Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale politiek ° Harmonisatie van wetgevingen ° Bescherming van werknemers bij insolventie van werkgever ° Richtlijn 80/987 ° Beroep op richtlijn door werknemers ter zake van gebeurtenissen die zich voor verstrijken van uitvoeringstermijn hebben voorgedaan ° Uitsluiting
(Richtlijn 80/987 van de Raad)
Samenvatting
Werknemers kunnen zich voor de nationale rechter niet beroepen op de bepalingen van richtlijn 80/987 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, om van een bij nationale wet ingesteld waarborgfonds betaling te verkrijgen van de in die wet voorziene uitkering bij beëindiging van de arbeidsverhouding zonder dat rekening wordt gehouden met de door diezelfde wet gestelde tijdsvoorwaarde ° te weten dat de uitkeringen uit het fonds enkel worden toegekend indien de beëindiging van de arbeidsverhouding en de faillissements- of executieprocedure na de inwerkingtreding van de wet hebben plaatsgevonden °, wanneer die gebeurtenissen, wat de betrokken werknemers betreft, zich vóór afloop van de termijn voor omzetting van de richtlijn hebben voorgedaan.
Immers, alleen wanneer een Lid-Staat een richtlijn bij afloop van de voor haar tenuitvoerlegging vastgestelde termijn niet naar behoren heeft uitgevoerd, kunnen particulieren onder bepaalde voorwaarden voor de nationale rechterlijke instanties rechten doen gelden die zij rechtstreeks aan de bepalingen van de richtlijn ontlenen.
Partijen
In de gevoegde zaken C-140/91, C-141/91, C-278/91 en C-279/91,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Pretura circondariale di Bologna, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
M. Suffritti,
G. Fiori,
M. Giacometti,
M. Dal Pane,
L. Balletti
en
Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB 1980, L 283, blz. 23),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, R. Joliet en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° M. Suffritti en G. Fiori, vertegenwoordigd door B. Bargellini en S. Bargellini, advocaten te Bologna,
° M. Giacometti, M. Dal Pane en L. Balletti, vertegenwoordigd door B. Micolano, advocaat te Bologna, en G. Celona, advocaat te Milaan,
° het Istituto nazionale della previdenza sociale, vertegenwoordigd door M. Boer, advocaat te Rome, en M. Marri, advocaat te Bologna,
° de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder en J. Karl, Regierungsdirektor respectievelijk Oberregierungsrat bij het Ministerie van Economische zaken, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis en G. Berardis en K. Banks, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, laatstgenoemde bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Giacometti, Dal Pane en Balletti, van het Istituto nazionale della previdenza sociale, vertegenwoordigd door M. Acquaviva, advocaat te Bologna, en van de Commissie, vertegenwoordigd door E. Traversa en K. Banks, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat, ter terechtzitting van 29 oktober 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van dezelfde dag,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 2 januari 1991 (zaken C-140/91 en C-141/91), 23 juli 1991 (zaak C-278/91) en 25 juli 1991 (zaak C-279/91), ingekomen ten Hove op respectievelijk 27 mei en 31 oktober 1991, heeft de Pretura circondariale di Bologna krachtens artikel 177 EEG-Verdrag prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB 1980, L 283, blz. 23).
2 Deze vragen zijn gerezen in gedingen tussen enerzijds Suffritti, Fiori, Giacometti, Dal Pane en Balletti en anderzijds het Istituto nazionale della previdenza sociale (hierna: "INPS"), dat hun de uitkering bij beëindiging van de arbeidsverhouding had ontzegd.
3 Richtlijn 80/987 beoogt werknemers een communautaire minimumbescherming te bieden bij insolventie van de werkgever, onverminderd in de Lid-Staten geldende gunstiger bepalingen. Hiertoe voorziet zij met name in bijzondere garanties voor de betaling van hun onvervulde loonaanspraken.
4 Volgens artikel 11 waren de Lid-Staten gehouden de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 23 oktober 1983 aan de richtlijn te voldoen. Aangezien de Italiaanse Republiek deze verplichting niet was nagekomen, heeft het Hof haar nalaten bij arrest van 2 februari 1989 (zaak 22/87, Commissie/Italië, Jurispr. 1989, blz. 143) vastgesteld.
5 Suffritti en Fiori waren vanaf 24 mei 1971 respectievelijk 27 september 1971 werknemers bij de vennootschap Tecnoquarzi. Wegens niet-betaling van hun loon namen zij ontslag op 11 september 1981 respectievelijk 30 april 1981. Op 6 november 1982 verklaarde het Tribunale di Bologna de vennootschap Tecnoquarzi failliet, waarna de vorderingen van Suffritti en Fiori ter zake van de uitkering wegens beëindiging van de arbeidsverhouding werden ingeschreven onder de passiva van de vennootschap. Giacometti, Dal Pane en Balletti waren werknemers bij Giuseppe Minganti SpA, de twee eerstgenoemden tot 24 maart 1982 en laatstgenoemde tot 11 september 1981, op welke data zij vrijwillig ontslag namen wegens niet-betaling van hun loon. Op 17 mei 1983 verklaarde het Tribunale di Bologna de vennootschap failliet en de vorderingen van verzoekers werden onder haar passiva ingeschreven. Geen enkele betaling is hierop gevolgd.
6 De partijen in de vier zaken hebben overeenkomstig de Italiaanse wet nr. 297/82 (GURI nr. 147 van 31.6.1982) het waarborgfonds verzocht om betaling van de uitkering bij beëindiging van de arbeidsverhouding. De verzoeken werden afgewezen op grond van artikel 2 van de wet, dat bepaalt dat de beëindiging van de arbeidsverhouding moet hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding van de wet, hetgeen in de zaken ten principale niet het geval was.
7 Verzoekers hebben zich daarop tot de Pretore di Bologna gewend, zich beroepend op de bepalingen van richtlijn 80/987 en op voornoemd arrest Commissie/Italië.
8 In deze omstandigheden heeft de nationale rechter het Hof in nagenoeg gelijke bewoordingen de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Is richtlijn 80/987 rechtstreeks toepasselijk?
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 De gestelde vragen komen in wezen hierop neer, of werknemers zich voor een nationale rechter op de bepalingen van richtlijn 80/987 kunnen beroepen om van het krachtens de Italiaanse wet nr. 297/82 ingestelde waarborgfonds betaling van de in die wet voorziene uitkering bij beëindiging van de arbeidsverhouding te verkrijgen, zonder rekening te houden met de daarin opgenomen tijdsvoorwaarde, volgens welke de betrokken uitkeringen van het fonds alleen worden toegekend indien de beëindiging van de arbeidsverhouding en de faillissements- of executieprocedure na de inwerkingtreding van de wet hebben plaatsgevonden.
11 Vastgesteld zij, dat de termijn voor omzetting van richtlijn 80/987 eerst op 23 oktober 1983 afliep en dat zowel de insolventverklaringen als de beëindigingen van de arbeidsverhouding in de zaken ten principale hebben plaatsgevonden op data vóór afloop van die termijn.
12 Bijgevolg kunnen de werknemers zich niet op de bepalingen van de richtlijn beroepen om de toepassing van bepalingen van de nationale wet te ontgaan.
13 Immers, alleen wanneer een Lid-Staat een richtlijn bij afloop van de voor haar tenuitvoerlegging vastgestelde termijn niet naar behoren heeft uitgevoerd, kunnen particulieren, volgens de rechtspraak van het Hof, onder bepaalde voorwaarden voor de nationale rechterlijke instanties rechten doen gelden die zij rechtstreeks aan de bepalingen van de richtlijn ontlenen.
14 Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat werknemers zich voor de nationale rechterlijke instanties niet op de bepalingen van richtlijn 80/987 kunnen beroepen om van het krachtens de Italiaanse wet nr. 297/82 ingestelde waarborgfonds betaling van de in die wet voorziene uitkering bij beëindiging van de arbeidsverhouding te verkrijgen, zonder rekening te houden met de daarin opgenomen tijdsvoorwaarde, volgens welke de betrokken uitkeringen van het fonds alleen worden toegekend indien de beëindiging van de arbeidsverhouding en de faillissements- of executieprocedure na de inwerkingtreding van de wet hebben plaatsgevonden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 De kosten door de Italiaanse en de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Pretura circondariale di Bologna bij beschikkingen van 25 januari, 23 juli en 25 juli 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Werknemers kunnen zich voor de nationale rechterlijke instanties niet beroepen op de bepalingen van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, om van het krachtens de Italiaanse wet nr. 297/82 ingestelde waarborgfonds betaling van de in die wet voorziene uitkering bij beëindiging van de arbeidsverhouding te krijgen, zonder rekening te houden met de daarin opgenomen tijdsvoorwaarde, volgens welke de betrokken uitkeringen van het fonds alleen worden toegekend indien de beëindiging van de arbeidsverhouding en de faillissements- of executieprocedure na de inwerkingtreding van de wet hebben plaatsgevonden.
Full & Egal Universal Law Academy