Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Handelingen van de instellingen ° Toepassing ratione temporis ° Procedureregels ° Toepassing op geschillen die aanhangig zijn bij hun inwerkingtreding
2. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte
(EEG-Verdrag, art. 190)
3. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ° Terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten ° Artikel 13 van verordening nr. 1430/79 ° Draagwijdte
(Verordening nr. 1430/79 van de Raad, art. 13)
4. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ° Terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten ° Artikel 13 van verordening nr. 1430/79 ° Beschikking van Commissie op verzoek van Lid-Staat ° Vaststellingsprocedure ° Procedure die rechten van verdediging van handelaar waarborgt
(Verordening nr. 1430/79 van de Raad, art. 13)
5. Beroep tot nietigverklaring ° Arrest houdende nietigverklaring ° Bepaling van gevolgen voor verplichtingen van nationale autoriteiten ° Onbevoegdheid van Hof
(EEG-Verdrag, art. 173 en 174)
Samenvatting
1. Procedureregels worden in het algemeen geacht te gelden voor alle bij hun inwerkingtreding aanhangige geschillen, in tegenstelling tot materiële regels, die doorgaans worden geacht niet te gelden ten aanzien van vóór hun inwerkingtreding verworven rechtsposities.
2. De door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering dient de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden beslissing afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Evenwel kan niet worden verlangd, dat alle verschillende elementen die feitelijk en rechtens relevant zijn, erin worden vermeld. Bij de vraag of de motivering van een beschikking aan deze vereisten voldoet, moet immers niet alleen acht worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
3. Het algemene billijkheidsbeginsel van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 biedt alleen de mogelijkheid, in bepaalde buitengewone omstandigheden en mits er geen sprake is van nalatigheid of manipulatie, handelaren vrij te stellen van de betaling van verschuldigde rechten; het staat niet toe, het beginsel van de opeisbaarheid van de schuld te betwisten. Om voor de communautaire rechter de wettigheid te betwisten van een beschikking van de Commissie waarin de toepassing van dit artikel wordt geweigerd, is het derhalve slechts mogelijk middelen aan te voeren waaruit de onwettigheid zou moeten blijken van de door de nationale rechter te toetsen beschikking van de nationale autoriteiten, op grond waarvan de handelaar de rechten verschuldigd is.
4. In het kader van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 biedt de procedure tot vaststelling door de Commissie van de beschikkingen betreffende terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten, die verscheidene fasen omvat, waarvan sommige zich afspelen op nationaal vlak (indiening van het verzoek door de betrokken onderneming, eerste onderzoek door de douane-autoriteiten), andere op communautair vlak (voorlegging van het verzoek aan de Commissie, onderzoek van het dossier door het Comité douanevrijstellingen, raadpleging van een groep deskundigen, beschikking van de Commissie, kennisgeving aan de betrokken Lid-Staat), de belanghebbende handelaren alle noodzakelijke rechtswaarborgen, inzonderheid het beginsel van hoor en wederhoor, dat de essentie vormt van de rechten van de verdediging, wanneer zulks geschiedt overeenkomstig de voorschriften van de communautaire regeling.
5. Blijkens artikel 173 EEG-Verdrag, dat de voorwaarden voor ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring regelt, is het Hof bevoegd de wettigheid na te gaan van handelingen van de Raad en de Commissie. Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling ingevolge artikel 174 EEG-Verdrag door het Hof nietig verklaard, maar het staat niet aan het Hof om zich uit te spreken over de eventuele verplichtingen van de nationale autoriteiten, zelfs al waren zij tot uitvoering van de nietig verklaarde communautaire handeling overgegaan.
Partijen
In de gevoegde zaken C-121/91 en C-122/91,
CT Control (Rotterdam) BV en JCT Benelux BV, vennootschappen naar Nederlands recht, gevestigd te Rotterdam, beide vertegenwoordigd door I. G. F. Cath en T. H. Tanja-Van den Broek, advocaten te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. H. Dupong, advocaat aldaar, Rue des Bains 14A,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Rodríguez Galindo, lid van haar juridische dienst, en L. Tan, aan deze dienst ter beschikking gesteld Nederlands ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan en T. Heukels, beiden assistent-juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade, Rue C. M. Spoo 5,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de tot Nederland gerichte beschikkingen van de Commissie C(90) 1333 def.: REM 1/90, van 5 juli 1990, en C(90) 3021 def.: REM 8/90, van 18 december 1990 (zaak C-121/91), alsmede C(90) 3024 def.: REM 7/90, van 18 december 1990 (zaak C-122/91), waarbij de Commissie heeft geoordeeld dat de terugbetaling van invoerrechten in het onderhavige geval niet gerechtvaardigd was, alsmede tot vaststelling door het Hof, dat de door verzoeksters gedane verzoeken ingevolge het gemeenschapsrecht dienen te worden ingewilligd, respectievelijk dat hieraan een gunstig gevolg dient te worden gegeven,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, M. Zuleeg, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 8 oktober 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 november 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 april 1991, hebben de besloten vennootschap CT Control (Rotterdam), verzoekster in zaak C-121/91, en de besloten vennootschap JCT Benelux, verzoekster in zaak C-122/91 (hierna: "verzoeksters"), krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie C(90) 1333 def.: REM 1/90, van 5 juli 1990, en C(90) 3021 def.: REM 8/90, van 18 december 1990 (zaak C-121/91), alsmede van beschikking C(90) 3024 def.: REM 7/90, van 18 december 1990 (zaak C-122/91), en tot vaststelling door het Hof, dat de verzoeken van verzoeksters ingevolge het gemeenschapsrecht dienen te worden ingewilligd, respectievelijk dat hieraan een gunstig gevolg dient te worden gegeven.
2 Bij beschikking van 15 september 1992 heeft het Hof beide zaken wegens verknochtheid voor de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd. In beide zaken is het Koninkrijk der Nederlanden bij beschikking van 17 oktober 1991 toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
3 Bij de invoer van verschillende partijen honing in de jaren 1982 tot en met 1984 legden beide verzoeksters, in hun hoedanigheid van douane-expediteur in Nederland, tussen 17 december 1982 en 5 oktober 1984 certificaten inzake goederenverkeer EUR 1 over als bedoeld in artikel 6 van Protocol nr. 1 bij de tweede ACS-EEG-overeenkomst, ondertekend te Lomé op 31 oktober 1979 (PB 1980, L 347, blz. 73). Uit deze certificaten bleek, dat de honing van oorsprong was uit een ACS-Staat, te weten Jamaïca. Ingevolge de tweede Overeenkomst van Lomé konden de betrokken goederen zonder betaling van gewone douanerechten worden ingevoerd.
4 Bij een onderzoek naar de uitvoer naar de Gemeenschap van natuurlijke honing van oorsprong uit Jamaïca, dat de Commissie tussen 29 oktober en 10 november 1984 op Jamaïca instelde, kwam naar voren dat in de periode van 1979 tot en met 1984 grote aantallen EUR 1-certificaten ten onrechte waren afgegeven. Nadat de Jamaïcaanse autoriteiten een eigen onderzoek hadden ingesteld, deelden zij de Commissie op 5 december 1984 mee, dat bepaalde EUR 1-certificaten, waaronder die welke verzoeksters bij hun aangiften hadden overgelegd, inderdaad ten onrechte waren afgegeven en dat deze derhalve waren ingetrokken.
5 Op grond van deze informatie, die de Commissie hem op 14 maart 1985 ter kennis bracht, besloot de Nederlandse inspecteur der douanerechten en accijnzen over te gaan tot navordering van de te weinig geheven bedragen, waartoe hij verzoeksters op 25 oktober 1985 navorderingsaanslagen toezond. Voor haar totale invoer, tussen december 1982 en oktober 1984, van natuurlijke honing van oorsprong uit Jamaïca, werden CT Control (Rotterdam) BV een zestal navorderingsaanslagen (nummers 252-257 AWDA) opgelegd voor een totaalbedrag van 231 698,60 HFL; aan JCT Benelux BV werd voor de invoer van dit produkt in december 1982 een navorderingsaanslag (nummer 261 AWDA) opgelegd voor een bedrag van 24 498,50 HFL.
6 Bij brieven van 28 respectievelijk 31 oktober 1985 dienden beide verzoeksters bij de inspecteur een verzoek om terugbetaling van invoerrechten in krachtens artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB 1979, L 175, blz. 1).
7 Deze twee verzoeken werden bij beschikkingen van 10 april 1986 afgewezen, zonder dat zij overeenkomstig artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 aan de Commissie waren voorgelegd. Nadat hun bezwaar tegen die beschikkingen was afgewezen, stelden beide verzoeksters beroep in bij de Tariefcommissie te Amsterdam, die bij uitspraken van 20 november 1989 de beschikkingen van de inspecteur vernietigde en bepaalde, dat de verzoeken alsnog aan de Commissie moesten worden voorgelegd.
8 Daarop legden de Nederlandse autoriteiten de verzoeken aan de Commissie voor bij brieven van 12 januari en 13 juli 1990, ingekomen op respectievelijk 15 januari en 17 juli 1990 en ingeschreven onder de nummers REM 1/90 en 8/90 (zaak C-121/91), alsmede bij brief van 13 juli 1990, ingekomen op 17 juli 1990 en ingeschreven onder nummer REM 7/90 (zaak C-122/91).
9 In artikel 1 van de bestreden beschikkingen, van 5 juli respectievelijk 18 december 1990, bepaalde de Commissie, dat terugbetaling van invoerrechten niet gerechtvaardigd was.
10 Na op 20 februari 1991 door de Nederlandse autoriteiten in kennis te zijn gesteld van de inhoud van die beschikkingen, hebben verzoeksters de onderhavige beroepen ingesteld.
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De conclusies tot nietigverklaring
12 Ter ondersteuning van deze conclusies hebben verzoeksters vier middelen aangevoerd, die kunnen worden samengevat als volgt:
° miskenning van de procedurevoorschriften betreffende de termijn waarbinnen de Commissie haar beschikkingen moet geven;
° onvoldoende motivering van de bestreden beschikkingen;
° miskenning van de procedure voor de controle achteraf van de geldigheid van EUR 1-certificaten;
° schending van de rechten van de verdediging.
Het middel ontleend aan miskenning van de procedurevoorschriften betreffende de termijn waarbinnen de Commissie haar beschikkingen moet geven
13 Alvorens de gegrondheid van dit middel te beoordelen, moet de relevante regelgeving in herinnering worden gebracht.
14 Op het tijdstip waarop verzoeksters bij de Nederlandse autoriteiten hun verzoeken indienden om terugbetaling van invoerrechten krachtens artikel 13 van verordening nr. 1430/79, te weten in 1985, waren de uitvoeringsbepalingen van dat artikel neergelegd in verordening (EEG) nr. 1575/80 van de Commissie van 20 juni 1980 (PB 1980, L 161, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 945/83 van de Commissie van 21 april 1983 tot tweede wijziging van verordening (EEG) nr. 1575/80 (PB 1983, L 104, blz. 14; hierna: "uitvoeringsverordening van 1980").
15 Krachtens artikel 5, tweede alinea, van die verordening diende de beschikking van de Commissie inzake de toekenning van terugbetaling of kwijtschelding
"te worden gegeven binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het in artikel 3, lid 1, bedoelde dossier door de Commissie".
Gedoeld wordt hier op het door de betrokken Lid-Staat overgelegde dossier, dat alle gegevens bevat die noodzakelijk zijn om een volledig onderzoek door de Commissie van het door de belanghebbende ingediende verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten mogelijk te maken.
16 Artikel 7 van verordening nr. 1575/80 bepaalde het volgende:
"Indien de Commissie haar beschikking niet heeft gegeven binnen de in artikel 5 bedoelde termijn of binnen de in artikel 6 bedoelde termijn van geen enkele beschikking aan de betrokken Lid-Staten heeft kennis gegeven, geeft de beschikkende autoriteit een gunstig gevolg aan het verzoek van de betrokkene."
17 Op het moment evenwel waarop de verzoeken om terugbetaling van invoerrechten aan de Commissie werden voorgelegd, te weten op 15 januari respectievelijk 17 juli 1990, was de uitvoeringsverordening van 1980 per 1 januari 1987 ingetrokken en vervangen door verordening (EEG) nr. 3799/86 van de Commissie van 12 december 1986 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 4 bis, 6 bis, 11 bis en 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 (PB 1986, L 352, blz. 19; hierna: "uitvoeringsverordening van 1986"). In de artikelen 5 tot en met 10 van die verordening werden de tot dan toe toepasselijke procedurevoorschriften op een aantal punten gewijzigd.
18 Ingevolge artikel 8, tweede alinea, van verordening nr. 3799/86 diende de beschikking van de Commissie inzake de toekenning van terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten
"te worden gegeven binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst door de Commissie van het in artikel 6, lid 1, bedoelde dossier",
dat wil zeggen het dossier waarnaar in rechtsoverweging 15 van dit arrest wordt verwezen.
19 Artikel 10 van deze verordening herhaalt de verplichting van de nationale autoriteiten, het verzoek van de betrokkene in te willigen indien de Commissie haar beschikking niet heeft gegeven binnen de in artikel 8 bedoelde termijn van zes maanden.
20 Gelet op deze bepalingen betogen verzoeksters, dat de Commissie gehouden was hun verzoeken om terugbetaling van invoerrechten te onderzoeken met inachtneming van de termijnvoorschriften zoals die golden op 25 oktober 1985, toen de nationale autoriteiten tot navordering overgingen, en dat zij voor dit onderzoek slechts beschikte over de in de uitvoeringsverordening van 1980 voorziene termijn van vier maanden. Daar de Commissie binnen die termijn geen beschikking had gegeven, hadden de Nederlandse autoriteiten ingevolge artikel 7 van de uitvoeringsverordening van 1980 de betrokken verzoeken moeten inwilligen. De bestreden beschikkingen van de Commissie, die nadien werden gegeven, moeten derhalve nietig worden verklaard.
21 De Commissie en de Nederlandse regering stellen daartegenover, dat in casu de procedureregels van de uitvoeringsverordening van 1986 moeten worden toegepast, aangezien de verzoeken om terugbetaling van de betrokken invoerrechten eerst op 12 januari respectievelijk 13 juli 1990 aan de Commissie zijn voorgelegd, dus na 1 januari 1987, op welke datum die uitvoeringsverordening in werking trad. De bestreden beschikkingen zijn overigens gegeven binnen de in die verordening gestelde termijn van zes maanden.
22 Er zij aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak procedureregels in het algemeen worden geacht te gelden voor alle bij hun inwerkingtreding aanhangige geschillen, in tegenstelling tot materiële regels, die doorgaans worden geacht niet te gelden ten aanzien van vóór hun inwerkingtreding verworven rechtsposities (zie onder meer het arrest van 12 november 1981, gevoegde zaken 212/80-217/80, Salumi II, Jurispr. 1981, blz. 2735, r.o. 9).
23 Vaststaat, dat de onderhavige uitvoeringsbepalingen procedureregels zijn die betrekking hebben op de behandeling van verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding door de Commissie. Ingevolge het beginsel inzake de werking ratione temporis van procedureregels is in casu derhalve de uitvoeringsverordening van 1986 en niet, zoals verzoeksters aanvoeren, de uitvoeringsverordening van 1980 van toepassing; dit betekent, dat de Commissie voor het geven van de bestreden beschikkingen beschikte over een termijn van zes maanden, welke termijn zij in acht heeft genomen.
24 Verzoeksters, die een beroep doen op het arrest Salumi II (reeds aangehaald) en het arrest van 27 mei 1982 (zaak 113/81, Reichelt, Jurispr. 1982, blz. 1957), stellen evenwel, dat dit beginsel inzake de werking ratione temporis van procedureregels in de onderhavige zaken niet van toepassing is, aangezien de in casu relevante processuele en materiële regels onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en bijgevolg, wat hun werking ratione temporis betreft, niet op zichzelf mogen worden beschouwd.
25 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
26 In de eerste plaats heeft het Hof in de arresten Salumi II en Reichelt (reeds aangehaald) enkel opgemerkt, dat de communautaire regeling inzake de navordering van in- of uitvoerrechten (arrest Salumi II) en de communautaire regeling op het gebied van de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten (arrest Reichelt) zonder terugwerkende kracht in de plaats waren getreden van de diverse overeenkomstige nationale regelingen, zowel met betrekking tot de toepasselijke procedurevoorschriften als wat de toepasselijke materiële regels betreft.
27 In de tweede plaats kon de Commissie, ongeacht welke materiële regels op de in 1990 aan haar voorgelegde verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten van toepassing waren, voor de behandeling van die verzoeken slechts de procedurevoorschriften volgen die haar bevoegdheden en verplichtingen afbakenden, zoals die golden sinds de inwerkingtreding van de uitvoeringsverordening van 1986, dat wil zeggen voordat die verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding aan haar waren voorgelegd. Vóór deze verwijzing naar de Commissie hadden de belanghebbenden hoe dan ook geen enkel recht verworven op toepassing van de uitvoeringsverordening van 1980, die was ingetrokken sedert 1 januari 1987, nog voordat hun verzoeken aan de Commissie waren voorgelegd.
28 Uit een en ander volgt, dat het eerste middel van verzoeksters moet worden afgewezen.
Het middel ontleend aan onvoldoende motivering
29 Verzoeksters betogen, dat de bestreden beschikkingen niet voldoen aan het in artikel 190 EEG-Verdrag bedoelde motiveringsvereiste, voor zover de Commissie in haar overwegingen alleen verwijst naar het arrest van het Hof van 13 november 1984 (gevoegde zaken 98/83 en 230/83, Van Gend & Loos, Jurispr. 1984, blz. 3763), zonder rekening te houden met de feiten en bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval.
30 Dienaangaande voeren zij drie verschillende bezwaren aan:
° de redenen waarom het arrest Van Gend & Loos ter zake dienend zou zijn, worden niet vermeld;
° de motivering is in casu ten onrechte op dat arrest gebaseerd;
° niet is aangetoond, dat de ingevoerde honing niet van oorsprong was uit Jamaïca of een andere ACS-Staat.
31 Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer het arrest van 11 juli 1990, zaak C-323/88, Sermes, Jurispr. 1990, blz. I-3027, r.o. 38) dient de door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinning te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Evenwel kan niet worden verlangd, dat alle verschillende elementen die feitelijk en rechtens relevant zijn, erin worden vermeld. Bij de vraag of de motivering van een beschikking aan deze vereisten voldoet, moet immers niet alleen acht worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie dienaangaande het arrest van 25 oktober 1984, zaak 185/83, Rijksuniversiteit Groningen, Jurispr. 1984, blz. 3623, r.o. 38).
32 De motivering van de bestreden beschikkingen voldoet aan deze vereisten. Zij verschaft alle elementen feitelijk en rechtens, waarop de beschikkingen op de verzoeken om terugbetaling zijn gebaseerd. Zo wordt vermeld, dat het voor de terugbetaling van invoerrechten niet van doorslaggevend belang is, dat de aangever douane-expediteur is (vierde overweging van de bestreden beschikkingen), dat deze laatste "aansprakelijk is, zowel voor de betaling van de rechten bij invoer als voor de regelmatigheid van de documenten welke hij tot staving van de aangifte tot in het vrije verkeer brengen aan de douaneautoriteiten heeft overgelegd" (vijfde overweging), en dat, overeenkomstig het arrest Van Gend & Loos (reeds aangehaald), "het ontvangen van ongeldige of naderhand door de bevoegde autoriteiten ongeldig gemaakte certificaten niet kan worden beschouwd als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 die een terugbetaling van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer kan rechtvaardigen, aangezien de goede trouw aangaande deze certificaten en de juistheid van de erin voorkomende gegevens in het algemeen niet gegarandeerd zijn" (zesde overweging).
33 Deze conclusie kan niet worden ontkracht door de drie bovengenoemde bezwaren, die verzoeksters tot staving van het middel inzake onvoldoende motivering van de bestreden beschikkingen hebben aangevoerd.
34 Met betrekking tot het eerste bezwaar behoeft slechts te worden vastgesteld dat, anders dan verzoeksters stellen, de motivering van de bestreden beschikkingen de redenen vermeldt waarom naar het arrest Van Gend & Loos wordt verwezen. Zoals de aangehaalde zesde overweging van de bestreden beschikkingen aangeeft, wordt met de verwijzing naar dit arrest van het Hof beoogd aan te tonen, dat aan de in artikel 13 van verordening nr. 1430/79 gestelde voorwaarde, te weten het bestaan van buitengewone omstandigheden, niet wordt voldaan wanneer er sprake is van feiten zoals die welke aan dit arrest ten grondslag liggen. Bijgevolg is dit bezwaar ongegrond.
35 In het kader van hun tweede bezwaar betogen verzoeksters dat, gezien de aanmerkelijke verschillen tussen de feiten in de zaak Van Gend & Loos en de onderhavige feiten, op dit arrest geen beroep kan worden gedaan ten betoge dat er in casu geen sprake is van "buitengewone omstandigheden" in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79.
36 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
37 Het arrest Van Gend & Loos geeft een uitlegging van het begrip "buitengewone omstandigheden" in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79. Het preciseert namelijk, dat een douane-expediteur zich door het uitoefenen van zijn werkzaamheden op zichzelf reeds aansprakelijk stelt zowel voor de betaling van de invoerrechten als voor de regelmatigheid van de door hem aan de douane-autoriteiten voorgelegde documenten. Indien achteraf blijkt dat de certificaten door de bevoegde douane-autoriteiten zijn ingetrokken, valt zulks dan ook niet aan te merken als een "buitengewone omstandigheid", maar als een bedrijfsrisico waaraan iedere douane-expediteur, ook al is hij te goeder trouw, blootstaat. Met betrekking tot dit laatste punt geeft het arrest duidelijk aan, dat de goede trouw van de belanghebbenden ten aanzien van de aantekeningen op de certificaten van oorsprong niet als een "buitengewone omstandigheid" kan worden beschouwd.
38 Verzoeksters betwisten niet, dat zij de werkzaamheid van douane-expediteur hebben uitgeoefend, dat zij zich ook aansprakelijk hebben gesteld voor de regelmatigheid van de douanedocumenten en dat de door hen overgelegde documenten achteraf ongeldig zijn gebleken. Deze feiten stemmen precies overeen met de overwegingen op grond waarvan het Hof in voornoemd arrest tot de conclusie kwam, dat er geen "buitengewone omstandigheden" in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 bestonden. Mitsdien heeft de Commissie de redengeving van de bestreden beschikkingen terecht op dat arrest gegrond.
39 Aangaande het derde bezwaar van verzoeksters, te weten dat de Commissie in de bestreden beschikkingen niet aantoont dat de ingevoerde honing niet van oorsprong was uit Jamaïca of een andere ACS-Staat, kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat de importeur, en niet de Commissie, moet bewijzen dat het ingevoerde produkt van oorsprong is uit een ACS-Staat, indien hij terugbetaling van invoerrechten wil verkrijgen. Bovendien gaat het bij dit bezwaar om de wettigheid van de intrekking van de certificaten van oorsprong. Zoals het Hof evenwel in het arrest van 12 maart 1987 (gevoegde zaken 244/85 en 245/85, Italgrani, Jurispr. 1987, blz. 1303) voor recht heeft verklaard, kan dit bezwaar niet als argument worden aangevoerd ten betoge dat de beschikkingen van de Commissie op de verzoeken om terugbetaling van invoerrechten onwettig zijn. Dit bezwaar moet bijgevolg eveneens worden afgewezen.
40 Uit het voorgaande volgt, dat verzoeksters de redenen konden kennen waarom de Commissie heeft geoordeeld dat terugbetaling van invoerrechten in casu niet gerechtvaardigd was, en dat zij met volledige kennis van zaken hun rechten konden verdedigen.
41 De wettigheid van de bestreden beschikkingen kan dus niet worden betwist met een beroep op het in artikel 190 EEG-Verdrag gestelde motiveringsvereiste. Het desbetreffende middel moet derhalve worden afgewezen.
Het middel inzake miskenning van de procedure voor de controle achteraf van de geldigheid van EUR 1-certificaten
42 Dienaangaande betogen verzoeksters, dat de procedure voor de vaststelling van de ongeldigheid van EUR 1-certificaten, voorzien in artikel 25 van Protocol nr. 1 bij de tweede Overeenkomst van Lomé (reeds aangehaald), niet in acht is genomen, en dat het besluit van de Nederlandse autoriteiten om invoerrechten na te heffen, bijgevolg onwettig is. In deze omstandigheden, aldus verzoeksters, hadden de verzoeken die tot de bestreden beschikkingen hebben geleid, niet aan de Commissie moeten worden voorgelegd en moeten die beschikkingen nietig worden verklaard.
43 Er zij aan herinnerd, dat artikel 13 van verordening nr. 1430/79 alleen de mogelijkheid biedt, in bepaalde buitengewone omstandigheden en mits er geen sprake is van nalatigheid of manipulatie, handelaren vrij te stellen van de betaling van verschuldigde rechten; het staat niet toe, het beginsel van de opeisbaarheid van de schuld te betwisten (zie in die zin het arrest Italgrani, reeds aangehaald, r.o. 11).
44 Hieruit volgt, dat verzoeksters tegen de bestreden beschikkingen slechts middelen kunnen aanvoeren die ertoe strekken het bestaan van buitengewone omstandigheden en het ontbreken van nalatigheid of manipulatie hunnerzijds aan te tonen, maar geen middelen waaruit zou moeten blijken, dat de beschikkingen van de bevoegde nationale autoriteiten waarbij van hen betaling van de betwiste rechten wordt verlangd, onwettig zijn.
45 Zoals verzoeksters zelf erkennen, gaat het bij het middel dat zij ontlenen aan miskenning van de procedure voor de controle achteraf van de geldigheid van EUR 1-certificaten, om de wettigheid van de besluiten van de Nederlandse autoriteiten om tot navordering van invoerrechten over te gaan. De wettigheid van die besluiten kan evenwel slechts aan de orde worden gesteld in het kader van een beroep voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie.
46 Mitsdien kan het derde middel evenmin worden aanvaard.
Het middel inzake schending van de rechten van de verdediging
47 Verzoeksters stellen, dat de bij de totstandkoming van de bestreden beschikkingen gevolgde procedure niet voldoet aan de dienaangaande uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende waarborgen. Zij stellen, niet de gelegenheid te hebben gehad hun standpunt rechtstreeks aan de Commissie kenbaar te maken en niet te hebben beschikt over alle gegevens die tot de vaststelling van de bestreden beschikkingen hebben geleid.
48 In het arrest van 17 maart 1983 (zaak 294/81, Control Data, Jurispr. 1983, blz. 911, r.o. 17) en het arrest Van Gend & Loos (reeds aangehaald, r.o. 9) heeft het Hof dit in dezelfde juridische context aangevoerde middel reeds afgewezen. In die arresten was het Hof van oordeel, dat de procedure voor de totstandkoming van de litigieuze beschikkingen, die verscheidene fasen omvat, waarvan sommige zich afspelen op nationaal vlak (indiening van het verzoek door de betrokken onderneming, eerste onderzoek door de douane-autoriteiten), andere op communautair vlak (voorlegging van het verzoek aan de Commissie, onderzoek van het dossier door het Comité douanevrijstellingen, raadpleging van een groep deskundigen, beschikking van de Commissie, kennisgeving aan de betrokken Lid-Staat), de belanghebbenden alle noodzakelijke rechtswaarborgen biedt.
49 Aangezien deze procedure in casu is gevolgd ° hetgeen verzoeksters niet bestrijden ° is het middel inzake schending van de rechten van de verdediging ongegrond. Deze procedure heeft verzoeksters immers de mogelijkheid geboden, al hun argumenten aan de Nederlandse autoriteiten kenbaar te maken, en zowel het Comité douanevrijstellingen als de Commissie hadden de beschikking over hun dossier. Verzoeksters hebben overigens erkend, dat alle argumenten die zij met het oog op de terugbetaling van invoerrechten konden doen gelden, in hun verzoeken waren vermeld, en dat er geen enkel nieuw element was dat zij aan hun betoog hadden kunnen toevoegen. In ieder geval wisten zij dat hun verzoeken aan de Commissie waren voorgelegd, en hadden zij het daarin vervatte betoog desgewenst kunnen aanvullen.
50 Verzoeksters zijn evenwel van mening dat, gelet op de recente ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de rechten van de verdediging op het gebied van het mededingingsrecht en de anti-dumpingrechten, en op de toepassing van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, aan de eerbiediging van de rechten van de verdediging hogere eisen moeten worden gesteld dan het geval was in de zaken die tot de arresten Control Data en Van Gend & Loos hebben geleid.
51 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
52 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, de op het gebied van het mededingingsrecht en van de anti-dumpingrechten te volgen procedures aanmerkelijk verschillen van de in de onderhavige zaken toepasselijke procedure. In het kader van deze laatste dienen de handelaren zelf verzoeken om terugbetaling van invoerrechten in, terwijl in mededingingszaken en anti-dumpingzaken de instellingen van de Gemeenschap besluiten een procedure in te leiden teneinde de handelaar die in strijd met de verdragsbepalingen handelt, eventueel te bestraffen. In dit laatste geval is het beginsel van hoor en wederhoor, dat volgens de rechtspraak van het Hof de essentie vormt van de rechten van de verdediging, van bijzonder belang. In gevallen als het onderhavige moet daarentegen worden aangenomen, dat het beginsel van hoor en wederhoor op communautair vlak in acht is genomen, indien aan de in de arresten Control Data en Van Gend & Loos omschreven vereisten is voldaan.
53 Vervolgens moet worden opgemerkt, dat verzoeksters geen enkel element hebben aangevoerd ten bewijze dat het beginsel van hoor en wederhoor, zoals dit in de voor de totstandkoming van de bestreden beschikkingen voorziene procedure is gewaarborgd, niet beantwoordt aan de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens gestelde vereisten.
54 Mitsdien moeten het middel inzake schending van de rechten van de verdediging, en bijgevolg de conclusies strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikkingen, worden afgewezen.
De conclusies strekkende tot vaststelling dat de bij de nationale autoriteiten ingediende verzoeken ingevolge het gemeenschapsrecht dienen te worden ingewilligd, respectievelijk dat hieraan een gunstig gevolg dient te worden gegeven
55 Hiermee wordt het Hof in hoofdzaak verzocht te verklaren, dat de Nederlandse autoriteiten gehouden zijn een gunstig gevolg te geven aan de door verzoeksters gedane verzoeken om terugbetaling van invoerrechten.
56 Blijkens artikel 173 EEG-Verdrag, dat de voorwaarden voor ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring regelt, is het Hof bevoegd de wettigheid na te gaan van handelingen van de Raad en de Commissie. Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling ingevolge artikel 174 EEG-Verdrag door het Hof nietig verklaard.
57 Hieruit volgt, dat het Hof in het kader van een dergelijk beroep niet bevoegd is zich uit te spreken over de eventuele verplichtingen van de nationale autoriteiten, zelfs in het geval waarin een beschikking van de Commissie nietig is verklaard.
58 Mitsdien moeten deze conclusies van het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
59 Uit het voorgaande volgt, dat de beroepen moeten worden verworpen voor zover zij strekken tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie C(90) 1333 def.: REM 1/90, van 5 juli 1990, en C(90) 3021 def.: REM 8/90, van 18 december 1990, alsmede van beschikking C(90) 3024 def.: REM 7/90, van 18 december 1990, en niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voor zover zij strekken tot vaststelling dat de aan de nationale autoriteiten gedane verzoeken om terugbetaling van invoerrechten ingevolge het gemeenschapsrecht dienen te worden ingewilligd, respectievelijk dat hieraan een gunstig gevolg dient te worden gegeven.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
60 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen die van interveniënt, die in die zin heeft geconcludeerd.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt de beroepen.
2) Verwijst verzoeksters in de kosten van het geding, daaronder begrepen die van interveniënt.
Full & Egal Universal Law Academy