikel 7, lid 4, van verordening (EEG) nr. 857/84 en artikel 7, eerste alinea, sub 4, van verordening (EEG) nr. 1546/88.
2) Artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 857/84 moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid nadat de oude producent, de oorspronkelijke pachter, in samenwerking met anderen opnieuw een bedrijf heeft gepacht, en dat dit samenwerkingsverband of deze groep van personen als producent in de zin van de artikelen 3 bis en 12, sub c, van verordening (EEG) nr. 857/84 en dus als rechthebbende op de specifieke referentiehoeveelheid moet worden beschouwd.
3) Na onderzoek van verordening (EEG) nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten, in weerwil van het feit dat hierin ten behoeve van producenten die op het tijdstip van de indiening van hun aanvraag niet meer aan de voorwaarden voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid voldoen, niet in kwijtschelding met terugwerkende kracht van de extra heffing is voorzien.
Full & Egal Universal Law Academy