Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Vrij verkeer van personen ° Vrijheid van vestiging ° Vennootschappen ° Richtlijn 77/91 ° Wijziging van kapitaal van naamloze vennootschap ° Rechtstreekse werking van artikel 25, lid 1, van richtlijn ° Nationale wettelijke regeling die bepaalt dat bij handeling van bestuur kan worden besloten tot verhoging van kapitaal van vennootschap in financiële moeilijkheden ° Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 77/91 van de Raad, art. 25 en 41, lid 1)
2. Steunmaatregelen van de staten ° Verbod ° Afwijkingen ° Beoordelingsbevoegdheid van Commissie ° Grenzen
(EEG-Verdrag, art. 92, lid 1, en 93; beschikking 88/167 van de Commissie)
Samenvatting
1. Artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn 77/91 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken, kan voor de nationale rechter door een particulier tegenover de overheid worden ingeroepen.
Genoemd artikel 25, juncto artikel 41, lid 1, van dezelfde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die, teneinde het voortbestaan en de voortzetting van de activiteiten te waarborgen van ondernemingen die economisch en sociaal van bijzonder belang voor de samenleving zijn en die door hun zeer grote schuldenlast in een bijzondere situatie verkeren, bepaalt dat bij handeling van het bestuur tot verhoging van hun vennootschappelijk kapitaal kan worden besloten, onverminderd het voorkeursrecht van de oude aandeelhouders bij de uitgifte van nieuwe aandelen.
2. De Commissie kan niet op grond van de haar bij artikel 93 EEG-Verdrag verleende beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot staatssteun de Lid-Staten machtigen, van andere bepalingen van gemeenschapsrecht dan die betreffende de toepassing van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag af te wijken. Bijgevolg kan een door de Commissie op grond van artikel 93 vastgestelde beschikking niet aldus worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staat die de adressaat ervan is, heeft gemachtigd, ook al is het maar voorlopig, een met de Tweede richtlijn 77/91 inzake vennootschapsrecht strijdige bepaling te handhaven.
Partijen
In de gevoegde zaken C-134/91 en C-135/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Efeteio Athinon, in het aldaar aanhangig geding tussen
Kerafina ° Keramische und Finanz Holding AG,
Vioktimatiki AEVE
en
Elliniko Dimosio,
Organismos Oikonomikis Anasygkrotisis Epicheiriseon AE,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 25, 41 en 42 van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1977, L 26, blz. 1), alsmede over de uitlegging van beschikking 88/167/EEG van de Commissie van 7 oktober 1987 betreffende wet nr. 1386/1983 houdende een regeling van steunverlening door de overheid aan het Griekse bedrijfsleven (PB 1988, L 76, blz. 18),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Kerafina ° Keramische und Finanz Holding AG en Vioktimatiki AEVE, vertegenwoordigd door G. I. Anastasopoulos en I. Anastasopoulou, advocaten te Athene;
° Organismos Oikonomikis Anasygkrotisis Epicheiriseon AE, vertegenwoordigd door L. Georgakopoulos, advocaat te Athene;
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door N. Mavrikas, adjunct-juridisch adviseur bij de Juridische dienst van de staat, als gemachtigde;
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Caeiro en door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Organismos Oikonomikis Anasygkrotisis Epicheiriseon AE, vertegenwoordigd door L. Georgakopoulos en V. Karagiannis, advocaten te Athene, de Griekse regering, vertegenwoordigd door L. Georgakopoulos, advocaat te Athene, en de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis als gemachtigde, ter terechtzitting van 25 juni 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 september 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arresten van 31 januari 1991, ingekomen bij het Hof op 24 mei daaraanvolgend, heeft het Efeteio Athinon krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1977, L 26, blz. 1; hierna: "Tweede richtlijn"), alsmede over de uitlegging van beschikking 88/167/EEG van de Commissie van 7 oktober 1987 betreffende wet nr. 1386/1983 houdende een regeling van steunverlening door de overheid aan het Griekse bedrijfsleven (PB 1988, L 76, blz. 18).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen een aantal aandeelhouders van de vennootschap Kerafina AVETE (hierna: "Kerafina") enerzijds en de Griekse Staat en de Organismos Anasygkrotisis Epicheriseon AE (Organisatie voor Bedrijfsreorganisatie, hierna: "OAE") anderzijds. In dit geding gaat het om de verhogingen van het maatschappelijk kapitaal van Kerafina, die tot stand zijn gekomen in het kader van de in de Griekse wet nr. 1386/1983 van 5 augustus 1983 (Grieks Staatsblad A, nr. 107, van 8. 8. 1983, blz. 14) voorziene regeling waaronder Kerafina was geplaatst bij beschikking van de minister van Economische zaken (ministeriële beschikking nr. 271, Grieks Staatsblad B, nr. 113, van 4. 3. 1985).
3 De OAE is een tot de publieke sector behorende organisatie en is opgericht bij wet nr. 1386/1983. Zij heeft de vorm van een naamloze vennootschap en handelt onder toezicht van de staat ten behoeve van het algemeen belang. Volgens artikel 2, lid 2, van de wet is het doel van de OAE, bij te dragen aan de economische en sociale ontwikkeling van het land door de financiële sanering van ondernemingen, introductie en toepassing van buitenlandse know-how, ontwikkeling van Griekse know-how, alsmede door oprichting en exploitatie van overheids- of semi-overheidsbedrijven.
4 Artikel 2, lid 3, van wet nr. 1386/1983 geeft een opsomming van de bevoegdheden die de OAE ter verwezenlijking van deze doelstellingen bezit. Zo kan de OAE het bestuur en het dagelijks beheer overnemen van ondernemingen die worden gesaneerd of die zijn genationaliseerd, deelnemen in het kapitaal van ondernemingen, leningen verstrekken en bepaalde leningen uitschrijven of opnemen, obligaties verwerven, alsmede aandelen overdragen aan, met name, werknemers of de hen vertegenwoordigende organisaties, aan lagere overheden of andere publiekrechtelijke rechtspersonen, aan liefdadigheidsinstellingen, maatschappelijke groeperingen of particulieren.
5 Ingevolge artikel 5, lid 1, van wet nr. 1386/1983 kan de minister van Economische zaken ondernemingen die in ernstige financiële moeilijkheden verkeren, onder de regeling van de wet brengen.
6 Volgens artikel 7 van diezelfde wet kan de bevoegde minister het bestuur van een onder de regeling van deze wet gebrachte onderneming overdragen aan de OAE, de schulden van de onderneming regelen teneinde haar levensvatbaarheid te waarborgen, of overgaan tot liquidatie van de onderneming.
7 Artikel 8 van wet nr. 1386/1983 regelt de overdracht van het bestuur van de onderneming aan de OAE. Artikel 8, lid 1, zoals gewijzigd bij wet nr. 1472/1984 (Grieks Staatsblad A, nr. 112, van 6. 8. 1984, blz. 1273), bepaalt de wijze van overdracht en regelt de relatie tussen de door de OAE met het bestuur belaste personen en de ondernemingsorganen. Zo is bepaald, dat met de publikatie van de ministeriële beschikking waarbij de onderneming onder de regeling van de wet wordt gebracht, een einde komt aan de bevoegdheden van de bestuursorganen van de onderneming en dat de algemene vergadering blijft bestaan, maar dat zij de door de OAE benoemde bestuursleden niet kan afzetten.
8 Op grond van artikel 8, lid 8, van wet nr. 1386/1983 kan de OAE, in afwijking van de voor naamloze vennootschappen geldende bepalingen, tijdens zijn tijdelijk bestuur besluiten om het maatschappelijk kapitaal van de betrokken vennootschap te verhogen. Deze verhoging moet worden goedgekeurd door de bevoegde minister. De oude aandeelhouders behouden hun voorkeursrecht, dat zij binnen een bij de ministeriële goedkeuringsbeschikking gestelde termijn kunnen uitoefenen.
9 Wet nr. 1386/1983 was het onderwerp van een door de Commissie krachtens artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag ingestelde procedure, die werd afgesloten met beschikking 88/167. In deze beschikking heeft de Commissie verklaard dat zij geen bezwaar had tegen de tenuitvoerlegging van die wet, op voorwaarde dat de Griekse regering vóór 31 december 1987 onder meer de bepalingen betreffende de verhoging van het kapitaal zou wijzigen, zodat zij in overeenstemming werden gebracht met de artikelen 25 en volgende alsook met de artikelen 29 en volgende van de Tweede richtlijn.
10 Kerafina werd bij beschikking nr. 271 van de minister van Economische zaken onder de regeling van wet nr. 1386/1983 gebracht. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de wet nam de OAE het bestuur van de vennootschap over. In het kader van zijn tijdelijk bestuur besloot de OAE, krachtens artikel 8, lid 8, van de wet, het kapitaal van Kerafina te verhogen. Zo werd het kapitaal achtereenvolgens met 200 000 000 DR en 486 222 000 DR verhoogd. Deze twee verhogingen, die door de minister van Industrie, Onderzoek en Technologie zijn goedgekeurd en de OAE tot meerderheidsaandeelhouder van Kerafina maakten, zijn het onderwerp van de hoofdgedingen.
11 De oude aandeelhouders van Kerafina waren van mening, dat de kapitaalverhogingen waartoe door de OAE was besloten, in strijd waren met artikel 25 van de Tweede richtlijn, en stelden in november 1988 een vordering in bij het Polymeles Protodikeio Athinon. Deze rechterlijke instantie wees hun vorderingen af. Van deze vonnissen kwamen de oude aandeelhouders in hoger beroep bij het Efeteio Athinon. Dit was van oordeel, dat de betrokken zaken problemen inzake de uitlegging van de Tweede richtlijn deden rijzen, en heeft het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld :
"1) Bevat artikel 25, junctis de artikelen 41, lid 1, en 42, van richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976 bepalingen die niet afhankelijk zijn van ter beoordeling van de Lid-Staten staande voorwaarden, en die voldoende duidelijk zijn, zodat een justitiabele hierop voor de nationale rechter tegenover de staat een beroep kan doen door te betogen dat een regeling die is vervat in een wettelijke regeling, onverenigbaar is met de genoemde bepalingen?
2) Valt een wettelijke regeling die niet het eigenlijke rechtskader vormt voor kapitaalverhogingen bij een naamloze vennootschap, maar die tot doel heeft het hoofd te bieden aan de uitzonderlijke situatie waarin ondernemingen van bijzonder economisch en sociaal belang door hun betalingsmoeilijkheden zijn komen te verkeren, en waarin is bepaald, dat ° teneinde het voortbestaan van zulke ondernemingen veilig te stellen ° bij handeling van het bestuur kan worden besloten tot verhoging van het kapitaal en dat bij uitgifte van nieuwe aandelen het voorkeursrecht van de oude aandeelhouders onverlet blijft, binnen de werkingssfeer van artikel 25 van bovengenoemde richtlijn, en zo ja, in hoeverre is een dergelijke wettelijke bepaling verenigbaar met genoemd artikel 25, juncto artikel 41, lid 1, van de richtlijn?
3) Ontslaat beschikking 88/167/EEG van de Commissie van 7 oktober 1987, waarin deze laatste heeft verklaard dat zij geen bezwaar heeft tegen de tenuitvoerlegging van wet 1386/1983, mits wordt voldaan aan de in haar beschikking gestelde voorwaarden, waaronder de voorwaarde, dat de Griekse regering vóór 31 december 1987 wet nr. 1386/1983 in dier voege zal wijzigen, dat deze in overeenstemming wordt gebracht met de artikelen 25 en volgende en 29 en volgende van de Tweede richtlijn 77/91/EEG, de Helleense Republiek tot bedoelde datum (31 december 1987) van de verplichting de richtlijn toe te passen?"
12 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke regeling en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste twee vragen
13 Vooraf moet worden opgemerkt, dat de eerste twee prejudiciële vragen problemen aan de orde stellen, waarover het Hof zich reeds tweemaal heeft uitgesproken, namelijk in de arresten van 30 mei 1991 (gevoegde zaken C-19/90 en C-20/90, Karella en Karellas, Jurispr. 1991, blz. I-2691) en 24 maart 1992 (zaak C-381/89, Eleftheri Evangeliki Ekklisia, Jurispr. 1992, blz. I-2111).
14 De in de onderhavige zaken ingediende opmerkingen zijn grotendeels gelijk aan die welke in de twee vorige procedures zijn geformuleerd. Zij bevatten bovendien een commentaar op voornoemde arresten. Zo hebben de OAE en de Griekse regering opgemerkt, dat de antwoorden die het Hof op de in die zaken gestelde prejudiciële vragen heeft gegeven, onjuist waren, omdat het Hof geen rekening heeft gehouden met alle gegevens die voor een juiste beantwoording noodzakelijk waren.
15 De OAE en de Griekse regering zijn namelijk van mening, dat het Hof, toen het die arresten wees, geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden waarin de Helleense Republiek de Tweede richtlijn in nationaal recht had omgezet, noch met de precieze aard van wet nr. 1386/1983, die het faillissementsrecht en de gedwongen executie betreft. Op dit laatste punt heeft de OAE gepreciseerd, dat de Gemeenschap volstrekt niet bevoegd was om in dit rechtsgebied in te grijpen. Ten slotte is de OAE van mening, dat het Hof geen rekening heeft gehouden met de feitelijke omstandigheden die de noodzaak van de verhoging van het kapitaal van de onder de regeling van wet nr. 1386/1983 geplaatste vennootschappen aantoonden.
16 In dit verband moet allereerst worden herinnerd aan enkele beginselen die de prejudiciële procedure van artikel 177 EEG-Verdrag beheersen. In de eerste plaats komt de bevoegdheid om de aan het Hof voor te leggen vragen vast te stellen alleen aan de nationale rechter toe en kunnen partijen in het hoofdgeding de inhoud daarvan niet wijzigen (zie in die zin het arrest van 9 december 1965, zaak 44/65, Hessische Knappschaft, Jurispr. 1965, blz. 1148). In de tweede plaats staat artikel 177 ° anders dan bij een beroep ex artikel 169 het geval is ° het Hof niet toe, het gemeenschapsrecht op een concreet geval toe te passen of te beslissen over vragen betreffende de overeenstemming van een intern rechtsvoorschrift met het Verdrag (zie in die zin het arrest van 15 juli 1964, zaak 6/64, Costa, Jurispr. 1964, blz. 1203).
17 Vervolgens dient te worden vastgesteld, dat de in de onderhavige zaken ingediende opmerkingen geen enkel nieuw beoordelingselement hebben aangebracht, dat voor het Hof aanleiding zou kunnen zijn om op de eerste twee prejudiciële vragen een ander antwoord te geven dan het in voornoemde arresten van 30 mei 1991 en 24 maart 1992 op woordelijk identieke prejudiciële vragen heeft gegeven.
18 Daarom volstaat het te verwijzen naar de motivering van die twee arresten en in het bijzonder naar het dictum van het arrest van 30 mei 1991, volgens hetwelk
° artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn voor de nationale rechter door een particulier tegenover de overheid kan worden ingeroepen, en
° artikel 25, juncto artikel 41, lid 1, van de Tweede richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die, teneinde het voortbestaan en de voortzetting van de activiteiten te waarborgen van ondernemingen die economisch en sociaal van bijzonder belang voor de samenleving zijn en die door hun zeer grote schuldenlast in een bijzondere situatie verkeren, bepaalt dat bij handeling van het bestuur tot verhoging van hun vennootschappelijk kapitaal kan worden besloten, onverminderd het voorkeursrecht van de oude aandeelhouders bij de uitgifte van nieuwe aandelen.
De derde vraag
19 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of beschikking 88/167 van de Commissie de Helleense Republiek heeft toegestaan, de met de Tweede richtlijn strijdige bepalingen van wet nr. 1386/1983 tot 31 december 1987 te handhaven.
20 In dit verband moet worden vastgesteld, conform het standpunt van de advocaat-generaal (punt 4 van zijn conclusie), dat de Commissie niet op grond van de haar bij artikel 93 EEG-Verdrag verleende beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot staatssteun de Lid-Staten kan machtigen, van andere bepalingen van gemeenschapsrecht dan die betreffende de toepassing van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag af te wijken.
21 Bovendien blijkt uit de bewoordingen zelf van beschikking 88/167, dat de Commissie geenszins de bedoeling had de Griekse autoriteiten te machtigen, van de toepassing van de Tweede richtlijn af te wijken. Door te verklaren dat de met die richtlijn onverenigbare bepalingen van wet nr. 1386/1983 vóór 31 december 1987 moesten worden gewijzigd, heeft de Commissie de Griekse regering immers uitdrukkelijk verzocht, die inbreuk op het gemeenschapsrecht te beëindigen.
22 Mitsdien moet op de derde vraag van het Efeteio Athinon worden geantwoord, dat beschikking 88/167 de Helleense Republiek niet heeft gemachtigd, de met de Tweede richtlijn strijdige bepalingen van wet nr. 1386/1983 tot uiterlijk 31 december 1987 te handhaven.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Efeteio Athinon bij arresten van 31 januari 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken, kan voor de nationale rechter door een particulier tegenover de overheid worden ingeroepen.
2) Artikel 25, juncto artikel 41, lid 1, van de Tweede richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die, teneinde het voortbestaan en de voortzetting van de activiteiten te waarborgen van ondernemingen die economisch en sociaal van bijzonder belang voor de samenleving zijn en die door hun zeer grote schuldenlast in een bijzondere situatie verkeren, bepaalt dat bij handeling van het bestuur tot verhoging van hun vennootschappelijk kapitaal kan worden besloten, onverminderd het voorkeursrecht van de oude aandeelhouders bij de uitgifte van nieuwe aandelen.
3) Beschikking 88/167/EEG van de Commissie van 7 oktober 1987 betreffende wet nr. 1386/1983 houdende een regeling van steunverlening door de overheid aan het Griekse bedrijfsleven, heeft de Helleense Republiek niet gemachtigd, de met de Tweede richtlijn strijdige bepalingen van wet nr. 1386/1983 tot uiterlijk 31 december 1987 te handhaven.
Full & Egal Universal Law Academy