Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Gemeenschappelijke handelspolitiek ° Verdediging tegen dumpingpraktijken ° Uitlegging van communautaire regelgeving ° Anti-dumpingrecht ° Toepassing van individueel aan exporteurs toegewezen tarieven van anti-dumpingrecht ° Export door intermediaire onderneming ° Geen invloed
(Verordening nr. 374/87 van de Raad, art. 1, lid 3)
Samenvatting
Artikel 1, lid 3, van verordening nr. 374/87 houdende definitieve inning van de bedragen die werden gestort als waarborg voor het voorlopige recht en houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van lagereenheden in kussenblokken van oorsprong uit Japan, dat voorziet in de toepassing van aan zeven met name genoemde exporteurs individueel toegewezen tarieven van het anti-dumpingrecht en van een hoger residueel tarief voor de overige exporteurs, moet worden uitgelegd niet alleen met inachtneming van de bewoordingen ervan, maar ook rekening houdend met de context en de doelstellingen van de regeling waartoe het behoort. Blijkens de basisverordening betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap, mogen de anti-dumpingrechten niet hoger zijn dan de marge van dumping en moeten zij lager zijn indien lagere rechten volstaan om de schade op te heffen. Er is sprake van miskenning van dit beginsel, dat eveneens is neergelegd in artikel 8 van de Anti-dumpingcode van het GATT, wanneer op een door een intermediaire onderneming uitgevoerd produkt een hoger anti-dumpingrecht zou moeten worden toegepast dan het recht dat van toepassing is wanneer hetzelfde produkt naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd door de onderneming die het haar heeft verkocht. Indien in laatstbedoeld geval het vastgestelde recht toereikend is geacht om de schade op te heffen, zou de toepassing van een hoger recht in het andere geval niet evenredig zijn aan het gestelde doel.
Bijgevolg moet artikel 1, lid 3, van verordening nr. 374/87 aldus worden uitgelegd, dat het voor de toepassing van het aan een met name genoemde exporteur individueel toegekende tarief van het anti-dumpingrecht volstaat, dat is bewezen, dat de ten invoer aangegeven lagereenheden in kussenblokken voor of door deze exporteur zijn vervaardigd.
Partijen
In zaak C-136/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg, in het aldaar aanhangig geding tussen
Findling Waelzlager Handelsgesellschaft mbh
en
Hauptzollamt Karlsruhe,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 374/87 van de Raad van 5 februari 1987 houdende definitieve inning van de bedragen die werden gestort als waarborg voor het voorlopige recht en houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van lagereenheden in kussenblokken van oorsprong uit Japan (PB 1987, L 35, blz. 32),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: R. Joliet, rechter, waarnemend voor de kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Findling Waelzlager Handelsgesellschaft mbH, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door M. Hofmann, advocaat te Karlsruhe,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door C.-M. Happe, ter beschikking van de Commissie gesteld nationaal ambtenaar,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie ter terechtzitting van 4 juni 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juli 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 7 mei 1991, ingekomen bij het Hof op 24 mei 1991, heeft het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 374/87 van de Raad van 5 februari 1987 houdende definitieve inning van de bedragen die werden gestort als waarborg voor het voorlopige recht en houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van lagereenheden in kussenblokken van oorsprong uit Japan (PB 1987, L 35, blz. 32; hierna: "verordening").
2 Die vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen Findling Waelzlager Handelsgesellschaft mbH (hierna: "verzoekster in het hoofdgeding") en het Hauptzollamt Karlsruhe (hierna: "Hauptzollamt").
3 Blijkens het dossier voerde Findling Waelzlager lagereenheden in kussenblokken uit Japan in, die aldaar in opdracht van de vennootschap Nachi Fujikoshi Corp. waren vervaardigd door Asahi Seiko Co. Ltd. Deze lagereenheden, van het merk Nachi, werden door Gloria International Corp. Osaka, Japan (hierna: "Gloria"), en Ehara Industries Ltd., Osaka, Japan (hierna: "Ehara"), aan verzoekster in het hoofdgeding verkocht. Op basis van de verordening werd over deze importen een anti-dumpingrecht van 13,39 % (hierna: "residueel tarief") geheven.
4 Na afwijzing van haar bezwaarschrift tegen deze beschikking van het Hauptzollamt ging verzoekster in het hoofdgeding in beroep bij het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg met het betoog, dat het op bovenbedoelde importen toegepaste tarief op een onjuiste uitlegging van artikel 1, lid 3, van de verordening berustte.
5 Van oordeel dat voor de beslechting van het geschil de uitlegging van deze bepaling noodzakelijk was, heeft het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Moet de tabel in artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 374/87 aldus worden uitgelegd, dat het voor toepassing van de naast de fabrikaten in kolom 3, sub 1-7, vermelde individuele tarieven van het anti-dumpingrecht volstaat, dat is bewezen dat de lagereenheden door of voor de corresponderende (in de kolom 'Exporteurs' genoemde) onderneming zijn vervaardigd?
2) Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord:
moet dan de laatste regel van de tabel in artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 374/87 (' 8. Andere; Produkten vervaardigd door: Fabrieksmerk of handelsmerk; Percentages: 13,39' ) aldus worden uitgelegd, dat hij de uitvoer van lagereenheden van willekeurige Japanse producenten zonder of met een willekeurig fabrieks- of handelsmerk door andere dan de sub 1-7 genoemde exporteurs betreft?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en van het rechtskader van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 Artikel 1, lid 3, van de verordening luidt als volgt:
"De hoogte van het anti-dumpingrecht, uitgedrukt als percentage van de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, wordt als volgt vastgesteld:
ExporteursProdukten vervaardigd doorFabrieksmerk
of
handelsmerkPercentages 1. Asahi Seiko Co. LtdAsahi Seiko Co. LtdASAHI4,582. Koyo Seiko Co.Nippon Pillow Block
Manufacturing Co.KOYO7,333. Nachi Fujikoshi Corp.Asahi Seiko Co. LtdNACHI2,244. Nippon Pillow Block Sales Co. LtdNippon Pillow Block Manufacturing Co.FYH3,775. Nippon Seiko KKNippon Seiko KKNSK13,396. NTN Toyo Bearing LtdNTN Toyo Bearing LtdNTN11,227. Showa Pillow Block Mfg. Co. LtdShowa Pillow Block Mfg. Co. LtdNBR3,998. Andere13,39"
8 De nationale rechter vraagt zich af of niet, afgezien van de letterlijke formulering van de bepaling, rekening moet worden gehouden met het doel ervan, dat erin bestaat anti-dumpingrechten vast te stellen, niet voor alle exporteurs, maar alleen voor ondernemingen die de produkten produceren of laten produceren. Wanneer het produkt wordt uitgevoerd door een onderneming die slechts een intermediaire rol speelt, zoals Gloria en Ehara, dient te worden onderzocht, of het produkt is geproduceerd door een van de ondernemingen die onder de nummers 1 tot en met 7 van de kolom "exporteurs" in bovenbedoelde tabel zijn vermeld. Indien dit het geval is, dient het voor deze onderneming geldende bijzondere tarief te worden toegepast. Alleen wanneer dit niet het geval is moet het sub 8 van de tabel genoemde residuele tarief van 13,39 % worden toegepast.
9 De verwijzende rechter wijst er evenwel op, dat een bepaling slechts bij wijze van uitzondering tegen haar bewoordingen mag worden uitgelegd, en dat een dergelijke uitlegging in casu moeilijk te rechtvaardigen valt, daar de doelstellingen van verordening nr. 374/87, anders dan bij andere verordeningen, niet in de considerans worden vermeld. Hij merkt voorts op, dat verordeningen die voor of na verordening nr. 374/87 zijn vastgesteld, zonder onderscheid betrekking hebben op producenten en exporteurs, daaronder begrepen exporteurs die enkel de functie van "intermediaire ondernemingen" vervullen.
10 Volgens de Commissie omvat nummer 8 ("Andere") van de kolom "Exporteurs", niet alleen exporteurs die tevens producent zijn of exporteurs die onder hun eigen fabrieksmerk of handelsmerk bij andere producenten gekochte produkten verkopen, maar ook exporteurs die het betrokken produkt kopen en onder het fabrieks- of handelsmerk van de producent verkopen. Deze letterlijke uitlegging van artikel 1, lid 3, van de verordening is noodzakelijk ten behoeve van de rechtszekerheid, die een eenvormige toepassing van de douanewetgeving binnen de Gemeenschap verlangt.
11 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht niet alleen te rade worden gegaan met de bewoordingen ervan, maar ook met het redeverband en de doelstellingen van de regeling waartoe zij behoort (arresten van 17 november 1983, zaak 292/82, Merck, Jurispr. 1983, blz. 3781, r.o. 12, en 21 februari 1984, zaak 337/82, St. Nikolaus Brennerei, Jurispr. 1984, blz. 1051, r.o. 10).
12 Uit artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 201, blz. 1), alsmede de latere verordening nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 (PB 1988, L 209, blz. 1) blijkt, dat de anti-dumpingrechten niet hoger mogen zijn dan de marge van dumping en dat zij lager moeten zijn indien lagere rechten volstaan om de schade op te heffen.
13 Er is sprake van miskenning van dit beginsel, dat eveneens is neergelegd in artikel 8 van de Anti-dumpingcode van de GATT (Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel) (PB 1980, L 71, blz. 90), wanneer op een door een bepaalde onderneming uitgevoerd produkt een hoger anti-dumpingrecht wordt toegepast dan het recht dat zou worden toegepast wanneer hetzelfde produkt naar de Gemeenschap werd uitgevoerd door de onderneming die het aan de betrokken onderneming heeft verkocht. Indien in het laatste geval het vastgestelde recht toereikend is geacht om de schade op te heffen, zou in een ander geval een hoger recht niet evenredig zijn aan het gestelde doel.
14 Deze uitlegging kan niet terzijde worden geschoven op grond van de noodzaak van eenvormige toepassing van de douaneregeling in de Gemeenschap, waartoe men door een letterlijke uitlegging van de in het geding zijnde bepaling zou komen. Die eenvormige toepassing moet immers worden verzekerd door een duidelijke, nauwkeurige en volledige formulering van de betrokken gemeenschapsregeling.
15 Bedoelde uitlegging kan evenmin worden verworpen met het argument, dat de betrokken partijen krachtens artikel 14 van de verordeningen nrs. 2176/84 en 2423/88, reeds aangehaald, kunnen verzoeken om een nieuw onderzoek van de verordeningen waarbij anti-dumpingrechten zijn ingesteld. Een dergelijk nieuw onderzoek kan namelijk slechts worden gerechtvaardigd door gewijzigde omstandigheden, hetgeen in het hoofdgeding niet het geval is, en kan hoe dan ook slechts plaatsvinden, indien ten minste één jaar is verlopen na de beëindiging van het onderzoek (artikel 14, lid 1, van de verordeningen nrs. 2176/84 en 2423/88, reeds aangehaald).
16 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de tabel in artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 374/87 van de Raad van 5 februari 1987 houdende definitieve inning van de bedragen die werden gestort als waarborg voor het voorlopige recht en houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van lagereenheden in kussenblokken van oorsprong uit Japan, aldus moet worden uitgelegd, dat het voor de toepassing van de individuele anti-dumpingrechten die aan de in de derde kolom onder de nummers 1 tot en met 7 genoemde merken individueel zijn toegekend, volstaat, dat is bewezen dat de lagereenheden in kussenblokken zijn vervaardigd door of voor de overeenkomstige onderneming genoemd in de kolom "exporteurs".
17 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft op de tweede vraag niet te worden beslist.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg bij beschikking van 7 mei 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De tabel in artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 374/87 van de Raad van 5 februari 1987 houdende definitieve inning van de bedragen die werden gestort als waarborg voor het voorlopige recht en houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van lagereenheden in kussenblokken van oorsprong uit Japan, moet aldus worden uitgelegd, dat het voor de toepassing van de individuele anti-dumpingrechten die aan de in de derde kolom onder de nummers 1 tot en met 7 genoemde merken individueel zijn toegekend, volstaat, dat is bewezen dat de lagereenheden in kussenblokken zijn vervaardigd door of voor de overeenkomstige onderneming genoemd in de kolom "exporteurs".
Full & Egal Universal Law Academy