Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Gezinsbijslagen ° Communautaire anti-cumulatieregels ° Artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 574/72 ° Werknemer die recht heeft op bijslagen in staat van tewerkstelling voor kind waarvoor eveneens recht op bijslagen bestaat in andere Lid-Staat, plaats waar kind woont en waar persoon aan wie kind is toevertrouwd, werkt ° Schorsing van recht op bijslagen in staat van tewerkstelling tot bedrag van door woonstaat uitbetaalde uitkeringen
(Verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 73, en nr. 574/72, art. 10, lid 1, sub b-i)
Samenvatting
De uitoefening van beroepswerkzaamheden door een persoon aan wie de kinderen zijn toevertrouwd, en meer in het bijzonder door de echtgenoot van de rechthebbende, in de zin van artikel 73 van verordening nr. 1408/71, in de Lid-Staat waar de kinderen wonen, schorst ingevolge artikel 10 van verordening nr. 574/72 het recht op de in artikel 73 van verordening nr. 1408/71 voorziene bijslagen tot het bedrag van de door de woonstaat daadwerkelijk uitbetaalde uitkeringen van dezelfde aard, ongeacht wie in de wettelijke regeling van de woonstaat wordt aangewezen als rechtstreeks rechthebbende op de gezinsbijslagen.
Partijen
In zaak C-119/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Court of Appeal in Northern Ireland, in het aldaar aanhangig geding tussen
U. McMenamin
en
Adjudication Officer,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 13 en 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), en van artikel 10 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, voormeld, en bij verordening (EEG) nr. 1660/85 van de Raad van 13 juni 1985 (PB 1985, L 160, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, M. Zuleeg, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida en D. A. O. Edwards, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: D. Triantafyllou, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Adjudication Officer, vertegenwoordigd door B. F. Kerr, QC, R. E. Weatherup, BL, en H. A. Nelson, Solicitor;
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Regierungsdirektor bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde;
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Adjudication Officer en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 14 mei 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 juli 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 11 april 1991, ingekomen bij het Hof op 25 april daaraanvolgend, heeft de Court of Appeal in Northern Ireland krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 13 en 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), en van artikel 10 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, voormeld, en bij verordening (EEG) nr. 1660/85 van de Raad van 13 juni 1985 (PB 1985, L 160, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen mevrouw McMenamin en de Adjudication Officer over de omvang van haar recht op gezinsbijslagen in Noord-Ierland.
3 Mevrouw McMenamin is een grensarbeider die in Noord-Ierland, in het Verenigd Koninkrijk, het beroep van lerares uitoefent en met haar echtgenoot en vier kinderen in Ierland woont. Haar echtgenoot werkt in Ierland bij de Revenue Commissioners.
4 De Ierse wetgeving ((Social Welfare (Consolidation) Act 1981)) kent de persoon bij wie een kind gewoonlijk woont, recht op kinderbijslag toe. Indien het kind, zoals in het onderhavige hoofdgeding, bij zijn vader en moeder woont, bepalen de Social Welfare (Children' s Allowances) (Normal Residence) Rules 1974, dat de moeder van het kind recht op de bijslag heeft.
5 Op 1 december 1986 diende mevrouw McMenamin krachtens de Child Benefit (Northern Ireland) Order 1975 (hierna: "Order 1975"), zoals later gewijzigd, een aanvraag om kinderbijslag in Noord-Ierland in. De Adjudication Officer besliste, dat mevrouw McMenamin slechts met ingang van 2 december 1985 recht had op een aanvulling, dat wil zeggen op het bedrag dat de haar krachtens de overeenkomstige Ierse wetgeving verschuldigde kinderbijslag op het niveau van de krachtens de Order 1975 verschuldigde bijslag moest brengen. Zij kwam tegen die beslissing op voor de Social Security Appeal Tribunal, die de beslissing van de Adjudication Officer bekrachtigde. Daarop stelde zij beroep in bij de Social Security Commissioner.
6 De Adjudication Officer erkende, dat een door mevrouw McMenamin op 16 juli 1979 krachtens de overeenkomstige Ierse wetgeving in Ierland ingediende aanvraag om kinderbijslag in Noord-Ierland als geldig moest worden beschouwd. Bijgevolg kende de Social Security Commissioner haar bij voorlopige beslissing van 26 april 1989 een aanvullende kinderbijslag toe van 17 juli 1978 (één jaar vóór de datum van de aanvraag) tot 19 juni 1985 (de dag vóór de inwerkingtreding van artikel 10 van verordening nr. 574/72, zoals gewijzigd bij artikel 2 van verordening nr. 1660/85).
7 In zijn eindbeslissing van 2 november 1989 oordeelde de Social Security Commissioner, dat mevrouw McMenamin met ingang van 20 juni 1985 recht had op het volledige bedrag van de krachtens de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk verschuldigde kinderbijslag, omdat zij volgens de Ierse wetgeving recht had op door Ierland uitgekeerde gezinsbijslagen en zij in dat land geen beroepswerkzaamheden uitoefende. De Social Security Commissioner concludeerde hieruit, dat de door het Verenigd Koninkrijk te betalen rechten niet langer dienden te worden geschorst.
8 Uitsluitend tegen die beslissing heeft de Adjudication Officer hoger beroep ingesteld bij de Court of Appeal in Northern Ireland, omdat de beslissing van de Social Security Commissioner tot gevolg heeft, dat de kinderbijslag volledig ten laste van de openbare financiën van het Verenigd Koninkrijk komt.
9 Van oordeel, dat het geding vragen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht opwierp, heeft de Court of Appeal in Northern Ireland de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Heeft artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad (op grond waarvan geïntimeerde moet worden behandeld alsof enkel de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk op haar van toepassing is) tot gevolg, dat de woorden 'degene die recht heeft op gezins- of kinderbijslag' in artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad (zoals gewijzigd) niet op geïntimeerde van toepassing zijn, ondanks het feit dat zij degene is die krachtens de wetgeving van de Ierse Republiek (en afgezien van genoemd artikel 13) recht heeft op kinderbijslag?
2) Heeft de omstandigheid dat de echtgenoot van geïntimeerde in de Ierse Republiek een beroep of bedrijf uitoefent en krachtens de wetgeving van de Ierse Republiek recht heeft op kinderbijslag, indien geïntimeerde om enige reden haar recht op die bijslag zou verliezen of niet geldend zou kunnen maken, tot gevolg, dat ingevolge artikel 10, lid 1, sub b-i (zoals gewijzigd), geïntimeerdes recht op die bijslag in het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 73, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad wordt geschorst?"
10 Voor een nadere uiteenzetting van het rechtskader, de voorgeschiedenis van het hoofdgeding, het procesverloop alsmede de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
11 Met zijn twee vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, vraagt de verwijzende rechter zich af, of de artikelen 13 en 76 van verordening nr. 1408/71 en artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 574/72 van toepassing zijn op een situatie als in het onderhavige hoofdgeding, die wordt gekenmerkt door het feit dat volgens de wetgeving van de woonstaat de grensarbeider die recht heeft op door de staat van tewerkstelling uitgekeerde bijslagen, eveneens recht heeft op bijslagen die worden uitgekeerd door de woonstaat, op het grondgebied waarvan alleen zijn echtgenoot werkt.
12 Volgens de Adjudication Officer kan de zaak worden opgelost aan de hand van artikel 13 van verordening nr. 1408/71. Op grond van dit artikel is de migrerend werknemer immers slechts aan de wetgeving van de staat van tewerkstelling onderworpen. De migrerend werknemer wordt dus onttrokken aan de wetgeving van de woonstaat en heeft derhalve niet langer recht op de in de wetgeving van dat land voorziene gezinsbijslag. Het zou derhalve volstaan indien het probleem van de samenloop van het recht van de migrerend werknemer op bijslagen van de staat van tewerkstelling (voorzien in artikel 73) en het recht van de echtgenoot op bijslagen van de woonstaat, waar hij werkt, werd opgelost. Ter terechtzitting heeft de Commissie zich bij dit standpunt aangesloten.
13 De Adjudication Officer en de Commissie stellen, dat mevrouw McMenamin op grond van artikel 13 uitsluitend is onderworpen aan de wetgeving van de staat van tewerkstelling, in casu het Verenigd Koninkrijk, met uitsluiting van de wetgeving van Ierland, waar zij woont. Dientengevolge zou haar echtgenoot, en niet langer mevrouw McMenamin, op grond van de wetgeving van de woonstaat Ierland, rechthebbende op de bijslagen zijn. Aangezien die echtgenoot in Ierland beroepswerkzaamheden uitoefent, is aan de voorwaarden van artikel 10 van verordening nr. 574/72 voldaan en moeten de door het Verenigd Koninkrijk uitgekeerde bijslagen derhalve worden geschorst.
14 Er moet evenwel aan worden herinnerd, dat, gelijk ook voortvloeit uit de arresten van 27 mei 1982 (zaak 227/81, Aubin, Jurispr. 1982, blz. 1991, r.o. 11) en 12 januari 1983 (zaak 150/82, Coppola, Jurispr. 1983, blz. 43, r.o. 11), de in artikel 13 neergelegde regel van onderwerping aan enkel de wetgeving van de Lid-Staat van tewerkstelling, niet uitsluit dat bepaalde bijslagen door meer specifieke bepalingen van dezelfde verordening worden geregeld.
15 De onderhavige zaak moet derhalve worden onderzocht met inachtneming van de anti-cumulatiebepalingen, te weten artikel 76 van verordening nr. 1408/71 en artikel 10 van verordening nr. 574/72, die regels stellen om een samenloop van in de wetgeving van de woonstaat voorziene rechten met de in de wetgeving van de staat van tewerkstelling voorziene rechten te voorkomen.
16 Voor de beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter moet derhalve worden bepaald, of de uitoefening van beroepswerkzaamheden in de woonstaat door de echtgenoot van de rechthebbende op gezinsbijslagen, in de zin van artikel 73 van verordening nr. 1408/71, het in artikel 73 neergelegde recht kan schorsen, ondanks het feit dat deze echtgenoot volgens de wetgeving van de woonstaat niet "degene is die recht heeft op gezins- of kinderbijslag of degene aan wie deze bijslag wordt uitbetaald", in de zin van artikel 10, lid 1, sub b-i.
17 Volgens artikel 10, lid 1, sub a, van verordening nr. 574/72 hebben de door de staat van tewerkstelling uitbetaalde bijslagen voorrang op de door de woonstaat uitbetaalde bijslagen, die dientengevolge worden geschorst.
18 Worden in de woonstaat evenwel beroepswerkzaamheden uitgeoefend, dan bepaalt artikel 10, lid 1, sub b-i, het tegenovergestelde, namelijk dat het recht op de door de woonstaat uitbetaalde bijslagen voorrang heeft op het recht op de door de staat van tewerkstelling uitbetaalde bijslagen, die derhalve worden geschorst.
19 Op grond van dit artikel moeten de beroepswerkzaamheden die tot gevolg hebben dat de voorrang wordt omgedraaid, in de woonstaat worden uitgeoefend door "degene die recht heeft op gezins- of kinderbijslag of degene aan wie deze bijslag wordt uitbetaald".
20 Dit zinsdeel werd ingevoegd bij verordening nr. 1660/85 van de Raad, die op 20 juni 1985 in werking is getreden. In de vroegere versie van dit artikel werden de krachtens artikel 73 van verordening nr. 1408/71 door de staat van tewerkstelling verschuldigde bijslagen alleen geschorst wanneer de echtgenoot in de woonstaat van de kinderen beroepswerkzaamheden uitoefende.
21 In het arrest van 3 februari 1983 (zaak 149/82, Robards, Jurispr. 1983, blz. 171) heeft het Hof voor recht verklaard, dat de bij deze vroegere versie van het artikel voorgeschreven schorsing ook diende plaats te vinden in geval de gescheiden echtgenoot in de woonstaat beroepswerkzaamheden uitoefent. Het Hof heeft bij die gelegenheid verklaard:
"De uitlegging van de bepaling in geding dient te worden beperkt tot het bij de nationale rechterlijke instantie aanhangige geval, namelijk dat van een van echt gescheiden, niet-hertrouwde persoon die beroepswerkzaamheden verricht. Het staat aan de Commissie en de Raad de nodige maatregelen te nemen om de betrokken bepaling te wijzigen indien zulks noodzakelijk blijkt om andere gevallen op bevredigende wijze te kunnen oplossen" (r.o. 19 in fine).
22 De Raad heeft daarop de woorden "de echtgenoot" vervangen door "degene die recht heeft op gezins- of kinderbijslag of degene aan wie deze bijslag wordt uitbetaald".
23 Blijkens de dertiende en de veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1660/85 en gelet op rechtsoverweging 17 van het arrest Robards, was het oogmerk van de Raad, het aantal gevallen van schorsing van krachtens artikel 73 van verordening nr. 1408/71 verschuldigde bijslagen uit te breiden, en niet te beperken. In deze overwegingen wordt immers opgemerkt:
"(...) dat het in artikel 10 van verordening nr. 574/72 vervatte voorschrift, waarin wordt bepaald dat het recht op gezinsbijslag verschuldigd is krachtens de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de kinderen wonen, uitsluitend van toepassing is wanneer de persoon die de beroepswerkzaamheden uitoefent in de Lid-Staat van de woonplaats die aanleiding geeft tot de overdracht van de voorrang, de echtgeno(o)t(e) van de werknemer of voormalige werknemer is, ongeacht of de echtgeno(o)t(e) zelf al dan niet recht op bijslag heeft"
"(...) dat deze bepalingen in de praktijk aanleiding geven tot onbillijke situaties wanneer de persoon die recht heeft op de bijslag en beroepswerkzaamheden uitoefent niet of niet meer gehuwd is met de werknemer of voormalige werknemer en dat zij derhalve dienen te worden gewijzigd ten einde deze anomalie uit de weg te ruimen".
24 De woorden "degene die recht heeft op gezins- of kinderbijslag of degene aan wie deze bijslag wordt uitbetaald" moeten derhalve aldus worden opgevat, dat zij, buiten de echtgenoot, in het bijzonder betrekking hebben op de persoon die niet of niet meer is gehuwd met de rechthebbende op de in artikel 73 van verordening nr. 1408/71 bedoelde bijslagen, of deze persoon zelf, wanneer de samenloop van rechten op gezinsbijslagen een gevolg is van het feit dat deze persoon eveneens in de woonstaat werkt. De wetgever heeft er de voorkeur aan gegeven, al deze personen te omschrijven aan de hand van hun gemeenschappelijk kenmerk, te weten hun hoedanigheid van rechthebbende op gezinsbijslagen in de woonstaat, in plaats van door middel van een limitatieve opsomming. In het arrest van 14 december 1989 (zaak 168/88, Dammer, Jurispr. 1989, blz. 4553, r.o. 16) werd overigens opgemerkt dat:
"(...) de gemeenschapsregeling als verboden cumulatie beschouwt het geval waarin twee ouders in twee verschillende Lid-Staten werken en elk in hun staat van tewerkstelling recht hebben op gezinsbijslagen voor hetzelfde gezinslid, en als oplossing voor de twee betrokken nationale wettelijke regelingen een prioriteitsregel vaststelt voor het geval dat dat gezinslid in een van beide staten van tewerkstelling woont (...)".
25 Hieruit volgt het volgende beginsel: zodra een persoon aan wie de kinderen zijn toevertrouwd, op het grondgebied van de woonstaat van die kinderen beroepswerkzaamheden uitoefent, worden de krachtens artikel 73 door de staat van tewerkstelling verschuldigde bijslagen geschorst.
26 Hieraan moet worden toegevoegd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, die is overgenomen in artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1249/92 van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 en van verordening (EEG) nr. 574/72 (PB 1992, L 136, blz. 28), de aan artikel 73 ontleende rechten slechts gedeeltelijk worden geschorst, indien het bedrag van de door de staat van tewerkstelling uitbetaalde bijslagen hoger is dan het bedrag van de door de woonstaat uitbetaalde bijslagen. In dat geval heeft de werknemer ten laste van het bevoegde orgaan van de staat van tewerkstelling recht op aanvullende bijslagen, gelijk aan het verschil tussen de twee bedragen (arrest van 27 juni 1989, zaak 24/88, Georges, Jurispr. 1989, blz. 1905). Voorts worden de aan artikel 73 ontleende rechten slechts geschorst, indien de bijslagen in de woonstaat daadwerkelijk worden uitbetaald (arrest van 4 juli 1990, zaak C-117/89, Kracht, Jurispr. 1990, blz. I-2781).
27 Bijgevolg moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat de uitoefening van beroepswerkzaamheden door een persoon aan wie de kinderen zijn toevertrouwd, en meer in het bijzonder door de echtgenoot van de rechthebbende, in de zin van artikel 73 van verordening nr. 1408/71, in de Lid-Staat waar de kinderen wonen, ingevolge artikel 10 van verordening nr. 574/72 het recht op de in artikel 73 van verordening nr. 1408/71 voorziene bijslagen schorst tot het bedrag van de door de woonstaat daadwerkelijk uitbetaalde uitkeringen van dezelfde aard, ongeacht wie in de wettelijke regeling van de woonstaat wordt aangewezen als rechtstreeks rechthebbende op de gezinsbijslagen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Court of Appeal in Northern Ireland bij beschikking van 11 april 1991 gestelde prejudiciële vragen, verklaart voor recht:
De uitoefening van beroepswerkzaamheden door een persoon aan wie de kinderen zijn toevertrouwd, en meer in het bijzonder door de echtgenoot van de rechthebbende ° in de zin van artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 ° in de Lid-Staat waar de kinderen wonen, schorst ingevolge artikel 10 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2001/83, voormeld, en bij verordening (EEG) nr. 1660/85 van de Raad van 13 juni 1985, het recht op de in artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 voorziene bijslagen tot het bedrag van de door de woonstaat daadwerkelijk uitbetaalde uitkeringen van dezelfde aard, ongeacht wie in de wettelijke regeling van de woonstaat wordt aangewezen als rechtstreeks rechthebbende op de gezinsbijslagen.
Full & Egal Universal Law Academy